St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

REGELING  WIJZIGING  BEDRAGEN  AOW  PER  1  JANUARI  2002
 
 
22 november 2001, Stcrt. 2001, 228
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
(T.a.v. artt. 12:1 en 30:1 AOW)

 

 

 

 
22 november 2001/nr. SV/VP/01/78487

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
     Gelet op de artikelen 12, eerste lid, en 30, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
De in artikel 9, tiende lid, onderdeel a, b en c, van de Algemene Ouderdomswet genoemde bedragen worden vervangen door €|869,24, €|598,07 onderscheidenlijk €|1077,54.

 

Art. 2.
De in artikel 29, zesde lid, onderdeel a, b, c en d, van de Algemene Ouderdomswet genoemde bedragen worden vervangen door €|62,08, €|55,87, €|43,45 onderscheidenlijk €|31,04.

 

Art. 3.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 22 november 2001.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
.

 

 

 

TOELICHTING
[22 november 2001]

 

1. Inleiding


     Deze regeling strekt ertoe het ouderdomspensioen en de vakantie-uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) per 1 januari 2002 aan te passen. Deze aanpassing is noodzakelijk in verband met de onverkorte nettokoppeling van de uitkeringen op grond van de AOW aan het wettelijk minimumloon. Het brutominimumloon wordt met ingang van 1 januari 2002 verhoogd met 2,22% en vastgesteld in euro's. De fiscale ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting blijven voor de berekening van de loonheffing buiten beschouwing, waardoor de feitelijk betaalde nettopensioenen hoger zullen zijn dan die volgens de koppelingssystematiek worden vastgesteld. Ingeval sprake is van een AOW-gerechtigde met jongere partner, zal bij de loonheffing op het AOW-pensioen met toeslag slechts eenmaal de algemene heffingskorting (voor personen van 65 jaar of ouder) worden verrekend. Dit beïnvloedt dus het feitelijk te ontvangen netto-AOW-pensioen. Daar staat tegenover dat de jongere partner zelf het bedrag van de algemene heffingskorting (voor personen jonger dan 65 jaar) ontvangt via een voorlopige teruggaaf van de belastingdienst. Het totale bedrag van de te ontvangen heffingskortingen kan echter niet hoger zijn dan de te betalen loonheffing door beide partners.

 

2. Vaststelling pensioenbedragen AOW


     In artikel 9 van de AOW is het beginsel neergelegd dat:
- het netto-ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde gelijk is aan 70% van het nettominimumloon per maand;
- het netto-ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde gelijk is aan 50% van het nettominimumloon per maand; en
- het netto-ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde die een kind heeft dat jonger is dan 18 jaar en voor wie hij of zij kinderbijslag ontvangt of zal ontvangen, gelijk is aan 90% van het nettominimumloon per maand.
     Voorts heeft de gehuwde pensioengerechtigde van wie de echtgenoot nog geen 65 jaar is, onder bepaalde voorwaarden aanspraak op een toeslag. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de jongere echtgenoot. Van inkomen uit arbeid wordt een gedeelte niet in mindering gebracht op de toeslag. Deze vrijlating bedraagt 15% van het brutominimumloon plus een derde gedeelte van het meerdere aan bruto-inkomen. Deze vrijlating geldt niet voor inkomen in verband met arbeid.
     In artikel 9, negende lid, van de AOW is bepaald dat de volledige brutotoeslag gelijk is aan het bruto-ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde.
     Ingevolge artikel 12 van de AOW dienen de pensioenbedragen, genoemd in artikel 9, tiende lid, van de AOW, telkens te worden herzien indien en voor zover in de hiervoor genoemde nettokoppelingen een verstoring optreedt.
     In onderstaand overzicht zijn de nieuwe nettovergelijkingen weergegeven in eurobedragen:

xxxxxxxxxxxxxxxxx Minimumloon AOWrgehuwd AOWrongehuwd AOWrongehuwd,
kind <18 jaar
Bruto per maand 1206,60xxr 598,07xxx 869,24xxxx 1077,54xxxx
Premie Zfw ¹ 20,51xxr 50,01xxx 72,55xxxx 90,10xxxx
Premie WW ² 0,73xxr xxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxx
Loonheffing ³ 138,66xxr 24,71xxx 64,00xxxx 45,41xxxx
Netto per maand 1046,70xxr 523,35xxx 732,69xxxx 942,03xxxx

1. Premie Zfw: 1,7% werknemersdeel en 6,25% werkgeversdeel; over het AOW-pensioen bedraagt de premie 7,95%.
2. Premie WW: 4,95% met een franchise van €|55,- per dag.
3. Loonheffing: 32,35% heffingstarief 1e schijf voor personen jonger dan 65 jaar;
37,85% heffingstarief 2e schijf voor personen jonger dan 65 jaar;
14,45% heffingstarief 1e schijf voor personen van 65 jaar of ouder;
19,95% heffingstarief 2e schijf voor personen van 65 jaar of ouder.


     Bij bovenstaande vergelijking moeten nog de volgende kanttekeningen worden gemaakt.
     Voor de berekening van de loonheffing is ten aanzien van gehuwde pensioengerechtigden van wie ook de echtgenoot 65 jaar of ouder is, uitgegaan van een fictief bedrag. Dit bedrag wordt berekend door de loonheffing vast te stellen over een bedrag van tweemaal het gehuwdenpensioen volgens de tabel voor boven-65-jarigen, rekening houdend met tweemaal de algemene heffingskorting (65+) en zonder rekening te houden met de ouderenkortingen. De helft van de aldus berekende loonheffing wordt in mindering gebracht op het gehuwdenpensioen. Deze inhouding kan in werkelijkheid niet voorkomen.
     Voor het vaststellen van de loonheffing op het ouderdomspensioen van een ongehuwde pensioengerechtigde met een kind jonger dan 18 jaar wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting (65+) en de alleenstaandeouderkorting (65+). Ten aanzien van de overige ongehuwde pensioengerechtigden wordt de loonheffing bepaald met inachtneming van eenmaal de algemene heffingskorting (65+).
     De volledige brutotoeslag op het ouderdomspensioen voor een gehuwde met een echtgenoot jonger dan 65 jaar is gelijk aan het bruto-ouderdomspensioen voor een gehuwde.

 

3. Vaststelling vakantie-uitkeringen AOW


     Op grond van artikel 29, eerste lid, van de AOW gelden voor de vakantie-uitkering de volgende nettogelijkheden:
- de nettovakantie-uitkering per maand voor een gehuwde pensioengerechtigde met een volledige toeslag is gelijk aan de nettovakantie-uitkering van het minimumloon per maand;
- de nettovakantie-uitkering per maand voor een ongehuwde pensioengerechtigde met een kind tot 18 jaar is gelijk aan 90% van de nettovakantie-uitkering van het minimumloon per maand;
- de nettovakantie-uitkering per maand voor een ongehuwde pensioengerechtigde is gelijk aan 70% van de nettovakantie-uitkering van het minimumloon per maand; en
- de nettovakantie-uitkering per maand voor een gehuwde pensioengerechtigde zonder toeslag of met een echtgenoot van 65 jaar of ouder, is gelijk aan 50% van de nettovakantie-uitkering van het minimumloon per maand.
     In artikel 30 van de AOW is bepaald dat de uitkeringsbedragen, genoemd in artikel 29 van de AOW, telkens worden herzien voor zover in de hiervoor vermelde nettogelijkheden een verstoring optreedt.
     In onderstaand overzicht zijn de nieuwe nettovergelijkingen in eurobedragen weergegeven:

xxxxxxxxxxxxxxxxx Minimumloon AOWrgehuwd AOWrongehuwd AOWrongehuwd,
kind <18 jaar
Bruto per maand 96,52xxx 31,04xxx| 43,45xxxx| 55,87xxxxr
Premie Zfw 1,64xxx xxx| xxxx| xxxxr
Premie WW 4,77xxx xxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxx
Loonheffing 37,00xxx 4,48xxx| 6,27xxxx| 8,07xxxxr
Netto per maand 53,11xxx 26,56xxx| 37,18xxxx| 47,80xxxxr

 

 
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x