|
23 mei 2002/nr.
02/33682
Directie ASEA/LIV
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag;
Besluit:
Art.
1.
De bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, b
en c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, worden
met ingang van 1 juli 2002 onderscheidenlijk als volgt vastgesteld:
a. |1231,80;
b. |284,25;
c. |56,85.
Art.
2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2002.
s-Gravenhage, 23 mei
2002.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
[23 mei 2002]
Uitgangspunt van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna te
noemen WML), zoals gewijzigd bij Wet van 14 november 1991, Stb.
1991, 624 (Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid, hierna te noemen
WKA), is dat de algemene welvaartsontwikkeling zo mogelijk ook tot
uitdrukking moet komen in de inkomens van werknemers met minimumloon
en uitkeringsgerechtigden. Dit uitgangspunt is vervat in de hoofdregel
van de WML die bestaat uit een koppeling van het minimumloon en de
sociale uitkeringen aan de gemiddelde contractloonontwikkeling.
Afwijking van de hoofdregel is mogelijk indien
sprake is van een bovenmatige loonontwikkeling dan wel
volumeontwikkeling in de socialezekerheidsregelingen
(artikel 14, vijfde lid, WML). De
toelichting bij de WKA geeft aan dat de afwijkingsgronden actueel zijn
indien de verhouding tussen inactieven en actieven de daarvoor geldende
norm niet overschrijdt. Voor 2002 is dit niet het geval.
In artikel 14, eerste tot en met derde lid, van
de WML
wordt de aanpassing van het minimumloon geregeld. Hierbij wordt
uitgegaan van het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de
contractlonen in de marktsector, de gepremieerde en gesubsidieerde
sector, en bij de overheid, zoals dat door het CPB wordt berekend [Centraal Planbureau,
red.].
Het aanpassingspercentage is, conform hetgeen
wettelijk is geregeld, als volgt vastgesteld. Uitgangspunt is de helft
van de CPB-raming voor de contractloonstijging in 2002 zoals deze is
gepubliceerd in de MEV 2002 [Macro Economische Verkenning
2002, red.]. Dit is 0,5 * 3,76
= 1,88. Deze wordt afgetrokken van de raming voor de
contractloonontwikkeling in 2002 zoals gepubliceerd in het CEP 2002
[Centraal Economisch Plan 2002, red.],
zijnde 3,97. Dit verschil bedraagt 2,09 en vormt het onafgeronde
aanpassingspercentage. Dit wordt vermenigvuldigd met het (onafgeronde)
wettelijk minimumloon zoals berekend voor de aanpassing per 1 januari
2002. Na (wettelijke) afronding bedraagt het bruto wettelijk minimumloon
per 1 juli 2002 |1231,80 per maand, |248,25
per week en |56,85 per dag. Het
aanpassingspercentage na afronding is 2,09.
De hiermee corresponderende wettelijke
minimumjeugdlonen bedragen op grond van de staffeling geregeld in het
Koninklijk besluit van 29 juni 1983 (Stb. 1983, 300) per 1 juli
2002:
Wettelijke minimumjeugdlonen
per 1 juli 2002:
| Leeftijdxx| |
Staffelings-
percentage |
Per
maand |
Per
week |
Per
dag |
| 22
jaar |
85 |
|1047,05 |
|241,65 |
|48,33 |
| 21
jaar |
72,5 |
|
893,05 |
|206,10 |
|41,22 |
| 20
jaar |
61,5 |
|
757,55 |
|174,80 |
|34,96 |
| 19
jaar |
52,5 |
|
646,70 |
|149,25 |
|29,85 |
| 18
jaar |
45,5 |
|
560,45 |
|129,35 |
|25,87 |
| 17
jaar |
39,5 |
|
486,55 |
|112,30 |
|22,46 |
| 16
jaar |
34,5 |
|
424,95 |
|
98,05 |
|19,61 |
| 15
jaar |
30 |
|
369,55 |
|
85,30 |
|17,06 |
Volgens artikel 12 van de WML is bij een
kortere arbeidstijd dan de gebruikelijke het minimum(jeugd)loon
naar evenredigheid lager. Dit is bijvoorbeeld van toepassing als
werknemers in het kader van de partiλle leerplicht een aantal dagen per
week onderwijs volgen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
|
|