|
10 oktober 2002/nr. ASEA/LIV/02/68439
Directie Algemene Sociaal-Economische Aangelegenheden
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag;
Besluit:
Art.
1.
De bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, b
en c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, worden met ingang van 1
januari 2003 onderscheidenlijk als volgt vastgesteld:
a. |1249,20;
b. |288,30;
c. |57,66.
Art.
2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2003.
s-Gravenhage, 10
oktober 2002.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[10 oktober 2002]
Uitgangspunt van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna te noemen WML), zoals
gewijzigd bij Wet van 14 november 1991, Stb. 1991, 624 (Wet
koppeling met afwijkingsmogelijkheid, hierna te noemen WKA), is dat de
algemene welvaartsontwikkeling ook tot uitdrukking moet komen in de
inkomens van werknemers en uitkeringsgerechtigden op minimumniveau,
tenzij dit niet tot een structurele inkomensverbetering zou leiden. Dit
uitgangspunt is vervat in de hoofdregel van de WML die bestaat uit een
koppeling van het minimumloon en de sociale
uitkeringen aan de gemiddelde contractloonontwikkeling.
Afwijking van de hoofdregel is mogelijk indien
sprake is van een bovenmatige loonontwikkeling dan wel een bovenmatige
volumeontwikkeling in de socialezekerheidsregelingen
(artikel 14, vijfde lid, WML).
De toelichting bij de WKA geeft aan dat de afwijkingsgronden actueel
zijn indien de verhouding tussen inactieven en actieven de actuele norm
overschrijdt. Voor 2003 geldt dat deze I/A-verhouding onder de
geformuleerde norm van 82,6 blijft.
In artikel 14, eerste tot en met derde lid, van
de WML
wordt de reguliere aanpassing van het minimumloon geregeld. Hierbij
wordt uitgegaan van het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van
de contractlonen in de marktsector, de gepremieerde en gesubsidieerde
sector, en bij de overheid, zoals dat door het CPB [Centraal Planbureau,
red.] wordt berekend.
Het reguliere aanpassingspercentage is, conform
hetgeen wettelijk is geregeld, als volgt vastgesteld. Uitgangspunt is de
helft van de CPB-raming voor de contractloonstijging in 2002 zoals deze
is gepubliceerd in de MEV 2003 [Macro Economische Verkenning 2003, red.].
Dit is 0,5 * 3,16 = 1,58. Hierbij wordt opgeteld het verschil in de
contractloonraming voor 2002 tussen hetgeen is gepubliceerd in de MEV
2003 en het CEP 2002 [Centraal Economisch Plan 2002, red.]. Dit
verschil bedraagt -0,15 (3,82 minus 3,97), zodat het onafgeronde
aanpassingspercentage 1,43 bedraagt. Na (wettelijke) afronding bedraagt
het bruto wettelijk minimumloon per 1 januari 2003 |1249,20
per maand, |288,30 per week en |57,66
per dag. Het aanpassingspercentage bedraagt na afronding 1,41.
De hiermee corresponderende wettelijke
minimumjeugdlonen bedragen op grond van de staffeling geregeld in het
Koninklijk besluit van 29 juni 1983, Stb. 1983, 300, per 1
januari 2003:
Wettelijke minimumjeugdlonen
per 1 januari 2003:
| Leeftijdxx| |
Percentage
minimumloon |
Per
maand |
Per
week |
Per
dag |
| 22
jaar |
85 |
|1061,80 |
|245,05 |
|49,01 |
| 21
jaar |
72,5
|
|
905,65 |
|209,00 |
|41,80 |
| 20
jaar |
61,5
|
|
768,25 |
|177,30 |
|35,46 |
| 19
jaar |
52,5
|
|
655,85 |
|151,35 |
|30,27 |
| 18
jaar |
45,5
|
|
568,40 |
|131,15 |
|26,23 |
| 17
jaar |
39,5
|
|
493,45 |
|113,85 |
|22,77 |
| 16
jaar |
34,5
|
|
430,95 |
|
99,45 |
|19,89 |
| 15
jaar |
30
|
|
374,75 |
|
86,50 |
|17,30 |
Volgens artikel 12 van de WML is bij een kortere arbeidstijd dan de
gebruikelijke het minimum(jeugd)loon naar
evenredigheid lager. Dit is bijvoorbeeld van toepassing als werknemers
in het kader van de partiλle leerplicht een aantal dagen per week
onderwijs volgen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
|
|