St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

             

 
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

REGELING  AANPASSING  WETTELIJK  MINIMUMLOON  PER  1  JULI  1996
 
 
26 april 1996, Stcrt. 1996, 90
Inwerkingtreding: 1 juli 1996
(T.a.v. art. 14:1 WML)

 

  
•
•
•
•
 

 

 
26 april 1996/nr. ASEA/HVI/0320
Directie Algemene Sociaal-Economische Aangelegenheden

 

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
De bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, b en c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, worden met ingang van 1 juli 1996 onderscheidenlijk als volgt vastgesteld:
a. ƒ2203,50;
b. ƒ508,50;
c. ƒ101,70.

 

Art. 2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1996.

 

 

’s-Gravenhage, 25 april 1996.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert
.

 

 

 

TOELICHTING
[25 april 1996]

 

     Uitgangspunt van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals gewijzigd bij de Wet van 14 november 1991, Stb. 1991, 624 (Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid, hierna te noemen WKA), is dat de algemene welvaartsontwikkeling niet alleen ten goede moet komen aan degenen die werken, maar ook, indien mogelijk, tot uitdrukking moet komen in de inkomens van inactieven. Dit uitgangspunt is vervat in de hoofdregel van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag die bestaat uit een koppeling van het minimumloon en de sociale uitkeringen aan de gemiddelde contractloonontwikkeling.
     Afwijking van de hoofdregel is mogelijk indien sprake is van een bovenmatige loonontwikkeling dan wel volumeontwikkeling in de socialezekerheidsregelingen (artikel 14, vijfde lid, Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag). De toelichting bij de WKA geeft aan dat dit het geval is indien de verhouding tussen inactieven en actieven de norm van 82,6 overschrijdt. Blijft de I/A-verhouding onder de norm, dan geldt de hoofdregel.
     Voor 1996 raamde het Centraal Planbureau (Macro Economische Verkenning 1996, september 1995) de verhouding inactieven/actieven op 81,4, hetwelk 1,2 procentpunt lager is dan de I/A-norm. Dit gegeven leidde tot koppeling in 1996.
     Per 1 januari 1996 zijn de minimumlonen aangepast conform de voorgeschreven berekeningsmethodiek. Inclusief de voorgeschreven wettelijke afronding heeft dit geleid tot een verhoging van het wettelijk minimumloon per die datum met 0,96%.
     In artikel 14, eerste tot en met derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt de aanpassing van het minimumloon geregeld. Voor de aanpassing per 1 juli wordt uitgegaan van het verschil tussen de helft van de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in de Macro Economische Verkenning in het voorgaande jaar, was geraamd en de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens de bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, nader is geraamd.
     Toepassing van de voorgeschreven berekeningsmethodiek, waarbij geen rekening is gehouden met de voorgeschreven wettelijke afronding, resulteert in een verhoging van het wettelijk minimumloon van 0,85% per 1 juli 1996. Na de genoemde voorgeschreven wettelijke afronding stijgt het minimumloon per 1 juli 1996 met 0,89% tot ƒ2203,50 per maand, ƒ508,50 per week en ƒ101,70 per dag.
     De hiermee corresponderende jeugdlonen bedragen op grond van de staffeling geregeld in het Koninklijk besluit van 29 juni 1983, Stb. 1983, 300, per 1 juli 1996:

Minimumjeugdlonen per 1 juli 1996:

Leeftijdxx| Percentage
minimumloon
Per maand Per week Per dag
22 jaar 85 ƒ1873,00 ƒ432,20 ƒ86,44
21 jaar 72,5 ƒ1597,50 ƒ368,70 ƒ73,74
20 jaar 61,5 ƒ1355,20 ƒ312,70 ƒ62,54
19 jaar 52,5 ƒ1156,80 ƒ267,00 ƒ53,40
18 jaar 45,5 ƒ1002,60 ƒ231,40 ƒ46,28
17 jaar 39,5 ƒx870,40 ƒ200,90 ƒ40,18
16 jaar 34,5 ƒx760,20 ƒ175,40 ƒ35,08
15 jaar 30 ƒx661,10 ƒ152,60 ƒ30,52

 
     Alle genoemde bedragen hebben een brutokarakter.
     Volgens artikel 12 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is bij een kortere arbeidstijd dan de gebruikelijke het minimum(jeugd)loon naar evenredigheid lager. Dit is onder meer van toepassing wanneer werknemers in het kader van de partiλle leerplicht een aantal dagen per week onderwijs volgen.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
A.P.W. Melkert
.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x