|
9 juni 1997/nr. ASEA/HVI/97/0600
Directie Algemene Sociaal-Economische Aangelegenheden
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag;
Besluit:
Art.
1.
De bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, b
en c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, worden
met ingang van 1 juli 1997 onderscheidenlijk als volgt vastgesteld:
a. 2243,80;
b. 517,80;
c. 103,56.
Art.
2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1997.
s-Gravenhage, 9 juni
1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
TOELICHTING
[9 juni 1997]
Uitgangspunt van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals
gewijzigd bij de Wet van 14 november 1991, Stb. 1991, 624 (Wet koppeling met
afwijkingsmogelijkheid, hierna te noemen WKA) is dat de algemene
welvaartsontwikkeling niet alleen ten goede komt aan degenen die werken
maar zo mogelijk ook tot uitdrukking moet komen in de inkomens van
inactieven. Dit uitgangspunt is vervat in de hoofdregel van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag die bestaat uit een koppeling van
het minimumloon
en de sociale uitkeringen aan de gemiddelde
contractloonontwikkeling.
Afwijking van de hoofdregel is mogelijk indien
sprake is van een bovenmatige loonontwikkeling dan wel
volumeontwikkeling in de socialezekerheidsregelingen
(artikel 14,
vijfde lid, Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag). De toelichting
bij de WKA geeft aan dat de afwijkingsgronden actueel zijn indien de
verhouding tussen inactieven en actieven een norm van 82,6 overschrijdt.
Blijft de I/A-verhouding onder deze norm, dan geldt de hoofdregel. Voor
1997 geldt dat de I/A-verhouding ruim onder de geformuleerde norm
blijft. Dit gegeven leidt dus tot koppeling in 1997.
In artikel 14, eerste tot en met derde lid, van
de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt de aanpassing van het
minimumloon geregeld. Hierbij wordt uitgegaan van het gemiddelde van de
procentuele ontwikkeling van de contractlonen in marktsector,
gepremieerde en gesubsidieerde sector, en bij de overheid, zoals deze
door het CPB [Centraal Planbureau,
red.] wordt bekendgemaakt.
Het aanpassingspercentage is, conform hetgeen
wettelijk is geregeld, als volgt berekend. Uitgangspunt is de helft van
de CPB-raming voor de contractloonstijging in 1997 zoals deze is
gepubliceerd in de MEV 1997 [Macro Economische Verkenning
1997, red.]. Dit is 0,5 * 2,14 = 1,07. Deze wordt
afgetrokken van de raming voor de contractloonontwikkeling in 1997 zoals
gepubliceerd in het CEP 1997
[Centraal Economisch Plan 1997, red.], zijnde eveneens 2,14. Dit verschil
bedraagt 1,07 en vormt het onafgeronde aanpassingspercentage. Dit wordt
vermenigvuldigd met het (onafgeronde) wettelijk minimumloon zoals berekend voor de
aanpassing per 1 januari 1997. Na (wettelijke) afronding bedraagt het wettelijk minimumloon
per 1 juli 1997 2243,80 per maand, 517,80 per week en 103,56
per dag. Het aanpassingspercentage na afronding is 1,05. Alle genoemde
bedragen hebben een brutokarakter.
De hiermee corresponderende wettelijke
minimumjeugdlonen bedragen op grond van de staffeling geregeld in het
Koninklijk besluit van 29 juni 1983, Stb. 1983, 300, per 1 juli 1997:
Wettelijke minimumjeugdlonen
per 1 juli 1997:
| Leeftijdxx| |
Percentage
minimumloon |
Per
maand |
Per
week |
Per
dag |
| 22
jaar |
85 |
1907,20 |
440,10 |
88,02 |
| 21
jaar |
72,5 |
1626,80 |
375,40 |
75,08 |
| 20
jaar |
61,5 |
1379,90 |
318,40 |
63,68 |
| 19
jaar |
52,5 |
1178,00 |
271,80 |
54,36 |
| 18
jaar |
45,5 |
1020,90 |
235,60 |
47,12 |
| 17
jaar |
39,5 |
x886,30 |
204,50 |
40,90 |
| 16
jaar |
34,5 |
x774,10 |
178,60 |
35,72 |
| 15
jaar |
30 |
x673,10 |
155,30 |
31,06 |
Volgens artikel 12 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag is bij een kortere arbeidstijd dan de
gebruikelijke het minimum(jeugd)loon
naar evenredigheid lager. Dit is
onder meer van toepassing wanneer werknemers in het kader van de partiλle
leerplicht een aantal dagen per week onderwijs volgen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
|
|