|
26 april 1999/nr. ASEA/LIV/99/20947
Directie Algemene Sociaal-Economische Aangelegenheden
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag;
Besluit:
Art.
1.
De bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, b
en c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, worden
met ingang van 1 juli 1999 onderscheidenlijk als volgt vastgesteld:
a. 2376,40;
b. 548,40;
c. 109,68.
Art.
2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1999.
s-Gravenhage, 26 april
1999.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
TOELICHTING
[26 april 1999]
Uitgangspunt van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna te
noemen WML), zoals gewijzigd bij Wet van 14 november 1991, Stb.
1991, 624 (Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid, hierna te noemen
WKA), is dat de algemene welvaartsontwikkeling zo mogelijk ook tot
uitdrukking moet komen in de inkomens van uitkeringsgerechtigden. Dit
uitgangspunt is vervat in de hoofdregel van de WML die bestaat uit een
koppeling van het minimumloon
en de sociale uitkeringen aan de
gemiddelde contractloonontwikkeling.
Afwijking van de hoofdregel is mogelijk indien
sprake is van een bovenmatige loonontwikkeling dan wel
volumeontwikkeling in de socialezekerheidsregelingen
(artikel 14, vijfde lid, WML). De
toelichting bij de WKA geeft aan dat de afwijkingsgronden actueel zijn
indien de verhouding tussen inactieven en actieven een norm van 82,6
overschrijdt. Voor 1999 geldt dat de I/A-verhouding onder de
geformuleerde norm blijft.
In artikel 14, eerste tot en met derde lid, van
de WML
wordt de aanpassing van het minimumloon geregeld. Hierbij wordt
uitgegaan van het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de
contractlonen in de marktsector, de gepremieerde en gesubsidieerde
sector, en bij de overheid, zoals dat door het CPB [Centraal Planbureau,
red.] wordt berekend.
Het aanpassingspercentage is, conform hetgeen
wettelijk is geregeld, als volgt vastgesteld. Uitgangspunt is de helft
van de CPB-raming voor de contractloonstijging in 1999 zoals deze is
gepubliceerd in de MEV 1999 [Macro Economische Verkenning
1999, red.]. Dit is 0,5 * 3,11
= 1,56. Deze wordt afgetrokken van de raming voor de
contractloonontwikkeling in 1999 zoals gepubliceerd in het CEP 1999
[Centraal Economisch Plan 1999, red.], zijnde 2,88. Dit verschil
bedraagt 1,32 en vormt het onafgeronde aanpassingspercentage. Dit wordt
vermenigvuldigd met het (onafgeronde) wettelijk minimumloon zoals
berekend voor de aanpassing per 1 januari 1999. Na (wettelijke)
afronding bedraagt het bruto wettelijk minimumloon per 1 juli 1999 2376,40
per maand, 548,40 per week en 109,68 per dag. Het
aanpassingspercentage na afronding is 1,33.
De hiermee corresponderende wettelijke
minimumjeugdlonen bedragen op grond van de staffeling geregeld in het
Koninklijk besluit van 29 juni 1983, Stb. 1983, 300, per 1 juli
1999:
Wettelijke minimumjeugdlonen
per 1 juli 1999:
| Leeftijdxx| |
Percentage
minimumloon |
Per
maand |
Per
week |
Per
dag |
| 22
jaar |
85 |
2019,90 |
466,10 |
93,22 |
| 21
jaar |
72,5 |
1722,90 |
397,60 |
79,52 |
| 20
jaar |
61,5 |
1461,50 |
337,30 |
67,46 |
| 19
jaar |
52,5 |
1247,60 |
287,90 |
57,58 |
| 18
jaar |
45,5 |
1081,30 |
249,50 |
49,90 |
| 17
jaar |
39,5 |
x938,70 |
216,60 |
43,32 |
| 16
jaar |
34,5 |
x819,90 |
189,20 |
37,84 |
| 15
jaar |
30 |
x712,90 |
164,50 |
32,90 |
Volgens artikel 12 van de WML
is bij een
kortere arbeidstijd dan de gebruikelijke het minimum(jeugd)loon
naar evenredigheid lager. Dit is bijvoorbeeld van toepassing als
werknemers in het kader van de partiλle leerplicht een aantal dagen per
week onderwijs volgen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
|
|