1. Heeft de huur betrekking op een gebouwde onroerende zaak of
gedeelte daarvan en is die zaak of dat gedeelte noch woonruimte, noch
bedrijfsruimte in de zin van deze titel, dan kan de huurder na het
einde van de huurovereenkomst de rechter verzoeken de termijn
waarbinnen ontruiming moet plaats vinden, te verlengen. Het verzoek
moet worden ingediend binnen twee maanden na het tijdstip waartegen
schriftelijk ontruiming is aangezegd.
2. Het eerste lid geldt niet in geval de huurder zelf de huur
heeft opgezegd, uitdrukkelijk in de beëindiging daarvan heeft
toegestemd of veroordeeld is tot ontruiming wegens niet nakoming van
zijn verplichtingen.
De verhuurder kan niet
verlangen dat de huurder voor het einde van de in lid 1 bedoelde termijn
tot ontruiming overgaat. De indiening van het verzoek schorst de
verplichting om tot ontruiming over te gaan, totdat op het verzoek is
beslist.
4. Het verzoek wordt slechts toegewezen indien de belangen van de
huurder en van de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd,
door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan die van de verhuurder
bij voortzetting van het gebruik door de huurder. Het verzoek wordt
niettemin afgewezen, indien de verhuurder aannemelijk maakt dat van hem
wegens onbehoorlijk gebruik van het verhuurde, wegens ernstige overlast,
de medegebruikers dan wel hemzelf aangedaan, of wegens wanbetaling niet
gevergd kan worden dat de huurder langer het recht op het gebruik van de
zaak of gedeelte daarvan behoudt.
5. De verlenging kan worden uitgesproken voor een termijn van ten
hoogste een jaar na het eindigen van de overeenkomst. Deze termijn kan
op verzoek van de huurder nog tweemaal telkens met ten hoogste een jaar
worden verlengd. Het verzoek tot verlenging moet uiterlijk een maand
voor het verstrijken van de termijn worden ingediend. Lid 3, tweede zin,
en lid 4 zijn van toepassing.
6. Zo partijen het niet eens zijn over de som die de huurder
gedurende de termijn waarmee de verlenging heeft plaats gevonden, voor
het gebruik van de zaak of gedeelte daarvan verplicht is te betalen,
stelt rechter deze som vast op een, gezien het huurpeil ter plaatse,
redelijk bedrag. Hij kan, zo een der partijen dit verzoekt, te dier zake
een voorlopige voorziening treffen. Voor het overige blijven gedurende
deze termijn de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst tussen
partijen van kracht.
7. Bij afwijzing van het verzoek stelt de rechter het tijdstip
van ontruiming vast. De beschikking geldt als een veroordeling tot
ontruiming tegen dat tijdstip.
8. Tegen een beschikking krachtens dit artikel staat geen hogere
voorziening open.
9. Van dit artikel kan niet ten nadele van de huurder worden
afgeweken.