1. De
huurprijs kan worden verhoogd hetzij op grond van een beding in de
huurovereenkomst dat in deze wijziging voorziet, hetzij indien een
dergelijk beding niet van kracht is, op de wijze als voorgeschreven in
de artikelen 252 en 253. Gedurende het bestaan van een dergelijk
beding is toepassing van de artikelen 252 en 253 uitgesloten. Indien
een dergelijk beding niet meer van kracht is, kan vanaf een tijdvak
van twaalf maanden na het tijdstip waarop laatstelijk toepassing is
gegeven aan het beding, aan de hiervoor genoemde artikelen toepassing
worden gegeven.
2. Leidt
toepassing van een beding als bedoeld in lid 1 tot verhoging van de
huurprijs met een hoger percentage dan het door Onze Minister
vastgestelde maximale huurverhogingspercentage als bedoeld in artikel 10
lid 2 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, dan is het beding
nietig voorzover zij tot dit hogere percentage leidt en geldt de
huurprijs als verhoogd met het door Onze Minister vastgestelde maximale
huurverhogingspercentage.