1. De
onderhuur die betrekking heeft op een zelfstandige woning waar de
onderhuurder zijn hoofdverblijf heeft, wordt in geval van beëindiging
van de huur tussen huurder en verhuurder voortgezet door de
verhuurder.
2. De
verhuurder kan binnen zes maanden nadat hij op grond van lid 1 de
onderhuur heeft voortgezet vorderen dat de rechter zal bepalen dat de
huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip zal eindigen
op de grond dat:
a. de wederpartij vanuit financieel
oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijk nakoming van de
huur;
b. de onderhuur is aangegaan met de
kennelijke strekking de onderhuurder de positie van huurder te
verschaffen;
c. in de gegeven omstandigheden naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede gelet op de inhoud
van de huurovereenkomsten die betrekking hebben op soortgelijke
woonruimte alsmede op de inhoud van de geëindigde huur tussen hem en
de huurder en de inhoud van de voortgezette huurovereenkomst, niet van
hem kan worden gevergd dat hij de huur met de wederpartij voortzet;
d. de wederpartij indien het woonruimte
betreft waarop hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing is,
niet een huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1 van die
wet overlegt.
3. Ingeval
van onderverhuur welke al dan niet een zelfstandige woning vormt, zet
degene die op grond van de artikelen 266, 267 en 268 huurder is geworden
of de huur heeft voortgezet, als onderverhuurder de huur met de
onderhuurder voort.