1. De
huurder die een ruil van woonruimte wenst te bewerkstelligen, kan
vorderen dat de rechter hem zal machtigen om een ander in zijn plaats
als huurder te stellen. Indien op de woonruimte hoofdstuk II van de
Huisvestingswet van toepassing is, moet de eiser een ten behoeve van
de voorgestelde huurder afgegeven huisvestingsvergunning als bedoeld
in artikel 7 lid 1 van die wet met betrekking tot woonruimte
overleggen.
2. De
rechter beslist met inachtneming van de omstandigheden van het geval,
met dien verstande dat hij de vordering slechts kan toewijzen, indien de
huurder een zwaarwichtig belang bij de ruil van woonruimte heeft en dat
hij deze afwijst, indien de voorgestelde huurder vanuit financieel
oogpunt niet voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van
de huur. De rechter kan aan de machtiging voorwaarden verbinden of
daarbij een last opleggen.
3. Van
deze bepaling kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.