1. Indien
een gebrek in de zin van artikel 204 het deel van gehuurde woonruimte
dat voor de huurder en zijn gezin voor bewoning noodzakelijk is,
onbewoonbaar maakt dan wel werkzaamheden tot verhelpen van een zodanig
gebrek dit doen of zullen doen, is de huurder bevoegd de huur op de
voet van artikel 267 van Boek 6 te ontbinden.
2. De
huurder heeft dezelfde bevoegdheid, wanneer het gebruik van de gehuurde
woonruimte gevaren oplevert.
3. Artikel
210 lid 2 is van overeenkomstige toepassing.