1. Indien
de overeenkomst is opgezegd op de grond dat een in artikel 296 lid 1
onder b genoemde persoon het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik
wil nemen en de huurder in de beëindiging van de overeenkomst heeft
toegestemd dan wel de vordering tot beëindiging van de overeenkomst
op die grond dan wel op de grond, bedoeld in artikel 296 lid 3, is
toegewezen, is de verhuurder jegens de huurder en degene die
bevoegdelijk heeft ondergehuurd, tot schadevergoeding gehouden, indien
de wil om het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen in
werkelijkheid niet aanwezig is geweest.
2. Behoudens
tegenbewijs wordt die wil geacht niet aanwezig te zijn geweest, indien
het verhuurde niet binnen een jaar na het einde van de overeenkomst door
een persoon als bedoeld in artikel 296 lid 1 onder b in duurzaam gebruik
is genomen.
3. De
rechter kan in een beslissing tot toewijzing van een vordering tot beëindiging,
gegrond op de in artikel 296 lid 1 onder b bedoelde wil van een der daar
bedoelde personen, op verzoek van de huurder of ambtshalve een bedrag
bepalen dat de verhuurder aan de huurder of degene die bevoegdelijk
heeft ondergehuurd moet betalen, indien later mocht blijken dat die wil
in werkelijkheid niet aanwezig is geweest, onverminderd het recht van de
huurder op verdere schadevergoeding.
4. De
vordering van de huurder of onderhuurder tot schadevergoeding of tot
betaling van het in lid 3 bedoelde bedrag vervalt vijf jaren na het
einde van de huurovereenkomst.