1. Indien
een verhuurder op wie de rechten en verplichtingen uit de
huurovereenkomst op de voet van artikel 226 zijn overgegaan, deze
overeenkomst door opzegging doet eindigen in verband met de
omstandigheid dat het gebouwde met het oog op de uitvoering van werken
in het algemeen belang zal worden afgebroken, is hij aan de huurder en
de onderhuurder aan wie voor die overgang bevoegdelijk is
onderverhuurd, een schadeloosstelling verschuldigd wegens het verlies
van de kans dat de huurverhouding zonder deze overgang zou hebben
voortgeduurd.
2. De
verhuurder is de in lid 1 bedoelde schadeloosstelling eveneens
verschuldigd indien de overgang is geschied nadat de vorige verhuurder
de huurovereenkomst heeft opgezegd in verband met de omstandigheid dat
na de overgang het gebouwde met het oog op de uitvoering van werken in
het algemeen belang zal worden afgebroken. Is de eigendom van het
verhuurde overgedragen nadat de huurovereenkomst reeds door de opzegging
was geëindigd, dan is de schadeloosstelling verschuldigd door de
eigenaar die tot afbraak overgaat.
3. Een
opzegging wordt vermoed in verband met de omstandigheid dat het gebouwde
met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen belang zal
worden afgebroken, indien de afbraak binnen zes jaar na de opzegging
aanvangt.
4. Werken
tot verwezenlijking van een bestemmingsplan, strekkende tot
reconstructie van een bebouwde kom, worden in elk geval geacht in het
algemeen belang te zijn.
5. Dit
artikel is, behalve op bedrijfsruimte in de zin van artikel 290, ook van
toepassing op een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, indien
deze zaak of dit gedeelte voor de uitoefening van een ander bedrijf is
verhuurd dan waarop bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 betrekking
heeft.