1. De
grondkamer keurt de pachtovereenkomst goed, tenzij:
a. de overeengekomen pachtprijs dan wel
de vergoeding, daarbij in aanmerking genomen de verdere inhoud van de
overeenkomst, hoger is dan ingevolge het bepaalde krachtens de
artikelen 327 lid 1 en 327 lid 3 onderscheidenlijk 393 is toegelaten;
b. de overige verplichtingen, voor de
pachter uit de overeenkomst voortvloeiende, als buitensporig moeten
worden beschouwd;
c. de overeenkomst zou leiden tot een
ondoelmatige verkaveling of een ondoelmatige ligging van het land ten
opzichte van de bedrijfsgebouwen of van de woning;
d. de overeenkomst, indien deze
betrekking heeft op land, dat begrepen is geweest in een ruil- of
herverkaveling of dat gelegen is in de IJsselmeerpolders, zou leiden
tot:
1°. een verkaveling of een ligging
van het land ten opzichte van de bedrijfsgebouwen of van de woning,
die minder doelmatig is dan de bestaande;
2°. een geringere dan de bestaande
bedrijfsgrootte;
e. door de overeenkomst algemene
belangen van de landbouw zouden worden geschaad; de grondkamer is
onder meer bevoegd als schadelijk voor de algemene belangen van de
landbouw aan te merken overeenkomsten, welke zouden leiden tot:
1°. een zo geringe bedrijfsgrootte,
dat de ondernemer zijn volledige arbeidskracht op het bedrijf niet
produktief kan maken;
2°. gebruik van het land ter
verkrijging van neveninkomsten, anders dan voor zelfvoorziening;
3°. vergroting van een bedrijf,
waarvan uitbreiding voor de ondernemer niet van overwegende
betekenis is, terwijl in de nabijheid een of meer kleine bedrijven
uitbreiding behoeven;
f. de overeenkomst bepalingen bevat,
welke in strijd zijn met deze titel.
2. Indien
de pachtovereenkomst zou leiden tot een van de in het eerste lid, onder
c, d en e genoemde gevolgen, kan de grondkamer haar goedkeuring
verlenen, wanneer weigering op grond van bijzondere omstandigheden
onredelijk zou zijn of zou indruisen tegen het landbouwbelang. Indien de
pachtovereenkomst zou leiden tot een van de in lid 1, onder d, genoemde
gevolgen, kan de grondkamer voorts haar goedkeuring verlenen, wanneer
omstandigheden, gelegen in de persoon van de verpachter, de goedkeuring
in het belang van een verantwoorde bedrijfsvoering wenselijk maken.
3. Het
bepaalde in lid 1 onder c en onder e met betrekking tot het gestelde
onder 1°, 2° en 3° blijft buiten toepassing bij overeenkomsten met
echtgenoten of geregistreerde partners, bloed- of aanverwanten in de
rechte lijn, pleegkinderen en medepachters.
4. Bij
de toetsing van de overeenkomst aan het bepaalde in lid 1, onder e, mag
de grondkamer niet letten op de persoon van de pachter.
5. Het
bepaalde in lid 1, onder c en d en onder e met betrekking tot het
gestelde onder 1°, 2° en 3°, blijft buiten toepassing, indien uit een
verklaring van burgemeester en wethouders van de gemeente, waarin het
land is gelegen, blijkt dat dit is opgenomen in een goedgekeurd
bestemmingsplan en daarbij een niet tot de landbouw betrekkelijke
bestemming heeft gekregen.
6. Voor
de geldigheid van bepalingen, welke in strijd met de wet zijn, kan op de
goedkeuring van de overeenkomst door de grondkamer geen beroep worden
gedaan.
7. Het
in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de overeenkomst tot wijziging of beëindiging van een
pachtovereenkomst.