1. De
pachter is tot de ontruiming bevoegd door hem aangebrachte
veranderingen en toevoegingen ongedaan te maken, mits daarbij het
gepachte in de toestand wordt gebracht, die bij het einde van de pacht
redelijkerwijs in overeenstemming met de oorspronkelijke kan worden
geacht.
2. De
pachter is niet verplicht tot het ongedaan maken van geoorloofde
veranderingen en toevoegingen, onverminderd de bevoegdheid van de
rechter om hem op de voet van artikel 348 lid 4 de verplichting op te
leggen hiervoor vóór de ontruiming van het gepachte zorg te dragen.