1. Bij
het einde van de pacht is de verpachter verplicht de pachter een naar
billijkheid te bepalen vergoeding te geven voor de door de pachter aan
het gepachte aangebrachte veranderingen en toevoegingen die een
verbetering zijn.
2. Deze
vergoeding kan niet overtreffen het bedrag waarmee de waarde van het
gepachte bij het einde van de pacht tengevolge van de aangebrachte
verbeteringen is verhoogd. De vergoeding wordt lager gesteld naarmate de
pachter de vruchten van de aangebrachte verbeteringen reeds heeft kunnen
genieten.
3. De
vergoeding kan slechts worden gevorderd, indien de pachter tijdig aan de
verpachter, onder opgave van geschatte kosten, schriftelijk mededeling
van de voorgenomen verbetering heeft gedaan en hetzij de verpachter zich
daartegen niet binnen een maand na ontvangst van de mededeling heeft
verzet, hetzij de rechter op vordering van de pachter deze tot het
aanbrengen van de verbetering heeft gemachtigd.
4. Op
de vordering tot machtiging zijn de leden 2 en 4, eerste zin, van
artikel 348 van overeenkomstige toepassing.
5. De
vordering tot vergoeding van de verbetering kan niet later worden
ingesteld dan drie maanden na het einde van de pachtovereenkomst.
6. De
pachter kan geen vordering tot vergoeding voor verbeteringen gronden op
artikel 212 van Boek 6.