|
(Voor de actuele versie klik hier,
voor de nadere regelgeving klik
hier)
Artikel 385
Indien het Rijk, een provincie, een
gemeente, een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in de
Wet gemeenschappelijke regelingen, een waterschap, een veenschap of een
veenpolder aan hun in eigendom toebehorende hoeven of los land een
bestemming heeft gegeven voor niet tot de landbouw betrekkelijke
doeleinden van openbaar nut, kunnen zij aan de grondkamer verzoeken goed
te keuren, dat bij verpachting van zulke hoeven of zodanig los land in
de overeenkomst een of meer van de volgende bedingen zullen worden
opgenomen:
a. dat de overeenkomst in afwijking
van het bepaalde in artikel 325 lid 1, tweede zin, geldt voor de
overeengekomen tijd;
b. dat de verlenging niet zal plaats
hebben, indien en voorzover de verpachter bij exploot of aangetekend
schrijven uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de termijn
waarvoor de pachtovereenkomst is aangegaan de overeenkomst heeft
opgezegd op de grond, dat de verlenging met de bestemming van het
verpachte onverenigbaar is;
c. dat de pachter niet bevoegd zal
zijn aan de grondkamer machtiging te vragen bestemming, inrichting
of gedaante van het gepachte te veranderen;
d. dat de overeenkomst door de
verpachter te allen tijde kan worden beëindigd, indien en voorzover
de bestemming de beëindiging naar zijn oordeel noodzakelijk maakt.
|
|