1. In
een pachtovereenkomst met betrekking tot een hoeve of los land gelegen
in een reservaat, kunnen een of meer verplichtingen worden opgenomen
welke ten doel hebben de opzet en de bedrijfsvoering te richten op het
behoud van natuur en landschap.
2. Niet
als buitensporige verplichtingen als bedoeld in artikel 319, eerste lid,
onderdeel b, worden die verplichtingen aangemerkt:
a. die deel uitmaken van een
pachtovereenkomst gesloten met betrekking tot door de Staat of een bij
koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende
natuurbeschermingsorganisatie in eigendom dan wel erfpacht verworven
percelen, gelegen in een reservaat,
b. die gewenst zijn in verband met de
instandhouding of ontwikkeling van de op het land aanwezige waarden
van natuur en landschap en
c. waarvoor bij de overeenkomst een
vergoeding wordt bedongen.