1. Ongeacht
het recht om schadevergoeding te vorderen, heeft de handelsagent bij
het einde van de agentuurovereenkomst recht op een vergoeding,
klantenvergoeding, voor zover:
a. hij de principaal nieuwe klanten
heeft aangebracht of de overeenkomsten met de bestaande klanten
aanmerkelijk heeft uitgebreid en de overeenkomsten met deze klanten de
principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en
b. de betaling van deze vergoeding
billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de
verloren provisie uit de overeenkomsten met deze klanten.
2. Het
bedrag van de vergoeding is niet hoger dan dat van de beloning van één
jaar, berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaren of, indien
de overeenkomst korter heeft geduurd, naar het gemiddelde van de gehele
duur daarvan.
3. Het
recht op vergoeding vervalt, indien de handelsagent de principaal niet
uiterlijk een jaar na het einde van de overeenkomst heeft medegedeeld
dat hij vergoeding verlangt.
4. De
vergoeding is niet verschuldigd, indien de overeenkomst is beëindigd:
a. door de principaal onder
omstandigheden die de handelsagent ingevolge artikel 439 lid 3
schadeplichtig maken;
b. door de handelsagent, tenzij deze beëindiging
wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die de principaal kunnen
worden toegerekend, of wordt gerechtvaardigd door leeftijd,
invaliditeit of ziekte van de handelsagent, op grond waarvan
redelijkerwijs niet meer van hem kan worden gevergd dat hij zijn
werkzaamheden voortzet;
c. door de handelsagent die,
overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn rechten en
verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde
overdraagt.