1. Tenzij
anders is bedongen in een financiëlezekerheidsovereenkomst tot de
vestiging van een pandrecht, is de zekerheidsnemer, wanneer aan de
voorwaarden van een executiegrond wordt voldaan, bevoegd:
a. effecten waarop het pandrecht rust
te verkopen en het hem verschuldigde op de opbrengst te verhalen
onderscheidenlijk deze effecten zich toe te eigenen en de waarde van
de effecten te verrekenen met het hem verschuldigde;
b. geld waarop het pandrecht rust te
verrekenen met het hem verschuldigde.
2. De
verkoop van effecten geschiedt op een markt door tussenkomst van een
tussenpersoon in het vak of ter beurze door die van een bevoegde
tussenpersoon overeenkomstig de regels en gebruiken die aldaar voor een
gewone verkoop gelden.
3. De
zekerheidsnemer kan zich effecten toe-eigenen indien dit in de financiëlezekerheidsovereenkomst
tot de vestiging van een pandrecht is bedongen en de waardering van de
effecten is gebaseerd op de waarde op een markt of ter beurze.
4. In
afwijking van lid 2 en lid 3 kan in een financiëlezekerheidsovereenkomst
worden bedongen dat de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek
van de zekerheidsnemer of de zekerheidsgever kan bepalen dat effecten
worden verkocht op een afwijkende wijze, of dat de voorzieningenrechter
op verzoek van de zekerheidsnemer kan bepalen dat effecten voor een door
de voorzieningenrechter vast te stellen bedrag bij wege van toe-eigening
aan de zekerheidsnemer zullen verblijven.
5. De
artikelen 235, 248 leden 1 en 2, 249, 250, 251 en 252 van Boek 3 zijn
niet van toepassing.