1. Voor
zover het in geld vastgesteld loon of het gedeelte dat overblijft na
aftrek van hetgeen door de werkgever overeenkomstig artikel 628 mag
worden verrekend, en na aftrek van hetgeen waarop derden
overeenkomstig artikel 633 rechten doen gelden, niet wordt voldaan
uiterlijk de derde werkdag na die waarop ingevolge de artikelen 623 en
624 lid 1 de voldoening had moeten geschieden, heeft de werknemer,
indien dit niet-voldoen aan de werkgever is toe te rekenen, aanspraak
op een verhoging wegens vertraging. Deze verhoging bedraagt voor de
vierde tot en met de achtste werkdag vijf procent per dag en voor elke
volgende werkdag een procent, met dien verstande dat de verhoging in
geen geval de helft van het verschuldigde te boven zal gaan. Niettemin
kan de rechter de verhoging beperken tot zodanig bedrag als hem met
het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen.
2. Van
dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.