1. De
werknemer behoudt het recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon
indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een
oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te
komen.
2. Indien
hem krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering of krachtens
enige verzekering of uit enig fonds waarin de deelneming is
overeengekomen bij of voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst, een
geldelijke uitkering toekomt, wordt het loon verminderd met het bedrag
van die uitkering.
3. Indien
het loon in geld op andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld,
zijn de bepalingen van dit artikel van toepassing, met dien verstande
dat als loon wordt beschouwd het gemiddelde loon dat de werknemer,
wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen
verdienen.
4. Het
loon wordt echter verminderd met het bedrag van de onkosten die de
werknemer zich door het niet-verrichten van de arbeid heeft bespaard.
5. Van
de leden 1 tot en met 4 kan voor de eerste zes maanden van de
arbeidsovereenkomst slechts bij schriftelijke overeenkomst worden
afgeweken ten nadele van de werknemer.
6. In
geval van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten in de zin van artikel
668a kan een afwijking als bedoeld in lid 5 in totaal voor ten hoogste
zes maanden worden overeengekomen.
7. Na
het verstrijken van de termijn, bedoeld in lid 5, kan van dit artikel
slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of
namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele
van de werknemer.