1. Voor
zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel
17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met
betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer voor
een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte
vastgestelde loon, maar de eerste 52 weken ten minste op het voor hem
geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet
heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.
2. Het
in lid 1 bedoelde recht geldt voor een tijdvak van zes weken voor de
werknemer die doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het huishouden
van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat.
3. De
werknemer heeft het in lid 1 bedoelde recht niet:
a. indien de ziekte door zijn opzet is
veroorzaakt of het gevolg is van een gebrek waarover hij in het kader
van een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt en
daardoor de toetsing aan de voor de functie opgestelde
belastbaarheidseisen niet juist kon worden uitgevoerd;
b. voor de tijd, gedurende welke door
zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
c. voor de tijd, gedurende welke hij,
hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende
arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 voor de werkgever of voor een
door de werkgever aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in de
gelegenheid stelt, niet verricht;
d. voor de tijd, gedurende welke hij
zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever
of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke
voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de
werknemer in staat te stellen passende arbeid als bedoeld in artikel
658a lid 4 te verrichten;
e. voor de tijd, gedurende welke hij
zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen,
evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
658a lid 3;
f. voor de tijd gedurende welke hij
zonder deugdelijke grond zijn aanvraag om een uitkering als bedoeld in
artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen later indient dan in dat artikel is voorgeschreven.
4. In
afwijking van lid 1 heeft de vrouwelijke werknemer het in dat lid
bedoelde recht niet gedurende de periode dat zij zwangerschaps- of
bevallingsverlof geniet overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid,
van de Wet arbeid en zorg.
5. Het
loon wordt verminderd met het bedrag van enige geldelijke uitkering die
de werknemer toekomt krachtens enige wettelijke voorgeschreven
verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig fonds waarin de
werknemer niet deelneemt, voorzover deze uitkering betrekking heeft op
de bedongen arbeid waaruit het loon wordt genoten. Het loon wordt voorts
verminderd met het bedrag van de inkomsten, door de werknemer in of
buiten dienstbetrekking genoten voor werkzaamheden die hij heeft
verricht gedurende de tijd dat hij, zo hij daartoe niet verhinderd was
geweest, de bedongen arbeid had kunnen verrichten.
6. De
werkgever is bevoegd de betaling van het in het lid 1 bedoelde loon op
te schorten voor de tijd, gedurende welke de werknemer zich niet houdt
aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften
omtrent het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om
het recht op loon vast te stellen.
7. De
werkgever kan geen beroep meer doen op enige grond het loon geheel of
gedeeltelijk niet te betalen of de betaling daarvan op te schorten,
indien hij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven onverwijld
nadat bij hem het vermoeden van het bestaan daarvan is gerezen of
redelijkerwijs had behoren te rijzen.
8. Artikel
628 lid 3 is van overeenkomstige toepassing.
9. Van
dit artikel kan ten nadele van de werknemer slechts in zoverre worden
afgeweken dat bedongen kan worden dat de werknemer voor de eerste twee
dagen van het in lid 1 of lid 2 bedoelde tijdvak geen recht op loon
heeft.
10. Voor
de toepassing van de leden 1, 2 en 9 worden perioden, waarin de
werknemer in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte,
zwangerschap of bevalling verhinderd is geweest zijn arbeid te
verrichten, samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof
wordt genoten als bedoeld in artikel 3:1, tweede en derde lid, van de
Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht
kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
11. Het
tijdvak van 104 weken, bedoeld in lid 1, wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging indien
de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen later wordt gedaan dan in of op grond van
dat artikel is voorgeschreven;
b. met de duur van het verlengde
tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond
van artikel 24, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen heeft vastgesteld en met de duur van het tijdvak,
bedoeld in artikel 25, negende lid, eerste zin, van die wet;
c. met de duur van de verlenging van de
wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, indien die wachttijd op grond van
het zevende lid van dat artikel wordt verlengd; en
d. met de duur van het tijdvak dat het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 71a,
negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft
vastgesteld.
12. Indien
de werknemer passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 verricht,
blijft de arbeidsovereenkomst onverkort in stand.
13. Voor
de toepassing van lid 2 wordt onder het verrichten van diensten ten
behoeve van een huishouden mede verstaan het verlenen van zorg aan de
leden van dat huishouden.