1. De
werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin
of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te
richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid
zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als
redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de
uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
2. De
werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de
werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij
aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat
de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste
roekeloosheid van de werknemer.
3. Van
de leden 1 en 2 en van hetgeen titel 3 van Boek 6, bepaalt over de
aansprakelijkheid van de werkgever kan niet ten nadele van de werknemer
worden afgeweken.
4. Hij
die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten
door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, is
overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk voor de schade die
deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De
kantonrechter is bevoegd kennis te nemen van vorderingen op grond van de
eerste zin van dit lid.