1. De
werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij
de ongeschiktheid:
a. ten minste twee jaren heeft geduurd,
of
b. een aanvang heeft genomen nadat een
verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 6 van het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is ontvangen.
Voor de berekening van de termijn,
bedoeld in onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
zwangerschapsverlof en perioden van ongeschiktheid tijdens het
zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1, tweede en
derde lid, van de Wet arbeid en zorg, niet in aanmerking genomen. Voorts
worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, anders
dan bedoeld in de vorige zin, samengeteld, indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct
voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en
derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak.
2. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst met een werkneemster niet opzeggen
gedurende de zwangerschap. De werkgever kan ter staving van de
zwangerschap een verklaring van een arts of van een verloskundige
verlangen. Voorts kan de werkgever de arbeidsovereenkomst van de
werkneemster niet opzeggen gedurende de periode waarin zij
bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1, derde lid, van de Wet
arbeid en zorg geniet en na werkhervatting, gedurende het tijdvak van
zes weken aansluitend op dat bevallingsverlof, dan wel aansluitend op
een periode van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid die haar
oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap en
die aansluit op dat bevallingsverlof.
3. De
werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer
verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, omdat hij als
dienstplichtige is opgeroepen ter vervulling van zijn militaire dienst
of vervangende dienst.
4. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen met de werknemer die
lid is van:
1°. een ondernemingsraad, een centrale
ondernemingsraad, een groepsondernemingsraad, een vaste commissie van
die raden of van een onderdeelcommissie van de ondernemingsraad, of
van een personeelsvertegenwoordiging;
2°. een bijzondere
onderhandelingsgroep of een Europese ondernemingsraad als bedoeld in
de Wet op de Europese ondernemingsraden, dan wel die krachtens die wet
optreedt als vertegenwoordiger bij een andere wijze van
informatieverstrekking en raadpleging van werknemers;
3°. een bijzondere
onderhandelingsgroep, of een SE-ondernemingsraad of als
werknemersvertegenwoordiger lid is van het toezichthoudend of het
bestuursorgaan van de SE als bedoeld in hoofdstuk 1 van de Wet rol
werknemers bij Europese rechtspersonen, dan wel die krachtens die wet
optreedt als vertegenwoordiger bij een andere wijze van
informatieverstrekking en raadpleging van werknemers;
4°. een bijzondere
onderhandelingsgroep, of een SCE-ondernemingsraad of als
werknemersvertegenwoordiger lid is van het toezichthoudend of het
bestuursorgaan van de SCE als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet rol
werknemers bij Europese rechtspersonen dan wel die krachtens hoofdstuk
2 van die wet optreedt als vertegenwoordiger bij een andere wijze van
informatieverstrekking en raadpleging van werknemers.
Indien de werkgever aan de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging een secretaris heeft
toegevoegd, is de eerste volzin op die secretaris van overeenkomstige
toepassing. Indien de werkgever aan de ondernemingsraad een secretaris
heeft toegevoegd, is de eerste volzin van dit lid van overeenkomstige
toepassing op die secretaris.
5. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens het
lidmaatschap van de werknemer van een vereniging van werknemers die
krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van de leden als
werknemer te behartigen dan wel wegens het verrichten van of deelnemen
aan activiteiten ten behoeve van die vereniging, tenzij die activiteiten
in de arbeidstijd van de werknemer worden verricht zonder toestemming
van de werkgever.
6. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst met de werknemer die daarvoor
verlof heeft, niet opzeggen wegens het bijwonen van vergaderingen als
bedoeld in artikel 643. Hetzelfde geldt indien tussen partijen geen
overeenstemming over het verlof bestaat zolang de rechter omtrent het
verlof niet heeft beschikt.
7. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens de
omstandigheid dat de werknemer zijn recht op adoptieverlof of verlof
voor het opnemen van een pleegkind als bedoeld in artikel 3:2 van de Wet
arbeid en zorg, op kort- en langdurend zorgverlof als bedoeld in
hoofdstuk 5 van de Wet arbeid en zorg, dan wel zijn recht op
ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg
geldend maakt.
8. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst met de in zijn onderneming werkzame
werknemer niet opzeggen wegens de in artikel 662, lid 2, onderdeel a,
bedoelde overgang van die onderneming.
9. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens de
omstandigheid dat de werknemer geen instemming verleent aan het werken
op zondag als bedoeld in artikel 5:6, tweede lid, tweede zin of vierde
lid, tweede zin, van de Arbeidstijdenwet.
10. De
termijn van twee jaren, bedoeld in lid 1, onderdeel a, wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging indien
de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen later wordt gedaan dan in of op grond van
dat artikel is voorgeschreven;
b. met de duur van de verlenging van de
wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, indien die wachttijd op grond van
het zevende lid van dat artikel wordt verlengd; en
c. met de duur van het tijdvak dat het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 24,
eerste lid, of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen dan wel op grond van artikel 71a, negende lid,
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft vastgesteld.
11. Voor
de toepassing van lid 4 en artikel 670a lid 1 wordt tevens onder de
SE-ondernemingsraad verstaan: het orgaan dat de werknemers
vertegenwoordigt in een SE die haar statutaire zetel heeft in een andere
lidstaat, en dat is ingesteld krachtens de bepalingen in het nationale
recht van die lidstaat ter omzetting van de richtlijn nr. 2001/86 van de
Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het
statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de
werknemers (PbEG L 294).
12. Voor
de toepassing van het vierde lid en artikel 670a lid 1 wordt tevens
onder de SCE-ondernemingsraad verstaan: het orgaan dat de werknemers
vertegenwoordigt in een SCE die haar statutaire zetel heeft in een
andere lidstaat, en dat is ingesteld krachtens de bepalingen in het
nationale recht van die lidstaat ter omzetting van de richtlijn nr.
2003/72/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 2003 tot
aanvulling van het statuut van de Europese coöperatieve vennootschap
met betrekking tot de rol van de werknemers (PbEG L 207).
13. Van
de leden 1 eerste zin en 3 kan slechts worden afgeweken bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan.