1. Op
de uitzendovereenkomst is artikel 668a eerst van toepassing zodra de
werknemer in meer dan 26 weken arbeid heeft verricht.
2. In
de uitzendovereenkomst kan schriftelijk worden bedongen dat die
overeenkomst van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling
van de werknemer door de werkgever aan de derde als bedoeld in artikel
690 op verzoek van die derde ten einde komt. Indien een beding als
bedoeld in de vorige volzin in de uitzendovereenkomst is opgenomen, kan
de werknemer die overeenkomst onverwijld opzeggen.
3. Een
beding als bedoeld in lid 2 verliest zijn kracht indien de werknemer in
meer dan 26 weken arbeid voor de werkgever heeft verricht. Na het
verstrijken van deze termijn vervalt de bevoegdheid van de werknemer tot
opzegging als bedoeld in lid 2.
4. Voor
de berekening van de termijnen, bedoeld in de leden 1 en 3, worden
perioden waarin arbeid wordt verricht die elkaar opvolgen met
tussenpozen van minder dan een jaar mede in aanmerking genomen.
5. Voor
de berekening van de termijnen, bedoeld in de leden 1 en 3, worden
perioden waarin voor verschillende werkgevers arbeid wordt verricht die
ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden
elkanders opvolger te zijn mede in aanmerking genomen.
6. Dit
artikel is niet van toepassing op de uitzendovereenkomst waarbij de
werkgever en de derde in een groep zijn verbonden als bedoeld in artikel
24b van Boek 2 dan wel de één een dochtermaatschappij is van de ander
als bedoeld in artikel 24a van Boek 2.
7. Van
de termijnen bedoeld in de leden 1, 3 en 4 en van lid 5 kan slechts bij
collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een
daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele van de
werknemer.