|
Art.
7.
[Bijstand aan Nederlander en aan
vreemdeling | Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw, Ioaz,
Wvg en Wik] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995;
Stb.
1998, 203; Stb.
2000, 496 + bis;
Stb.
2003, 376] • [Jurisprudentie: LJN
AA3589; AA3717; AA4129;
AA5419; AA6590;
AA6591; AA6725;
AA7515; AA8508;
AA8520; AA9884;
AB1261; AB1262;
AB2256; AB2276;
AB2277; AD3848;
AD5014; AD6622;
AD7844; AD9298;
AD9356; AE0294;
AE1901; AE2487;
AE2489; AE3275;
AE3704; AE3716;
AE6067;
AE6178;
AE7599;
AE8099;
AF1374]
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in
zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij
niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van
het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van
overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste
lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling
die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8,
onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld
in artikel 8, onderdeel a tot
en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000,
voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden
gesteld: [BgvWWIIWW]
a. ter uitvoering van een verdrag dan
wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben
gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en
l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in
artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet
2000.
|
|