|
Art.
14.
[Tijdelijk weigeren bijstand |
Schriftelijke waarschuwing | Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz]
¹ [Geschiedenis:
MvT; Stb.
1994, 361; versie 12 april 1995;
Stb.
1996, 248; Stb. 1997,
193 + bis;
Stb. 1997, 760; Stb. 1998, 742;
Stb.
1999, 542; Stb.
2001, 625; Stb.
2003, 376; Stb. 2003, 386;
Stb.
2008, 600; Stb. 2009,
265]
•
[Jurisprudentie: LJN
AA3968; AA5881;
AA6725; AA6778;
AA8961; AB0578;
AB2257; AC1903;
AD8414; AD9662;
AE1328; AE2461;
AE3147; AE3731;
AE6141;
AE7520;
AF0759;
AP1140;
AT0233]
-1.
Indien de
belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, dan wel in de periode
voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van
arbeid in
dienstbetrekking, de verplichting, bedoeld in artikel
65, eerste lid, niet binnen de door burgemeester en wethouders daarvoor
vastgestelde termijn is nagekomen, dan wel een verplichting als bedoeld
in artikel 8, zesde lid, onderdeel b, artikel
65, tweede of derde lid,
artikel 70, vierde lid, of een op grond van hoofdstuk VIII aan de bijstand
verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, weigeren
burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk.²
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de
belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een
maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet tijdig nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet heeft geleid
tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
bijstand, kunnen burgemeester en wethouders afzien van het
opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en
volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake
van het niet tijdig nakomen van de verplichting, tenzij het niet
tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode
van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten af te zien van
het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
met betrekking tot het eerste en het tweede lid nadere regels
worden gesteld. [MAII]
1. Bij Besluit
van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat
artikel 14 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip; ingevolge
het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005,
35, vervalt artikel 14, voor zover het niet betreft zelfstandigen
als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet
Wet werk en bijstand, met ingang van 1 februari 2005.
Ingevolge artikel 78g, tweede
lid, van de Wet werk en bijstand vervalt
artikel 14, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel
78f van de Wet werk en bijstand,
op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip;
ingevolge artikel
2, tweede lid, van het Besluit van 23
december 2010, Stb. 2010, 839, is
artikel 14, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel
78f van de Wet werk en bijstand,
met ingang van 1 juli 2011 vervallen, red.
2. Waar in artikel 14,
eerste lid, wordt verwezen naar de artikelen 8,
zesde lid, onderdeel b, en 112, wordt
ingevolge artikel 78g, derde lid,
van de Wet werk en bijstand in plaats van die
artikelen gelezen: artikel 2, derde
lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel
38 van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004.
|
|