|
Art.
14b.
[Zwijgrecht, cautie, kennisgeving en
hoorplicht] ¹ [Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; Stb.
2003, 376;
Stb. 2003, 386; Stb.
2009, 265]
• [Jurisprudentie:
LJN AA6725]
-1. Indien burgemeester en wethouders
jegens de belanghebbende een handeling verrichten waaraan deze
in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens
een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging
enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De belanghebbende wordt hiervan in kennis
gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
-2. Indien burgemeester en wethouders
voornemens zijn om aan de belanghebbende een boete op te leggen,
wordt hiervan kennisgegeven aan de belanghebbende onder
vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de belanghebbende die de in
het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn gebrekkige
kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, dragen
burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk zorg voor dat de in
die kennisgeving vermelde gronden aan de belanghebbende worden
medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de
Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de
belanghebbende in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete
wordt opgelegd.
-5. Indien de belanghebbende zijn zienswijze
mondeling naar voren brengt, dragen burgemeester en wethouders er
op verzoek van de belanghebbende die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de
belanghebbende kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
1. Bij Besluit
van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat
artikel 14b vervalt op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip; ingevolge
het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005,
35, vervalt artikel 14b, voor zover het niet betreft
zelfstandigen als bedoeld in artikel 7
van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, met ingang van 1 februari
2005. Ingevolge artikel
78g, tweede lid, van de Wet werk
en bijstand vervalt artikel 14b, voor zover het betreft
zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f
van de Wet werk en bijstand, op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge
artikel 2, tweede lid, van het Besluit
van 23 december 2010, Stb. 2010, 839, is
artikel 14b, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel
78f van de Wet werk en bijstand,
met ingang van 1 juli 2011 vervallen, red.
|
|