|
Art. 14f.
[Executoriale titel en
tenuitvoerlegging]
¹ [Geschiedenis:
Stb. 1995, 690; Stb.
1996, 248; Stb.
1997, 789; Stb. 1997,
794; Stb. 1998, 742
+ bis; Stb.
2001, 568; Stb.
2001, 625; Stb.
2003, 376; Stb. 2003, 386;
Stb.
2009, 265; Stb.
2009, 318; Stb. 2009,
580] •
[Jurisprudentie: LJN
AF1533; AF1552]
-1. Het besluit waarbij een boete is opgelegd,
levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel heeft mede
betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zevende lid.
-2. Indien degene aan wie een boete is opgelegd
algemene bijstand of een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars ontvangt, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd
ten uitvoer gelegd door
verrekening met
die bijstand of uitkering.
-3. Indien degene aan wie een boete is opgelegd
inmiddels bijstand of uitkering als bedoeld in het tweede lid
ontvangt van een andere gemeente dan de gemeente die de boete
heeft opgelegd, betaalt die andere gemeente het bedrag van die
boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft
opgelegd.
-4. Indien degene aan wie een boete is opgelegd
een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten,
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, de
Toeslagenwet, de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet of de Wet arbeid en zorg, betaalt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale
verzekeringsbank, het bedrag van die boete, zonder dat
daarvoor diens machtiging nodig is, op haar verzoek aan de gemeente
die de boete heeft opgelegd.
-5. Indien degene aan wie een boete is opgelegd
geen bijstand of uitkering als bedoeld in het tweede of vierde lid
ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige
uitkering toepassing van het derde en vierde lid niet mogelijk is,
wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van
tijdige betaling met toepassing van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging van een besluit
waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het
tweede, derde of vierde lid, dan wel van het vijfde lid, dan wel
van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde
lid.
-7. Bij gebreke van tijdige betaling wordt de
verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de
invordering betrekking hebbende kosten.
-8. De betekening en tenuitvoerlegging
ingevolge het vijfde lid kan geschieden door de deurwaarder,
bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet. Artikel 256 van
die wet is van overeenkomstige
toepassing.
-9. Op het executoriaal beslag ingevolge dit
artikel door burgemeester en wethouders op loon, sociale
uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden
verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete is
opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g,
behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in
artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan burgemeester en
wethouders.
-10. De tenuitvoerlegging van een besluit met
toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de belanghebbende
blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-11. Het tiende lid geldt niet zolang de
belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel
14a,
vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
1. Bij Besluit
van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat
artikel 14f vervalt op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip; ingevolge
het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005,
35, vervalt artikel 14f, voor zover het niet betreft
zelfstandigen als bedoeld in artikel 7
van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, met ingang van 1 februari
2005. Ingevolge artikel
78g, tweede lid, van de Wet werk
en bijstand vervalt artikel 14f, voor zover het betreft
zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f
van de Wet werk en bijstand, op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge
artikel 2, tweede lid, van het Besluit
van 23 december 2010, Stb. 2010, 839, is
artikel 14f, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel
78f van de Wet werk en bijstand,
met ingang van 1 juli 2011 vervallen, red.
|
|