|
Art. 23.
[Bijstand aan zelfstandige | Besluit
bijstandverlening zelfstandigen] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 691; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AE6084; AE6166;
AE6815]
-1. Indien aan een zelfstandige op grond van
artikel 8, anders
dan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, bijstand wordt verleend, heeft deze bijstand voorlopig de vorm van een
renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt
uitbetaald.
-2. Zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in
het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, wordt de hoogte van
deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voor zover het
vermogen van de zelfstandige een bij algemene maatregel van
bestuur te stellen grens niet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.
[Bbz]
-3. In afwijking van het eerste lid wordt de daar bedoelde
bijstand verleend als een bedrag om niet, indien:
a. de uitkeringsduur ten hoogste zes maanden is;
b. de inkomensvorming in het betreffende bedrijf of
zelfstandig beroep regelmatig over het jaar verloopt en het
inkomen duurzaam lager is dan de som van de bijstandsnorm, bedoeld
in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en
3, en de verleende
bijzondere bijstand; en
c. het vermogen van de zelfstandige een bij algemene
maatregel van bestuur te stellen grens niet te boven gaat. [Bbz]
|
|