|
Art.
36.
[Verlagen bijstandsnorm of toeslag i.v.m. beëindiging opleiding]
[Geschiedenis:
versie 12 april 1995; Stb.
1995, 676; Stb.
1995, 691; Stb. 1997, 760;
Stb. 1998, 742; Stb.
2000, 286; Stb.
2001, 225; Stb.
2003, 376]
-1. Burgemeester en wethouders kunnen de
bijstandsnorm of de toeslag, bedoeld in artikel 33, lager
vaststellen voor de belanghebbende die recent de deelname heeft
beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding:
a. indien voor het onderwijs of de
beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond
van de Wet
studiefinanciering 2000, op een
tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk
4 van
de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; dan wel
b. indien de belanghebbende op de eerste
dag van het kalenderkwartaal waarin de beëindiging plaatsvond
jonger was dan 25 jaar en de voor werkzaamheden beschikbare tijd
voor ten minste 19 uur per week in beslag werd genomen door het onderwijs of de beroepsopleiding, tenzij het betreft een scholing
of opleiding als bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel
e,
dan wel een scholing of opleiding als voorziening op grond van de
Wet inschakeling werkzoekenden.
-2. Van een recente beëindiging van de
deelname aan onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld in het
eerste lid is sprake zolang nog geen periode van een halfjaar is
verstreken, gerekend vanaf het tijdstip van die beëindiging.
-3. De in het eerste lid bedoelde verlaging
vindt bij voorrang plaats op de toeslag.
|
|