|
Art. 50.
[Inkomen niet-rechthebbende
echtgenoot] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 676; Stb. 1995, 691;
Stb. 1999,
564; Stb.
2000, 286; Stb.
2001, 225; Stb.
2003, 376]
-1. Indien één van de gehuwden geen recht op
algemene bijstand heeft, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking
genomen voor zover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou worden verleend indien zijn
inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan de
op grond van afdeling 1 vast te stellen bijstandsnorm voor
gehuwden.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt,
indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam
gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot
slechts in aanmerking genomen voor zover het de bijstandsnorm,
bedoeld in afdeling
1, paragraaf 2 en 3, te boven gaat.
-3. Voor de vaststelling van de bijstandsnorm,
bedoeld in het eerste lid, is artikel 36 van overeenkomstige
toepassing, indien de niet-rechthebbende echtgenoot:
a. onderwijs of een beroepsopleiding
volgt op grond waarvan aanspraak bestaat op studiefinanciering op
grond de Wet
studiefinanciering 2000, op een
tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten ingevolge hoofdstuk
4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; dan wel
b. jonger is dan 25 jaar en de voor
werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week
in beslag wordt genomen door het onderwijs of de beroepsopleiding,
tenzij het betreft een scholing of opleiding als bedoeld in artikel
113, eerste lid, onderdeel e, dan wel een scholing of
opleiding als voorziening op grond van de Wet
inschakeling werkzoekenden.
-4. Voor de vaststelling van het inkomen van de
niet-rechthebbende echtgenoot is deze afdeling van
overeenkomstige toepassing.
|
|