|
AFDELING
1
Algemene
bijstand
§
1. Algemeen
Art. 26.
[Recht op algemene bijstand; hoogte,
vakantietoeslag en verhoging met loonbelasting en premies |
Heffingskorting buiten beschouwing bij vaststelling recht]
[Geschiedenis:
MvT; versie
12 april 1995; Stb.
1995, 200; Stcrt. 1997, 244;
Stcrt. 1998, 242; Stcrt.
1999, 243; Stcrt. 2000, 245;
Stb. 2000,
571; Stcrt.
2001, 122; Stcrt.
2001, 244; Stcrt.
2002, 125; Stcrt.
2002, 241;
Stcrt. 2003, 57; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AB2483]
-1. Onverminderd hoofdstuk II heeft de alleenstaande of het
gezin recht op algemene bijstand, indien:
a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de
bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf 2 en
3; en
b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
-2. De hoogte van de algemene bijstand is het verschil tussen
het inkomen en de bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf 2 en
3.
-3. In de algemene bijstand is een vakantietoeslag
begrepen
ter hoogte van 4,7 procent van die bijstand.
-4. De algemene bijstand wordt verhoogd met de loonbelasting en
premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand
verleent, krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de over die bijstand verschuldigde ziekenfondspremie.
-5. Bij de vaststelling van het recht
op algemene bijstand, bedoeld in het eerste lid, blijft ten
aanzien van de alleenstaande of het gezin de heffingskorting,
bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001,
buiten beschouwing.
Art. 27.
[Periode van vaststelling van algemene bijstand]
[Geschiedenis:
MvT; versie
12 april 1995; Stb. 1998, 742; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN AE3939]
-1. De algemene bijstand wordt per kalendermaand
vastgesteld.
-2. De algemene bijstand wordt vastgesteld over het deel van de
kalendermaand waarover recht op bijstand bestaat, indien de
alleenstaande of het gezin voorafgaand aan of volgend op de
bijstandverlening:
a. gedurende een periode van ten minste 30 dagen geen
algemene bijstand ontvangt; of
b. anderszins geen recht op algemene bijstand heeft.
-3. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten de
algemene bijstand over een langere periode vast te stellen voor zover het
patroon van de inkomensverwerving en de hoogte daarvan daartoe
aanleiding geeft.
Art. 28.
[Geen algemene bijstand voor bedrijfskapitaal]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
2003, 376]
Deze afdeling is niet van toepassing op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.
§ 2.
De bijstandsnorm
Art. 29.
[Bijstandsnormen 18, 19 en 20-jarigen]
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 12 april 1995; Stb.
1995, 200; Stb.
1995, 691; Stcrt. 1996,
43; Stcrt. 1996, 121;
Stcrt. 1996, 247; Stcrt.
1997, 119; Stcrt. 1997,
244; Stcrt. 1998, 60;
Stcrt. 1998, 119; Stcrt.
1998, 242; Stcrt. 1999,
122; Stcrt. 1999, 243;
Stcrt. 2000, 123; Stcrt.
2000, 245; Stcrt.
2001, 122; Stcrt. 2001,
244; Stcrt. 2002, 125;
Stcrt.
2002, 241; Stcrt. 2003,
57; Stcrt. 2003, 119; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AE3732]
-1. Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar
zonder ten laste komende kinderen is de bijstandsnorm per
kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande van 18, 19 of 20
jaar: €|196,92;
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten
18, 19 of 20 jaar zijn: €|393,84;
c. gehuwden waarvan één echtgenoot 18,
19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder: €|766,74.
-2. Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar met
één of meer ten laste komende kinderen is de bijstandsnorm per
kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande ouder van 18, 19 of
20 jaar: €|424,85;
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten
18, 19 of 20 jaar zijn: €|621,77;
c. gehuwden waarvan één echtgenoot 18,
19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder: €|994,67.
Art. 30.
[Bijstandsnormen 21-jarigen of
ouder en 65-jarigen of ouder] [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 12 april 1995; Stb.
1995, 200; Stcrt.
1996, 43; Stcrt. 1996, 121;
Stcrt. 1996, 247; Stcrt.
1997, 119; Stcrt.
1997, 244; Stb. 1997, 791 + bis;
Stcrt.
1998, 60 + bis; Stcrt.
1998, 119; Stcrt.
1998, 242; Stcrt.
1999, 122; Stcrt. 1999, 243;
Stcrt.
2000, 123; Stcrt.
2000, 245; Stcrt.
2001, 122; Stcrt. 2001, 244;
Stcrt. 2002, 125; Stcrt.
2002, 241; Stcrt. 2003, 57;
Stcrt. 2003, 119; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AB0237]
-1. Voor belanghebbenden van 21 jaar of
ouder
doch jonger dan 65 jaar is de bijstandsnorm per kalendermaand,
indien het betreft:
a. een alleenstaande: €|569,82;
b. een alleenstaande ouder:
€|797,75;
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten
jonger zijn dan 65 jaar: €|1139,64.
-2. Voor belanghebbenden van 65 jaar of ouder
is de bijstandsnorm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande: €|846,75;
b. een alleenstaande ouder:
€|1074,68;
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten 65
jaar of ouder zijn: €|1196,46;
d. gehuwden waarvan één echtgenoot 65
jaar of ouder is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder doch
jonger dan 65 jaar: €|1206,31.
Art. 31.
[Bijstandsnormen voor personen in een inrichting]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 200; Stcrt.
1996, 43; Stcrt. 1996, 121;
Stcrt. 1996, 247; Stcrt.
1997, 119; Stcrt. 1997, 244;
Stcrt. 1998, 60; Stcrt.
1998, 119;
Stcrt. 1998, 242; Stcrt.
1999, 122; Stcrt. 1999, 243;
Stcrt. 2000, 123; Stcrt.
2000, 245; Stcrt.
2001, 122; Stb. 2001,
426; Stcrt.
2001, 198; Stcrt. 2001, 244;
Stcrt. 2002, 125; Stcrt.
2002, 241; Stcrt. 2003, 57;
Stcrt. 2003, 119; Stb.
2003, 376]
-1. Bij een verblijf in een inrichting is de
bijstandsnorm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande of een
alleenstaande ouder: €|246,77;
b. gehuwden: €|383,86.
-2. Indien één van de gehuwden in een
inrichting verblijft, is de bijstandsnorm de som van de
bijstandsnormen die voor ieder van hen als alleenstaande of
alleenstaande ouder zouden gelden.
Art. 32.
[Bijstandsnormen voor gehuwden
indien één echtgenoot geen recht op bijstand heeft]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AB0596; AE1887; AE8232]
Indien één van de gehuwden geen recht op
algemene bijstand heeft, is voor de rechthebbende echtgenoot de
bijstandsnorm gelijk aan de bijstandsnorm die voor hem als
alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.
§ 3.
Verhoging en verlaging van de
bijstandsnorm
Art. 33.
[Toeslag op de bijstandsnorm] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 200; Stcrt.
1996, 43; Stcrt. 1996, 121;
Stcrt. 1996, 247; Stcrt.
1997, 119; Stcrt.
1997, 244; Stb. 1997, 791;
Stcrt.
1998, 60; Stb.
1998, 205; Stcrt.
1998, 119;
Stcrt. 1998, 242; Stcrt.
1999, 122; Stcrt. 1999, 243;
Stcrt. 2000, 123; Stcrt.
2000, 245; Stcrt.
2001, 122; Stcrt. 2001, 244;
Stcrt. 2002, 125; Stcrt.
2002, 241; Stcrt. 2003, 57;
Stcrt. 2003, 119; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AA6936; AB3333; AE3712;
AE8643]
-1. Burgemeester en wethouders verhogen voor
een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
die een alleenstaande of een alleenstaande ouder is, de
bijstandsnorm met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.
-2. De toeslag bedraagt ten hoogste
€|227,93 per kalendermaand.
Art. 34.
[Verlagen bijstandsnorm gehuwden
indien bepaalde kosten kunnen worden gedeeld]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 691; Stb.
1997, 791; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AA8683; AD4723]
Burgemeester en wethouders kunnen voor
gehuwden, waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar, de
bijstandsnorm verlagen voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de
bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.
Art. 35.
[Verlagen bijstandsnorm of toeslag
indien geen woonkosten] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1997, 791; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: AA3501;
AA4623; AB3333;
AD3412; AD4723]
-1. Burgemeester en wethouders kunnen de
bijstandsnorm, bedoeld in de artikelen 29 en
30, eerste lid, of de toeslag, bedoeld in
artikel 33, lager vaststellen voor zover de
belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet,
als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden.
-2. De in het eerste lid bedoelde verlaging
vindt bij voorrang plaats op de toeslag.
Art. 36.
[Verlagen bijstandsnorm of toeslag i.v.m. beëindiging opleiding]
[Geschiedenis:
versie 12 april 1995; Stb.
1995, 676; Stb.
1995, 691; Stb. 1997, 760;
Stb. 1998, 742; Stb.
2000, 286; Stb.
2001, 225; Stb.
2003, 376]
-1. Burgemeester en wethouders kunnen de
bijstandsnorm of de toeslag, bedoeld in artikel 33, lager
vaststellen voor de belanghebbende die recent de deelname heeft
beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding:
a. indien voor het onderwijs of de
beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond
van de Wet
studiefinanciering 2000, op een
tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk
4 van
de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; dan wel
b. indien de belanghebbende op de eerste
dag van het kalenderkwartaal waarin de beëindiging plaatsvond
jonger was dan 25 jaar en de voor werkzaamheden beschikbare tijd
voor ten minste 19 uur per week in beslag werd genomen door het onderwijs of de beroepsopleiding, tenzij het betreft een scholing
of opleiding als bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel
e,
dan wel een scholing of opleiding als voorziening op grond van de
Wet inschakeling werkzoekenden.
-2. Van een recente beëindiging van de
deelname aan onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld in het
eerste lid is sprake zolang nog geen periode van een halfjaar is
verstreken, gerekend vanaf het tijdstip van die beëindiging.
-3. De in het eerste lid bedoelde verlaging
vindt bij voorrang plaats op de toeslag.
Art. 37.
[Afwijking toeslag voor
alleenstaanden 21 en 22 jaar | Definitie minimumjeugdloon]
[Geschiedenis:
versie 12 april 1995; Stb.
2003, 376]
-1. Burgemeester en wethouders kunnen voor een
alleenstaande van 21 of 22 jaar de toeslag, bedoeld in artikel 33,
afwijkend vaststellen voor zover zij van oordeel zijn dat, gezien de hoogte van het
minimumjeugdloon, de hoogte van
deze
toeslag een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid.
-2. Onder het minimumjeugdloon, bedoeld in het
eerste lid, wordt verstaan het voor de betreffende leeftijd
geldende minimumloon, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Art. 38.
[Verordening verhoging of verlaging
bijstandsnormen]
¹ [Geschiedenis:
versie 12 april 1995; Stb.
1995, 691; Stb.
1997, 791; Stb.
2003, 376; Stb. 2008, 586]
•
[Jurisprudentie: LJN
AA3501; AA4623; AA8683;
AD4723; AE3712;
AE8643]
-1. Het gemeentebestuur stelt bij verordening
vast voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of
verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.
-2. In de verordening, bedoeld in het eerste lid,
stelt het gemeentebestuur in elk geval vast dat:
a. onverminderd
artikel 35, 36 en
37, de
toeslag, bedoeld in artikel 33, voor de alleenstaande en de
alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens
woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het
in dat artikel genoemde maximumbedrag;
b. jegens een belanghebbende niet
gelijktijdig gebruik gemaakt wordt van de bevoegdheden, bedoeld in
de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid.
-3. In de verordening worden uitsluitend
verhogingen of verlagingen vastgesteld als bedoeld in de artikelen
33 tot en met 37.
-4. Verhoging of verlaging van de bijstandsnorm
of afwijkende vaststelling van de toeslag vindt plaats
onverminderd artikel 13, eerste lid.
1. Ingevolge artikel
78a van de Wet werk en bijstand
geldt de verordening als de verordening, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel c, van Wet
werk en bijstand, red.
AFDELING
2
Bijzondere bijstand
Art. 39.
[Algemene bepalingen voor recht op bijzondere
bijstand | Verhoging met loonbelasting en premies] [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 12 april 1995; Stb.
1997, 193; Stb.
2001, 426; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3611; AA3716; AA4022;
AA4131; AA4888;
AA5390; AA5397;
AA6778;
AA6934; AA7188;
AA8508; AA8962;
AB0577; AB1792;
AB6634; AD3427;
AD3656; AD3836;
AD7103; AD7123;
AD7718; AD8232;
AE0174; AE2489;
AE3712;
AE3723;
AE3724; AE3732;
AE3799; AE3803;
AE4069; AE4212;
AE4370;
AE4985;
AE6365;
AE6409;
AE8232;
AE8636;
AE8637;
AE9790;
AF0905;
AF1186;
AF1409;
AT0123;
AT0173; AT0309]
-1. Onverminderd
hoofdstuk II heeft de
alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het
gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van
het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en
wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld
in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.
-2. In afwijking van
artikel 6, onderdeel b,
kan bijzondere bijstand ook aan een persoon behorend tot een
bepaalde categorie worden verleend, zonder dat behoeft te worden
nagegaan of ten aanzien van die persoon de hierna bedoelde kosten
ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten
aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat
die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot
bepaalde noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven
gaan.
-3. Voor zover de gemeente krachtens de
Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, wordt de bijstand
verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen,
alsmede met de over die bijstand verschuldigde ziekenfondspremie.
Art. 40.
[Vaststelling draagkracht] [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 12 april 1995; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AA4888; AA5397; AA8962;
AD3427; AD7103]
-1. Voor de vaststelling van de draagkracht
nemen burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk in
beschouwing:
a. het in aanmerking te nemen vermogen;
b. het inkomen voor zover dit meer
bedraagt dan de bijstandsnorm, bedoeld in
afdeling 1, paragraaf 2 en 3.
-2. Burgemeester en wethouders bepalen de duur
van de periode waarover de draagkracht in aanmerking wordt genomen
alsmede het tijdstip waarop deze periode begint.
Art. 41.
[Drempelbedrag] [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 12 april 1995; Stb.
1995, 200;
Stcrt. 1996, 121; Stcrt.
1996, 247; Stcrt. 1997,
119; Stcrt. 1997, 244;
Stcrt. 1998,
119; Stcrt.
1998, 242; Stcrt. 1999,
122; Stcrt.
1999, 243; Stcrt. 2000,
123; Stcrt. 2000, 245;
Stcrt.
2001, 122; Stcrt. 2001,
244; Stcrt. 2002, 125;
Stcrt.
2002, 241; Stcrt. 2003, 119; Stb.
2003, 376]
Burgemeester en wethouders zijn bij de
toepassing van artikel 39, eerste lid, bevoegd om voor de daar
bedoelde kosten geheel of gedeeltelijk geen bijstand te verlenen
voor zover deze kosten over een periode van twaalf maanden een
bedrag van €|109,00
niet te boven gaan.
AFDELING
3
De middelen
§ 1.
Algemeen
Art. 42.
[Definitie middelen]
[Geschiedenis:
MvT; versie
12 april 1995; Stb.
2000, 571; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3468; AA3503; AA4624;
AA8961; AA9587;
AB2256; AB2260;
AD8171; AE2699;
AE3952; AE6820;
AE7159]
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het
gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen,
bedoeld in de eerste zin, behoort in elk geval de ten aanzien van
de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting,
bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Art. 43.
[Mede tot/niet tot middelen
gerekend | Premies | Verordening vrijlating inkomsten |
Ministeriële regeling m.b.t. lid 2j en n | Regeling
vrijlating immateriële schadevergoeding Algemene bijstandswet]
[Geschiedenis:
MvT; versie
12 april 1995; Stb. 1995,
200; Stb. 1995, 691;
Stcrt.
1996, 43; Stcrt. 1996, 121;
Stcrt. 1996, 247; Stb.
1997, 197; Stb. 1997, 193;
Stcrt. 1997, 119; Stcrt.
1997, 175; Stcrt. 1997, 244;
Stb. 1997, 728; Stcrt.
1998,
60; Stb.
1998, 289; Stcrt.
1998, 119; Stcrt. 1998,
242; Stb.
1998, 742 + bis; Stcrt.
1999, 122; Stcrt.
1999, 243; Stcrt. 2000, 15;
Stcrt. 2000, 123; Stb.
2000, 575; Stcrt.
2000, 245; Stb. 2000, 571;
Stb. 2001, 109; Stcrt.
2001, 122; Stb.
2001, 426; Stcrt.
2001, 198; Stcrt. 2001, 244;
Stcrt. 2002, 125; Stcrt.
2002, 241; Stcrt. 2003, 57;
Stcrt. 2003, 119; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3468; AA4021; AA6725;
AA8962; AB2483;
AE2699; AE3262;
AE3952]
-1. Tot de middelen van de belanghebbende
worden mede de middelen gerekend die ten behoeve van zijn
levensonderhoud door een niet in de bijstand begrepen persoon
worden ontvangen.
-2. Niet tot de middelen van de belanghebbende
worden gerekend:
a. de middelen die deze ontvangt ten
behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand
begrepen persoon;
b. kinderbijslag ontvangen ten behoeve
van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen;
c. de kinderkorting en de
aanvullende kinderkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
d.
huursubsidie ontvangen op grond van
de Huursubsidiewet, of een bijzondere bijdrage in de huurlasten
ontvangen op grond van artikel 26b van die
wet;
e. vergoedingen en tegemoetkomingen
voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of
inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van
kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend;
f. vrije vergoedingen en vrije
verstrekkingen als bedoeld in hoofdstuk IIa van de Wet
op de loonbelasting 1964, tenzij voor deze vergoedingen en
verstrekkingen bijstand wordt verleend;
g. inkomsten uit arbeid van de tot zijn
last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen werkloosheids-
en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, tenzij het de verlening
van bijzondere bijstand betreft voor bijzondere noodzakelijke
kosten van het bestaan van die kinderen;
h. rente ontvangen over op grond van
artikel 52, eerste lid, onderdeel b, c en d,
niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden;
i. een eenmalige premie voor het
voltooien van een scholing of opleiding als bedoeld in artikel
114, voor zover een bedrag van €|1316,00
niet wordt overschreden;
j. premies die al dan niet eenmalig
boven het rechtens geldende loon worden verstrekt voor het
aanvaarden of behouden van arbeid, voor zover deze premies binnen
een tijdvak van één jaar tezamen minder bedragen dan €|1952,00;
k. een uitkering in verband met geleden
immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte
van de uitkering, uit een oogpunt van bijstandverlening
verantwoord is;
l. de eenmalige uitkering toegekend aan
oud-mijnwerkers in verband met silicose;
m. inkomsten uit arbeid tot
€|89,00
per
maand, alsmede de helft van het meerdere tot een maximum van in
totaal €|163,00
per maand, beide voor zover hij algemene bijstand
ontvangt en behoort tot een categorie van personen voor wie één of
meer van de verplichtingen, bedoeld in artikel
113, eerste lid,
niet gelden op grond van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 107, tweede lid, of 113, vierde lid;
n. inkomsten uit arbeid tot
€|89,00
per
maand, alsmede de helft van het meerdere tot een maximum van in
totaal €|163,00
per maand, beide voor zover hij algemene bijstand
ontvangt en hij behoort tot een categorie van personen die
overeenkomstig een verordening van het gemeentebestuur om redenen
van medische of sociale aard is aangewezen op het verrichten van
arbeid in deeltijd;
o. de eenmalige uitkering ingevolge de
Uitkeringswet
tegemoetkoming twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen;
p. subsidies die op grond van
artikel 3
van de Wet inschakeling werkzoekenden worden verstrekt voor het
onverplicht, in georganiseerd verband, verrichten van onbetaalde
maatschappelijk nuttige activiteiten, voor zover deze subsidies:
1º. binnen een tijdvak van één
kalendermaand minder bedragen dan €|81,00; en
2º. worden verstrekt aan een
langdurig werkloze als bedoeld in artikel
1, eerste lid,
onderdeel e, van de Wet inschakeling
werkzoekenden, dan wel
aan een belanghebbende die behoort tot een categorie van personen
voor wie één of meer van de verplichtingen, bedoeld in artikel
113, eerste lid, niet gelden op grond van de artikelen
107, eerste
en tweede lid, 113, vierde lid, of 114a;
q. eigenwoningbijdrage of
een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de Wet
bevordering eigenwoningbezit;
r. individuele
uitkeringen in het kader van tegoeden Tweede Wereldoorlog aan leden van de Joodse,
Sinti-, Roma- en Indische gemeenschappen.
-3. Een uitkering tot levensonderhoud op grond
van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger
dan 21 jaar van zijn ouder of ouders ontvangt, wordt niet tot de
middelen van de belanghebbende gerekend voor zover deze uitkering
op grond van artikel 10 reeds in aanmerking is
genomen bij de
vaststelling van het recht op bijzondere bijstand.
-4. Onze Minister
kan regels stellen omtrent
de gevallen waarin:
a. het tweede lid, onderdeel j
of n, niet van toepassing is;
b. een uitkering als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel k, niet tot de middelen van de
belanghebbende gerekend wordt. [RvisA]
Art. 44.
[Giften]
[Geschiedenis:
MvT; versie
12 april 1995; Stb. 1998, 742; Stb.
2003, 376]
Bij de vaststelling van de middelen worden
giften van instellingen en personen niet in aanmerking genomen
voor zover dit, gezien de bestemming en de hoogte van de giften,
uit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord is.
Art. 45.
[Netto in aanmerking te nemen
middelen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 200; Stcrt.
1996, 247; Stcrt.
1997, 244; Stb. 1997,
789; Stcrt. 1998, 60;
Stcrt. 1998, 242; Stcrt.
1999, 243; Stcrt.
2000, 245; Stcrt.
2001, 244; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3468; AE2699]
-1. De middelen worden in aanmerking genomen
tot het bedrag dat resteert na aftrek van:
a. de daarover door de belanghebbende
verschuldigde loonbelasting of inkomstenbelasting;
b. de daarover door de belanghebbende
verschuldigde premies volksverzekeringen, premies
werknemersverzekeringen en ziekenfondspremie dan wel een
inhouding die met één of meer van deze premies overeenkomt;
c. ten laste van de belanghebbende
komende verplichte bijdragen ingevolge een pensioenregeling en
daarmee vergelijkbare regelingen; en
d. andere ten laste van de
belanghebbende komende verplichte inhoudingen.
-2. Bij de bijstandverlening aan een
zelfstandige worden de verschuldigde inkomstenbelasting en premies
volksverzekeringen over inkomen waarover geen loonbelasting is
geheven, gesteld op 20 procent van dat inkomen.
Art. 46.
[Bijstandsregeling vakantietoeslag 2001]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
2003, 376]
Onze Minister stelt regels voor het in
aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een
inkomen. [Bv] [Bv96]
[Bv01]
§ 2.
Het inkomen
Art. 47.
[Definitie inkomen] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 200; Stcrt.
1996, 247; Stcrt.
1997, 244; Stb. 1997,
789; Stcrt. 1998, 60;
Stcrt. 1998, 242; Stcrt.
1999, 243; Stcrt.
2000, 245; Stcrt.
2001, 244; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3468; AE2699; AE6815]
-1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond
van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband
met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie voor het
voltooien van een scholing of opleiding of voor het aanvaarden of
behouden van betaalde arbeid of een subsidie voor het onverplicht,
in georganiseerd verband, verrichten van onbetaalde
maatschappelijk nuttige activiteiten, inkomsten uit verhuur,
onderverhuur of uit het hebben van één of meer kostgangers,
socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op
grond van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave
of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting en premies volksverzekeringen, dan wel naar hun aard
met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode
waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
-2. Middelen die het karakter hebben van
uitgesteld inkomen worden in aanmerking genomen naar de periode
waarin deze zijn verworven. Middelen die het karakter hebben van
doorbetaling van inkomen over een periode worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze te gelde kunnen worden
gemaakt.
-3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel
b,
wordt bij de bijstandverlening aan een zelfstandige rekening
gehouden met het inkomen over een boekjaar, zoals dat aan de hand
van zijn administratie wordt vastgesteld. Een teruggave van
inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen wordt bij een
zelfstandige niet als inkomen aangemerkt.
Art. 48.
[Inkomen in natura en i.v.m.
onderhuurder of kostganger | Waardering studiefinanciering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb. 1995, 200;
Stb.
1995, 676; Stb.
1995, 691; Stcrt.
1996, 247; Stcrt. 1997, 244;
Stcrt. 1998, 242; Stcrt.
1999, 243; Stb.
2000, 286 + bis; Stcrt.
2000, 245; Stb.
2001, 225; Stcrt. 2001, 244;
Stcrt. 2002, 241; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3508; AE3719]
-1. Indien inkomen in natura in aanmerking
wordt genomen, wordt de waarde daarvan vastgesteld op de daaruit
voortvloeiende lagere bestaanskosten.
-2. Het inkomen uit studiefinanciering op grond
van de Wet
studiefinanciering 2000 wordt in
aanmerking genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud
waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat het normbedrag
voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 3.2 van die
wet wordt
gesteld op:
a. voor een thuisinwonende studerende:
€|271,06
per kalendermaand;
b. voor een uitwonende studerende:
€|486,94
per kalendermaand.
-3. De tegemoetkoming in
de onderwijsbijdrage en de schoolkosten
op
grond van hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor de
basistoelage, bedoeld in artikel 4.3 van die
wet.
-4. Indien de belanghebbende de woning bewoont
met één of meer huurders, onderhuurders of kostgangers, worden de
daaruit voortvloeiende lagere algemeen noodzakelijke kosten van
het bestaan als inkomen in aanmerking genomen voor zover burgemeester en wethouders daarmee nog geen
rekening hebben
gehouden bij de vaststelling van de verhoging of verlaging van de
bijstandsnorm als bedoeld in afdeling 1,
paragraaf 3.
Art. 49.
[Buiten beschouwing te laten
particuliere oudedagsvoorziening] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 200; Stcrt.
1996, 247; Stcrt. 1997,
244; Stcrt. 1998, 242;
Stcrt.
1999, 243; Stcrt.
2000, 245; Stcrt.
2001, 244; Stcrt.
2002, 241; Stb.
2003, 376]
Indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder
of één van de echtgenoten 65 jaar of ouder is, wordt voor de
vaststelling van de hoogte van de bijstand een in de vorm van een
periodieke uitkering ontvangen particuliere oudedagsvoorziening
buiten beschouwing gelaten tot een bedrag van:
a. voor een alleenstaande en een
alleenstaande ouder: €|16,45
per kalendermaand;
b. voor de gehuwden tezamen:
€|32,90
per
kalendermaand.
Art. 50.
[Inkomen niet-rechthebbende
echtgenoot] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 676; Stb. 1995, 691;
Stb. 1999,
564; Stb.
2000, 286; Stb.
2001, 225; Stb.
2003, 376]
-1. Indien één van de gehuwden geen recht op
algemene bijstand heeft, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking
genomen voor zover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou worden verleend indien zijn
inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan de
op grond van afdeling 1 vast te stellen bijstandsnorm voor
gehuwden.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt,
indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam
gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot
slechts in aanmerking genomen voor zover het de bijstandsnorm,
bedoeld in afdeling
1, paragraaf 2 en 3, te boven gaat.
-3. Voor de vaststelling van de bijstandsnorm,
bedoeld in het eerste lid, is artikel 36 van overeenkomstige
toepassing, indien de niet-rechthebbende echtgenoot:
a. onderwijs of een beroepsopleiding
volgt op grond waarvan aanspraak bestaat op studiefinanciering op
grond de Wet
studiefinanciering 2000, op een
tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten ingevolge hoofdstuk
4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; dan wel
b. jonger is dan 25 jaar en de voor
werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week
in beslag wordt genomen door het onderwijs of de beroepsopleiding,
tenzij het betreft een scholing of opleiding als bedoeld in artikel
113, eerste lid, onderdeel e, dan wel een scholing of
opleiding als voorziening op grond van de Wet
inschakeling werkzoekenden.
-4. Voor de vaststelling van het inkomen van de
niet-rechthebbende echtgenoot is deze afdeling van
overeenkomstige toepassing.
§ 3.
Het vermogen
Art. 51.
[Definitie vermogen] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 691; Stb. 1998,
742; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3503; AA7064;
AB2256; AB2260;
AD3427; AE1353;
AE2641; AE3952;
AE7159;
AE9538]
-1. Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover
de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de
bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken,
verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden;
b. de op grond van paragraaf 1
in
aanmerking genomen middelen die worden ontvangen tijdens de
periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, voor zover deze
geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47.
-2. Bij de verlening van bijstand aan een
zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep tezamen met
één
of meer anderen uitoefent, wordt onder vermogen mede verstaan het
vermogen van die anderen.
Art. 52.
[Niet als vermogen aangemerkt]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 691; Stb. 1998,
742 + bis;
Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3503; AA6725;
AB2256; AB2260;
AB3075; AE2699;
AE3952;
AE7159]
-1. Niet als vermogen wordt in aanmerking
genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun
aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de
omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het bij de aanvang van de bijstand
aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de
toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel
54;
c. vermogen ontvangen tijdens de periode
waarover beroep op bijstand wordt gedaan, tot het bedrag dat het
bij de aanvang van de bijstandverlening aanwezige vermogen minder
bedroeg dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel
54;
d. spaargelden opgebouwd tijdens de
periode waarin bijstand wordt ontvangen;
e. een uitkering in verband met geleden
immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte
van de uitkering, vanuit een oogpunt van bijstandverlening
verantwoord is.
-2. Voor de zelfstandige wordt niet als
vermogen in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun
aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de
omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het voor de uitoefening van het
bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke vermogen, waaronder
mede begrepen het vermogen gebonden in de door de zelfstandige of
zijn gezin in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf.
Art. 53.
[Waardering vermogen | Besluit krediethypotheek
bijstand | Besluit bijstandverlening
zelfstandigen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995;
Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AE2641]
-1. De waarde van de bezittingen wordt
vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur worden
nadere regels gesteld voor de vaststelling van het vermogen
gebonden in de door de belanghebbende of zijn gezin in eigendom
bewoonde woning met bijbehorend erf. [Bkb]
-3. Bij algemene maatregel van bestuur worden
nadere regels gesteld voor de vaststelling van het voor de
uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke
vermogen van de zelfstandige. [Bbz]
Art. 54.
[Vrij te laten vermogen] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 200; Stcrt.
1996, 247; Stcrt. 1997,
244; Stb. 1997, 791;
Stcrt. 1998, 242;
Stcrt. 1999, 243; Stcrt.
2000, 245; Stcrt.
2001, 244; Stcrt.
2002, 241; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: AA3503;
AB0237; AB2260;
AB2280; AB3075;
AD9473;
AE1353;
AE3713;
AT0206; AE3952;
AE7159;
AE9538]
De in artikel 52, eerste lid, onderdeel
b
en c, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: €|4975,00;
b. voor een alleenstaande ouder:
€|9950,00;
c. voor de gehuwden tezamen:
€|9950,00.
AFDELING
4
Aanpassing van bedragen
Art. 55.
[Definitie nettominimumloon en prijsindexcijfer |
Berekening loonbelasting en premies | Besluit vaststelling
rekenpremie wachtgeldfondsen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1999, 564; Stb. 2000,
571; Stb.
2003, 376]
-1. In deze afdeling wordt
onder nettominimumloon verstaan het minimumloon per maand, genoemd in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op
vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die
wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na
aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies
volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en het
werknemersaandeel in de ziekenfondspremie.
-2. De in het eerste lid bedoelde loonbelasting
en premies volksverzekeringen worden berekend voor een werknemer
jonger dan 65 jaar, rekening houdend met uitsluitend tweemaal de
algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet
op de loonbelasting 1964, over het minimumloon en de aanspraak op
vakantiebijslag daarover, vermeerderd met het werkgeversaandeel in
de ziekenfondspremie en verminderd met de premies werknemersverzekeringen.
De loonbelasting en de premies volksverzekeringen, in te houden van
de aanspraak op vakantiebijslag over het minimumloon, worden
berekend met toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen
waarin de arbeidskorting, bedoeld in artikel 22a van de Wet
op de loonbelasting 1964, niet is verwerkt.
-3. Indien ingevolge één van de
socialeverzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het
percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met inachtneming van
bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij
ministeriële regeling voor de toepassing van het eerste lid een
gemiddeld percentage vastgesteld. [Bvrw]
[RvgpWw] [RvrZw]
-4. Onder prijsindexcijfer van de
gezinsconsumptie wordt in deze afdeling verstaan hetgeen daaronder
in artikel 13, zesde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet wordt
verstaan.
Art. 56.
[Aanpassing bedragen artt. 26, 29,
30, 33 en 43]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 691; Stb. 1997,
193; Stb.
1997, 791; Stb. 1998,
742; Stb.
2001, 426; Stb.
2003, 376]
-1.
Onze Minister herziet, met ingang van de
dag waarop het nettominimumloon wijzigt:
a. met het percentage van deze
wijziging, de bijstandsnormen, genoemd in artikel 29 en
artikel 30,
eerste lid, en het bedrag, genoemd in artikel
33, tweede lid;
b. het percentage, genoemd in
artikel 26, derde lid, zodanig dat dit gelijk is aan de procentuele
verhouding tussen de nettoaanspraak op minimumvakantietoeslag
over het minimumloon en de som van het nettominimumloon en de nettoaanspraak op minimumvakantietoeslag daarover.
-2. Onze Minister herziet, met ingang van de
dag waarop het nettominimumloon zonder de daarin begrepen
aanspraak op vakantietoeslag wijzigt, met het percentage van deze wijziging, de bedragen, genoemd in
artikel 43, tweede lid, onderdeel i, j, m, n en p.
Art. 57.
[Aanpassing bedragen art. 30] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 691; Stb. 1997,
791; Stb.
2003, 376]
Onze Minister herziet de bedragen, genoemd in
artikel 30, tweede lid, met ingang van de dag waarop het netto-ouderdomspensioen en de daarbij behorende
vakantie-uitkering ingevolge de
Algemene Ouderdomswet wijzigen, met het percentage van
die wijziging.
Art. 58.
[Aanpassing bedrag art. 41 |
Definitie brutominimumloon]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
2003, 376]
-1.
Onze Minister herziet, met ingang van de dag
waarop het brutominimumloon wijzigt, met het percentage van deze
wijziging, het in artikel 41 genoemde bedrag.
-2. Onder brutominimumloon, bedoeld in het
eerste lid, wordt verstaan het in artikel 8, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag genoemde bedrag.
Art. 59.
[Aanpassing bedragen art. 31 |
Definitie nettominimumloon]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
2003, 376]
-1.
Onze Minister herziet, met ingang van de
dag waarop het nettominimumloon en de daarop aan te brengen
correctie, bedoeld in het derde lid, of de gemiddelde nominale
premies op grond van de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten wijzigen, met het percentage van deze
wijziging, de bijstandsnormen, genoemd in artikel
31, eerste lid,
nadat daarop de gemiddelde nominale premie in mindering is gebracht die de alleenstaande of de gehuwden op grond van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verschuldigd zijn. Het aldus
gewijzigde bedrag wordt vervolgens verhoogd met de gemiddelde
nominale premie die de alleenstaande of de gehuwden op grond van
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verschuldigd zijn.
-2. Onder het nettominimumloon, bedoeld in het
eerste lid, wordt verstaan het nettominimumloon, bedoeld in
artikel 55, eerste lid, met dien verstande dat daarop in mindering
worden gebracht de gemiddelde nominale premies die gehuwden op
grond van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten verschuldigd zijn.
-3. De in het eerste lid bedoelde correctie is
het procentuele verschil van de wijziging van het prijsindexcijfer
van de gezinsconsumptie en het prijsindexcijfer van het onderdeel
energie daarvan.
Art. 60.
[Aanpassing bedragen art. 48]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1995, 691; Stb.
2000, 286; Stb.
2003, 376]
Onze Minister herziet met ingang van de dag
waarop de som van de budgetten voor levensonderhoud, genoemd in
artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
studiefinanciering 2000, en het bedrag dat op grond van artikel
3.29,
eerste lid, van die
wet wordt verstrekt aan een studerende die ten
onrechte over een kalendermaand geen reisvoorziening ontvangt, de
in artikel 48, tweede lid, genoemde bedragen zodanig dat deze
gelijk zijn aan deze som.
Art. 61.
[Aanpassing bedragen artt. 49 en
54] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1998, 205; Stb.
2003, 376]
Onze Minister herziet, met ingang van 1 januari
van elk kalenderjaar, met de procentuele stijging van het
prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie, de in artikel 49 en
artikel 54 genoemde bedragen.
Art. 62.
[Aanpassing bedragen art. 45]
[Geschiedenis: MvT;
versie
12 april 1995]
Onze Minister stelt het in artikel
45, tweede
lid, genoemde percentage zodanig vast dat dit gelijk is aan het
bedrag dat voor personen jonger dan 65 jaar over de algemene
bijstand verschuldigd is aan loonbelasting en premies
volksverzekeringen, uitgedrukt als een percentage van de algemene
bijstand verhoogd met deze loonbelasting en premies.
|
|