|
§
1. De gemeente jegens welke recht op bijstand bestaat
Art. 63.
[Woonplaats en bevoegde gemeente |
Besluit bijstandverlening zelfstandigen | Bijstandsbesluit
adreslozen | Definitie ondernemer in de binnenvaart] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1997, 789; Stb.
1997, 791 + bis; Stb.
2000, 383; Stb.
2003, 376] • [Jurisprudentie:
LJN AB0226;
AB1019; AE7677]
-1. Het recht op bijstand bestaat jegens
burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende
woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11
van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat aan ondernemers in de binnenvaart die in een
daarbij aangegeven gebied verblijven, bijstand wordt verleend door
burgemeester en wethouders van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.
[Bbz]
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat bijstand aan een belanghebbende zonder adres
als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt verleend door burgemeester en wethouders van bij die maatregel aan te wijzen gemeenten.
[Ba]
-4.
Onder een ondernemer in de binnenvaart als bedoeld in het tweede
lid wordt verstaan de zelfstandige die arbeid verricht door:
a. het vervoeren of opslaan
van goederen met behulp van een schip dat bestemd is of gebruikt
wordt voor het vervoer van goederen op de Nederlandse binnenwateren,
stromen en riviermonden, alsmede op de Dollard, de Waddenzee en
het IJsselmeer;
b. het slepen of duwen van de
in onderdeel a bedoelde schepen met een boot die blijkens zijn
bouw daarvoor is bestemd en niet tevens is ingericht voor het
vervoer van goederen.
Art. 63a.
[Indiening aanvraag | AMvB m.b.t. afwijking
indiening aanvraag | Verordening m.b.t. afwijking indiening aanvraag]
[Geschiedenis:
Stb. 2001, 625; Stb. 2001, 692;
Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AT0209]
-1. De aanvraag is gericht
tot burgemeester en wethouders en wordt overeenkomstig artikel 28
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ingediend
bij de Centrale organisatie werk en inkomen. Na de overdracht van de
aanvraag door de Centrale organisatie werk en inkomen aan burgemeester
en wethouders ingevolge artikel 28, derde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt de aanvraag verder behandeld
door burgemeester en wethouders.
-2. Indien het een
aanvraag betreft van andere dan algemene bijstand of van algemene bijstand aan
personen die in een inrichting verblijven, aan personen van 65 jaar of ouder, aan personen zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de
Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of aan zelfstandigen, wordt, in afwijking van het eerste lid, de aanvraag
ingediend bij
burgemeester en wethouders.
-3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ook andere
aanvragen dan in het tweede lid bedoeld, in afwijking van het eerste
lid, bij burgemeester en wethouders worden ingediend.
-4. Het gemeentebestuur
kan, in overeenstemming met de Centrale organisatie werk en
inkomen, bij verordening categorieën van aanvragen vaststellen die, in afwijking van het tweede of derde lid, bij de Centrale
organisatie werk en inkomen worden ingediend.
Art. 64.
[Doorzending aanvraag |
Domiciliegeschil] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
2003, 376]
-1. Indien doorzending van de aanvraag naar
burgemeester en wethouders van een andere gemeente heeft
plaatsgevonden en deze van oordeel zijn dat zij evenmin de
aanvraag dienen te behandelen, terwijl geen zekerheid kan worden
verkregen over de in artikel 63 bedoelde woonplaats, dragen
burgemeester en wethouders die de doorgezonden aanvraag hebben
ontvangen er zorg voor dat het geschil aanhangig wordt gemaakt.
-2. In afwachting van een beslissing inzake een
geschil over toepassing van het eerste lid bestaat het recht op
bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
belanghebbende werkelijk verblijft.
-3. Het eerste en het tweede lid van
artikel 68
zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
daar genoemde termijnen beginnen te lopen vanaf de mededeling van
die doorzending of beslissing.
-4. Kosten van bijstand verleend ingevolge het
tweede lid worden vergoed door de gemeente waarvan de taak is
waargenomen.
§ 2.
Inlichtingenverplichting en onderzoek
Art. 65.
[Inlichtingenverplichting] ¹ [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1996, 248; Stb. 1997,
193; Stb.
2001, 625; Stb.
2003, 376; Stb.
2003, 386; Stb. 2004, 300]
• [Jurisprudentie:
LJN AA3687; AA3771;
AA3968;
AA4021; AA4072;
AA4136; AA4808; AA5668;
AA5738; AA6711;
AA6725; AA7064;
AA7084; AA8239;
AA8680; AA8691;
AA8926; AA8961;
AB0237; AB0578;
AB0596; AB1261;
AB2256; AB3331
AD3773; AD3847;
AD6630; AD7844;
AE0154; AE0165;
AE1085;
AE1887; AE3170;
AE3721;
AE3802; AE4236;
AE4247;
AE6057;
AE6822;
AE7316;
AE9538;
AF0896;
AR7248;;;
AT0206;
AT0233; AT0237]
-1. De belanghebbende doet aan burgemeester en
wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling
van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht
op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de
hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de
bijstand dat aan hem wordt betaald.
-2. De belanghebbende is verplicht aan
burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen
die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
-3. De belanghebbende is voorts verplicht aan
burgemeester en wethouders desgevraagd een document als bedoeld
in artikel 1, eerste lid,
onder 1º tot en met 3º, van de Wet
op de identificatieplicht terstond ter
inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor
de uitvoering van deze wet.
-4. Burgemeester en wethouders stellen bij de
uitvoering van deze wet ten aanzien van een belanghebbende op wie
de verplichting, bedoeld in het vierde lid ², rust, de identiteit vast
aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder 1º tot en met 3º, van de Wet
op de identificatieplicht en nemen de aard en het nummer daarvan
op in de administratie.
1. Bij Besluit
van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat
artikel 65 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip; ingevolge
het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005,
35, vervalt de artikel 65 met ingang van 1 februari 2005, red.
2. Volgens de redactie dient "vierde lid" te worden
vervangen door: derde lid.
Art. 66.
[Inlichtingenverplichting,
onderzoek en heronderzoek] ¹ [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995;
Stb.
2000, 383; Stb.
2001, 625; Stb.
2003, 376; Stb.
2003, 386; Stb. 2008, 600]
• [Jurisprudentie:
LJN AA3968; AA7064;
AA8691; AD3773;
AD9662]
-1.
Burgemeester en wethouders bepalen welke gegevens
ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting
daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke
bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens
plaatsvindt.
-2. Burgemeester en wethouders onderzoeken de
juistheid en volledigheid van de verkregen gegevens en stellen zo
nodig een onderzoek in naar andere gegevens die noodzakelijk zijn
voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het
onderzoek daartoe aanleiding geeft, besluiten burgemeester en
wethouders tot herziening van de bijstand.
-3. Burgemeester en wethouders verrichten
regelmatig een heronderzoek naar de voor het recht op bijstand van
belang zijnde gegevens. Het heronderzoek strekt zich mede uit
tot de naleving van de aan de bijstand verbonden verplichtingen.
Burgemeester en wethouders beoordelen tevens of er aanleiding
bestaat de verplichtingen aan te vullen dan wel te wijzigen.
-4. Het in het derde en vierde lid
² bedoelde
onderzoek omvat, tenzij op grond van artikel 107 ontheffing is
verleend van de verplichtingen gericht op inschakeling in de
arbeid in dienstbetrekking, mede een onderzoek naar de
mogelijkheden van de belanghebbende om door arbeid zelfstandig in
het bestaan te voorzien alsmede de wijze waarop deze mogelijkheden
kunnen worden vergroot.
-5. Bij beëindiging van de bijstand nemen
burgemeester en wethouders, na onderzoek, tijdig een besluit met
betrekking tot de wederzijds tussen de gemeente en de
belanghebbende resterende verplichtingen en de afwikkeling
daarvan.
-6. Burgemeester en wethouders onderzoeken
regelmatig de financiële omstandigheden van degene aan wie zij
betalings- en aflossingsverplichtingen hebben opgelegd
met betrekking tot de
verleende algemene bijstand. Indien het onderzoek daartoe
aanleiding geeft, besluiten burgemeester en wethouders tot
wijziging van de opgelegde betalings- en aflossingsverplichtingen.
1. . Ingevolge artikel
78g, tweede lid, van de Wet werk en
bijstand vervalt artikel 66, voor zover het betreft zelfstandigen als
bedoeld in artikel 78f van de Wet
werk en bijstand, op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip;
ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit
van 23 december 2010, Stb. 2010, 839, is
artikel 66, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel
78f van de Wet werk en bijstand,
met ingang van 1 juli 2011 vervallen, red.
2. Volgens de redactie
dient "derde en vierde lid" te worden vervangen door:
tweede en derde lid.
§ 3.
De aanvraag
Art. 67.
[Schriftelijke/ambtshalve
vaststelling recht op bijstand | Aanvraag echtgenoten]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1998, 742;
Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AA9549; AC0513; AE2489; AT0209]
-1. Burgemeester en wethouders stellen het
recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een
schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
-2. De bijstand wordt door de echtgenoten
gezamenlijk aangevraagd dan wel door één van hen met schriftelijke
toestemming van de ander.
-3. Burgemeester en wethouders stellen het
recht op bijstand ambtshalve vast indien één van de echtgenoten
niet met de aanvraag instemt, doch bijstandverlening, gezien de
belangen van de overige gezinsleden, niettemin geboden is.
Art. 68.
[Beslistermijn | Onderzoek
juistheid gegevens | Besluit indien onvoldoende gegevens]
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1997, 510; Stb.
2001, 625; Stb. 2001,
692; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AB1309; AD9662; AF0905]
-1. Burgemeester en
wethouders stellen binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag door de
Centrale organisatie werk en inkomen bij een aanvraag als bedoeld
in
artikel 63a, eerste of vierde lid, of door burgemeester en
wethouders bij een aanvraag als bedoeld in
artikel 63a, tweede of derde lid, vast
of recht op bijstand bestaat. Indien het een aanvraag betreft om als
zelfstandige bijstand te ontvangen, bedraagt deze termijn dertien weken.
-2. Indien het een aanvraag betreft om als
zelfstandige bijstand te ontvangen, kunnen burgemeester en
wethouders de termijn, bedoeld in de tweede volzin van het eerste
lid, met ten hoogste dertien weken verlengen indien zij niet in
staat zijn tijdig een besluit te nemen. Van de verlenging doen zij
mededeling aan de belanghebbende, onder vermelding van het
tijdstip waarop de termijn voor het nemen van een besluit zal
verstrijken.
-3. Burgemeester en wethouders besluiten niet
tot toekenning van bijstand dan nadat de juistheid en volledigheid
van de door de belanghebbende verstrekte gegevens is onderzocht.
-4. Als buiten toedoen van de belanghebbende
het onderzoek naar de juistheid en de volledigheid van de door hem
verstrekte gegevens niet binnen de beslistermijn kan worden
voltooid, besluiten burgemeester en wethouders op de aanvraag op
voet van de dan bekende gegevens.
Art. 68a. [Aanvang
recht op bijstand]
[Geschiedenis:
Stb. 2001, 625;
Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AT0209]
-1. Indien door
burgemeester en wethouders is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt
de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor
zover deze dag niet ligt vóór de dag waarop de
belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
-2. De belanghebbende
heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te
dienen bij de Centrale organisatie werk en inkomen als het een aanvraag
betreft als bedoeld in
artikel 63a, eerste of vierde lid, of bij burgemeester en
wethouders als het
een aanvraag betreft als bedoeld in artikel
63a, tweede of derde lid.
-3. Indien de
belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich
heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat
de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.
§ 4.
Opschorting en herziening van de
bijstand
Art. 69.
[Opschorten recht op bijstand,
herstel verzuim en beëindiging bijstand] [Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995; Stb.
1996, 248; Stb.
2001, 625;
Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: AA3555;
AA3567;
AA3687; AA3771; AA4808; AA5738;
AA6711; AA6725;
AA6936;
AA7084;
AA8239; AA8691;
AA9382; AB0237;
AB0596;
AB1261; AB1792;
AB1797; AB2256;
AC1903; AR7248;
AD3773; AD3845;
AD5912; AE0154;
AE0165; AE1085;
AE1887; AE3713;
AE3721;
AE3802; AE4236;
AE4247; AE6057;
AE6820; AE6822;
AE7159; AE7242;
AE7599; AE9538;
AF0896; AT0206;
AT0233; AT0237]
-1. Indien de belanghebbende de voor de
verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde
bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en
hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende
anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek,
schorten burgemeester en wethouders het recht op bijstand op:
a. vanaf de eerste dag van de periode
waarop het verzuim betrekking heeft; of
b. vanaf de dag van het verzuim indien
niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking
heeft.
-2. Burgemeester en wethouders doen mededeling
van de opschorting aan de belanghebbende en nodigen hem uit binnen
een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
-3. Onverminderd het elders in deze wet
bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit
tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van
bijstand, herzien burgemeester en wethouders een dergelijk
besluit of trekken zij dat in:
a. indien een gedraging als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van
de verplichting, bedoeld in artikel
65, eerste lid,
of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
-4. Als de belanghebbende in het geval, bedoeld
in het eerste lid, het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor
gestelde termijn, trekken burgemeester en wethouders na het
verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van
bijstand in met ingang van de eerste dag waarover het recht op
bijstand is opgeschort.
-5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Art. 69a. [Opschorten
recht op bijstand bij afwijkend adres]
[Geschiedenis:
Stb. 2001, 67;
Stb.
2003, 376]
-1. Indien bij de beoordeling van het
recht op bijstand blijkt dat het door een belanghebbende
verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind
afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, schorten
burgemeester en wethouders het recht op bijstand op.
-2.
Geen opschorting vindt plaats:
a. indien de afwijking
redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de
hoogte van de bijstand;
b. indien de belanghebbende
van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt;
c. indien daarvoor naar het
oordeel van burgemeester en wethouders dringende redenen aanwezig
zijn.
-3. Burgemeester en wethouders doen
schriftelijk mededeling van de opschorting aan de belanghebbende
en stellen hem daarbij in de gelegenheid de in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens opgenomen adresgegevens te
doen aanpassen binnen een door burgemeester en wethouders te
stellen termijn.
-4. De opschorting wordt beëindigd
zodra het aan burgemeester en wethouders gebleken is dat de
afwijking niet meer bestaat. Indien de afwijking ook na de
krachtens het derde lid gestelde termijn nog bestaat, herzien
burgemeester en wethouders het besluit tot toekenning van de
bijstand, of trekken zij dit in, met ingang van de eerste dag
waarover het recht op bijstand is opgeschort.
§ 5.
Het besluit tot toekenning of wijziging
van bijstand
Art. 70. [Bijlage m.b.t. rechten en
plichten bij besluit tot toekenning, voortzetting of herziening
bijstand | Plan gericht op vergroten
arbeidsinschakeling | Ministeriële regeling m.b.t. art. 70] ¹
[Geschiedenis:
MvT; versie 12 april 1995;
Stb.
2001, 625; Stb.
2003, 376; Stb.
2003, 386] •
[Jurisprudentie: LJN
AD5103; AE6141]
-1. Bij een besluit tot
toekenning of voortzetting van bijstand wordt, in een bijlage, mededeling
gedaan van de rechten en plichten van de belanghebbende die
verband houden met de toekenning of voortzetting van bijstand. Hierbij wordt ten minste mededeling gedaan van:
a. de verplichtingen tot
het doen van mededelingen en het verlenen van medewerking, bedoeld
in artikel 65;
b. de verplichtingen als
bedoeld in hoofdstuk VIII die in het betrokken geval aan de bijstand
zijn verbonden.
-2. Bij een besluit tot
herziening van bijstand wordt mededeling gedaan van de herziening en, in
een bijlage, van de op die herziening betrekking hebbende gewijzigde
rechten en plichten van de belanghebbende. Voorts wordt, indien daarvoor
aanleiding bestaat, in deze bijlage nogmaals mededeling gedaan van de
eerder aan de bijstand verbonden rechten en plichten, bedoeld in het
eerste lid.
-3. Indien burgemeester en
wethouders ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel
111,
eerste lid, ten behoeve van de belanghebbende een plan hebben opgesteld of
hebben laten opstellen gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot
inschakeling in het arbeidsproces, wordt dit opgenomen in een bijlage
bij het besluit tot toekenning, voortzetting of herziening van bijstand.
-4. De belanghebbende
tekent, indien een plan als bedoeld in het derde lid wordt opgesteld, een
exemplaar van de bijlage, bedoeld in het derde lid, of, indien een dergelijk plan niet wordt opgesteld, een exemplaar van
de bijlage, bedoeld in
het eerste en tweede lid, voor gezien en verstrekt dit aan burgemeester en
wethouders. De bijlage wordt tevens getekend door burgemeester en wethouders.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent dit artikel.
1. Bij Besluit
van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat
artikel 70 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip; ingevolge
het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005,
35, vervalt de artikel 70 met ingang van 1 februari 2005, red.
§ 6.
Overige bepalingen
Art. 71.
[Termijn periode opschorting en
onderzoekstermijn | Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften
Abw, Ioaw en
Ioaz | Regeling financiering en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz]
[Geschiedenis:
versie 12 april 1995; Stb.
2001, 625; Stb.
2003, 376]
-1. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels gesteld met
betrekking tot: [RauIIB]
a. de periode die de opschorting van de
bijstand, bedoeld in artikel 69, eerste lid, ten hoogste mag
duren;
b. de termijn waarbinnen burgemeester en
wethouders de onderzoeken verrichten, bedoeld in artikel
66, derde, vijfde en zesde lid. [RfvIIB]
-2. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot:
a. de wijze waarop burgemeester en
wethouders toepassing geven aan artikel 66, eerste
lid;
b. de inhoud van de onderzoeken, bedoeld
in artikel 66, tweede, derde, vijfde en
zesde lid;
c. de voorwaarden waaronder van de in
het eerste lid, onderdeel b, bedoelde termijnen kan worden
afgeweken ten aanzien van de onderzoeken, bedoeld in artikel
66, derde en zesde lid; [RauIIB] [RfvIIB]
d. de gevallen waarin kan worden
afgezien van het onderzoek, bedoeld in artikel
66, zesde lid. [RauIIB]
|
|