|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1991-1992, 22 545
Herinrichting
van de Algemene Bijstandswet (Algemene
bijstandswet)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Algemeen |
| 1.2 |
Adviezen
|
| 2 |
Een korte terugblik |
| 3 |
De
uitgangspunten van de ABW |
| 4 |
De doelstellingen van de herinrichting |
| 4.1 |
Algemeen
|
| 4.2 |
Voorwaarden voor een effectiever functioneren van
de Abw
|
| 4.3 |
Bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening
|
| 4.4 |
De verfijning van de bijstand in het individuele
geval
|
| 4.5 |
Complementariteit en afstemming op andere
voorzieningen
|
| 5 |
Hoofdlijnen |
| 5.1 |
De indeling van de wet
|
| 5.2 |
Het recht op bijstand
|
| 5.3 |
De
vorm van bijstand |
| 5.4 |
De hoogte van de bijstand
|
| 5.5 |
Het geldend maken van het recht op bijstand
|
| 5.6 |
Betaling, terugvordering en verhaal |
| 5.7 |
Aan de bijstand
verbonden verplichtingen
|
| 5.8 |
Uitvoering en toezicht
|
| 5.9 |
Financiering |
| 5.10 |
Rechtsbescherming |
| 6 |
Financiële gevolgen |
| 7 |
Enkele bijzondere
aspecten |
| 7.1 |
Internationale aspecten |
| 7.2 |
Gevolgen voor vrouwen |
| 7.3 |
Informatievoorziening |
| 7.4 |
Dereguleringsaspecten |
| 7.5 |
Overgangsbepalingen en
wijziging van andere regelingen |
| xArtikelsgewijs |
| x |
Artikelen
1 t/m 154 |
rblz.|3|
Algemeen
1.
Inleiding
1.1. Algemeen
Velen in Nederland zijn aangewezen op de Algemene
Bijstandswet (ABW) als laatste mogelijkheid om in de noodzakelijke
kosten van het bestaan te voorzien. De maatschappelijke betekenis van
de ABW is, vanaf de invoering in 1965, eerder toe- dan afgenomen.
In de sindsdien verstreken tijd heeft de wet de invloed ondergaan van ontwikkelingen die
zich in de samenleving hebben voorgedaan. Hieruit
resulteerden diverse aanpassingen van de regelgeving, terwijl bovendien
geleidelijk een uitbreiding van het aantal wettelijke en nadere regels
plaatsvond. Met name de aan het begin van de jaren zeventig ingeslagen
weg naar een landelijke normering van de bijstandverlening leidde tot
een toename van de nadere regelgeving die op de ABW is gebaseerd. In
verhouding tot de wet is het gewicht van de nadere regelgeving
aanmerkelijk vergroot. Als gevolg hiervan zijn de rechten en plichten in het
kader van de bijstand over diverse regelingen verspreid geraakt en is
de samenhang in de regelgeving momenteel minder sterk dan wenselijk is.
De geschetste ontwikkeling ging ermee gepaard dat de
gemeenten bij de uitvoering van de ABW, in sterkere mate dan
aanvankelijk het geval was, werden gebonden aan centrale voorschriften. Voor
deze benadrukking van de centrale verantwoordelijkheid is
destijds bij de zogenoemde structurele wijziging van de ABW in 1972
doelbewust gekozen. Deze keuze was ingegeven door de aanzienlijke
verschillen in de bijstandverlening die zich in de voorafgaande
periode tussen gemeenten onderling bleken voor te doen. Uit een oogpunt
van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid werd die omstandigheid
ongewenst geacht. Een landelijke normering van de bijstandverlening werd
tot stand gebracht, zowel op het vlak van de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan alsook van de bijzondere bestaanskosten.
Gaandeweg is dit normenstelsel verder uitgebouwd en verfijnd.
De laatste tijd is herhaaldelijk de vraag aan de orde
gesteld of de huidige dichtheid van de regelgeving niet te veel
afbreuk doet aan de verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders voor
de uitvoering van de ABW in medebewind. Is met andere woorden het evenwicht in de verdeling van verantwoordelijkheden voor
de bijstandverlening tussen de centrale en de lokale overheid thans
nog wel optimaal of is de balans mogelijk te veel doorgeslagen
in de richting van de centrale overheid?
Deze vraagstelling heeft aan actualiteit
gewonnen
enerzijds doordat in de strijd tegen de langdurige werkloosheid het
inzicht is gegroeid dat alleen door inspanningen op decentraal niveau via een
directe benadering van het individu weer perspectief kan worden
geboden aan degenen die op eigen kracht weinig kans maken op een zelfstandig
bestaan. Anderzijds is er het inzicht dat in het kader
van een beleid dat is gericht op het voorkomen en wegwerken van
maatschappelijke achterstanden groot gewicht moet worden toegekend aan de
afstemming van te verlenen bijstand op de feitelijke behoefte in het individuele geval, zodat financiële hulpverlening een kwestie van maatwerk
wordt.
Hier treedt de samenhang naar voren met het beleid
gericht op sociale vernieuwing. Centraal in dit beleid staat de gedachte
dat gebundelde inspanningen, met name op lokaal en regionaal niveau,
noodzakelijk zijn om maatschappelijke achterstanden weg te werken. Deze
inspanningen zullen in het bijstandsbeleid moeten doorwerken; zij zullen moeten
worden gericht op terugdringing van het verschijnsel van
langdurige rblz.| 4
bijstandsafhankelijkheid door inhoud te geven aan een
activerend beleid. Een nieuw evenwicht tussen rechten en plichten staat
hierbij voor ogen. Daartoe zal het optreden van de overheid, zeker in het
kader van de bijstandverlening, niet alleen beschermend, doch tevens
activerend van aard dienen te zijn. Vooral in de lokale praktijk bij
de uitvoering van de ABW zal het nieuwe evenwicht gestalte dienen te
krijgen.
Dit wordt slechts mogelijk geacht indien tevens een
nieuw evenwicht wordt gevonden tussen de algemene regelgeving op
landelijk niveau en de toespitsing van de bijstand op de individuele burger
in nood door de lokale overheid. Immers, voor het doeltreffend
functioneren van de bijstandswet, zowel bij de bevordering van de
zelfstandige voorziening in het bestaan als bij het op adequate wijze verstrekken
van financiële hulp, is het een vereiste dat op lokaal niveau voldoende
beleidsruimte aanwezig is. Een te veel aan centrale voorschriften leidt
tot inkrimping van de gemeentelijke beleidsruimte en ontmoedigt het
lokale bestuur bij de ontwikkeling van een actief gemeentelijk beleid
gericht op het optimaal functioneren van de ABW.
De huidige omvang en detaillering van de regelgeving,
alsmede de noodzaak de effectiviteit in het functioneren van de ABW
te vergroten, geven aanleiding voor een vermindering van het aantal
centrale voorschriften, onder gelijktijdige versterking van de
verantwoordelijkheid die gemeenten voor het bijstandsbeleid dragen en
uitbreiding van de beleidsmarge waarover zij in dat kader beschikken.
Daarbij gaat het, naast de bevoegdheid van burgemeester en wethouders om
van wettelijke bepalingen af te wijken indien de omstandigheden
in een individueel geval zulks noodzakelijk maken, met name ook om het
bewust aan het oordeel van burgemeester en wethouders overlaten van
bepaalde beslissingen. Op sommige onderdelen verdient het de voorkeur
dat de wet geen voorschriften geeft, doch aan burgemeester en
wethouders opdraagt te oordelen en te handelen al naargelang de
feitelijke omstandigheden in het concrete geval. Verder vragen bepaalde
aspecten om een eigen beleidsinvulling door de gemeente, waarbij
afstemming plaatsvindt op lokale en regionale omstandigheden.
Gegeven deze situatie wordt thans een algehele
herinrichting van de regelgeving aangaande de bijstand voorgesteld, leidend
tot een vereenvoudigd samenstel van regels met een heldere structuur.
Het uitgangspunt dat ter waarborging van rechtsgelijkheid
en rechtszekerheid een landelijke normering van de
bijstandverlening niet kan worden gemist, wordt hierbij niet verlaten. Wel is, waar
dit wenselijk en mogelijk werd geacht, meer nadruk gegeven aan de
afstemming van de bijstand op de omstandigheden en mogelijkheden van
personen en gezinnen. In de voorgestelde regelgeving wordt niet
volstaan met het bieden van de benodigde ruimte daartoe aan de
gemeenten,
doch is tevens sprake van een uitdrukkelijke opdracht aan
burgemeester en wethouders om voor deze afstemming zorg te dragen.
Aangaande één element van de voorgestelde
herinrichting van de ABW, namelijk de decentralisatie van de bijstand voor
bijzondere bestaanskosten, is op 20 juli 1990 een afzonderlijk
voorstel van wet bij de Tweede Kamer ingediend. Dat voorstel, dat inmiddels
kracht van wet heeft gekregen (Stb. 1991, 337), kan worden beschouwd
als de eerste fase van de vereenvoudiging van regelgeving en de
versterking van het decentrale karakter van de ABW die met de
herinrichtingsoperatie worden beoogd. In het onderhavige voorstel voor een
geheel herziene ABW - de tweede, afrondende fase - is bij genoemde
decentralisatiemaatregel aangesloten.
Verder is, naar de laatste stand van zaken, aangesloten
bij een aantal voorstellen die thans bij het parlement in behandeling
zijn of daar rblz.| 5
binnenkort zullen worden ingediend (zie bijlage 1). Voor
zover ten aanzien van deze voorstellen nog nadere besluitvorming
plaatsvindt, zal dit voorstel van wet dienovereenkomstig worden
aangepast. In het bijzonder dient in dit kader te worden vermeld dat, in
aansluiting bij de voorgestelde Algemene wet bestuursrecht
(Kamerstukken I
1991-92, 21 221, nr. 174) en het voorstel van
Wet voltooiing eerste
fase herziening rechterlijke organisatie (Kamerstukken II 1991-92, 22
495), aanpassing van de rechtsgang wordt voorgesteld. Hierop wordt nader
ingegaan in paragraaf 5.10 van deze memorie.
In diverse opzichten onderscheidt
dit wetsvoorstel zich
van de huidige opzet van de regelgeving. Allereerst is een aanzienlijk
deel van de huidige nadere regelgeving in het wetsvoorstel
geïntegreerd. Dit geldt met name voor de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers
(Rww), het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln) en het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria
(Bld), die dus in het
wetsvoorstel opgaan. Na invoering van de nieuwe
Abw [Algemene bijstandswet, red.] blijft de behoefte bestaan
aan een afzonderlijk Besluit bijstandverlening
zelfstandigen (Bbz),
met dien verstande dat een aantal bepalingen uit het huidige
Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bz) naar het wetsvoorstel is overgebracht. In de tweede
plaats kent het wetsvoorstel in vergelijking tot de bestaande wet een
andere systematiek en indeling. Wat de indeling betreft, is aansluiting gezocht bij de
inmiddels in diverse wetten op het terrein van de
sociale zekerheid ingevoerde functionele opbouw als voorgesteld door de
Staatscommissie vereenvoudiging en codificatie van de socialezekerheidswetgeving. De in dit wetsvoorstel gekozen specifieke uitwerking van deze
opbouw wordt toegelicht in paragraaf 5.1. In de derde plaats zijn minder
noodzakelijk geachte bepalingen weggelaten, terwijl de bepalingen die uit de
bestaande regelgeving zijn overgenomen waar nodig zijn aangepast aan de
eisen van de tijd. Ten slotte is op enkele onderdelen aanleiding
gevonden tot een codificatie van uitgangspunten van beleid en vaste
lijnen uit de jurisprudentie die thans niet direct hun neerslag vinden in de
regelgeving. Hieraan ligt niet een op zichzelf staande wens tot
regulering ten grondslag, als wel de opvatting dat de duidelijkheid van
de regelgeving in enkele gevallen gediend is met toevoeging van een
bepaling waar die thans ontbreekt.
De centrale uitgangspunten van de huidige ABW zijn in
dit wetsvoorstel gehandhaafd. De met ingang van 1 januari
1987 gerealiseerde herziening van het stelsel van sociale zekerheid
betekende voor de ABW een bevestiging van deze uitgangspunten en van de
plaats en functie van de wet in het stelsel. Gebleken is dat de
beginselen die ten grondslag liggen aan de bijstandswet van 1965 in
politiek en maatschappelijk opzicht nog steeds voldoende worden
gedragen. Door de jaren werd duidelijk dat het hier daadwerkelijk om
dragende beginselen gaat die de bijstandverlening als voorziening
legitimeren.
Hoewel de thans voorgestelde herinrichting van de ABW de
huidige principes van de wet als vertrekpunt kiest, werpt deze
operatie niettemin een nieuw licht op deze principes. In feite wordt met
behulp van goeddeels nieuwe bepalingen opnieuw inhoud gegeven aan
de oorspronkelijke grondbeginselen van de ABW. In hoofdstuk 3 wordt op deze
materie nader ingegaan.
De wijze van invoering van de nieuwe
Abw, het
overgangsrecht en de wijzigingen in andere wetten die uit de herinrichting
voortvloeien, zullen worden geregeld in een afzonderlijke Invoeringswet
[Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet,
red.]. In
verband hiermee zal in deze memorie worden volstaan met een korte
aanduiding van de hoofdlijnen van de invoerings- en overgangsaspecten (paragraaf
7.5).
rblz.| 6
1.2. Adviezen
Op 3 april 1989 is omtrent de voorstellen tot
herinrichting het advies gevraagd van de Commissie Sociale Voorzieningen van de
Sociaal-Economische Raad (Kamerstukken II 1988-1989, 21
084, nr. 1). Het streven naar een herinrichting van de ABW heeft in
algemene zin de instemming van de Commissie, zo blijkt uit het interim-advies dat de
Commissie op 8 september 1989 uitbracht. De Commissie
onderschrijft de analyse uit de adviesaanvrage dat de centrale
normering van de bijstand zich zodanig heeft ontwikkeld dat het beginsel
van de individuele afstemming van de bijstand aan betekenis heeft
verloren. Zij stemt in met de beoogde versterking van dit beginsel en erkent,
voor zover de doeltreffendheid en doelmatigheid van de
bijstandverlening hiermee zijn gediend, de wenselijkheid om - waar mogelijk - te kiezen
voor decentralisatie en deregulering, waardoor de gemeentelijke
beleidsmarge wordt verruimd. Op deze wijze kan naar de mening van de Commissie
recht worden gedaan aan verschillen in omstandigheden die
vragen om verschillen in behandeling.
De Commissie benadrukt dat de versterking van de
rechtszekerheid en rechtsgelijkheid waartoe de landelijke normering van de
bijstand heeft geleid, als zodanig positief moet worden gewaardeerd. In
het vervolgadvies van 16 februari 1990 heeft de Commissie hieruit
de conclusie getrokken dat enkele specifieke deregulerings- en decentralisatievoorstellen van het voorgaande
kabinet die betrekking
hebben op de algemeen noodzakelijke bestaanskosten door haar niet
kunnen worden onderschreven. De algemene bijstand leent zich volgens
de Commissie minder voor een verregaande overheveling van
bevoegdheden van Rijk naar
gemeenten dan de bijzondere bijstand.
Op 25 maart 1991 bracht de Commissie een afrondend
advies uit over het aan haar voorgelegde voorontwerp van wet (hierna te
noemen het slotadvies). De Commissie besteedt daarin vooral
aandacht aan een aantal beleidsaspecten van het voorontwerp. Uit het
advies blijkt dat de in het voorontwerp gegeven uitwerking van de eerder
gepresenteerde beleidsvoornemens voor de Commissie geen aanleiding is
geweest het eerder ingenomen - in hoofdlijn instemmende - standpunt
aangaande de herinrichtingsoperatie te herzien. Een verschil van
inzicht blijkt er met name te bestaan tussen de meerderheid van de Commissie
en het kabinet aangaande het opleggen van op
arbeidsinschakeling gerichte verplichtingen aan de partner en de alleenstaande ouder
met verzorgende taken.
Het voorontwerp van wet is eveneens beoordeeld door de
Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten. De Commissie onderschrijft de wenselijkheid van een hercodificatie van het
bijstandsrecht en constateert dat het voorontwerp op het punt van eenvoud,
helderheid en systematiek van de regelgeving in belangrijke mate verbetering brengt. Op de
diverse kanttekeningen die de Commissie bij het
voorontwerp heeft geplaatst, is nader ingegaan in een afzonderlijk
regeringsstandpunt, waarnaar hier kan worden verwezen (bijlagen 5 en 6).
De Emancipatieraad bracht in november 1990 naar
aanleiding van het voorontwerp het advies "Vrouwen in de bijstand" uit.
De Raad wijst erop dat de kabinetsvoorstellen, zoals het opheffen van het
onderscheid tussen ABW en Rww en het voeren van een actiever beleid
gericht op arbeidsinschakeling van bijstandsgerechtigden, vooral
voor vrouwen gevolgen hebben. Een positief oordeel spreekt de Raad
uit over het streven meer inhoud te geven aan de doelstelling van de
ABW om de zelfstandige bestaansvoorziening te bevorderen; daarmee
kan volgens de Raad een bijdrage worden geleverd aan de realisatie van
één van de belangrijkste doelstellingen van het emancipatiebeleid,
namelijk vrouwen in staat te stellen zich een zelfstandig bestaan te
verwerven. Wel wijst de rblz.| 7
Raad op de barrières die veel vrouwen met een bijstandsuitkering moeten
overwinnen om de arbeidsmarkt daadwerkelijk te kunnen
betreden. Dit brengt de Raad ertoe te bepleiten dat activiteiten en
faciliteiten die zijn gericht op het bevorderen van de uitstroom uit de
bijstand meer worden afgestemd op vrouwen. Voor degenen die geboren zijn na
31 december 1971 (de zogenaamde 1990-generatie) bepleit de Raad van
invoering van een individueel recht op bijstand.
De Raad voor de gemeentefinanciën bracht tweemaal (op
12 juli 1989 en 19 december 1990) advies uit, in het bijzonder over
de financiële gevolgen van de herinrichting voor de gemeenten. De Raad
voor het binnenlands bestuur adviseerde op 26 februari 1990
eigener beweging over het thema "Gemeenten - minima - bijstandswet".
Op afzonderlijke onderdelen van de ontvangen adviezen
zal op verschillende plaatsen in deze memorie worden ingegaan.
Enkele concrete voorstellen van de Emancipatieraad zullen
worden besproken in paragraaf 7.2, waarin de gevolgen van de herinrichting voor
vrouwen aan de orde komen. Hoewel geen deel uitmakend van de eigenlijke adviesronde,
verdient het werkvoorstel "Bijstand verdienen" dat de
Interbestuurlijke Projectgroep Sociale Vernieuwing in oktober 1991 heeft
uitgebracht, aparte vermelding, gelet op het commentaar op de
voorstellen tot herinrichting dat daarin is opgenomen. Voor een reactie op de
voorstellen van de projectgroep wordt verwezen naar een binnenkort uit
te brengen regeringsstandpunt.
In bijlage 4 is een overzicht gegeven van de adviezen,
alsmede van de commentaren die van diverse organisaties werden
ontvangen.
2. Een korte terugblik
Met de inwerkingtreding van de ABW op 1 januari 1965
werd aan het stelsel van sociale zekerheid een fundamentele
voorziening toegevoegd. Tegelijkertijd werd afscheid genomen van de Armenwet en
daarmee van een traditie die de financiële ondersteuning in wezen
zag als een randtaak van de overheid. Erkend werd nu dat zich in de moderne
samenleving bestaansrisico's voordoen die hun oorsprong
niet vinden in de persoon, doch in de sociale verhoudingen en
omstandigheden. Hieraan werd het inzicht ontleend dat de gemeenschap
dan ook dient te aanvaarden dat zij voor het opvangen van dergelijke
bestaansrisico's een verantwoordelijkheid draagt. De overheid nam zodoende,
met de invoering van de ABW, de rechtsplicht op zich
financiële bijstand te verlenen aan iedere Nederlander die in zodanige
omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de
middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Daarmee werd voor de ingezetenen een bestaansminimum gegarandeerd.
De ABW zoals in 1965 ingevoerd, droeg kenmerken van een
kaderwet. De wet beoogde een algemeen raamwerk te zijn waarbinnen
desgewenst door middel van rijksgroepsregelingen en gemeentelijke
groepsregelingen voor bepaalde categorieën nadere regels konden
worden gesteld. Mede als gevolg van deze constructie liet de wet veel
zaken over aan de nadere regelgever, zowel op centraal als decentraal
niveau. Uitdrukkelijk werd gekozen voor decentralisatie als één van de
leidende beginselen, teneinde de uitvoering van de wet geheel in de
plaatselijke sfeer te laten. Het werd niet noodzakelijk geacht de
gemeenten bij de
realisatie van hun bijstandstaak onder formeel, specifiek toezicht van de
rijksoverheid te plaatsen; in de praktijk werd aan rijkszijde volstaan
met administratieve controleactiviteiten.
De ervaringen gedurende de eerste jaren met de werking
van de wet waren evenwel aanleiding voor een belangrijke
koerswijziging. In de mate rblz.| 8
waarin bijstand werd verleend, bleken soms tussen
gemeenten onderling aanmerkelijke verschillen op te treden, ook waar het
vergelijkbare gevallen betrof. Sommige gemeenten pasten uitkeringsbedragen toe die
uitgingen boven het niveau van het minimumloon, waardoor
het landelijk gevoerde inkomensbeleid werd doorkruist. Aangezien
pogingen om tot harmonisatie van gemeentelijke richtlijnen voor de
bijstandverlening te komen weinig succes hadden, groeide het besef dat het
sturend vermogen van de landelijke bepalingen te gering was. Het
ontbreken van formeel en specifiek toezicht door de rijksoverheid werd
nu bovendien als gemis ervaren. In 1972 onderging de ABW een structurele
wijziging
waarbij doelbewust naar correctie van deze
tekortkomingen werd gestreefd: de mogelijkheid werd gecreëerd om bij
algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen voor zaken van
bovengemeentelijke, c.q. landelijke betekenis (artikel
11); de ministeriële
bevoegdheid werd ingevoerd om bepaalde door een gemeente gemaakte
kosten van bijstand onaanvaardbaar te verklaren; er werden
toezichtsbepalingen aan de wet toegevoegd.
Met deze wijzigingen vond een fundamentele verschuiving
van beleidsbevoegdheden plaats van de gemeenten naar het Rijk. In
overeenstemming hiermee werd ook de financiële
verantwoordelijkheid van het Rijk voor de bijstandsuitgaven vergroot. Voortaan
vergoedde het Rijk 50% van de bijstand aan thuiswonende personen,
terwijl de resterende bijstandslasten voor 80% in aanmerking
werden genomen in het uitkeringsonderdeel "sociale zorg" van het
gemeentefonds, waarmee het effectieve vergoedingspercentage op 90 werd
gebracht. De huidige systematiek, waarbij 90% van de kosten
rechtstreeks op declaratiebasis via de departementale begroting wordt vergoed,
werd begin 1973 ingevoerd. Vóór 1971 kwamen de kosten van
bijstand aan thuiswonende personen buiten toepassing van een
rijksgroepsregeling volledig ten laste van de algemene middelen van de gemeenten.
Op grond van het nieuwe artikel 11 werd op 3 juli 1974
het Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1974, 418; Stb. 1983,
132) ingevoerd. Daarin werden landelijke bijstandsnormen gegeven voor de
algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Op 20 februari 1980 volgde
het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria (Stb. 1980, 87), waarin de draagkrachtberekening aangaande de bijstand voor bijzondere
bestaanskosten landelijk werd genormeerd. Aldus kreeg de landelijke
normering gestalte door middel van nadere regelgeving, terwijl de wet als
zodanig zijn oorspronkelijke karakter grotendeels behield. De
regeling van de uitkeringssystematiek werd dus niet in de wet opgenomen. Ten
aanzien van de aan de bijstand te verbinden voorwaarden gericht op
arbeidsinschakeling was reeds bij de invoering van de ABW gekozen
voor een afzonderlijke rijksgroepsregeling, de Rww (Stb. 1964, 553;
Stb. 1984, 626). Eén en ander heeft ertoe geleid dat de wet binnen het
totale complex van bijstandsregels een minder centrale plaats inneemt
dan uit een oogpunt van wetssystematiek, uitgaande van het primaat
van de wet, wenselijk is.
Hoewel de structurele wetswijziging en de daaropvolgende
invoering van algemene maatregelen van bestuur met normbepalingen
een centraliserende strekking hadden, werd het principe van de
decentrale uitvoering van de bijstandswet uitdrukkelijk
gehandhaafd. Via de landelijke normen vond weliswaar centrale sturing van de
uitkeringsniveaus plaats, doch benadrukt werd dat deze normen geen
absoluut karakter droegen en eerder dienden te worden aangemerkt als een
door alle
gemeenten gelijkelijk te hanteren uitgangspunt voor de
bepaling van individueel toereikende bijstand. Zowel in het Bln als
in het Bld werd expliciet bepaald dat burgemeester en wethouders de
bijstand vaststellen in afwijking van de landelijke
normbepalingen indien de rblz.| 9
omstandigheden en mogelijkheden van persoon en gezin
daartoe aanleiding geven. Desalniettemin hebben met name de
normbepalingen uit het Bln zich in de praktijk ontwikkeld tot een
algemene standaard, waarvan relatief zelden bewust wordt afgeweken. Het
beginsel van de individuele afstemming van de bijstand heeft hierdoor
geleidelijk aan betekenis ingeboet. Dit terwijl juist in situaties van
jarenlange bijstandsafhankelijkheid veel belang aan dit beginsel moet worden
gehecht, aangezien alleen door afstemming van de bijstand op de
omstandigheden in het individuele geval adequaat kan worden
gereageerd op specifieke financiële problemen die zich, zeker in een
langer tijdsbestek, kunnen voordoen.
De vraag kan worden gesteld of niet het risico bestaat
dat, nu met de herinrichting van de ABW een versterking van het
decentrale aspect wordt nagestreefd, zich een herhaling van de geschetste
ontwikkeling uit de jaren zestig zal voordoen in de vorm van een te sterk
uiteenlopende gemeentelijke bijstandspraktijk, gevolgd door een reactie van de centrale
overheid. Er zijn verschillende redenen waarom voor een
dergelijke herhaling niet behoeft te worden gevreesd. Hoewel door
de per 1 augustus 1991 ingevoerde decentralisatie van de bijzonderebijstandverlening, alsmede door het voorliggende
wetsvoorstel,
opnieuw en versterkt inhoud wordt gegeven aan de decentrale kenmerken van de
ABW, wordt daarmee niet teruggekeerd naar de stand van
de regelgeving in de jaren zestig. Een vergelijking van de
bijstandswet van destijds met het wetsvoorstel maakt dit duidelijk. De
landelijke normering van de algemene bijstand die is ingevoerd als
correctief op gebleken aanmerkelijke verschillen tussen
gemeenten in de
wetstoepassing, ook waar het vergelijkbare gevallen betrof, blijft behouden.
In het bijzonder hoofdstuk IV van het wetsvoorstel is hierbij van belang.
Hierin is sprake van een landelijke normering van de algemene bijstand
die, ondanks bepaalde verschillen in systematiek en aanpassingen op
onderdelen, naar de mate van regulering niet wezenlijk verschilt van het
bestaande Bijstandsbesluit landelijke normering.
Belangrijk verschilpunt met de jaren zestig is verder
het in 1972 ingevoerde rijkstoezicht op de gemeentelijke
bijstandverlening. Het wetsvoorstel handhaaft deze toezichtsfiguur, waarbij
uiteraard dient te worden aangetekend dat de overdracht van delen van de
bijstandverlening aan gemeenten (met name de bijzondere bijstand)
niet zonder gevolgen kan blijven voor het functioneren van het
toezicht. Op het punt van de relatie met voorliggende voorzieningen is het
wetsvoorstel aanzienlijk minder open dan de bijstandswet in de jaren
zestig was. Ten slotte kan erop worden gewezen dat ook overigens het
wetsvoorstel op een aantal punten een codificatie bevat van de jurisprudentie die in de
loop der jaren is ontstaan. Al deze elementen tezamen
vormen een voldoende waarborg dat, nu het decentrale aspect weer
wordt versterkt, een herhaling van de ontwikkeling uit de jaren zestig
zich niet zal voordoen. Met het wetsvoorstel is een evenwicht
nagestreefd tussen rechtszekerheid en rechtsgelijkheid enerzijds en
gemeentelijke beleidsruimte om afstemming van de bijstand in het individuele
geval mogelijk te maken anderzijds. De aard van de ABW als laatste
voorziening in het stelsel van sociale zekerheid vraagt om een dergelijke
benadering. Hieruit vloeit voort dat het decentrale aspect een voorwaarde
vormt voor een adequate uitvoering van de ABW, terwijl, anderzijds, de
beschermende functie van de wet grenzen stelt aan de mate waarin kan
worden gedecentraliseerd. Gebleken is dat ook bij adviesorganen (i.c. de
Commissie Sociale Voorzieningen van de
Sociaal-Economische Raad en de Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten)
deze opvatting leeft.
rblz.|1 0
De noodzaak tot beleidsafstemming op centraal niveau is
in de loop der jaren toegenomen. Het proces van landelijke
normering vormt daarvan de afspiegeling, gelet mede op zijn nauwe
samenhang met ontwikkelingen betreffende het algemene inkomensbeleid.
Bij de invoering van het Bln in 1974 werd het niveau van de bijstandsnormen ter voorziening in de algemeen noodzakelijke
bestaanskosten in materiële zin gekoppeld aan het nettominimumloon; met ingang
van 1980 is deze koppeling rechtstreeks in de ABW opgenomen. Ook doordat
sinds de invoering van de ABW diverse andere voorzieningen tot
stand zijn gekomen, onder meer op het terrein van de sociale zekerheid, het welzijn
en de volksgezondheid, is de bijstandverlening steeds
meer ingebed geraakt in landelijke beleidskaders. Centrale
beleidsafstemming is met name voor de ABW van belang, aangezien deze wet in het
stelsel van voorzieningen de plaats inneemt van de laatste
voorziening, die waar nodig fungeert als sluitstuk op voorliggende regelingen.
Nu het stelsel van voorliggende voorzieningen sinds de invoering van de
ABW aanmerkelijk is uitgebreid, is er aanleiding de complementaire
taak van de bijstand nader te omlijnen. Hierop wordt ingegaan in paragraaf
4.5.
Het sterk toegenomen beroep op bijstand heeft een
doorwerking, niet alleen naar het centrale beleidsniveau, maar evenzeer
naar beleid en uitvoering op decentraal niveau. Op centraal niveau
noodzaakten de voortdurend stijgende bijstandsuitgaven tot volumebeleid
en uitgavenbeheersing. De
gemeenten op hun beurt werden, gezien hun aandeel in de
bijstandslasten, eveneens met een uitgavenstijging
geconfronteerd. Maar bovenal betekende de sterke aanwas van het
cliëntenbestand (van minder dan 300 000 bijstandspartijen in 1970 tot meer
dan 600 000 eind jaren tachtig) een belasting voor de uitvoering. In
de uitvoeringspraktijk zag men zich voor de vraag gesteld hoe men,
ondanks de toestroom van bijstandsaanvragen, op verantwoorde wijze
uitvoering aan de ABW kon blijven geven. Veel gemeentelijke sociale
diensten hebben zich met het stijgen der aantallen genoodzaakt gezien
om te schakelen van een werkwijze waarin ruimte aanwezig was voor
persoonlijke begeleiding van bijstandsgerechtigden, naar een
strakkere en zakelijke benadering. Hoewel niet onmogelijk, is het in die tijd
zeker moeilijker geworden om in voldoende mate aandacht te besteden aan
de bijzondere omstandigheden in elk afzonderlijk geval. Ook
al is het aantal bijstandsontvangers de laatste tijd gedaald, toch zijn,
zeker in de grotere steden, de bestanden nog omvangrijk.
Er is sprake van schaalvergroting; ook de gemeentelijke
sociale diensten zijn in veel gevallen omvangrijker geworden.
Deze schaalvergroting, alsmede de automatisering, geven in de
uitvoeringspraktijk aanleiding tot het zoeken naar en beproeven van nieuwe
werkwijzen waarin door stroomlijning van het uitkeringsproces waar
dit mogelijk is, voldoende ruimte overblijft voor persoonlijke aandacht.
Ook op gemeentelijk niveau leeft de overtuiging dat voor een passende
financiële hulpverlening en voor het bevorderen van de uitstroom
uit de bijstand een persoonlijke benadering niet kan worden gemist.
In de eerste helft van de jaren tachtig zijn de
relevante ontwikkelingen die van invloed zijn geweest op plaats, functie en
inhoud van de ABW geanalyseerd. Een evaluatiestudie is in december 1984
afgerond door middel van de eindnota "Ontwikkelingen betreffende
plaats, functie en inhoud van de Algemene Bijstandswet". In deze nota is
geconcludeerd dat de ABW ook in de nabije toekomst in het kader van
het uitgebouwde stelsel van sociale zekerheid een structurele rol zal
blijven vervullen. Daarbij kunnen, aldus de nota, de belangrijkste
inhoudelijke uitgangspunten van de wet worden gehandhaafd. De resultaten van
genoemde evaluatiestudie zijn op 29 april en 6 mei 1985 besproken
in de Vaste rblz.| 11
Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit de
Tweede Kamer (UCV [uitgebreide commissievergadering, red.] 72 en 74, nota nr. 18 942). Daarbij bleek de
Commissie in
meerderheid de opvatting te delen dat er aanleiding is de
plaats en functie van de ABW als laatste voorziening in het
stelsel, met een complementair karakter, te handhaven.
Op diverse onderdelen van beleid en regelgeving zijn in
de eindnota suggesties voor aanpassingen gedaan, onder meer gericht
op vereenvoudiging van regelgeving. Een deel van de voorstellen in
het kader van dit wetsvoorstel is mede op deze evaluatiestudie gebaseerd.
3.
De uitgangspunten van de ABW
De beginselen waarop de ABW berust,
hangen ten nauwste samen met de functie die de wet vervult als
laatste voorziening in het stelsel van sociale zekerheid. Dat geldt voor het
beginsel van de complementariteit: de laatste voorziening vult zo nodig
aan wanneer eigen middelen en andere voorzieningen niet toereikend zijn om in het
noodzakelijke te voorzien. Het geldt evenzeer voor het
beginsel dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoefte aan
het noodzakelijke, zoals die in het individuele geval blijkt te bestaan.
Dat daarbij de verlening van bijstand niet verder kan gaan dan het
voorzien in de noodzakelijke kosten van het best aan, vindt zijn grond
mede hierin dat het niveau van de laatste voorziening niet dient uit te
stijgen boven het niveau van voorliggende voorzieningen, noch van het minimumloon. Het beginsel van de gezinsbijstand - de afstemming op de
middelen en de behoeften van het gezin - vloeit zowel voort uit het
complementaire karakter van de ABW als uit het
noodzakelijkheidscriterium. Ook de gerichtheid van de bijstandverlening op het bevorderen
van de zelfstandige bestaansvoorziening kan niet los worden
gezien van de functie van de ABW: eigen inspanningen om in het bestaan
te voorzien, dienen voorrang te hebben op het in laatste instantie
bieden van financiële ondersteuning door de gemeenschap, waartoe de
overheid zich rechtens heeft verplicht. Vooral binnen de ABW als
laatste voorziening is het gewenst dat de financiële hulpverlening samengaat
met het in voldoende mate ondersteunen van persoonlijke
inspanningen om weer op eigen kracht in het levensonderhoud te kunnen
voorzien.
Plaats en functie van de ABW zijn gedurende de afgelopen
decennia, ondanks velerlei aanpassingen op onderdelen, in wezen
gelijk gebleven. De daarmee hecht verbonden beginselen van de wet vormen
mede hierdoor nog steeds het fundament van het recht op
bijstand. De genoemde beginselen hebben hun legitimiteit en hun
praktische waarde behouden. In politiek en maatschappelijk opzicht worden
zij, zoals reeds in de inleiding werd opgemerkt, nog steeds voldoende
gedragen. Dat neemt niet weg dat er ontwikkelingen zijn die aanleiding
geven tot een herijking van uitgangspunten. De herinrichting van de
ABW is een geschikte gelegenheid om aan de oorspronkelijke principes van de wet
opnieuw inhoud te geven. In dit wetsvoorstel is hieraan
als volgt gestalte gegeven.
Wat betreft het beginsel van de complementariteit van de
bijstand dient in ogenschouw te worden genomen dat ten opzichte
van het moment van invoering van de ABW het gehele stelsel van
voorzieningen aanzienlijk is uitgebreid. In veel gevallen waarin een
beroep op bijstandverlening voorheen de enige uitweg bood, kan thans een
beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening. De ABW zal
steeds, als laatste voorziening, moeten aansluiten op deze andere
voorzieningen met een voorliggend karakter. Voorkomen dient te worden dat
beleid en uitvoering op het terrein van voorliggende voorzieningen
door de verlening van bijstand worden doorkruist. Het is gewenst dat de voorrang
rblz.|1 2
van voorliggende voorzieningen ten opzichte van de ABW
duidelijk uit de wet naar voren treedt. Het optimaal functioneren van
deze voorliggende voorzieningen wordt hiermee bevorderd, terwijl tevens
voorkomen kan worden dat in bepaalde gevallen onnodig een beroep op
bijstand wordt gedaan. Door de relatie met voorliggende voorzieningen
expliciet in de wet te regelen, wordt ten slotte ook een bijdrage
geleverd aan de duidelijkheid omtrent de rechten en plichten die in het kader
van de ABW gelden. Eén en ander komt neer op een nadere omlijning
van het oorspronkelijke beginsel inzake de complementariteit van
de bijstandverlening.
Het beginsel dat de bijstand wordt afgestemd op de
feitelijke behoefte in het afzonderlijke geval is thans niet minder van
belang dan ten tijde van de invoering van de ABW. De bijstandswet dient als
laatste voorziening toereikend te zijn. Na de ABW is er immers
geen andere voorziening waarop men terug kan vallen. Dit gegeven
noopt tot een afstemming van de bijstand op de specifieke
omstandigheden en mogelijkheden in een bepaald geval. Het
noodzakelijkheidsbegrip dat aan de ABW ten grondslag ligt, krijgt pas door deze
afstemming zijn concrete inhoud. Het genoemde behoeftebeginsel werkt door in het
recht op bijstand, alsmede in de vorm en omvang van de te verstrekken bijstand.
Het impliceert dat op gedifferentieerde wijze inhoud
gegeven dient te worden aan het bijstandsrecht: of recht op bijstand
bestaat kan niet uitsluitend worden afgeleid uit bepaalde objectieve
formules, doch is afhankelijk van de concrete omstandigheden waarin iemand
verkeert. De vaststelling van het recht op bijstand vergt daartoe een
beoordeling door burgemeester en wethouders of degene die de bijstand
aanvraagt inderdaad in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt
te raken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Verder impliceert het
behoeftebeginsel dat in de ABW niet kan worden volstaan met het regelen van de uit
te keren normbedragen. Hoewel door differentiatie van deze
normbedragen reeds kan worden aangesloten op het verschil in behoefte zoals
dit tussen enkele veel voorkomende leefsituaties bestaat, vereist
het behoeftebeginsel een nadere verfijning van de bijstand naargelang
ieders specifieke situatie. Voor de doelmatigheid van de
bijstandverlening is dit van groot belang. Ook de bepaling van de geschikte vorm waarin de
bijstand wordt verleend - als uitkering "om niet", als geldlening of
als borgtocht -, vergt een dergelijke afstemming.
Niet ontkend kan worden dat als uitvloeisel van de
landelijke normering de opdracht tot verfijning die de ABW stelt
in een ander daglicht is geplaatst. De invoering van landelijk
genormeerde uitkeringsbedragen die zijn gerelateerd aan het nettominimumloon
kwam neer op het introduceren van standaardbedragen die in het
algemeen als toereikend worden aangemerkt. De noodzaak tot afstemming
van de bijstand leek daardoor te worden verminderd.
De bijstandsafhankelijkheid heeft echter de afgelopen
jaren naar omvang en duur een zodanige ontwikkeling laten zien dat
zich in samenhang daarmee bepaalde verschijnselen voordoen die
wijzen op maatschappelijke achterstand. Indien bij het verlenen
van bijstand te veel wordt volstaan met het verstrekken van een in het
algemeen toereikende normuitkering, zonder voldoende acht te slaan op
eventuele specifieke omstandigheden in het individuele geval die tot hogere
noodzakelijke kosten leiden, schiet de geboden financiële hulp
niettemin tekort. Niet alleen voor bijstandsgerechtigden, maar eveneens voor
anderen met een inkomen op of nabij het minimumniveau, dient zo nodig
door toepassing van de ABW te worden voorzien in bepaalde noodzakelijke
extra uitgaven die de spankracht van het reguliere inkomen te
boven gaan. De opdracht die de wet stelt tot verfijning van de bijstand om zo de financiële hulpverlening te laten aansluiten bij de concrete
omstandigheden in rblz.|13
elk individueel geval, is in dit verband, mede gezien de
beleidsdoelstellingen gericht op sociale vernieuwing, naar mijn mening
aan een opwaardering toe.
Een eerste stap daartoe is inmiddels gezet door de
decentralisatie van de bijzonderebijstandverlening. Niet alleen is door die
operatie de verantwoordelijkheid voor het verlenen van bijstand in
bijzondere situaties uitdrukkelijk aan de
gemeenten overgedragen,
bovendien betekent de herdefiniëring van het begrip bijzondere bijstand waarmee de decentralisatie gepaard is
gegaan een verbreding en
versterking van de functie die de bijzonderebijstandverlening te
vervullen heeft.
In dit wetsvoorstel is getracht verder uitwerking te
geven aan de verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders voor
de noodzakelijke verfijning van de bijstandverlening. Daartoe is,
als onderdeel van de regeling van het recht op bijstand in hoofdstuk II
van dit wetsvoorstel, uitdrukkelijk als opdracht aan burgemeester en wethouders geformuleerd
dat zij zorg dienen te dragen voor de afstemming van de
bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon respectievelijk
het betrokken gezin (artikel 13). Verder wordt in verschillende
onderdelen van de voorgestelde wettekst nader inhoud gegeven aan deze
verfijningsopdracht.
Het principe dat de bijstand aan degenen die een gezin
vormen, wordt verstrekt als gezinsbijstand heeft wellicht in sterkere
mate dan de overige beginselen de invloed ondergaan van
maatschappelijke ontwikkelingen. Een drietal ontwikkelingen treedt daarbij het
meest op de voorgrond: in de eerste plaats dient te worden
geconstateerd dat naast het huwelijk - in 1965 nog bijna de enige
samenlevingsvorm - het ongehuwd samenleven een algemeen voorkomend en aanvaard
verschijnsel is geworden. In de tweede plaats zijn
vrouwen in de maatschappij en binnen de gezinnen geleidelijk een
zelfstandiger positie gaan innemen. Waar in de oorspronkelijke ABW de man en
vader nog werd beschouwd als hoofd van het gezin, moet thans het
uitgangspunt zijn dat de partners die een gezin vormen gelijkwaardig
zijn. Een derde ontwikkeling die dient te worden vermeld, is de relatieve
toename van het aantal alleenstaanden binnen de categorie
bijstandsontvangers. In 1970 was van alle bijstandsontvangers omstreeks
35%
alleenstaand; in 1990 was dit opgelopen naar ruim 57%. Hierbij zij
aangetekend dat in beide jaren een deel van deze alleenstaanden,
namelijk thuiswonenden met een eigen uitkering, niettemin in
gezinsverband leefde; zij worden bij de verlening van bijstand echter als
alleenstaand aangemerkt.
Deze ontwikkelingen betekenen dat het gezin in enkele
opzichten thans een andere, minder dominante, plaats inneemt in de
maatschappij dan ten tijde van de invoering van de ABW. De legitimiteit
van het principe dat daar waar personen een gezin vormen de bijstand
dient te worden afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden die zich
in het gezinsverband voordoen, is door de geschetste
ontwikkelingen evenwel niet aangetast. Dit principe wordt in de ABW naar drie
zijden uitgewerkt: zowel naar het behoefteaspect (het rekening houden met
de gezamenlijke behoeften binnen het gezin), naar het
middelenaspect (het rekening houden met de gezamenlijke middelen), alsook naar het
aspect van de verplichtingen (het rekening houden met de binnen het
gezin aanwezige mogelijkheden om zelfstandig in het levensonderhoud te voorzien). In het
kader van een regeling die zich ten doel stelt te
voorzien in de minimale behoefte ligt het voor de hand dat een afstemming
plaatsvindt op de gezamenlijke behoeften en middelen in gezinsverband. Ook
in met de ABW vergelijkbare regelingen in andere landen van de Europese
Gemeenschap is dit het geval.
rblz.|1 4
De voorgaande constateringen voeren tot de conclusie
dat, onder handhaving van het beginsel van de gezinsbijstand als
zodanig, bij de uitwerking daarvan in het kader van een vernieuwde ABW
de zelfstandiger wordende positie van partners ten opzichte van
elkaar, zowel gehuwden als ongehuwd samenwonenden, leidraad dient te
zijn. Daartoe is in dit wetsvoorstel getracht op verschillende
onderdelen partners als zelfstandige, gelijkwaardige individuen te benaderen.
Concreet komt dit tot uiting in het kader van het geldend maken van het
recht op bijstand, de betaling van de bijstand en de aan de bijstand
verbonden verplichtingen; ook in het kader van de rechtsbescherming is de
positie van de echtgenoten, die beiden belanghebbende zijn, gelijk.
Zelfstandigheid dient evenwel niet te worden verward met wederzijdse materiële
onafhankelijkheid. De bestaande uitgangspunten dat de
ABW aansluit bij wettelijke onderhoudsverplichtingen en dat ongehuwden
die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren op dezelfde wijze
worden behandeld als gehuwden, worden gehandhaafd. Eén en ander
betekent dus dat de wet beide partners aanspreekt als
zelfstandige individuen, maar tegelijkertijd rekening houdt met hun economische
verstrengeling als leden van één gezin.
De uitvoeringsvragen rond de verschillende leefvormen
zijn in een onlangs aan de Tweede Kamer gezonden notitie nader aan
de orde gesteld. In deze notitie "Fraudegevoeligheid van de
regelgeving met betrekking tot de leefvormen in de bijstand" (Kamerstukken
II 1991-1992, 17 050, nr. 142) is het begrip gezamenlijke
huishouding
aan de hand van de jurisprudentie op uitvoerbaarheid en
fraudegevoeligheid doorgelicht. De bevindingen in deze notitie hebben geen
aanleiding gegeven het begrip gezamenlijke huishouding in het kader van de
herinrichting van de ABW te wijzigen.
Het genoemde uitgangspunt dat bij de bijstandverlening
rekening dient te worden gehouden met de binnen het gezin aanwezige
mogelijkheden om zelfstandig in het bestaan te voorzien, is in dit
wetsvoorstel concreet uitgewerkt door te bepalen dat bij bijstand aan
gehuwden de verplichtingen tot arbeidsinschakeling voor beide partners gelden; indien sprake
is van een verzorgende taak voor één of meer kinderen
jonger dan 12 jaar, worden de verplichtingen mede op die taak afgestemd
(artikel 114 [107], tweede lid). Centraal hierbij staat dat burgemeester en
wethouders van geval tot geval dienen te beoordelen, lettend op alle
relevante omstandigheden, of en in welke mate dergelijke verplichtingen
kunnen worden opgelegd. Dit punt wordt uitgebreid toegelicht in paragraaf
4.3
van deze memorie, alsmede in de artikelsgewijze
toelichting.
De Commissie Sociale Voorzieningen van de
Sociaal-Economische Raad [SER, red.] heeft in zijn adviezen het vraagstuk van de
arbeidsinschakeling van de partner in verband gebracht met de wenselijkheid van
een principiële discussie over de gevolgen van een in het algemeen
veranderende rolverdeling tussen mannen en vrouwen voor de rechten en plichten in
de sociale zekerheid, waarbij ook de verzelfstandiging
van uitkeringsrechten aan de orde is. Slechts een deel van de Commissie spreekt in het slotadvies uitdrukkelijk
uit de invoering van een
geheel geïndividualiseerd recht op bijstand - onafhankelijk dus van het
inkomen van de partner -, gekoppeld aan een individuele arbeidsplicht, te zien als
einddoel.
Ook de regering acht een discussie over de bevordering
van economische zelfstandigheid, mede in relatie tot de socialezekerheidsregelingen, van belang. Bij diverse gelegenheden is hierover
reeds met het parlement van gedachten gewisseld en deze
gedachtenwisseling is, naar zich thans laat aanzien, nog niet afgerond. Het
regeringsbeleid heeft als uitgangspunt dat aan iedere volwassen man en vrouw de
gelegenheid wordt geboden tot deelname aan betaalde arbeid. Langs
die weg, de rblz.|1 5
weg van de betaalde arbeid, wordt zo aan iedere
volwassene de mogelijkheid geboden op economische zelfstandigheid. Een
op deze wijze eenmaal verworven economische zelfstandigheid
leidt in een deel van de socialezekerheidsregelingen tot individuele
uitkeringsrechten. Een toekenning van strikt individuele uitkeringsrechten
in de ABW is echter niet in overeenstemming te brengen met het
karakter van deze wet als regeling die beoogt in het minimaal
noodzakelijke te voorzien. Indien de middelen waarover de partner beschikt in de
ABW buiten beschouwing zouden worden gelaten, kan niet langer over
"noodzakelijke bijstand" worden gesproken en zou vooral ook een te
zwaar beroep op de maatschappelijke solidariteit worden gedaan,
aangezien dan een aanmerkelijk deel van de bijstandsgelden terecht zou
komen bij partners die, voor wat betreft het gezamenlijke inkomen, tot de
hogere inkomensgroepen behoren. De ABW heeft zich te richten naar de
behoefte van de minstdraagkrachtigen.
De handhaving van het beginsel van de gezinsbijstand
impliceert niet dat in de sfeer van de verplichtingen per definitie zou
moeten worden aangesloten bij een eenmaal door partners gekozen
rolverdeling. Burgemeester en wethouders zullen in het afzonderlijke geval
moeten beoordelen of het, gegeven de omstandigheden en mogelijkheden
in het betreffende geval, passend is beide partners op hun
arbeidsmogelijkheden aan te spreken, ook als de bestaande rolverdeling
erop neerkomt dat slechts één van de echtgenoten betaalde arbeid
verricht.
Veranderende maatschappelijke opvattingen over de
taakverdeling tussen mannen en vrouwen, alsmede de regionale
inkleuring daarvan, zullen bij de beoordeling een rol kunnen spelen.
De meerderheid van de Commissie Sociale Voorzieningen
heeft zich in het slotadvies op het standpunt gesteld dat bij het
opleggen van de verplichting tot arbeidsinschakeling de keuzevrijheid
van de betrokkenen ten aanzien van de rolverdeling voorop dient te staan.
Erkend kan worden dat de vrijheid om naar eigen inzicht
voor een bepaalde rolverdeling te kiezen in het algemeen als een
groot goed moet worden aangemerkt. De vraag is evenwel of binnen een wet
die op grond van een directe samenhang tussen rechten en plichten een garantie op een minimaal noodzakelijk inkomen verschaft, keuzevrijheid
aangaande de rolverdeling een leidend beginsel kan zijn.
Het standpunt van de commissiemeerderheid impliceert immers dat ook
wanneer zich in de omstandigheden van betrokkenen geen feitelijke
beletselen tot arbeidsinschakeling voordoen, de voorkeur van
betrokkenen voor de voortzetting van een bestendige rolverdeling daaraan
niettemin in de weg kan staan. Aldus zou naar mijn mening te zeer afbreuk
worden gedaan aan ieders eigen verantwoordelijkheid om in zijn of haar bestaan te
voorzien. In een situatie waarin de bestaansvoorziening
als zodanig in het geding is, acht ik het niet onredelijk dat de wet
van
betrokkenen vergt datgene te doen wat in hun vermogen ligt om zich weer op
eigen kracht een inkomen te verwerven. Ook de mogelijkheid van een
andere verdeling van taken binnen de leefbaarheid dient in principe te worden
benut. Dit dient niet afhankelijk te worden gesteld van
overreding door de uitvoerende gemeente, zoals in het voorstel van de
commissiemeerderheid geschiedt, maar dient als verplichting aan de
bijstand te kunnen worden verbonden, zoals ook bij het volgen van een
noodzakelijke scholing of het opdoen van werkervaring het geval is.
Dit laat uiteraard onverlet dat wanneer zich in de feitelijke
omstandigheden van betrokkenen redenen van medische of sociale aard voordoen die
zich tegen arbeidsinschakeling verzetten, burgemeester en
wethouders kunnen besluiten daarop gerichte verplichtingen niet op te
leggen.
Dat de eigen verantwoordelijkheid om in het bestaan te
voorzien vooraf dient te gaan aan het recht op bijstand en dat de
bijstandverlening rblz.|1 6
dient te zijn gericht op herstel van de
zelfstandige bestaansvoorziening, staat als principe in het algemeen niet ter
discussie. Niettemin moet worden geconstateerd dat dit beginsel, mede als
uitvloeisel van de langdurige werkloosheid, niet langer door iedereen als
vanzelfsprekend wordt ervaren.
Voorkomen dient te worden dat het afhankelijk zijn van
een bijstandsuitkering voor een grote groep een blijvende zaak wordt.
Uit cijfers van het Centraal bureau voor de statistiek blijkt dat op 31
december 1990 ruim 28% van de Rww-gerechtigden deze uitkering
al meer dan vijf jaar ontving; van de personen beneden 65 jaar met
een uitkering rechtstreeks op grond van de ABW was op die datum bijna 39% langer dan vijf jaar op algemene bijstand aangewezen. Er
is derhalve alle aanleiding het streven naar herstel van de zelfstandige
voorziening in het bestaan duidelijk in de nieuwe
Abw te verankeren.
Daarbij wordt als uitgangspunt gekozen dat de bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening een integraal onderdeel dient te zijn van
het proces van bijstandverlening. Dit impliceert dat niet kan worden
volstaan met het aanduiden van genoemd beginsel als zodanig, doch dat de wet
tevens dient te bepalen dat burgemeester en wethouders ter
bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening tot een zekere
inspanning verplicht zijn. Hiermee wordt geen verandering gebracht in het
uitgangspunt dat de ABW de materiële bijstandverlening regelt; wel wordt
verduidelijkt dat het voor een adequate uitvoering van deze materiële
taakstelling noodzakelijk is dat op decentraal niveau gerichte pogingen
worden ondernomen om betrokkene in staat te stellen op eigen kracht in het
bestaan te voorzien.
Teneinde aan de genoemde inspanningsverplichting te
kunnen voldoen, staan burgemeester en wethouders een aantal instrumenten
ter beschikking, zoals de Jeugdwerkgarantiewet, de
banenpools, middelen voor kinderopvang en de voorzieningen op grond van
artikel 36 van de WWV [Wet
Werkloosheidsvoorziening, red.]. Van wezenlijk belang is uiteraard een nauwe samenwerking
tussen gemeente en Arbeidsvoorzieningsorganisatie (zie paragraaf
5.7.2). De Abw zelf geeft de burgemeester en wethouders
bevoegdheden om, afgestemd op de specifieke omstandigheden van de
belanghebbende en op de lokale en regionale situatie, verplichtingen aan
de bijstand te verbinden. Het budget dat gemeenten ontvangen ter
bekostiging van de bijzondere bijstand kan mede worden ingezet voor kosten
die door bijstandsontvangers noodzakelijkerwijs moeten worden
gemaakt om tot arbeidsinschakeling te komen. Verder zijn met name de
vrijlatingsfaciliteiten van belang die het wetsvoorstel bevat ten aanzien
van arbeidsinkomsten en van een scholingspremie (zie paragraaf
4.3).
De concrete invulling van de betreffende
inspanningsverplichting is een verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur. De
gemeenteraad kan hieromtrent desgewenst richtlijnen aan burgemeester
en wethouders geven. Indien een gemeente duidelijk tekortschiet bij
het nakomen van de inspanningsverplichting, kan dit voor de rijksconsulent sociale
zekerheid aanleiding zijn tot het voeren van
beleidsoverleg met die gemeente.
4. De doelstellingen van de herinrichting
4.1. Algemeen
Met de herinrichting van de ABW wordt
ernaar gestreefd de legislatieve voorwaarden te scheppen voor
een effectievere bijstandverlening. Aan dit streven ligt een drietal
concrete doelstellingen ten grondslag:
- een doeltreffender bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening;
rblz.|1 7
- een zuiverder afstemming van de bijstand op de
specifieke omstandigheden in het individuele geval;
- een verbeterde afstemming van de
Abw op andere
voorzieningen.
Teneinde realisatie van deze doelstellingen mogelijk te
maken, dienen de daartoe benodigde voorwaarden te worden geschapen
door middel van een evenwichtige verdeling van verantwoordelijkheden
tussen Rijk en gemeenten en een vereenvoudiging en betere
systematisering van de regelgeving. Ingestemd kan worden met het door de
Commissie Sociale Voorzieningen van de SER in haar interim-advies ingenomen
standpunt dat decentralisatie en deregulering geen op zichzelf
staande doeleinden van het bijstandsbeleid zijn. Zij dienen, zoals de Commissie
terecht stelt, hun rechtvaardiging te vinden in een daarmee te bereiken
vergroting van de doelmatigheid, doeltreffendheid en legitimiteit van
de bijstandverlening. In die zin zijn zij voorwaardenscheppend.
Op beide genoemde voorwaarden zal allereerst nader
worden ingegaan, waarna de afzonderlijke doelstellingen verder
zullen worden toegelicht.
4.2. Voorwaarden voor een effectiever functioneren van
de Abw
4.2.1. De verdeling van verantwoordelijkheden tussen
Rijk en gemeenten
De zorg voor een doelmatige bijstandverlening kan worden
gezien als een aangelegenheid van complementair bestuur. Het is een
verantwoordelijkheid die Rijk en
gemeenten met elkaar delen. De
huidige ABW draagt de uitvoering in medebewind op aan de colleges
van burgemeester en wethouders. In dit wetsvoorstel is aan dat uitgangspunt
vastgehouden, waarbij is getracht aan het
medebewindsprincipe opnieuw inhoud te geven door de genoemde conceptie van
het complementair bestuur als leidraad te nemen. Van complementair
bestuur kan slechts sprake zijn bij een evenwichtige verdeling van
bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de betrokken overheden.
Zoals reeds in de inleiding werd geconstateerd, is door de versterking van
de centrale regelgeving die de afgelopen jaren heeft plaatsgehad
dit evenwicht thans niet optimaal. Door verbreding van de
gemeentelijke beleidsmarge en, in meer algemene zin, door accentuering van de eigen
bestuurlijke verantwoordelijkheden die in het kader van de
bijstandverlening op de gemeenten rusten, kan het evenwicht worden hersteld.
Ook door in de sfeer van het rijkstoezicht waar mogelijk
terughoudendheid te betrachten, kan aan het principe van de
gemeentelijke verantwoordelijkheid recht worden gedaan. Op het
toezichtsbeleid zal worden ingegaan in paragraaf 5.8.2.
De gezamenlijke verantwoordelijkheid van Rijk en
gemeenten voor een adequate bijstandverlening vergt regelmatig overleg,
waarbij gestreefd wordt naar duidelijke bestuursafspraken over het beleid
in het kader van de uitvoering van de
Abw. Beide overheden zullen daarbij
vanuit hun eigen posities en specifieke verantwoordelijkheden dienen te opereren.
Op het terrein van de bijstandverlening betekent dit
dat de rijksoverheid in hoofdzaak verantwoordelijk is voor de algemenebijstandsniveaus, voor de afstemming van de bijstand op landelijke
beleidskaders en op andere voorzieningen, voor de wetshandhaving en, samen met de
volksvertegenwoordiging, voor de kwaliteit van de centrale
regelgeving. De gemeentelijke verantwoordelijkheid betreft in de eerste plaats
de zorg voor de verfijning van de bijstandverlening door het verstrekken
van bijzondere bijstand en door anderszins de bijstand af te stemmen op
het individuele geval, zoals bij de bepaling van de vorm waarin de
bijstand wordt verleend en de verplichtingen die eraan dienen te
worden verbonden. In rblz.|1 8
de tweede plaats is de gemeente verantwoordelijk voor de
praktische ondersteuning van bijstandsgerechtigden bij het
herwinnen van een zelfstandig bestaan. Beide verantwoordelijkheden
betreffen deels de taken van de gemeenten in het kader van een
persoonsgerichte benadering in de ruimste zin van het woord. Deze zijn,
evenals de door de gemeente te bieden voorlichting, van essentieel
belang voor de kwaliteit van de geboden dienstverlening. Daarnaast
strekt de gemeentelijke verantwoordelijkheid zich uit tot aangelegenheden
die mede bepalend zijn voor het volume van het beroep op
bijstand: het mede vormgeven aan een effectief uitstroombeleid, de zorg
voor de doelmatigheid van administratie en beheer, terugvordering en
verhaal, de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik, de
samenwerking met andere instanties.
Samengevat kan worden geconcludeerd dat de
verantwoordelijkheden van Rijk en gemeenten (de harmoniserende en normerende
taken van het Rijk en de gemeentelijke taken op het terrein van de
verfijning van de bijstand, de praktische bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening en de zorg voor een doelmatig uitvoeringsproces) elkaars complement zijn.
In de adviesaanvrage aan de Commissie Sociale
Voorzieningen van de SER met betrekking tot de
herinrichting is aangegeven
dat de mate waarin
gemeenten bij de bijstandverlening beschikken
over eigen verantwoordelijkheden en eigen beleidsruimte dient te
corresponderen met de mate waarin zij ook financieel medeverantwoordelijk
zijn. Het vorige kabinet stelde voor om de vergroting van de
gemeentelijke beleidsmarge te laten samengaan met een vergroting van het
gemeentelijk aandeel in de bijstandslasten. Concreet is daartoe voorgesteld de
financiële verantwoordelijkheid voor de bijzondere bijstand geheel bij de
gemeenten te leggen en ten aanzien van de algemene bijstand de
huidige financiële verhouding, waarin het Rijk 90% van de lasten
draagt en het gemeentelijk aandeel 10% bedraagt, te vervangen
door een 80/20-verhouding.
Laatstgenoemd voorstel is door de Commissie Sociale
Voorzieningen van de SER in het interim-advies van 8 september 1989
overwegend negatief beoordeeld. De Commissie is in meerderheid van
mening dat de voorstellen uit de adviesaanvrage tot vergroting van de
gemeentelijke beleidsruimte niet van dien aard zijn dat zij een verdubbeling van het
gemeentelijk aandeel in de algemene bijstandslasten
rechtvaardigen. Overigens acht de meerderheid van de Commissie blijkens
het vervolgadvies van 16 februari 1990 een vergaande vergroting
van de gemeentelijke beleidsvrijheid op het terrein van de bijstand
voor algemene bestaanskosten niet gewenst, aangezien, gelet op de
eisen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, objectivering van deze
bijstand het uitgangspunt zou moeten zijn.
De Raad voor de gemeentefinanciën heeft in zijn advies
van 12 juli 1989 het standpunt ingenomen dat het overbodig is de
gemeenten extra financieel te prikkelen tot een doelmatige uitvoering
van de
Abw; invoering van een 80/20-verhouding wordt door de Raad
dan ook uitdrukkelijk afgewezen. Eerder ziet de Raad aanleiding voor
een volledige financiering van de bijstand voor de algemene bestaanskosten
door het Rijk.
De Raad voor het binnenlands bestuur bracht op 26
februari 1990 eigener beweging het advies "Gemeenten - minima -
bijstandswet" uit. Deze Raad stelt zich op het standpunt dat een
gemeentelijk aandeel in de uitgaven die de algemene bijstand betreffen slechts
gerechtvaardigd is indien de gemeenten over instrumenten beschikken waardoor zij die
kosten kunnen beïnvloeden; aangezien de Raad van
oordeel is dat van dergelijke instrumenten nauwelijks sprake is, wijst hij
een financiële rol van gemeenten bij de bekostiging van de algemene bijstand af.
rblz.|1 9
Uit het voorgaande mag duidelijk zijn dat de
stellingname van beide raden niet in overeenstemming te brengen is met de door
de regering voorgestane versterking van de gemeentelijke
verantwoordelijkheid voor de bijstandverlening, noch met de conceptie van
complementair bestuur. Een reductie van het gemeentelijk aandeel in de algemene
bijstandslasten tot nul, zoals beide raden kennelijk voor ogen
staat, zou tot een onevenwichtige situatie leiden, gelet op de aanzienlijke
bestuurlijke verantwoordelijkheid die de
gemeenten voor deze
bijstandverlening dragen. Handhaving van een gemeentelijk aandeel in die
kosten doet naar het oordeel van de regering recht aan de positie
van de gemeenten, die als medeoverheid de bijstandswet in medebewind
uitvoeren en die als zodanig ook beleidsmatig bij de uitvoering van de
Abw zijn betrokken. Een financieringswijze waarbij alle kosten
van algemene bijstand voor 100% bij het Rijk kunnen worden
gedeclareerd, neemt elk financieel belang van gemeenten bij de beheersing van uitkeringskosten weg. Dit
wordt in het licht ook van het
open karakter van de Abw geen doelmatige financieringswijze geacht.
De ontvangen adviezen zijn voor het kabinet aanleiding
geweest het voornemen van het vorige kabinet tot invoering van een 80/20-verhouding opnieuw te overwegen. Van doorslaggevend
belang moet hierbij worden geacht dat een aantal concrete
voorstellen in de adviesaanvrage ter vergroting van de gemeentelijke
beleidsmarge op het terrein van de bijstand voor algemene bestaanskosten
onvoldoende steun blijkt te ondervinden. Het betreft de voorstellen
om burgemeester en wethouders in het afzonderlijke geval te laten
beoordelen:
a. welke aftrek op de normuitkering gerechtvaardigd is
bij degenen die geen woonkosten hebben;
b. welke aftrek op de alleenstaandennorm gerechtvaardigd
is in geval van woningdeling; bij woningdeling die ouders met
inwonende kinderen betreft, zou de huidige landelijke normering wél worden
gehandhaafd;
c. welke aftrek op de normuitkering gerechtvaardigd is
bij het hebben van één of meer kostgangers of onderhuurders;
d. welk deel van het vermogen als bescheiden vermogen
buiten beschouwing kan blijven; in de wet zou er dan,
overeenkomstig het voorstel, mee worden volstaan te bepalen welk bescheiden
vermogen maximaal kan worden vrijgelaten.
De Commissie Sociale Voorzieningen van de
SER heeft zich
in zijn vervolgadvies van 16 februari 1990 in meerderheid
(aangaande punt a, b en c) respectievelijk unaniem (punt d) uitgesproken tegen deze
voorstellen. Daarbij overweegt de Commissie dat de huidige normering
op genoemde punten wezenlijk bijdraagt aan de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid;
waar sprake is van objectief vast te stellen factoren
verdient objectiverende regelgeving naar de mening van de Commissie derhalve de voorkeur. Bovendien ziet de meerderheid van de
Commissie het als een nadeel van de voorstellen dat deze meer controle vergen
van de feitelijke woon- en leefsituatie van betrokkenen.
Het advies van de Commissie is aanleiding geweest af te
zien van uitwerking van genoemde voorstellen in dit
wetsvoorstel.
Uit het advies leid ik af dat de huidige regelgeving op de genoemde
punten kennelijk wordt ervaren als een aanvaardbaar evenwicht tussen
enerzijds de bescherming van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid
van de uitkeringsgerechtigden en anderzijds de verzekering van een
voldoende beleidsmarge voor de uitvoerende
gemeenten.
Ten aanzien van één van de bedoelde voorstellen,
namelijk de aftrek bij het houden van één of meer kostgangers of onderhuurders,
is eerder besloten een experiment te doen plaatsvinden in het
kader van de Wet
D'gemeenten en D'provincies (Stb. 1991, 449). Dit
experiment, waarmee rblz.| 20
de SER-commissie destijds instemde en dat thans in enkele gemeenten
wordt uitgevoerd, acht ik van belang teneinde
proefondervindelijk vast te stellen of een vergroting van de gemeentelijke
beleidsruimte op dit onderdeel mogelijk is, zonder dat zich het soort nadelen
voordoet dat de Commissie van landelijke invoering daarvan verwacht. Ook
mogelijke positieve effecten, zoals stimulering van de
kamerverhuur, zullen moeten worden meegewogen. Na evaluatie van het experiment kan
dan nadere besluitvorming plaatsvinden.
Nu deze voorstellen niet of nog niet (onderdeel
c)
landelijk worden ingevoerd, treedt ten aanzien van de algemene bijstand
niet in die mate een vergroting van de gemeentelijke beleidsruimte op als
aanvankelijk werd beoogd. Daarmee komt voor een belangrijk deel de
grond voor invoering van een 80/20-verhouding te vervallen. Anderzijds is er, zoals
hiervoor reeds werd betoogd, geen aanleiding volledig af
te zien van een gemeentelijk aandeel in de financiering van de algemenebijstandslasten. Op grond van deze afweging is gekozen voor handhaving
van de bestaande 90/100-verhouding voor wat de algemenebijstandsuitgaven betreft. Daarbij wordt tevens overwogen
dat door de
decentralisatie van de bijzondere bijstand, waar de Commissie Sociale
Voorzieningen van de SER in belangrijke mate mee instemde, de vergroting van
de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de financiering van de
bijstandskosten reeds in voldoende mate tot uitdrukking komt.
Momenteel wordt in het kader van de
zogenaamde
Decentralisatie-impuls onderzoek verricht naar de mogelijkheid van een andere
bekostigingssystematiek voor de algemene bijstand. Het onderzoek richt
zich in het bijzonder op de mogelijkheid van een bekostiging door
middel van een aan
gemeenten te verstrekken vast bedrag per bijstandsgerechtigde, in
plaats van de huidige vergoeding op basis van declaratie
van de werkelijk gemaakte uitkeringskosten. Doelstelling daarbij is te
komen tot een systematiek die, waar mogelijk, eenvoudiger is en die
gemeenten in sterkere mate stimuleert bij het op efficiënte en
effectieve wijze uitvoeren van de
Abw. Eventueel kan dit op termijn
leiden tot een andere financieringssystematiek dan waarvoor in dit
wetsvoorstel, in aansluiting bij de bestaande systematiek, is gekozen.
De Interbestuurlijke Projectgroep Sociale Vernieuwing (IPSV)
heeft zich in zijn werkvoorstel "Bijstand verdienen"
(oktober 1991) op het standpunt gesteld dat het onderhavige voorstel van wet
weliswaar op enkele onderdelen
gemeenten meer ruimte geeft voor een
eigen beleid, maar dat geen principiële stappen worden gezet naar een andere
taakverdeling. De IPSV is met name van mening dat de nieuwe
Abw de gemeenten ook bij de toets op inkomen en vermogen meer
vrijheid zou moeten geven en stelt dat het wetsvoorstel op deze
punten te veel gewicht toekent aan de rechtsgelijkheid.
Geconstateerd moet worden dat omtrent de vraag of een
aanzienlijk verdergaande decentralisatie dan waarin dit wetsvoorstel
voorziet wenselijk is, in de maatschappelijke discussie de
meningen uiteenlopen. Zo heeft de Commissie Sociale Voorzieningen van de
SER,
zoals eerder vermeld, zich in zijn vervolgadvies van 16 februari 1990
op het standpunt gesteld dat een vergroting van de gemeentelijke
beleidsvrijheid aangaande de vermogenstoets, waarvoor de IPSV nadien
heeft gepleit, moet worden afgewezen, aangezien de instandhouding van
een landelijke normering op dat punt volgens de Commissie van
wezenlijk belang is voor de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Ik deel
deze mening van de Commissie, evenals de eraan ten grondslag liggende
opvatting dat een groot gewicht moet worden toegekend aan de betekenis van
de Abw voor de rechtspositie van de burger. Dit impliceert dat
de Abw in die mate behoort te voorzien in normstellende bepalingen als
nodig is voor rblz.| 21
een rechtsgelijke toepassing in vergelijkbare gevallen.
Zonder zo'n normstelling zou zich het risico voordoen van een
terugkeer naar het al te open karakter van de regelgeving in de jaren zestig. De
ervaringen uit het verleden wijzen duidelijk in de richting dat een
evenwicht moet worden bewaard tussen dergelijke normstellende bepalingen
enerzijds en discretionaire bevoegdheden van burgemeester en wethouders
anderzijds. Oftewel tussen bescherming van de rechtspositie van de
individuele burger en de bestuurlijke speelruimte voor de gemeente.
De wettelijke bescherming die de Abw aan de burger biedt, dient in
algemene zin niet ondergeschikt te worden gemaakt aan overwegingen van
bestuurlijke aard, teneinde te voorkomen dat decentralisatie, in de
bewoording van de Commissie Sociale Voorzieningen, te veel een op
zichzelf staande doelstelling van het bijstandsbeleid zou worden.
Derhalve dienen het normstellende en het decentraliserende aspect op
aanvaardbare wijze met elkaar in evenwicht te zijn. De gerealiseerde decentralisatie van de
bijzonderebijstandverlening past binnen deze
uitgangspunten, mede gelet op het specifieke karakter van deze bijstand. Ook
de bijstand aan zelfstandigen ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal is zodanig specifiek van aard dat decentralisatie in
principe tot de mogelijkheden behoort. Of tot deze decentralisatie zal worden
overgegaan, is nog onderwerp van nadere besluitvorming. Een overdracht van
de verantwoordelijkheid voor de algemene bijstand (of delen
daarvan) aan de gemeenten zou daarentegen met de zojuist genoemde
uitgangspunten in strijd komen.
Recapitulerend kan worden vastgesteld dat een
versterking van de gemeentelijke verantwoordelijkheid vooral aan de orde is
ten aanzien van de bijzonderebijstandverlening en ten aanzien van het
activerend beleid dat nodig is voor een effectievere bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening. Hiermee hangt samen dat op
onderdelen de centrale regelgeving vermindert en meer ruimte laat voor
een lokale invulling. Ook in het toezicht van het Rijk op de
gemeenten zal deze verschuiving in verantwoordelijkheden door moeten werken
(zie paragraaf 5.8.2).
In het Bestuursakkoord dat in 1990 is afgesloten tussen
het Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is de
bepaling opgenomen dat er een regelmatig gestructureerd overleg
inzake de ABW tot stand zal worden gebracht tussen de bewindslieden
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de VNG. Dit overleg, dat inmiddels is
ingesteld, brengt mede de complementaire
verantwoordelijkheden van Rijk en gemeenten voor de bijstandverlening tot
uitdrukking.
4.2.2. Vereenvoudiging en systematisering van
regelgeving
Een overzichtelijke en zo helder mogelijke regelgeving
is een voorwaarde om de gestelde doelen te kunnen realiseren.
Met de herinrichting van het totale complex van regelgeving wordt
mede een betere systematisering daarvan nagestreefd. Leidraad hierbij is
het primaat van de wet. Aan de hand van dit beginsel is getracht opnieuw
orde te scheppen in de bijstandsregels. Uit het oogpunt van
wetgevingssystematiek kan het als verbetering worden beschouwd dat,
consequenter dan in de bestaande regelgeving, belangrijke bepalingen in
de wet zelf zijn opgenomen. Op die wijze wordt mede bereikt dat de wet en
de nadere regelgeving in een juiste verhouding tot elkaar komen te
staan, waarbij de nadere regelgeving het karakter krijgt van een
uitwerking van regels die in meer algemene zin in de wet zijn gesteld. Dit
komt de samenhang in de regelgeving ten goede.
Uitwerking van genoemd beginsel van het primaat van de
wet heeft geleid tot een beperking van het aantal afzonderlijke
regelingen; een rblz.| 22
belangrijk deel van de huidige nadere regelgeving is in
de thans voorgestelde wettekst geïntegreerd, namelijk de Rww, het Bln
en enkele ministeriële regelingen (zie bijlage 2). Deze integratie
gaat per saldo gepaard met een aanmerkelijke vermindering van bepalingen.
In het
kader van de decentralisatie van de bijzondere bijstand is het Bld
inmiddels ingetrokken; in het onderhavige
voorstel voor een nieuwe Abw is de regelgeving inzake de bijzondere bijstand in
overeenstemming met genoemde decentralisatiemaatregel opgenomen in hoofdstuk
IV, afdeling 2.
Aldus wordt de overzichtelijkheid van de regelgeving
vergroot. Voor de uitvoeringspraktijk heeft één en ander het voordeel dat
in het gros van de gevallen niet langer, zoals thans nog vaak voorkomt,
voor het verstrekken van één uitkering gelijktijdig drie of meer regelingen
dienen te worden toegepast. In veel gevallen zullen voortaan alle relevante bepalingen, in
hun onderlinge samenhang, direct in de wettekst kunnen
worden aangetroffen.
Bijlage 2 geeft een overzicht van de op de ABW
berustende besluiten die zullen vervallen, alsmede van de delegatiebepalingen
en de op grond daarvan te verwachten nadere regelgeving op grond van de
nieuwe wet. Zoals uit deze bijlage blijkt, levert de
herinrichtingsoperatie een niet onbelangrijke bijdrage aan het algemene streven naar
vereenvoudiging en vermindering van regelgeving en wordt een duidelijke
reductie bereikt van het aantal nadere regelingen op het terrein van de
bijstandverlening.
Op grond van de bestaande wet golden op 1 januari 1991
tien algemene maatregelen van bestuur. Met de
inwerkingtreding van de Wet tot decentralisatie van de bijzondere bijstand
(Stb.
1991, 337) werd dit aantal reeds verminderd; momenteel gelden acht
algemene maatregelen van bestuur.
Daarvan zullen alleen het Bijstandsbesluit zelfstandigen en het Bijstandsbesluit
krediethypotheek in een globaal vergelijkbare vorm op
basis van de nieuwe wet opnieuw worden ingevoerd. In beide gevallen
gaat het om bijzondere aspecten die nadere uitwerking vragen. Bij de
hernieuwde invoering zullen als gevolg van de herinrichting van de wet wijzigingen optreden ten opzichte van de huidige tekst van de
betrokken besluiten. Met name ten aanzien van het Bijstandsbesluit
zelfstandigen kan een vermindering van het aantal bepalingen worden bereikt,
mede doordat enkele kernbepalingen uit het huidige besluit in dit
wetsvoorstel zijn geïntegreerd.
Het wetsvoorstel bevat daarnaast delegatiebepalingen die
tot een viertal andere algemene maatregelen van bestuur kunnen
leiden, waarmee het totale aantal algemene maatregelen van bestuur op zes zou komen. Het
ligt evenwel niet in de lijn der verwachting dat van al deze
delegatiebepalingen daadwerkelijk gebruikgemaakt zal moeten worden. Verder
blijft het, evenals thans, technisch noodzakelijk dat bij algemene
maatregel van bestuur zo nodig regels worden gesteld inzake de
vaststelling van een gemiddeld premiepercentage ingevolge socialezekerheidswetten (artikel
60 [55], derde lid).
Van de bestaande ministeriële regelingen komen er als
gevolg van de herinrichtingsoperatie (inclusief de decentralisatie van
de bijzondere bijstand) negentien definitief te vervallen, in enkele gevallen
door integratie in overige regelgeving.
Op een viertal punten wordt het in ieder geval
noodzakelijk geacht in de nieuwe situatie een ministeriële regeling te
treffen, namelijk aangaande de vaststelling van het beëindigingstijdstip
van onderwijs of beroepsopleiding (schoolverlaters), aangaande het in
aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag, aangaande de aanpassing van
bedragen en aangaande uitvoerings-, informatie en
vergoedingsaspecten.
Thans kan nog niet worden voorzien in welke overige
gevallen gebruik rblz.| 23
zal moeten worden gemaakt van de bevoegdheden tot het
treffen van ministeriële regelingen die het wetsvoorstel bevat.
Deze delegatiebepalingen blijven noodzakelijk met het oog op de veelheid
aan uiteenlopende situaties waarin de Abw
dient te voorzien. Voor de aan
de afzonderlijke delegatiebepalingen ten grondslag liggende nadere
motivering wordt verwezen naar de artikelsgewijze
toelichting. Een
terughoudend gebruik van deze gedelegeerde bevoegdheid tot regelgeving is
uitgangspunt.
Enkele aspecten hebben in dit wetsvoorstel explicieter
regeling gevonden dan in de bestaande wetgeving het geval is. Dit
houdt mede verband met de nagestreefde betere systematisering van
de regelgeving. In de betreffende gevallen is doorgaans sprake van
lacunes in de bestaande regelgeving, waarin thans veelal door de
jurisprudentie wordt voorzien. Opvulling van dergelijke lacunes kan ertoe
bijdragen dat het risico van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Abw
wordt verkleind. In hoofdstuk 5 van deze memorie wordt ten aanzien van de
verschillende onderdelen van het wetsvoorstel op hoofdlijnen
verduidelijkt ten aanzien van welke aspecten nieuwe regels zijn gesteld.
Enkele specifieke onderdelen zijn in het wetsvoorstel
eenvoudiger geregeld dan thans. Dit betreft de woonkostenbepalingen,
de woningdelersregeling, de bepalingen aangaande de gemeentelijke
adviesorganen en de domiciliebepalingen; in de systematiek aangaande
vakantietoeslagen is een wijziging aangebracht waarvan een vereenvoudiging voor
de uitvoeringspraktijk wordt verwacht.
4.3. Bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening
Een doeltreffender bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening van bijstandsontvangers is één van de
doelstellingen die met de herinrichting worden nagestreefd. Voorkomen dient te
worden dat het bestaan van een recht op bijstand als een belemmering
werkt voor inspanningen die nodig zijn om op eigen kracht in het
bestaan te voorzien. In de ABW is dan ook vanaf het begin het
beginsel gehuldigd dat het bijstandsbeleid dient te appelleren aan de
verantwoordelijkheid die ieder heeft voor zijn eigen bestaan en toekomst. In
het bestaande artikel 1, tweede lid, is dit beginsel neergelegd.
In de loop van de jaren tachtig is het probleem van de
langdurige bijstandsafhankelijkheid steeds pregnanter geworden. In
veel gevallen dreigt zelfs blijvende bijstandsafhankelijkheid. Vrij
algemeen wordt dit als een schrikbeeld ervaren. Voor wie blijvend uitsluitend
op een bijstandsuitkering is aangewezen, ontbreekt het perspectief op
verbetering van de eigen positie en op een hoger levenspeil. Bovendien gaat
het ontvangen van een bijstandsuitkering noodzakelijkerwijs gepaard
met financiële afhankelijkheid en met specifieke formaliteiten die zich
bij een eigen inkomen niet voordoen. Het beleid van het kabinet in het
kader van de sociale vernieuwing, meer in het bijzonder het
activerend arbeidsmarktbeleid, is erop gericht meer mensen die afhankelijk zijn
van een uitkering weer uitzicht op betaalde arbeid te bieden en hiermee
bij te dragen tot het wegwerken van maatschappelijke achterstanden.
Daartoe is ervoor gekozen de inzet van bijstandsgelden ter financiering
van banenpools mogelijk te maken.
Het perspectief op zelfstandige inkomensverwerving kan
slechts door eigen inspanningen en door gebruik van - buiten de Abw
gelegen - specifieke voorzieningen worden hersteld. De
doelstelling van de Abw betreffende de bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening vergt een doelgerichte en samenhangende inzet van
diverse instrumenten die in andere regelingen hun beslag hebben
gekregen. Met de Abw is niet beoogd een wet tot stand te brengen die mede
is gericht op rblz.| 24
regeling van specifieke voorzieningen ter bevordering
van de arbeidsinschakeling. Dat dergelijke voorzieningen vorm hebben
gekregen in afzonderlijke regelingen hangt samen met het feit dat de
werking van die voorzieningen zich mede uitstrekt tot anderen dan
bijstandsgerechtigden. Niettemin, hoewel de Abw in hoofdzaak is gericht op het
garanderen van materiële bestaanszekerheid, dienen, in directe
samenhang met de uitvoering van deze wet, bijstandsgerechtigden voldoende
te worden ondersteund in hun streven naar een zelfstandig bestaan.
Een actieve opstelling hierbij van het bijstandverlenend orgaan,
mede gericht op een optimale inzet van arbeidsmarktgerichte voorzieningen,
is dringend noodzakelijk. Wat de inrichting van de Abw betreft, mag
de eis worden gesteld dat de wet niet onbedoeld drempels opwerpt voor
het gebruik van deze voorzieningen en dat, voor zover dit in
overeenstemming te achten is met het minimumbehoeftekarakter van de Abw,
waar nodig stimulansen daartoe worden geboden. Zo'n activerend
beleid zal vaak de enige mogelijkheid zijn om nieuwe kansen te bieden aan
degenen die geen perspectief meer zien op een eigen inkomen.
Alleen in de gevallen waar persoonlijke omstandigheden
inkomensverwerving buiten de bijstand blijvend onmogelijk maken,
kan een afwijking van het uitgangspunt dat een beroep op de Abw
een
tijdelijke aangelegenheid dient te zijn, worden gerechtvaardigd. Indien
belemmerende factoren kunnen worden weggenomen, moet het mede tot de taak van
het bijstandverlenend orgaan worden gerekend daartoe de
nodige ondersteuning te bieden, complementair aan de taken van onder
andere de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Burgemeester en
wethouders beschikken in dit verband, gezien hun brede bestuurlijke
taak, over mogelijkheden die verder reiken dan de verlening van
financiële bijstand in enge zin. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
scholingsprojecten en de inzet van diverse voorzieningen op het vlak
van de maatschappelijke hulpverlening.
De Harmonisatieraad Welzijnsbeleid heeft in zijn advies
"Op eigen kracht" (augustus 1987) geconstateerd dat de
uitstroombevorderende werking van de ABW tekortschiet. Personen die in
principe mogelijkheden hebben om via arbeidsdeelname een inkomen te
verwerven, blijven naar de mening van de Raad daardoor te lang afhankelijk van een bijstandsuitkering.
De effectiviteit van de ABW op dit punt is inderdaad
voor verbetering vatbaar. Ik deel evenwel niet de opvatting van de Raad
dat het daartoe nodig is de werkingssfeer van de ABW te verbreden tot
aspecten van immateriële zorg, dan wel de ABW op te nemen in een
breed samengesteld bodempakket waarin diverse vormen van
hulpverlening op de terreinen inkomen, werk en immateriële zorg zijn
gebundeld. De conclusie van de Raad dat het vanuit de zorg voor de
bestaanszekerheid gewenst is voldoende aandacht te schenken aan de
samenhang tussen inkomen, zorg voor gezondheid en welzijn, alsmede
bevordering van de arbeidsinschakeling, kan ik onderschrijven. In het kader
van de sociale vernieuwing worden aan
gemeenten nieuwe mogelijkheden
geboden om, ter bestrijding van maatschappelijke achterstanden, op
lokaal niveau cruciale beleidssamenhangen te versterken. Daarmee wordt
ruimte gecreëerd om op decentraal niveau verkokering tegen te
gaan. De regering is de opvatting toegedaan dat deze decentrale
benadering de voorkeur verdient en ziet in dat licht geen aanleiding
voor het op grote schaal ineenschuiven van verschillende wettelijke
regelingen op het terrein van inkomen, werk en immateriële zorg, zoals
door de Harmonisatieraad voorgesteld.
Om de effectiviteit van de uitstroombevordering in het
kader van de Abw te verbeteren, is in dit wetsvoorstel de volgende
benadering gekozen:
rblz.| 25
a. De verplichtingen die aan het ontvangen van een
bijstandsuitkering worden verbonden, dienen te worden afgestemd op de
omstandigheden, mogelijkheden en middelen van persoon en gezin. Het
wetsvoorstel bevat een expliciete opdracht aan burgemeester en
wethouders om voor deze afstemming zorg te dragen. Aan burgemeester en wethouders wordt verder de
bevoegdheid gegeven om, naast de verplichtingen die de
wet stelt,
ook overigens verplichtingen aan de bijstand te verbinden die zijn
gericht op arbeidsinschakeling of andere verplichtingen die strekken tot
vermindering of beëindiging van de bijstand. Dergelijke aanvullende
verplichtingen zullen zoveel mogelijk moeten worden afgestemd op de concrete
lokale en regionale omstandigheden, hetgeen de effectiviteit ten
goede kan komen. Eén en ander vergt een actief gemeentelijk
beleid, in aanvulling op landelijke regelgeving en nationaal beleid
b. Er wordt ten aanzien van bijstandsgerechtigden niet
langer onderscheid gemaakt tussen Rww-ers en niet-Rww-ers. Het
vervallen van dit onderscheid vloeit voort uit de integratie van de Rww in
de wet. De huidige praktijk, waarbij een groot deel van de
bijstandsgerechtigden (namelijk degenen op wie de Rww niet van toepassing is)
wordt ingedeeld in een zogenaamd "ABW-sec-bestand", dient te
worden bijgesteld. Aan de ingesleten gewoonte om aan degenen die van
dit bestand deel uitmaken niet of nauwelijks verplichtingen op te
leggen gericht op de zelfstandige voorziening in het bestaan, zal daarmee
een einde komen.
c. Wanneer in de leefeenheid die gezinsbijstand ontvangt
meer dan één in die bijstand begrepen persoon aanwezig is van
wie volledige of gedeeltelijke arbeidsinschakeling kan worden gevergd,
dient daarmee bij het stellen van verplichtingen rekening te worden
gehouden. Dit betekent dat bij bijstand aan gehuwden, ongehuwd samenwonenden
daaronder mede begrepen, de verplichtingen van hoofdstuk VIII op
beide partners van toepassing zijn. De verplichtingen worden afgestemd
op de verzorgende taak die de betrokkenen eventueel hebben voor
één of meer kinderen onder de 12 jaar.
d. Ook ten aanzien van alleenstaande ouders wordt
voorgesteld de arbeidsmogelijkheden zoveel mogelijk te benutten.
Vanzelfsprekend zal hierbij van geval tot geval moeten worden bezien of
(gedeeltelijke) arbeidsinschakeling te combineren valt met verzorgende
taken, vooral waar het de zorg voor één of meer kinderen jonger dan 12 jaar betreft.
e. Burgemeester en wethouders krijgen in het kader van
de bijstandverlening tot taak te bevorderen dat belanghebbenden gebruikmaken van voorzieningen die een bijdrage leveren aan hun
zelfstandige bestaansvoorziening; in dit verband dienen burgemeester en
wethouders tevens
zorg te dragen voor de noodzakelijke voorlichting en zo nodig voor
bemiddeling, anders dan in de vorm van arbeidsbemiddeling
f. Bepaald is dat burgemeester en wethouders ter
bevordering van de arbeidsinschakeling van bijstandsgerechtigden
samenwerken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Hiermee wordt in de Abw
een basis gelegd voor structurele samenwerking tussen de gemeente
en deze organisatie. Het Regionaal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening (RBA) wordt vertegenwoordigd in de gemeentelijke
adviescommissie inzake de bijstandverlening.
g. Sinds de decentralisatie van de bijzonderebijstandverlening is geregeld dat het drempelbedrag van ƒ183,- per jaar niet
van toepassing is ten aanzien van kosten die voortvloeien uit aan de
bijstand verbonden verplichtingen. Het wetsvoorstel sluit daarbij aan. Dit
betekent dat voor scholingskosten waarin niet op andere wijze kan worden
voorzien bijstand kan worden verleend zonder toepassing van
genoemd drempelbedrag
rblz.|26
h. Bepaald wordt dat een eenmalige premie die de
gemeente of een andere instantie eventueel aan een bijstandsgerechtigde
verstrekt bij de voltooiing van een noodzakelijke scholing of opleiding,
tot een bepaald bedrag niet tot de middelen wordt gerekend en dus niet
op de bijstand in mindering komt. Hiermee wordt ruimte gecreëerd voor
activerend optreden op lokaal niveau ter bevordering van
arbeidsmarktgerichte scholing door bijstandsgerechtigden. Het betreft hier
een vrijlatingsbepaling, niet een bepaling die de mogelijkheid biedt een
dergelijke premie uit bijstandsmiddelen te financieren. De Commissie
Sociale Voorzieningen van de SER acht deze vrijlatingsfaciliteit een
zinvol passief instrument, zoals blijkt uit haar slotadvies.
i. Indien na werkaanvaarding het netto besteedbare
arbeidsinkomen als gevolg van buitengewone verwervingskosten lager is
dan de voorheen ontvangen bijstand, worden gedurende één jaar die
kosten in mindering gebracht op de arbeidsinkomsten, zodat men in die
periode nog in aanmerking kan komen voor aanvullende algemene bijstand. Zo kan
worden voorkomen dat buitengewone verwervingskosten een
belemmering vormen om de overstap naar betaalde arbeid te
maken.
Ten aanzien van werkloze jongeren zal de bevordering van
de uitstroom uit de bijstand met name vorm kunnen krijgen
door middel van de Jeugdwerkgarantiewet (Stb. 1991, 250). Kern van deze
benadering is dat prioriteit wordt gegeven aan inschakeling in
werkervaringsprojecten en scholing van werkloze jongeren tot 21 jaar en
werkloze schoolverlaters van 21 tot 27 jaar door middel van de zogenoemde
sluitende aanpak. Als noodzakelijk complement van deze aanpak, die
uitgaat van inkomensverwerving door jongeren via werkervaring en/of
scholing in plaats van een uitkering, is in dit wetsvoorstel bepaald
dat ten aanzien van de jongere die niet aan deze aanpak meewerkt tijdelijk bijstand wordt
geweigerd.
Verder is uit een oogpunt van uitstroombevordering ook
relevant de Bijdrageregeling 1990 incentive Algemene Bijstandswet (Stcrt.
1991, 7). Deze regeling biedt de mogelijkheid voor
gemeenten
die meewerken aan het instrument van de banenpool om een eenmalige
premie te ontvangen, uitgedrukt in een percentage van de
effectieve daling van de bijstandsuitgaven in een bepaald jaar. Hierop wordt
nader ingegaan in paragraaf 5.9 van deze memorie.
Door middel van de bovenstaande aanpassingen zal de
uitstroombevorderende werking van de Abw naar verwachting worden
versterkt voor zover dit vanuit centrale beleidskaders, gelet mede op
de aard van de Abw als inkomensvoorziening op minimumniveau, mogelijk
is. De feitelijke realisatie van een dergelijk uitstroombeleid legt een groot
gewicht op de verantwoordelijkheid van burgemeester en
wethouders. In de uitvoeringspraktijk zal aan dat beleid nader vorm moeten
worden gegeven. Gerichte aandacht voor de bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening zal een vast onderdeel van het
uitkeringsproces dienen te zijn.
De Commissie Sociale Voorzieningen van de
SER wijst er
in haar interim-advies van 8 september 1989 terecht op dat de
gemeenten een belangrijke eigen verantwoordelijkheid hebben bij het
stimuleren van bijstandsgerechtigden tot een zelfstandige
bestaansvoorziening; de plaatselijke verschillen in de situatie van langdurig
werklozen maken volgens de Commissie een eigen gemeentelijk beleid, dat
complementair is aan het reguliere arbeidsvoorzieningsbeleid,
noodzakelijk. Een doeltreffende aanpak vereist inderdaad een nauwe samenwerking
tussen de gemeenten als uitvoerders van de Abw
en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. In het kader van de RBA's rblz.| 27
zal de beleidsmatige afstemming dienen plaats te
vinden. Om deze afstemming ook op het niveau van de afzonderlijke
gemeente te bevorderen, is, zoals hiervoor onder punt f reeds werd
aangegeven, in dit wetsvoorstel bepaald dat burgemeester en wethouders
één
of meer leden op voordracht van het RBA opnemen als lid van de
gemeentelijke adviescommissie. Op de samenwerking met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt nader ingegaan in paragraaf
5.7.2 van deze
memorie.
Met het beginsel dat op burgemeester en wethouders een
inspanningsverplichting dient te rusten tot bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening, alsmede met de uitwerking daarvan
in het voorontwerp van wet, heeft de Commissie Sociale
Voorzieningen in haar slotadvies van 25 maart 1991 instemming betuigd. Met de
Commissie ben ik van mening dat, langs de weg van het toezicht,
voldoende kan worden bewaakt dat gemeenten aan deze
inspanningsverplichting daadwerkelijk gevolg geven.
Voor een effectieve uitvoering is, naast samenwerking
met andere instanties, eveneens een vereiste dat in het contact met
bijstandsgerechtigden duidelijkheid wordt betracht over de nauwe
samenhang tussen rechten en plichten. Het naleven van de gestelde
verplichtingen is een tegenprestatie die de betrokkene levert voor het recht
op bijstand. Indien genoemde samenhang steeds voor ogen blijft staan, zal
ook duidelijk zijn dat het verwijtbaar niet naleven van verplichtingen niet
zonder gevolgen voor de uitkering kan blijven. In het voorgestelde
artikel 14 is omschreven in welke gevallen burgemeester en
wethouders
indien de belanghebbende er blijk van heeft gegeven tekort te
schieten in zijn besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
het bestaan of bepaalde verplichtingen niet is nagekomen, de bijstand
bij wijze van sanctie lager vaststellen of wanneer er, bij herhaalde
of zeer ernstige gedragingen, aanleiding is bijstand te weigeren. Niet
over het hoofd mag worden gezien dat de sanctiemogelijkheid niet louter een
negatieve functie heeft, maar ook preventief kan werken.
In het algemeen staat mij een benadering voor ogen
waarbij, aan de hand van de op grond van hoofdstuk VIII geldende
verplichtingen, afspraken met de belanghebbende worden gemaakt over de
door hem of haar te verrichten inspanningen en de daarbij in te
zetten voorzieningen. Het verdient sterk de voorkeur deze afspraken zoveel
mogelijk te concretiseren, dat wil zeggen niet te volstaan met algemene,
abstracte, aanduidingen, maar te streven naar een vertaling in concreet
te ondernemen acties. Uitgangspunt hierbij zal steeds moeten zijn de
wederkerigheid tussen het bieden van mogelijkheden en het benutten
daarvan.
4.4. De verfijning van de bijstand in het individuele
geval
Het recht op bijstand is gerelateerd aan de feitelijke
omstandigheden waarin iemand verkeert. De beoordeling of recht op een
bijstandsuitkering bestaat, kan slechts plaatsvinden door deze
omstandigheden in ogenschouw te nemen. Alleen door de bijstand af te
stemmen op de feitelijke behoefte in het individuele geval kan de toereikendheid daarvan
worden gegarandeerd. Ook kan alleen langs die weg worden
verzekerd dat de bijstand niet verdergaat dan de voorziening in
het noodzakelijke. Het aanbrengen van de noodzakelijke verfijning in de
bijstandverlening kan dus zowel resulteren in een hogere uitkering doordat
naast het normbedrag ter voorziening in de algemeen noodzakelijke
bestaanskosten tevens bijzondere bijstand wordt verleend, als in
een lagere uitkering.
Het voorgaande impliceert dat in de
Abw niet volstaan
kan worden met de vaststelling van landelijke bijstandsnormen:
de wet dient tevens rblz.| 28
te verzekeren dat in het kader van de gevalsbehandeling
een toets plaatsvindt op de passendheid van het normbedrag - de
algemene standaard -, waarbij dient te worden nagegaan of er
eventueel sprake is van bijzondere bestaanskosten waarin de normuitkering
voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet voorziet. Het
wetsvoorstel bevat daartoe een opdracht aan burgemeester en
wethouders tot afstemming van de bijstand. In die zin rust er een
verplichting op de gemeente om in elk geval op de passendheid van de
bijstand toe te zien. Tegelijk wordt in het wetsvoorstel vastgelegd dat de
belanghebbende op deze afstemming recht kan doen gelden. De directe
aanleiding tot een afwijking van de normbepalingen kan dus zowel gelegen
zijn in een aanvraag van de belanghebbende alsook in een initiatief
van burgemeester en wethouders, gegeven de opdracht tot verfijning die de wet
aan het uitvoeringsorgaan stelt. Het uitblijven van een
dergelijke aanvraag ontslaat burgemeester en wethouders niet van de
verfijningsplicht. Het niet of niet naar behoren afstemmen van de
bijstand op de omstandigheden en mogelijkheden kan voor de
belanghebbende aanleiding zijn een bezwaarschrift in te dienen of beroep
aan te tekenen.
Uit het karakter van de normbedragen als de algemene
standaard die in bepaalde, veel voorkomende situaties geldt, volgt
reeds dat het geen automatisme mag zijn dat wordt volstaan met de
toepassing van deze normen. Signalen uit de uitvoeringspraktijk en signalen
over verschijnselen van verarming geven aan dat het gewenst is aan de noodzakelijke
verfijning van de bijstand meer aandacht te schenken. Ik
ben mij ervan bewust dat dit hoge eisen stelt aan de uitvoerende
diensten op gemeentelijk niveau. Het arbeidsintensieve proces van het
bezien van alle relevante omstandigheden en het alert reageren op
veranderingen daarin is echter de enige begaanbare weg om bestaansonzekerheid te
vermijden. In het kader van de herinrichting wordt op de
volgende wijze getracht de mogelijkheden tot verfijning van de bijstand
beter tot hun recht te laten komen:
a. De begrippen "algemene
bijstand" en "bijzondere bijstand" worden onderling duidelijker afgegrensd: alle bijstand die
uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm ter voorziening in de
algemeen noodzakelijke bestaanskosten wordt aangemerkt als bijzondere
bijstand. De aard van de kosten is, anders dan in de huidige situatie,
geen bepalende factor meer. Bepalend is slechts de vraag of zich in een
concreet geval al dan niet bijzondere omstandigheden voordoen die tot
hogere noodzakelijke bestaanskosten leiden (ongeacht de aard van die
kosten), waarin het van toepassing zijnde normbedrag niet voorziet. Is dit
het geval, dan is er aanleiding tot het verlenen van bijzondere bijstand. In
hoofdzaak is deze nieuwe benadering reeds bij de decentralisatie van de
bijzondere bijstand ingevoerd.
b. Door de decentralisatie van de bijzonderebijstandverlening is de verantwoordelijkheid daarvoor duidelijk in handen van de
gemeenten gelegd. Tevens is de beleidsmarge waarover de gemeenten
hierbij beschikken, vergroot
c. In dit voorstel voor een nieuwe Abw wordt een
duidelijke opdracht aan burgemeester en wethouders geformuleerd tot het
afstemmen van de bijstand op de omstandigheden, mogelijkheden en
middelen van personen en gezinnen (hoofdstuk II,
paragraaf 3). Deze opdracht
strekt zich uit tot alle hoofdmomenten uit het proces van bijstandverlening: de
vaststelling van het recht op bijstand, van de vorm en
de hoogte van de bijstand, het geldend maken van het bijstandsrecht, de
betaling, de toepassing van verhaal en de verbinding van
verplichtingen aan de bijstand.
rblz.| 29
De Commissie Sociale Voorzieningen van de
SER stemt in
met de voorgestelde versterking van het verfijningsbeginsel
door middel van decentralisatie en deregulering. Dit zal de
doeltreffendheid en doelmatigheid van de bijstandverlening volgens de Commissie
kunnen vergroten. Een belangrijke voorwaarde acht de Commissie dan wel
dat de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid zoveel mogelijk worden
gehandhaafd. Decentralisatie en deregulering mogen naar de mening van de
Commissie niet leiden tot ongelijke behandeling in gelijke situaties.
Hierbij kan het volgende worden aangetekend. De
verfijning van de bijstandverlening vergroot de rechtszekerheid in de zin
dat een per geval passende bijstandverlening wordt verzekerd. Aangezien
een ieder die voor bijstand in aanmerking komt zich op de
afstemmingsbepalingen in de Abw kan beroepen, doen deze geen afbreuk aan de
rechtsgelijkheid. Het is inherent aan de aard van deze bepalingen dat ze tot
verschillende uitkomsten kunnen voeren. Ongelijke omstandigheden
dienen tot ongelijke oplossingen te leiden. Dit uitgangspunt vormt
een noodzakelijke aanvulling op het algemenere principe in dit
wetsvoorstel dat in gelijke omstandigheden op gelijke wijze bijstand dient
te worden verleend. Daar waar landelijke uniformiteit noodzakelijk
wordt geacht, zijn in dit wetsvoorstel algemene regels gegeven. Het is
echter inherent aan het streven naar deregulering en decentralisatie dat,
binnen zekere marges, verschillen in beleid tussen
gemeenten onderling
worden aanvaard. Decentralisatie is geen op zichzelf staande
doelstelling, doch een maatregel die de doelmatigheid van de
bijstandverlening kan vergroten door de verantwoordelijkheid voor de
fijnafstemming van de bijstand daar te leggen waar er het beste inhoud aan
kan worden gegeven, namelijk op het decentrale niveau, waar de
rechtstreekse contacten met degenen die bijstand vragen, plaatsvinden.
In de adviesaanvrage was voorgesteld ook ten aanzien van
de algemene bijstand op een aantal onderdelen de centrale
normering te vervangen door een opdracht aan burgemeester en
wethouders om, afgestemd op de zich feitelijk voordoende
omstandigheden, de toe te passen aftrek op de normuitkering en de hoogte van het
vrij te laten vermogen in het individuele geval vast te stellen.
Uitgangspunt in de adviesaanvrage was dat hiermee ook op het vlak van de
algemene bijstand zou worden bijgedragen aan het versterken van
het principe dat bijstandverlening een kwestie van maatwerk is. In paragraaf
4.2.1 van deze memorie werd reeds aangegeven dat de regering van mening
is dat, met name gelet op het vervolgadvies van de Commissie Sociale
Voorzieningen van de SER, een deel van deze voorstellen geen
doorgang dient te vinden, zodat op de betreffende onderdelen de huidige
centrale normering in stand blijft.
Het voorgaande neemt niet weg dat een deel van de
voorstellen in het kader van deze algehele herziening van de ABW naar
verwachting zal bijdragen tot een verbeterde afstemming van de bijstand
voor algemene bestaanskosten op de omstandigheden en mogelijkheden in
het individuele geval. Met name betreft dit de introductie in hoofdstuk IV van
het
wetsvoorstel van een zuiverder systematiek om de
bijstand per kalendermaand te doen aansluiten op de in die maand beschikbare
inkomsten, de explicitering aangaande de toepassing van
uitsluitingsgronden in samenhang met toekenning van de bevoegdheid aan
burgemeester en wethouders daarvan bij zeer dringende redenen af te
wijken, alsmede de vergroting van de mogelijkheden om op het vlak van de
aan de bijstand te verbinden verplichtingen maatwerk te leveren. Met een
meer passende wijze van rekening houden met de inkomsten uit het
hebben van één of meer kostgangers of onderhuurders wordt inmiddels in
enkele
gemeenten geëxperimenteerd.
rblz.| 30
4.5. Complementariteit en afstemming op andere
voorzieningen
In de oorspronkelijke memorie van toelichting bij de
ABW is erop gewezen dat de overheid bij de toepassing van de
bijstandswet bij voortduring bedacht moet zijn op het complementaire karakter
van haar optreden. Slechts indien de normale
bestaansvoorzieningen niet of ontoereikend functioneren, is een aanvullend optreden
door middel van de ABW gerechtvaardigd. Zou dit uit het oog worden
verloren, dan vormt de verlening van bijstand een belemmering voor het
adequaat functioneren van voorliggende voorzieningen.
Destijds werd het niet noodzakelijk geacht dit
uitgangspunt uitdrukkelijk in één of meer wetsbepalingen vast te leggen; de
algemene regel uit artikel 1 die de rechtsplicht van de overheid tot
het verlenen van bijstand verbindt aan het niet beschikken over de
middelen om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien, werd, in
samenhang met de opdracht aan burgemeester en wethouders in artikel 2 om
zo nodig voorlichting en bemiddeling te bieden inzake de
mogelijkheden van dienstverlening, toereikend geacht. Slechts ten aanzien
van minderjarigen met betrekking tot wie een maatregel van
justitiële kinderbescherming is getroffen, werd expliciet bepaald dat geen
verplichting tot bijstandverlening bestaat (artikel 83).
Deze relatieve openheid van de wet ten opzichte van
voorliggende voorzieningen was in die tijd, toen een groot deel van
de huidige voorzieningen nog niet tot stand was gekomen, goed
verklaarbaar. Thans kan echter worden gesproken van een volgroeid stelsel van
voorzieningen, dat in globale zin een sluitend geheel vormt. Dit
gegeven impliceert dat de complementaire functie van de bijstand momenteel in
een andere context moet worden geplaatst dan ten tijde van de
invoering van de ABW. De totstandkoming van voorliggende zorg- en
financieringskaders heeft geleid tot een aanzienlijke beperking en een
nadere inkadering van de functie die de ABW op dit vlak nog te vervullen
heeft. Ten dele is dit reeds tot uitdrukking gebracht door invoeging in 1978
van de artikelen 1a, 1b en 10a tot en met 10e, waarmee de indirecte
financiering van kosten van medische en maatschappelijke dienstverlening
via de bijstand werd gereguleerd, met als doel deze stapsgewijs te beëindigen.
Gezien de huidige inkadering van de ABW in een complex
stelsel van voorliggende voorzieningen is het wenselijk en mogelijk
het complementaire karakter van de bijstand in relatie tot andere
voorzieningen expliciet in de wet te regelen. In de Wet tot decentralisatie van
de bijzondere bijstand (Stb. 1991, 337) zijn daartoe regels gesteld;
het thans voorgestelde artikel 17 sluit hierbij aan. In genoemde wet is,
evenals in dit wetsvoorstel, gekozen voor de volgende uitgangspunten:
a. Voor zover daadwerkelijk een beroep kan worden gedaan
op een voorliggende voorziening die in het betreffende geval
toereikend en passend kan worden geacht, is er geen aanleiding voor
het verlenen van bijstand. De beoordeling van de toereikendheid en
passendheid van een voorliggende voorziening dient te geschieden in het
licht van de aard en het doel van die voorziening.
b. Wanneer bepaalde specifieke kosten uitdrukkelijk
buiten de werkingssfeer van een voorliggende voorziening zijn
gelaten, kan voor deze kosten geen aanspraak op bijstand worden gemaakt.
Met genoemd beginsel wordt beoogd te voorkomen dat een in het kader
van een voorliggende voorziening doelbewust gemaakte keuze om één of meer specifieke kostensoorten niet in die voorziening op te
nemen omdat deze niet noodzakelijk worden geacht, door bijstandverlening
feitelijk weer ongedaan wordt gemaakt. Een dergelijke toepassing van de Abw
zou neerkomen op een doorkruising van voorliggend beleid door met behulp rblz.| 31
van bijstand een ruimer gebruik van voorzieningen
mogelijk te maken dan, blijkens besluitvorming aangaande dat voorliggende
beleid, wenselijk wordt geacht. Bovendien zou aldus bij de
uitvoering van de Abw een ruimer noodzakelijkheidsbegrip worden gehanteerd
dan in een voorliggend kader; een dergelijke handelwijze zou
strijdig zijn met het complementaire karakter van de Abw.
c. Indien de instantie die bevoegd is een voorliggende
regeling uit te voeren bij de uitoefening van die taak in een
individueel geval oordeelt dat in het geheel geen vergoeding kan worden toegekend,
dient het bijstandverlenend orgaan dit oordeel als regel te
volgen. Ook hier geldt dat, ter voorkoming van een doorkruising van de werking
van voorliggende voorzieningen, bij de verlening van bijstand geen
ruimere criteria dienen te gelden dan in het kader van een voorliggende
voorziening.
d. Niet uitgesloten kan worden dat, gelet op de
specifieke functie van de Abw ter voorziening in het noodzakelijke
bestaansminimum, in een incidenteel geval zeer dringende redenen aanwezig zijn
die het noodzakelijk maken toch tot bijstandverlening over te gaan.
Burgemeester en wethouders zijn daartoe dan binnen bepaalde marges
bevoegd, zodat de Abw in noodsituaties, evenals thans, kan functioneren
als laatste redmiddel.
Aldus kan duidelijker inhoud worden gegeven aan de
aanvullende functie van de Abw ten opzichte van voorliggende
voorzieningen. Daarmee wordt voorkomen dat zich in de toekomst opnieuw,
zoals eertijds ten aanzien van de indirecte financiering, een
slecht beheersbare ontwikkeling voordoet, doordat de Abw te veel het terrein
van voorliggende voorzieningen betreedt. Bovendien wordt langs deze
weg ook voor de individuele burger meer duidelijkheid geschapen over
de verhouding tussen het recht op bijstand en de rechten op grond van
andere voorzieningen.
De voorgaande regeling impliceert dat veel belang moet
worden gehecht aan een effectieve voorlichting door
burgemeester en wethouders aangaande de mogelijkheden die voorliggende
voorzieningen bieden. Dit betekent dat degene die, gezien de voorrang
van een voorliggende voorziening, ten onrechte een beroep op de Abw doet zo nodig voorlichting ontvangt over de mogelijkheden van
deze, of
een andere, voorliggende voorziening. Een juiste uitvoering van de Abw vereist dat als regel in dit soort situaties niet wordt volstaan met
een afwijzing of een summiere verwijzing, maar dat de belanghebbende in
voldoende mate op weg wordt geholpen bij het aanspreken van een voorliggende
voorziening. Dit kan tevens inhouden dat het
bijstandverlenend orgaan ter inschakeling van een voorliggende voorziening
bemiddelend optreedt.
In haar interim-advies heeft de Commissie Sociale
Voorzieningen van de SER de zojuist aangegeven afbakening in grote lijnen
onderschreven als een juiste uitwerking van het
complementariteitsbeginsel. Zij deelt de opvatting dat het bijstandverlenend orgaan geen
verdergaande rechten dient te bieden dan de betreffende voorliggende
regeling; dit betekent dat in de bijstandverlening dient te worden aangesloten
bij noodzakelijkheidsoordelen zoals deze in een voorliggend kader zijn
uitgesproken, behoudens zeer dringende individuele situaties.
Een clausulering van de bevoegdheid van burgemeester en
wethouders om in zeer dringende gevallen bijstand te verlenen, is
noodzakelijk ten aanzien van medische behandelingen en verrichtingen in
het kader van de ontwikkelingsgeneeskunde en van dergelijke medische
ingrepen die men in het buitenland ondergaat. De afweging of nieuwe
medische technieken noodzakelijk zijn en financiering behoeven,
dient te worden gemaakt door de minister die verantwoordelijk is voor de
volksgezondheid; deze afweging behoort niet door burgemeester
en wethouders in het kader van de uitvoering van de Abw te worden gemaakt.
rblz.| 32
Zodra uit signalen, met name van de rijksconsulenten
sociale zekerheid, blijkt dat de verlening van bijstand voor een
bepaalde voorziening een meer algemeen verschijnsel gaat vormen,
dient het verantwoordelijke ministerie of - indien de betreffende
verantwoordelijkheid buiten het vakministerie in kwestie is gelegen
- de bevoegde instantie te beoordelen of er aanleiding is een direct
financieringskader te creëren.
Het voorgestelde onderscheid tussen algemene en
bijzondere bijstand houdt in dat de verlening van bijstand ter voorziening
in noodzakelijke specifieke kosten, ongeacht de aard daarvan, wordt
gerekend tot de bijzondere bijstand. Hiermee correspondeert dat deze
bijstandverlening berust op een, open geformuleerde, bevoegdheid daartoe
van burgemeester en wethouders. Afgezien is van het opnemen van
verplichte melding aan de minister van gevallen waarin de
gemeenten
van de uitzonderingsclausule gebruikmaken; de Commissie
Sociale Voorzieningen [lees: Commissie
Sociale Voorzieningen van de SER, red.]
stemt hiermee in. Op deze wijze wordt benadrukt
dat het gebruik van genoemde uitzonderingsclausule een eigen verantwoordelijkheid van
burgemeester en wethouders is. In overeenstemming
hiermee is één en ander reeds geregeld in de wet tot decentralisatie van
de bijzonderebijstandverlening [lees: Wet tot decentralisatie van de
bijzondere bijstand (Stb. 1991, 337), red.].
De afstemming ten opzichte van een tweetal
voorliggende
regelingen, namelijk de Wet
op de studiefinanciering en de
Jeugdwerkgarantiewet, is in het wetsvoorstel gepreciseerd door opname van
respectievelijk een uitsluitingsgrond (artikel 10 [9], tweede lid) en een
weigeringsgrond (artikel 14, vijfde lid). De afstemming op de Wet individuele
huursubsidie is geregeld in artikel 7 [-] betreffende het begrip woonkosten
en artikel 39 [-] betreffende de toeslag voor woonkosten. Dat ten aanzien
van deze voorliggende voorzieningen, naast de algemene regeling
in de artikelen 17 en 18, nog afzonderlijke bepalingen zijn opgenomen,
vindt zijn reden in het specifieke karakter van die voorzieningen.
De stelselwijziging aangaande de ziektekostenverzekering
heeft voor de Abw geen bijzondere gevolgen. De premie van een
volledige noodzakelijk geachte ziektekostenverzekering - dat wil zeggen
een verzekering zonder vrijwillige eigen risico's op het niveau van de
huidige ziekenfondsverzekering - behoort tot de noodzakelijke
bestaanskosten waarin de
algemene bijstand dient te voorzien. In de huidige fase
van de herziening van de structuur van de ziektekostenverzekeringen neemt
de gemeente de procentuele premies voor de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor haar rekening. Het niveau
van de bijstandsnormen wordt zodanig vastgesteld dat het gunstige
netto-effect van lagere procentuele premies ook ten goede komt aan
bijstandsontvangers, waarmee voor de betrokkenen de financiële ruimte ontstaat om de door
henzelf verschuldigde nominale premies te voldoen. Ook
bij eventuele verdere verschuivingen van procentuele naar nominale
premies blijft met deze systematiek voor bijstandsontvangers gewaarborgd
dat een volledige ziektekostenverzekering voor hen financieel
bereikbaar is. Bij de stelselwijziging wordt ernaar gestreefd de eigen
verantwoordelijkheid van verzekerden voor wat betreft hun ziektekostenverzekering
te vergroten. Dit betreft de keuze voor een specifiek of algemeen
eigen risico, de keuze van de ziektekostenverzekeraar en het ten dele
zelf bepalen van de inhoud van het zorgpakket. Met name voor
ziekenfondsverzekerden, en dus voor het merendeel van alle uitkeringsgerechtigden,
zijn dit nieuwe mogelijkheden.
Beoogd is dat verzekerden zelf de verantwoordelijkheid
dragen voor de gevolgen van een door hen gemaakte keuze. Eventuele
negatieve gevolgen van zo'n eigen keuze dienen voor eigen rekening
te komen en rblz.| 33
mogen dus niet op de overheid worden afgewenteld. Ook
voor bijstandsontvangers bestaat de mogelijkheid te kiezen voor een zorgpakket met
een specifiek of algemeen eigen risico. Indien op enig
moment daadwerkelijk moet worden voorzien in kosten die tot het eigen
risico behoren, kan daarvoor geen bijstand worden verleend. De keuze
voor een pakket met eigen risico, terwijl ook pakketten zonder eigen
risico beschikbaar zijn, leidt immers voor betrokkene tot het financiële
voordeel van een lagere of zelfs geheel geen nominale premie. Dit biedt
betrokkene de ruimte om te reserveren, zodat de financiële gevolgen
van het gekozen eigen risico kunnen worden opgevangen. Het voorgaande
geldt eveneens in geval van vrijwillig gekozen eigen bijdragen en van
vrijwillig uitgesloten vormen van zorg, zoals thuiszorg. Slechts in
geval van zeer dringende redenen bestaat de mogelijkheden tot verlening
van bijzondere bijstand voor ziektekosten. Artikel 17 biedt
daartoe het kader. Op grond van artikel 24, onderdeel b, kan deze bijstand
dan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht.
5. Hoofdlijnen
5.1. De indeling van de wet
Wat betreft de indeling van de nieuwe
Abw is aansluiting
gezocht bij de voorstellen van de Staatscommissie vereenvoudiging en
codificatie van de socialezekerheidswetgeving. Overeenkomstig deze
voorstellen is onderscheid gemaakt tussen drie hoofdmomenten in het
proces dat tot het ontvangen van een uitkering kan leiden: het ontstaan
van het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand
en de betaling van de bijstand. Ook in - onder meer - de Werkloosheidswet, de
Toeslagenwet en de Ioaw [Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, red.] is deze indeling toegepast.
Het bijzondere karakter van de Abw
stelt evenwel
specifieke eisen, waardoor de in dit wetsvoorstel gevolgde indeling en
systematiek in enkele opzichten afwijken van de genoemde andere wetten.
Het recht op uitkering kan in de Abw niet in dezelfde mate worden
afgeleid uit geobjectiveerde voorwaarden als in andere wetten in de sociale
zekerheid met een afgebakende kring van rechthebbenden
en een specifieke risicodekking. Of iemand al dan niet aanspraak op
bijstand kan maken, is niet alleen afhankelijk van volledig
geobjectiveerde factoren, maar ook van de specifieke omstandigheden en
mogelijkheden in het individuele geval. De afstemming op die omstandigheden
en mogelijkheden maakt deel uit van de vaststelling van het recht
op bijstand. Daarmee in overeenstemming is dat de Abw, als laatste
voorziening in het stelsel van sociale zekerheid die mede een
sluitstukfunctie vervult, een betrekkelijk open karakter heeft en een relatief
grote mate van beleidsvrijheid toekent aan de uitvoerende instantie. In
de memorie van toelichting bij de bestaande wet is dit tot uitdrukking
gebracht door ieder besluit van burgemeester en wethouders om al dan niet
bijstand te verlenen aan te merken als een beleidsbeslissing.
De bijstand kan verschillende vormen aannemen: een
uitkering om niet, een geldlening, een geldlening onder beding van
hypotheek, alsmede borgtocht. Hierin onderscheidt de Abw zich van
andere regelingen op het terrein van de sociale zekerheid. De
regels die noodzakelijk zijn ter vaststelling welke vorm van de bijstand
in een bepaalde situatie van toepassing is, zijn bijeengebracht in een
afzonderlijk hoofdstuk (III).
Eveneens specifiek voor de Abw is de mogelijkheid de
verleende bijstand te verhalen op een derde. De aard en omvang van
de verhaalsbepalingen rechtvaardigen de opname in de
wet van een
afzonderlijk hoofdstuk inzake verhaal (VII). Voor het overige sluit
de gekozen indeling in grote lijnen aan bij andere recente wetten op het
terrein van de sociale zekerheid.
rblz.| 34
5.2. Het recht op bijstand
De huidige ABW gaat uit van de rechtsplicht van de
overheid tot bijstandverlening, niet van het recht van de individuele
burger op een bijstandsuitkering. In overeenstemming daarmee is de
bestaande wet opgezet als wettelijke regeling van de overheidsplicht
tot het bieden van financiële bijstand. De redactie van artikel
1, eerste
lid, weerspiegelt die benadering, door de plicht van burgemeester en
wethouders tot bijstandverlening als vertrekpunt te nemen. Het accent is
daarmee gelegd op de verzorgende taak van de overheid, door het stellen van
een gemeenschapsplicht tot solidariteit. Dit werd de meest
geschikte weg geoordeeld om inhoud te geven aan het rechtskarakter van de
bijstand. Hierbij speelde, naast de overweging dat de rechtsgrond van de
bijstandswet een andere is dan die van de socialeverzekeringen,
tevens een rol dat aldus werd aangesloten bij de historische ontwikkeling:
de Armenwet nam de - beperkt geachte - taak van de overheid als vertrekpunt en had
ook overigens hoofdzakelijk een institutioneel karakter.
In de memorie van antwoord bij de ABW werd overigens benadrukt dat,
uit een oogpunt van rechtszekerheid, de aanduiding van het
rechtskarakter van de bijstand vanuit de plicht van de overheid slechts in
terminologie verschilt van een aanduiding als individuele rechtsaanspraak; de
rechtszekerheid van de betrokkene is in beide benaderingen gewaarborgd.
In dit wetsvoorstel is er, mede met het oog op de
wetssystematiek, voor gekozen een individuele rechtsaanspraak als
vertrekpunt te kiezen. Feitelijk is deze stap reeds gezet door opname in de
herziene Grondwet van artikel
20, derde lid, dat bepaalt: Nederlanders
hier te lande die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te
regelen recht op bijstand van overheidswege.
Het in dit wetsvoorstel opgenomen artikel 8 [7], eerste lid,
sluit hierbij aan. Er kan geen misverstand over bestaan dat de daar
geformuleerde rechtsaanspraak van de burger de rechtsplicht van de
overheid tot verlening van bijstand impliceert. De bepalingen in
hoofdstuk V inzake het geldend maken van het recht op bijstand nemen eveneens het
bestaan van een individuele rechtsaanspraak als
vertrekpunt.
Het complementaire karakter van de bijstand en de
afstemming op de feitelijke behoefte in het afzonderlijke geval
impliceren dat het recht op bijstand niet volledig kan worden afgeleid uit
geobjectiveerde voorwaarden. Teneinde vast te stellen of in een bepaald
geval daadwerkelijk recht op bijstand bestaat, dient een beoordeling plaats te vinden
van de concrete omstandigheden en mogelijkheden van de
betrokkene; de middelen waarover hij beschikt en de aanspraken op
voorliggende voorzieningen die hij eventueel kan doen gelden, dienen
in deze beoordeling te worden betrokken. Slechts door het geheel van
relevante omstandigheden in ogenschouw te nemen, kan worden
vastgesteld of recht op bijstand bestaat. Bovendien is het recht
afhankelijk gesteld van het betoonde besef van verantwoordelijkheid voor de
voorziening in het bestaan (artikel 14). Hiermee wordt de benadering
voortgezet die reeds aan het bestaande artikel 3, vierde lid, ten grondslag
ligt, namelijk dat de overheid niet langer of niet onverkort gehouden is aan
haar plicht tot bijstandverlening indien betrokkene een aan de bijstand
verbonden voorwaarde (verplichting) niet nakomt. Aangezien het
recht op bijstand niet ontstaat door het voldoen aan bepaalde volledig
geobjectiveerde criteria, doch als gevolg van de feitelijke
omstandigheden waarin iemand verkeert, kan dat recht in geval van een gebleken
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening
niet of niet rblz.| 35
onverkort in stand blijven; het recht op bijstand als
zodanig dient immers te worden afgestemd op alle relevante
omstandigheden,
waartoe mede moeten worden gerekend eventuele persoonlijke
gedragingen die tot deze omstandigheden hebben geleid of bijgedragen.
Daarmee wordt bovendien aangegeven dat in de Abw
een zwaar accent op
de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
dient te worden gelegd.
Evenmin als het ontstaan van het recht op bijstand kan
het voortbestaan daarvan volledig uit objectieve criteria worden
afgeleid. Ook voor de beoordeling of in een individueel geval het recht op
bijstand voortbestaat, dienen burgemeester en wethouders alle relevante
omstandigheden van de betrokkene in ogenschouw te nemen. Dit is te meer van belang omdat het recht op bijstand niet aan een bepaalde
duur gebonden is.
In overeenstemming met de hiervoor genoemde
uitgangspunten regelt hoofdstuk II van het wetsvoorstel niet alleen tot welke
kring het recht op bijstand zich uitstrekt en hoe dit recht is begrensd,
maar evenzeer de afstemming van de bijstand en de verhouding tot
voorliggende voorzieningen.
De kring van rechthebbenden omvat alle Nederlanders die
hier te lande in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te
geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke
kosten van het bestaan te voorzien. Met deze Nederlanders worden
gelijkgesteld de hier verblijvende vreemdelingen die overeenkomstig de
Vreemdelingenwet gerechtigd zijn in Nederland te verblijven. De
vreemdeling die tot deze categorie behoort, heeft dus, als lid van de Nederlandse
samenleving, evenals de Nederlander een rechtsaanspraak op bijstand.
Ten aanzien van de zelfstandige die, hoewel hij een
eigen bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent dat levensvatbaar is,
tijdelijk over een ontoereikend inkomen beschikt, is er reden het recht op
bijstand aan nadere voorwaarden te binden. Gezien de levensvatbaarheid van
het bedrijf of zelfstandig beroep moet de betrokken zelfstandige immers
potentieel in staat worden geacht op eigen kracht in zijn bestaan te
voorzien; de bijstand heeft hier de functie van een tijdelijke
overbrugging van tekortschietende inkomsten. Daarbij moet met name in het oog
worden gehouden dat het inkomen van een zelfstandige sterk kan
wisselen; fluctuerende inkomsten zijn veelal inherent aan het
zelfstandig ondernemerschap. Het zou dan ook te ver voeren wanneer uit het
tijdelijk beschikken over een ontoereikend inkomen voor de zelfstandige zonder
meer, dat wil zeggen zonder het stellen van nadere
voorwaarden, een recht op bijstand zou voortvloeien. Voorkomen moet
worden dat bij een levensvatbaar bedrijf of beroep de verlening van
bijstand een structurele rol gaat spelen in de bedrijfsvoering.
Evenzeer is er aanleiding de bijstand aan de
zelfstandige wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is aan nadere
voorwaarden te binden, ter voorkoming dat niet-rendabele
ondernemersactiviteiten onbeperkt met behulp van bijstand kunnen worden
voortgezet. De hier voorgestelde voorwaarden zijn momenteel opgenomen in het
Bijstandsbesluit zelfstandigen (Stb. 1986, 544).
In artikel 10 [9]
zijn de uitsluitingsgronden opgenomen. De
reden voor uitsluiting van het recht op bijstand is meestal gelegen
in bepaalde specifieke omstandigheden van de betrokkene. De
uitsluitingsgronden zijn daarmee doorgaans niet persoonsgebonden, maar
situatiegebonden. Slechts ten aanzien van kinderen beneden 18 jaar is sprake van een
uitsluiting van de persoon als zodanig, doch hier houdt
de uitsluiting alleen in dat het betrokken kind, gegeven de
onderhoudsplicht van de ouders, geen op zichzelf staand recht op bijstand kan
doen gelden; als rblz.| 36
lid van het gezin is dit kind wel in de gezinsbijstand
begrepen.
In de overige gevallen is de uitsluiting
situatiegebonden; bij verandering van de situatie waarin de betrokkene zich bevindt,
vervalt de uitsluitingsgrond. Soms leidt de situatie waarin iemand
zich bevindt ertoe dat reeds op andere wijze in zijn noodzakelijke
bestaanskosten wordt voorzien. Dit is het geval bij gedetineerden en dienstplichtigen. Soms is
er sprake van dat de betrokkene zichzelf in een
situatie heeft geplaatst waarin hij niet zelfstandig in de noodzakelijke kosten
van het bestaan kan voorzien. Dit doet zich voor ten aanzien van degene die
een scholing of opleiding volgt als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet
op de studiefinanciering, degene die door te lang studeren niet meer in
aanmerking komt voor studiefinanciering, degene die deelneemt aan een
werkstaking en degene die, hoewel hij woonachtig is in Nederland,
anders dan tijdelijk verblijf houdt buiten Nederland, zich daarmee buiten de
Nederlandse arbeidsmarkt plaatsend.
Een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar die geen
onderwijs of beroepsopleiding volgt op grond waarvan in diens bestaan
is voorzien, wordt voor de bijstand aangemerkt als zelfstandig
rechtssubject. Hieraan is evenwel de voorwaarde verbonden dat betrokkene in
voldoende mate beschikbaar is voor arbeidsinschakeling in een
dienstbetrekking, dan wel kan worden aangemerkt als zelfstandige. Uitgangspunt is
dus dat alleenstaanden van 18 tot 21 jaar als regel enigerlei vorm van economische
zelfstandigheid hebben bereikt. Indien dit in een
bepaald geval niet zo is, voorziet artikel 40 [-] ten aanzien van de voormalige
alleenstaande ouder in de mogelijkheid van een toeslag.
Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt dient eveneens als
voorwaarde te gelden voor gehuwden van 18, 19 of 20 jaar die geen
tot hun last komende kinderen te verzorgen hebben. Ten aanzien van
deze gehuwden staat de onderhoudsplicht ten opzichte van elkaar
voorop. Is de echtgenoot echter niet in staat aan die plicht te voldoen, dan zijn de
ouders krachtens artikel 395a van het Burgerlijk
Wetboek jegens hun gehuwde meerderjarige kinderen van 18 tot 21 jaar
onderhoud verschuldigd. Toekenning aan deze categorie van een
zelfstandig recht op bijstand, onafhankelijk van de onderhoudsplichtige
ouders, zonder het stellen van genoemde beschikbaarheidseis, zou te veel
afbreuk doen aan de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
bestaan zoals deze in het kader van de onderhoudsverplichtingen tot
uitdrukking komt en zou daarmee de aansluiting van de Abw
bij het Burgerlijk
Wetboek doorbreken. Het wordt bovendien niet juist geacht
wanneer personen in deze leeftijdscategorie zich louter door als ongehuwden
een gezamenlijke huishouding te voeren, of door te huwen, een recht
op bijstand zouden verwerven dat aan de alleenstaande van die
leeftijd in dezelfde omstandigheden niet toekomt. Schoolverlaters in deze
leeftijdscategorie die geen tot hun last komende kinderen hebben,
beschikken over een zelfstandig opeisbaar recht op bijstand indien zij de
thans reeds geldende wachttijd van een halfjaar na beëindiging van
het onderwijs hebben doorlopen en in redelijke mate beschikbaar zijn
voor inschakeling in het arbeidsproces, hetzij als werknemer, hetzij als
zelfstandige. Daadwerkelijke uitsluiting van personen in deze
categorie is derhalve alleen aan de orde tijdens de genoemde wachttijd,
alsmede wanneer men niet in redelijke mate beschikbaar is voor
inschakeling in de arbeid.
Ten aanzien van degenen voor wie de overheid uit anderen
hoofde reeds in de volledige verzorging voorziet
(gedetineerden, dienstplichtigen) of die op de ouderlijke onderhoudsplicht zijn
aangewezen, heeft de uitsluiting van het recht op bijstand zowel op
algemene als bijzondere bijstand betrekking. Voor hen wordt immers reeds
in
zowel de algemene als de bijzondere kosten van het bestaan voorzien. Ook
met betrekking tot degenen die in Nederland wonen, doch die anders dan
tijdelijk verblijf rblz.| 37
houden buiten Nederland, betreft de uitsluiting mede het
recht op bijzondere bijstand, aangezien op hen de Abw
niet kan
worden toegepast. In overige gevallen betreft de uitsluiting
alleen het recht op algemene bijstand.
In een tweetal situaties biedt het
wetsvoorstel, hoewel
de betrokkenen niet tot de kring van rechthebbenden in eigenlijke zin
behoren, door middel van een kanbepaling de mogelijkheid tot
bijstandverlening:
- ten aanzien van degenen die van het recht op bijstand
zijn uitgesloten, maar voor wie als gevolg van zeer dringende
redenen het niettemin noodzakelijk is dat bijstand wordt verleend;
aangezien de Abw fungeert als laatste voorziening in het stelsel van
sociale zekerheid, zodat er na de bijstand geen andere voorziening is, kan aan de
uitsluitingsgronden in deze wet geen absoluut karakter worden
gegeven. Derhalve wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid
toegekend om bij zeer dringende redenen in afwijking van een
uitsluitingsgrond alsnog bijstand te verlenen;
- ten aanzien van de vreemdeling aan wie het niet op
grond van artikel 9 of 10 van de Vreemdelingenwet is toegestaan in
Nederland te verblijven, doch die beschikt over een verklaring van
het hoofd van plaatselijke politie omtrent zijn verblijfsrechtelijke
status.
De genoemde vreemdeling aan wie het niet op grond van
artikel 9 of 10 van de Vreemdelingenwet is toegestaan in Nederland te
verblijven, doch van wie het verblijf hier te lande niettemin de
instemming heeft van het bevoegde gezag, is meestal in afwachting van een
finale beslissing omtrent het verblijfsrecht. Op grond van de Vreemdelingenwet en het
vreemdelingenbeleid is het een vreemdeling namelijk in
een groot aantal gevallen toegestaan de beslissing op het verzoek om
verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf in Nederland
af te wachten. Dit is eveneens regelmatig het geval tijdens de periode dat
een vreemdeling een rechtsmiddel heeft aangewend tegen een beslissing
tot weigering, intrekking of niet-verlenging van een vergunning.
Voor wat betreft deze vreemdelingen zou het toekennen
van een rechtsaanspraak op bijstand niet op zijn plaats zijn,
gezien de voor hen kenmerkende omstandigheid dat er geen zekerheid bestaat
omtrent het toestaan van verblijf ex artikel 9 of 10 van de
Vreemdelingenwet en gezien de gedifferentieerde samenstelling van deze groep
personen. Een evenwichtige samenhang van bijstandsbeleid en
vreemdelingenbeleid brengt met zich dat aan hen niet altijd en onder alle
omstandigheden bijstand kan worden verleend op dezelfde voet als de
vreemdelingen aan wie het ingevolge artikel 9 of 10 van de
Vreemdelingenwet wel is toegestaan in Nederland te verblijven. De
kanbepaling biedt
burgemeester en wethouders de mogelijkheid de bijstand af te stemmen op
de onzekere verblijfsstatus.
Tot de vreemdelingen die zonder te beschikken over een
verblijfstitel ex artikel 9 of 10 van de Vreemdelingenwet met
instemming van het bevoegd gezag in Nederland verblijven, worden in
beginsel ook asielzoekers gerekend, alsmede vreemdelingen wier verzoek om
toelating is afgewezen, maar die het ministerie van Justitie om beleidsmatige
redenen (zonder dat de betrokkene daarvan een verwijt
kan worden gemaakt) niet uitzet. Artikel 12 van
dit wetsvoorstel
vervult ten aanzien van deze personen - voor zover zij zijn aangewezen op de
Regeling
opvang asielzoekers (ROA) - geen directe rol. De ROA
fungeert ten opzichte van de Abw als voorliggende voorziening. Aan
vreemdelingen zonder verblijfsrecht ex artikel 9 of 10 van de
Vreemdelingenwet wier verblijf volgens de mededeling van de
vreemdelingendienst voldoet aan het gestelde in artikel
12, tweede lid, en die (in
tegenstelling tot de zojuist genoemde categorie) niet onder de werking van de
ROA vallen, rblz.| 38
kan op grond van dat artikel bijstand worden verleend.
Voor deze vreemdelingen kan artikel 12, dat overeenkomt met het
bestaande artikel 84, daarom niet worden gemist.
Niet tot de kring van rechthebbenden behoren
vreemdelingen die hier illegaal verblijven en vreemdelingen die niet in
Nederland woonachtig zijn en die derhalve onderdaan zijn van een andere staat.
Ook bijvoorbeeld in het buitenland woonachtige kinderen van in Nederland
verblijvende vreemdelingen vallen om laatstgenoemde reden buiten de
werkingssfeer van deze wet. De bestaande wet kent reeds het
uitgangspunt dat de rechtsplicht van de Nederlandse overheid zich niet tot
de hier genoemde gevallen uitstrekt. Dit wetsvoorstel brengt hierin geen
verandering.
Nederlanders die zich in het buitenland hebben gevestigd,
maken evenmin deel uit van de kring van rechthebbenden, zoals
blijkt uit de toevoeging "hier te lande" in artikel 8 [7], eerste lid.
De bestaande wet bevat in artikel 82 de mogelijkheid om in bepaalde
omstandigheden aan een Nederlander in het buitenland bijstand te verlenen;
dit is een bevoegdheid van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, die eveneens zorg draagt voor de uitvoering. Genoemde
mogelijkheid is in dit wetsvoorstel niet meer opgenomen. De herbezinning
aangaande de kerntaken van het ministerie in het kader van de Grote
Efficiency Operatie heeft geleid tot het voornemen de verlening van
bijstand aan Nederlanders in het buitenland met ingang van 1994 te
beëindigen. Hierbij is overwogen dat de werkingssfeer van de Abw
als
rechtscheppende voorziening zich niet dient uit te strekken buiten
het Nederlandse grondgebied en dat het niet langer gewenst is op dit
uitgangspunt een uitzondering te maken door middel van een kanbepaling
als in het bestaande artikel 82. De ministeriële uitvoeringstaak
die aan genoemd artikel is verbonden, past bovendien niet bij de
decentrale uitvoering van de Abw en wordt, bij nadere afweging in het kader van
genoemde operatie, evenmin beschouwd als een in de toekomst te
handhaven taak van de centrale overheid. Een rol speelt verder dat de
Nederlandse overheid in de gevallen waarin thans aan Nederlanders in
het buitenland bijstand wordt verleend (het gaat hierbij om ongeveer
800 gevallen) nauwelijks invloed kan uitoefenen ter opheffing van de
bijstandsafhankelijkheid, terwijl ook de mogelijkheden tot controle op
de rechtmatigheid van de uitkeringen naar actuele maatstaven
noodzakelijkerwijs tekortschieten. Ten aanzien van de lopende gevallen zal in de
Invoeringswet een overgangsregeling worden
getroffen waarbij het
uitgangspunt zal gelden dat de bestaande uitkeringen zoveel mogelijk
zullen worden voortgezet zolang de noodzaak daartoe aanwezig is. Voor
nieuwe gevallen zal gelden dat men bij verlies van de
zelfstandige bestaansvoorziening in het buitenland zal zijn aangewezen op de
sociale voorzieningen ter plaatse, dan wel dat men terugkeert naar Nederland,
waar men dan in principe voor bijstand in aanmerking komt.
Zoals in het voorgaande reeds werd benadrukt, maakt de
afstemming van de bijstand deel uit van de vaststelling van het
recht op bijstand. Naast de afstemming op de omstandigheden, mogelijkheden
en middelen van de persoon en het gezin en op het betoonde
besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, dient
ook een afstemming plaats te vinden op de aard van de kosten
waarop de gevraagde bijstand betrekking heeft. De noodzaak van
deze afstemming volgt reeds uit het voorgestelde artikel 8 [7], eerste lid,
waarin - evenals in de bestaande wet - het recht op bijstand is gerelateerd
aan het niet beschikken over de noodzakelijke kosten van het bestaan.
Het recht op bijstand vindt dus mede zijn begrenzing in het criterium
noodzakelijkheid. In de memorie van toelichting bij de huidige ABW is dit
uitgangspunt als rblz.| 39
volgt verwoord: de rechtsplicht van de overheid tot het
verstrekken van bijstand is gebonden aan de grens die wordt gemarkeerd
door het criterium van de noodzakelijkheid en deze grens ligt
daar waar het noodzakelijke wordt overschreden; de grens van wat voor
het bestaan noodzakelijk is te achten, is afhankelijk van de
individuele situatie.
De keuze in dit voorontwerp voor toekenning van een
recht van de burger op bijstand in plaats van het stellen van een
rechtsplicht van de overheid brengt in deze oorspronkelijke uitgangspunten
geen wijziging. Zonder het noodzakelijkheidscriterium zou het recht op
bijstand te onbepaald zijn. Ook kan als algemene regel blijven gelden dat de grens
van het noodzakelijke afhankelijk is van de individuele situatie. Ten aanzien van enkele kostensoorten is echter op voorhand
duidelijk dat deze niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan in
de zin van de Abw kunnen worden gerekend. Deze kosten, die zijn
vermeld in het voorgestelde artikel 16, liggen vanwege hun aard buiten
de werkingssfeer van de Abw, zoals ook in de jurisprudentie wordt
bevestigd. Het zou principieel onjuist zijn indien het recht op
bijstand zich tot deze kosten zou uitstrekken. Genoemd artikel heeft geen
limitatief karakter. Hoewel er nog andere kostensoorten zijn waarvan men zich
kan afvragen of deze onder het begrip noodzakelijke bestaanskosten
kunnen worden begrepen, wordt geen aanleiding gezien tot een
uitputtende opsomming daarvan. Slechts die kostensoorten zijn in het artikel
opgenomen waarvan, onafhankelijk van een beoordeling van de
omstandigheden in het individuele geval, kan worden vastgesteld dat de Abw
zich er naar zijn aard niet toe uit kan strekken.
Het komt op zekere schaal voor dat een beroep op
bijstand wordt gedaan in verband met schulden. De afgelopen decennia
zijn schulden bij particuliere huishoudens gaandeweg een algemener
verschijnsel geworden. De aankoop van goederen op afbetaling is een
algemeen aanvaarde zaak. De toegenomen mogelijkheden tot het verkrijgen van
krediet hebben echter als schaduwzijde dat het aantal
huishoudens dat zich in een problematische schuldensituatie bevindt, is
gegroeid. In het bijzonder de gemeentelijke kredietbanken vervullen een
belangrijke rol bij het saneren van problematische schulden door het
verstrekken van een saneringskrediet. Schuldsanering door middel van
bijstandverlening dient tot hoge uitzonderingen beperkt te blijven, teneinde te
voorkomen dat de gevolgen van overbesteding worden afgewenteld op de
gemeenschap. In de jurisprudentie wordt het vaste uitgangspunt
gehanteerd dat schulden in het algemeen niet kunnen worden aangemerkt als
noodzakelijke bestaanskosten; alleen in zeer bijzondere omstandigheden
kan er aanleiding zijn voor het verlenen van bijstand. In het
voorgestelde artikel 15 is dit uitgangspunt neergelegd. In het tweede lid,
onderdeel a, is de mogelijkheid opgenomen bijzondere bijstand te verlenen
in de vorm van borgtocht wanneer een verzoek tot verlening van een
saneringskrediet door een gemeentelijke kredietbank is afgewezen, omdat
het inkomen van de betrokkene onvoldoende ruimte voor de terugbetaling daarvan
biedt. De Commissie Sociale Voorzieningen van de SER
heeft in zijn vervolgadvies van 16 februari 1990 het opnemen van een
mogelijkheid tot borgtocht bij schuldsanering voorgesteld. De Commissie wees er daarbij op dat bestaande gemeentelijke waarborgfondsen
te weinig verspreid zijn om de gewenste ondersteuning van de
verstrekking van saneringskredieten adequaat te kunnen vervullen. Zij was
van mening dat bedoelde borgstelling moet worden aangemerkt als een
vorm van bijzonderebijstandverlening.
Het voorstel van de Commissie is overgenomen, zowel in
de Wet tot decentralisatie van de bijzondere bijstand als in dit
wetsvoorstel. De verwachting is naar mijn mening gerechtvaardigd
dat,
door in de Abw een dergelijke borgstelling mogelijk te maken, in een
deel van de rblz.| 40
gevallen waarin het verzoek om een saneringskrediet wordt afgewezen
vanwege de te beperkte aflossingsmogelijkheden die het
inkomen van betrokkene biedt, de gemeentelijke kredietbank alsnog
tot het verstrekken van een saneringskrediet zal overgaan.
Genoemde borgstelling is dus bedoeld om een optimaal gebruik van
de gemeentelijke kredietbank als voorliggende voorziening te bevorderen. Het eerdergenoemde uitgangspunt impliceert dat ook van deze
borgstellingsmogelijkheid een terughoudend gebruik wordt gemaakt, te
meer
daar moet worden voorkomen dat deze te ruim wordt aangewend als
extra risicodekking voor de kredietbank.
De verhouding tot voorliggende voorzieningen is geregeld
in de artikelen 17 en 18, die inhoudelijk overeenkomen met
hetgeen op dit punt is bepaald in de Wet tot decentralisatie van de
bijzondere bijstand. Ook deze bepalingen vormen een nadere begrenzing van het
recht op bijstand. In paragraaf 4.5 van deze memorie werd bij de relatie
met voorliggende voorzieningen reeds uitvoerig stilgestaan.
5.3. De vorm van bijstand
In de huidige regelgeving komen verspreid bepalingen
voor die betrekking hebben op de vorm waarin de bijstand wordt
verleend. In het kader van de systematisering die in dit wetsvoorstel is
nagestreefd, zijn deze bepalingen die de vorm van de bijstand betreffen in
hoofdstuk III bijeengebracht. Uit de toegepaste systematiek volgt dat
de artikelen in dit hoofdstuk niet bepalend zijn voor de vraag of al dan
niet een recht op bijstand bestaat; zij regelen slechts de vorm waarin de
bijstand waarop recht bestaat, wordt verleend.
Als regel wordt de bijstand verstrekt als uitkering
"om niet". Gelet op het doel van de Abw,
het voorzien in het noodzakelijke
ten behoeve van degene die het aan voldoende middelen ontbreekt, ligt
het voor de hand dat de uitkering à fonds perdu wordt verleend. In
bepaalde situaties echter zal er reden zijn de bijstand te verstrekken in
de vorm van een geldlening of van borgtocht. In genoemd hoofdstuk III is
aangegeven in welke situaties dit het geval kan zijn. In andere dan de genoemde
situaties dient de bijstand om niet te worden verleend,
zoals blijkt uit de formulering van artikel 19. Vormen van bijstand die
afwijken van de genoemde, zoals verstrekkingen in natura, zijn in het
kader van de uitvoering van de Abw niet toegestaan.
Het voorgaande impliceert dat ook de vorm waarin
bijstand wordt verstrekt een afstemming vraagt op de omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van persoon en gezin. Ook bij de bepaling
van die vorm beschikken burgemeester en wethouders dus over een
zekere mate van beleidsvrijheid. Indien de in een bepaald geval toegepaste vorm van de
bijstand afwijkt van de hoofdregel uit artikel 19, is er
aanleiding daarvan in de af te geven bijstandsbeschikking melding te maken.
De vorm waarin de bijstand wordt verleend, bepaalt niet
of het algemene dan wel bijzondere bijstand betreft. Zoals
blijkt uit de in hoofdstuk III onderscheiden situaties, kan bijstand als
geldlening of borgtocht zowel betrekking hebben op algemene als op
bijzondere bijstand. Relatief zullen de vormen geldlening en
borgtocht echter vaker toepassing vinden bij de verlening van bijzondere
bijstand; bij de algemene bijstand zullen deze vormen, over het geheel
genomen, eerder uitzondering dan regel dienen te zijn, zoals reeds
voortvloeit uit het voorgestelde artikel 19.
Ten aanzien van de bijstand die wordt verleend ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal is bepaald dat deze kan
worden verleend in rblz.| 41
de vorm van een rentedragende geldlening of borgtocht,
dan wel, onder bepaalde voorwaarden, als bedrag "om niet" (artikel
22). Deze regeling is thans reeds opgenomen in het Bz voor zover het een
geldlening of een bedrag "om niet" betreft. Wat betreft de mogelijkheid
van borgtocht bij bedrijfskapitaal wordt gewezen op artikel 4 van de bestaande wet, dat
deze mogelijkheid eveneens biedt. In het huidige Bz is
deze borgstelling echter niet opgenomen. De Commissie Sociale
Voorzieningen van de SER stemt er blijkens haar vervolgadvies mee in dat de
herziene ABW genoemde mogelijkheid blijft bieden. In het nieuw te
treffen Besluit bijstandverlening zelfstandigen
(Bbz) zal hierbij worden
aangesloten. Ik deel de mening van de Commissie dat borgstelling ertoe
kan bijdragen dat een optimaal gebruik wordt gemaakt van het bancaire
kanaal. Uiteraard is deze borgstelling niet bedoeld als extra
dekking voor het zakelijk risico van kredietinstellingen in geval van een
kredietverlening die verder gaat dan hetgeen uit een oogpunt van
bijstandverlening strikt noodzakelijk is.
De door de Commissie gemaakte opmerkingen over de
kosten die voor betrokkene verbonden zijn aan de verlening van een
bankkrediet met borgstelling op grond van de Abw zijn juist. Voor zover
deze kosten, die in mindering komen op de baten van het bedrijf of
beroep, er mede toe leiden dat het inkomen beneden de bijstandsnorm
komt,
wordt dit inkomen gedurende één jaar tot deze norm aangevuld. Dit
overigens onafhankelijk van het gegeven of de kredietverlening al
of niet met borgstelling plaatsvindt.
Indien de belanghebbende over een eigen woning beschikt
die hijzelf of zijn gezin bewoont, kan bijstand worden verleend in
de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek. Ook de bestaande
wet kent deze figuur (artikel 7a); het Bijstandsbesluit
krediethypotheek (Stb. 1983, 602) bevat hieromtrent nadere regels, die in
hoofdzaak technisch en procedureel van aard zijn. Op grond van de nieuwe
Abw zal een soortgelijk bijstandsbesluit worden getroffen. Het
kabinet is voornemens in dat herziene besluit te bepalen dat men na
beëindiging van de bijstand gedurende een periode van tien jaar de gelegenheid
krijgt de krediethypotheek rentevrij af te lossen. Deze wijziging ten
opzichte van het bestaande besluit, op grond waarvan men zowel rente als
aflossing verschuldigd is, maakt het mogelijk voorrang te geven
aan de aflossing van de krediethypotheek en de aflossingsperiode (thans
25 jaar) aanzienlijk te bekorten.
Ten aanzien van de aanschaf van duurzame
gebruiksgoederen is thans in het Bln imperatief voorgeschreven dat de bijstand
wordt verstrekt in de vorm van een geldlening; de bestaande wet noemt in
artikel 4 tevens de mogelijkheid van borgtocht. Ter verruiming van de
gemeentelijke beleidsmarge is in de Wet tot decentralisatie van de
bijzondere bijstand deze imperatieve bepaling geschrapt. Hierbij wordt
aangesloten door in artikel 21 expliciet te bepalen dat deze bijstand ook
als bedrag "om niet" kan worden verleend. Aldus wordt ruimte voor maatwerk
geboden.
Ook in enkele andere, specifieke, situaties waarin de
huidige regelgeving niet voorziet, kan er aanleiding zijn de bijstand
te verlenen in de vorm van een geldlening of borgtocht. Zo komt het voor
dat bij het betrekken van een andere woning door de huiseigenaar een waarborgsom wordt
bedongen die de belanghebbende niet
uit eigen middelen kan voldoen. Indien er in die situatie
aanleiding wordt gevonden tot het verlenen van bijstand, is een
geldlening daartoe de meest geschikte vorm, aangezien betrokkene de
waarborgsom later weer terugontvangt. Ook zijn er situaties denkbaar waarin
incidenteel bijstand wordt gevraagd, terwijl te verwachten valt dat
belanghebbende op redelijke termijn alsnog voldoende bestaansmiddelen tot
zijn beschikking rblz.| 42
zal hebben. Ook bij incidentele bijstand die voortvloeit
uit een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
voorziening in het bestaan kan een geldlening het meest aangewezen zijn,
mede ter voorkoming van verhaal van de bijstand op de betrokkene
zelf.
Of ten aanzien van de leenbijstand die op grond van de
voorgestelde artikelen 21 en 24 wordt
verstrekt rente wordt
bedongen, wordt aan het oordeel van burgemeester en wethouders overgelaten. Ook
in dit opzicht is sprake van een gemeentelijke beleidsmarge. Uit de
aard van de bijstandswet vloeit voort dat in de genoemde gevallen
een terughoudend gebruik van deze mogelijkheid geboden is. Ten
aanzien van bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal is er vanwege het evenwicht met leningen door de normale
kredietinstanties evenals thans aanleiding voor de opname in het nieuwe
Bbz van nadere bepalingen over het rentebeding.
In de gevallen waarin op grond van de Abw borgstelling
plaatsvindt, zijn de bepalingen ter zake in het Burgerlijk
Wetboek van
toepassing (artikelen 850 tot en met 870 van Boek
7).
5.4. De hoogte van de bijstand
5.4.1. Algemeen
Met name ten aanzien van de bepaling van de hoogte van
de bijstand is er in de bestaande regelgeving sprake van een weinig
evenwichtige verhouding tussen de wet en de nadere regels. Deze
situatie is een gevolg van het feit dat de invoering van landelijk
geldende normbedragen voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten in 1974 is
geschied bij algemene maatregel van bestuur. Vervolgens
zijn er op grond van deze regeling, het Bln, in latere jaren
diverse ministeriële regelingen tot stand gekomen; de periodieke herziening
van de bedragen is in het Bln, zowel wat de daarbij te hanteren
methodiek als wat het tijdstip van de herziening betreft, bijna volledig aan
de nadere regeling door de minister overgelaten. De wet zelf bepaalt
slechts (sinds 1979) dat het normbedrag voor een echtpaar wordt bepaald op
het nettominimumloon. Voor het overige geeft de wet nauwelijks
concrete richtlijnen voor de vaststelling van de hoogte van de
bijstand.
De herinrichting van de ABW biedt de gelegenheid
om
naast het recht op bijstand als zodanig ook de materiële inhoud van
dat recht in de wet te regelen. Daartoe zijn in dit wetsvoorstel de
bepalingen van het Bln geïncorporeerd: alle bepalingen die de hoogte van de
bijstand regelen, zijn in hoofdstuk IV samengebracht. Als gevolg hiervan
kunnen het Bln en alle ministeriële regelingen die op het Bln
berusten, worden ingetrokken. Het opnemen in de wet van de bepalingen
inzake de hoogte van de bijstand komt niet alleen de overzichtelijkheid
ten goede, maar versterkt ook de consistentie van de wet, die in zijn
nieuwe opzet immers zowel het recht op bijstand, de vorm van de bijstand
als de hoogte van de bijstand regelt.
Hoofdstuk IV betreft naast de algemene tevens de
bijzondere bijstand. De regelgeving die aangaande de bijzondere bijstand is
opgenomen, sluit aan bij de wet tot decentralisatie van de bijzonderebijstandverlening
[lees: Wet tot decentralisatie van de bijzondere bijstand, red.] en is dienovereenkomstig globaal van aard. Dit hangt samen
met de gemaakte keuze de verantwoordelijkheid voor de
bijzondere bijstand over te dragen aan de
gemeenten.
Op het vlak van de algemene bijstand kan niet met
globale bepalingen worden volstaan. Het uitgangspunt dat er waar het de
voorziening in algemeen noodzakelijke bestaanskosten betreft reden is
voor een landelijke normering van de bijstandverlening, is in dit
wetsvoorstel gehandhaafd. Deze keuze vindt steun in de door de Commissie
Sociale Voorzieningen rblz.| 43
van de SER uitgebrachte adviezen. Naar de mening
van de Commissie is, anders dan de bijzondere bijstand, de
algemene bijstand naar zijn aard niet geschikt voor een vergaande
overheveling van bevoegdheden van Rijk naar gemeenten. Ik onderschrijf de
in de bedoelde adviezen doorklinkende opvatting van de Commissie dat aan de bestaande normering uit een oogpunt van rechtszekerheid
en rechtsgelijkheid belang moet worden gehecht.
Voor het karakter van hoofdstuk IV is verder van belang
dat de regeling van de hoogte van de algemene bijstand, de middelentoets
daaronder begrepen, in verhouding tot andere onderdelen een
relatief hoge regeldichtheid met zich brengt. Dit hangt samen met de
bestaande mate van differentiatie in de normering, zowel naar verschillende
leefvormen, leeftijdscategorieën als naar overige omstandigheden.
Deze factoren leiden, zeker in combinatie met elkaar, tot een groot
aantal verschillende bijstandsniveaus. Op deze wijze vindt, via de normerende
bepalingen, een afstemming van de bijstand plaats op de diverse te
onderscheiden standaardsituaties in de woon- en leefomstandigheden
van bijstandsgerechtigden. De noodzaak de algemene bijstand aldus af te
stemmen, verzet zich ertegen dat voor een aanmerkelijk grover
stelsel van normerende bepalingen wordt gekozen.
Dit sluit niet uit dat op enkele onderdelen enige
vereenvoudiging ten opzichte van de bestaande regelgeving mogelijk is.
Allereerst is ten aanzien van de woonkostentoeslagen in dit wetsvoorstel
volstaan met één artikel waarin wordt bepaald dat de
woonkostentoeslag gelijk is aan het bedrag aan individuele huursubsidie dat in dezelfde
omstandigheden zou worden ontvangen door personen in de laagste
inkomenscategorie; de feitelijk ontvangen huursubsidie wordt op de toeslag
in mindering gebracht. Thans wordt de gelijkstelling van dit bedrag
aan huursubsidie - uitgaande van netto-inkomens - apart geregeld in de
Tijdelijke beschikking woonkostentoeslagen (Stcrt. 1988, 124). Uit
ervaringen in de uitvoeringspraktijk blijkt dat de vaststelling van
het bedrag aan huursubsidie zonder problemen kan plaatsvinden aan de
hand van het belastbare inkomen, dat het uitgangspunt vormt voor de
Wet individuele huursubsidie. Er is derhalve van afgezien in het
voorgestelde artikel voor te schrijven hoe de toepasselijke woonkostentoeslagen
uitgaande van het netto-inkomen dienen te worden berekend.
Ook ten aanzien van de woningdelersregeling is enige
vereenvoudiging mogelijk gebleken, met name door een systematischer
opbouw van bepalingen. Momenteel heeft de woningdelersregeling
enerzijds voor alleenstaanden de gestalte van een specifieke norm en
anderzijds voor alleenstaande ouders en gehuwden die van een vermindering van de
norm. In dit wetsvoorstel is gekozen voor een enkele
benadering en wel als een vermindering van de bijstandsnorm. Inhoudelijk
is een vereenvoudiging aangebracht door geen aparte correctie meer te
laten plaatsvinden op de aftrek als de woning wordt bewoond met één
of meer personen die op grond van de Wet individuele
huursubsidie niet als "huisgenoot" worden aangemerkt. Voor hen wordt
voorgesteld in alle gevallen een lagere aftrek te laten plaatsvinden die
uitsluitend is afgestemd op de voordelen ten aanzien van de woonkosten
anders dan de huur. In de artikelsgewijze toelichting wordt deze
keuze nader beargumenteerd.
Op een aantal onderdelen is er aanleiding gevonden voor
een codificatie van uitgangspunten uit de jurisprudentie en van de
daarbij aansluitende uitvoeringspraktijk. Als voorbeeld kan worden
genoemd de thans niet geregelde situatie waarin ouders, met name na een
echtscheiding, de zorg voor de kinderen delen (het zogenaamde co-ouderschap).
De jurisprudentie heeft op dit punt tot een algemene richtlijn geleid die de feitelijke rblz.| 44
berekeningswijze van de uitkering expliciet aangeeft. Nu
de jurisprudentie een dermate concrete richtlijn geeft, verdient
het de voorkeur die richtlijn in de formele regelgeving op te nemen.
Ook anderszins was er op enkele punten aanleiding om
bepaalde lacunes in de regelgeving die in de loop der jaren naar
voren zijn getreden op te vullen. Op die wijze kan het bestaan of
ontstaan van pseudoregelgeving worden tegengegaan en kan met name
ook worden vermeden dat zich, omdat op een bepaald onderdeel een
expliciete regel wordt gemist, verschillen in de uitvoeringspraktijk
voordoen die niet worden gerechtvaardigd door verschillen in de
individuele omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Een dergelijke keuze
voor het opnemen van een expliciete bepaling waar deze nu
ontbreekt, laat uiteraard onverlet dat zich in een individueel geval
omstandigheden kunnen voordoen die het wenselijk maken van de gegeven
algemene regel af te wijken. Een nadere explicitering zoals hier
bedoeld, is in hoofdstuk IV onder meer aan de orde ten aanzien van de
onderscheiding van de middelen in inkomen en vermogen, alsmede ten
aanzien van de periode waarop de middelen geacht moeten worden
betrekking te hebben. Op deze onderdelen wordt hierna in paragraaf
5.4.4
nader ingegaan.
Over het geheel bezien is, door het integreren van
nadere regelgeving in de wet, door het op enkele onderdelen vereenvoudigen
van regels en door de opvulling van enkele lacunes, de
overzichtelijkheid van de bepalingen die de hoogte van de bijstand betreffen,
vergroot.
Kenmerkend voor de structuur van het Bln is dat daarin,
onderscheiden naar verschillende woon- en leefsituaties, de van
toepassing zijnde bedragen worden aangegeven. Dit kenmerk is in het nu
voorgestelde hoofdstuk IV gehandhaafd, hetgeen impliceert dat in
het
wetsvoorstel bedragen [lees: genoemde bedragen, red.] zijn opgenomen. Het voordeel van de gekozen
systematiek is dat alle relevante factoren die de hoogte van de
bijstand bepalen in de wet gegeven zijn, zodat de delegatie aan de minister in
hoofdzaak beperkt kan blijven tot het aanpassen van de - in de wet
gegeven - bedragen.
De normverhoudingen zoals deze in hoofdstuk IV zijn
opgenomen, komen overeen met hetgeen het Bln op dit punt regelt;
ook de opgenomen bedragen komen overeen met de reeds geldende
bedragen. De herinrichting van de ABW brengt dus geen wijziging in
de bestaande normverhoudingen. Wat betreft de uitkeringsniveaus wordt
alleen in enkele specifieke situaties een aanpassing voorgesteld. Hierop en op enkele andere aanpassingen in de systematiek van de bijstandsnormen
wordt ingegaan in paragraaf 5.4.2.
Wat betreft de opbouw van hoofdstuk IV is gekozen voor
een duidelijke afbakening tussen enerzijds de vaststelling welke bijstandsnorm
in verschillende situaties, gezien de omstandigheden en het
daaruit voortvloeiende niveau van de noodzakelijke bestaanskosten,
van toepassing is en anderzijds de beoordeling van de middelen waarover de
betrokkene beschikt. In het Bln is dit onderscheid, zowel naar
systematiek als terminologie, minder duidelijk aanwezig.
In de eerste afdeling van hoofdstuk IV zijn de
verschillende bijstandsnormen aangegeven die in de onderscheiden leef- en
woonsituaties en voor bepaalde leeftijdscategorieën van toepassing zijn.
Ook bij de bepaling van de hoogte van de bijstand staat het
complementaire karakter van de Abw voorop: indien de belanghebbende
niet over vermogen beschikt dat in aanmerking moet worden genomen
en het inkomen per kalendermaand ligt onder de toepasselijke bijstandsnorm, is er aanleiding voor het verlenen van algemene bijstand;
die bijstand bedraagt het verschil tussen de bijstandsnorm en het
inkomen. Een nieuw element in paragraaf 1 betreft de beoordeling van
de bijstandbehoevendheid rblz.| 45
op maandbasis. In paragraaf
5.4.2 van deze memorie
zal hierop nader worden ingegaan.
Op grond van de omstandigheden van de betrokken persoon
en het gezin kan de toepasselijke bijstandsnorm lager of hoger
worden gesteld. Een verlaging van de bijstandsnorm is aan de orde
wanneer sprake is van een woonkostenvoordeel als gevolg van woningdeling of
het ontbreken van woonkosten. Voor een verhoging van de bijstandsnorm
is er aanleiding wanneer men niet verzekerd is tegen
ziektekosten of tegen de geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid, wanneer
men niet of nog niet voor huursubsidie in aanmerking komt of de
huursubsidie nog niet is afgestemd op het lagere actuele inkomen, dan wel wanneer
het gezamenlijke inkomen van de voormalige alleenstaande
ouder en een tot het huishouden behorend kind minder is dan de norm voor
gehuwden.
De tweede afdeling bevat enkele globale bepalingen ten
aanzien van de bijstand voor bijzondere noodzakelijke
bestaanskosten. Ook hier is het complementaire karakter van de bijstand als vertrekpunt
genomen (zie hierna paragraaf 5.4.3).
In afdeling 3 wordt het middelenbegrip uitgewerkt. Een
systematische onderscheiding tussen inkomen en vermogen is bepalend
geweest voor de opzet van deze afdeling. Daarmee wordt een
verduidelijking ten opzichte van de bestaande regelgeving beoogd. Voor het
recht op bijstand is het immers zeer relevant of middelen als inkomen dan wel als
vermogen worden aangemerkt: inkomen wordt in beginsel
volledig in aanmerking genomen voor de vaststelling van de
bijstandbehoevendheid, terwijl van het vermogen een deel buiten beschouwing
blijft. Op enkele onderdelen worden wijzigingen voorgesteld (zie paragraaf
5.4.4).
In afdeling 4
ten slotte worden regels gesteld op grond
waarvan de verschillende in hoofdstuk IV genoemde bedragen worden
aangepast aan de ontwikkeling van bijvoorbeeld het nettominimumloon en andere relevante indices.
5.4.2. Veranderingen in de systematiek van de algemene
bijstand
Wat de systematiek van de algemene bijstand betreft,
wordt op enkele punten een wijziging van de huidige regelgeving
voorgesteld. Dit betreft:
- de periode waarover de algemene bijstand wordt
vastgesteld;
- de vaststelling van de in de bijstandsnorm
begrepen
vakantietoeslag;
- de leeftijdsgrens van het kind voor de toepassing van
de norm voor een alleenstaande ouder;
- de situatie waarin één van de gehuwden is uitgesloten
van het recht op bijstand.
Aangaande eerstgenoemd punt is in
dit wetsvoorstel
gekozen voor een beoordeling op maandbasis. Momenteel wordt de
handelwijze gevolgd dat de bijstand alleen wordt verstrekt over de periode
waarin belanghebbende in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert en
worden alleen de inkomsten over die periode in aanmerking genomen.
Consequentie van deze handelwijze is dat als belanghebbende slechts
gedurende een korte periode - bijvoorbeeld één of twee weken - voldoende eigen
inkomsten verwerft, de inkomsten over deze periode
buiten beschouwing blijven bij de vaststelling van de bijstandsuitkering
over het resterende deel van de maand. Het kan daardoor, afhankelijk van de
hoogte van het inkomen dat over die periode wordt ontvangen, voorkomen
dat de belanghebbende over de gehele maand gezien over een
inkomen beschikt dat het sociaal minimum in aanzienlijke mate te
boven gaat, zonder dat feitelijk de bijstandbehoevendheid is
opgehouden te bestaan. Een andere overweging om voor te stellen een
maandsystematiek in te voeren, is dat bij de in de bestaande
uitvoeringspraktijk gevolgde handelwijze de te verlenen bijstand kan verschillen, al
naargelang het arbeidspatroon rblz.| 46
van waaruit de inkomsten zijn verworven, ook
wanneer overigens de inkomenspositie van belanghebbenden dezelfde is: als
de inkomsten in een korte, aaneengesloten periode worden verworven,
blijven deze buiten beschouwing; worden zij echter verspreid over de
maand ontvangen op grond van bijvoorbeeld deeltijdarbeid, dan
worden deze wel betrokken bij de vaststelling van de uitkering. De
thans voorgestelde verrekening op maandbasis voorkomt dergelijke, niet op
grond van de inkomenspositie van de belanghebbende te rechtvaardigen
verschillen.
Indien deze maandsystematiek steeds zonder meer zou
worden toegepast, zou dit voor bepaalde situaties tot
onbillijkheden kunnen leiden. Dit is allereerst het geval als de bijstand
wordt beëindigd doordat de belanghebbende zodanige inkomsten gaat verwerven dat
hij, ook op langere termijn, geen beroep op de Abw
meer behoeft te
doen. De betreffende inkomsten zouden, voor zover ze in de
laatste bijstandsmaand gelegen zijn, bij een onverkorte toepassing van de
maandsystematiek worden betrokken bij de vaststelling van de
hoogte van de uitkering; daarvan zou een ontmoedigende werking kunnen
uitgaan, in die zin dat het dan niet loont om in de loop van een
maand betaald werk te aanvaarden. Een tweede situatie betreft de aanvang
van de bijstand: wanneer men in de loop van een maand voor het eerst op
bijstand aangewezen raakt, is het minder billijk om de over de
voorafgaande periode in diezelfde maand ontvangen inkomsten te
betrekken bij de eerste bijstandsuitkering. Hetzelfde geldt bij een
hervatting van de bijstand nadat deze gedurende enige tijd was
onderbroken zonder dat sprake was van een zeer korte onderbreking.
Om te voorkomen dat de in genoemde situaties
optredende onbedoelde effecten van een maandverrekening zich
voordoen, wordt daarop voor deze situaties een uitzondering gemaakt als
aan de belanghebbende voorafgaand aan of volgend op de
bijstandverlening gedurende een periode van ten minste 30 dagen geen
algemene bijstand werd verleend doordat hij zelf in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan voorzag. Alsdan wordt de hoogte van de
bijstand naar evenredigheid van de periode voorafgaand aan of volgend op deze periode vastgesteld en worden uitsluitend de eventuele
inkomsten over dat (eerste dan wel laatste) deel van de maand in
beschouwing genomen. Verder moet een uitzondering op de
maandsystematiek worden gemaakt voor het geval de belanghebbende
gedurende een deel van de maand van het recht op bijstand is uitgesloten.
Ook dan wordt de bijstand vastgesteld naar evenredigheid van de periode
waarin belanghebbende wel recht op bijstand heeft.
In de bestaande situatie worden de
bijstandsnormen vastgesteld als een maandelijkse uitkering die wordt verhoogd met een
vakantietoeslag. Deze splitsing tussen maandelijkse uitkering en de
aanspraak op vakantietoeslag sluit niet aan op het - ook in de vaste
jurisprudentie gevolgde - uitgangspunt dat voor het recht op algemene bijstand
het totale inkomen van de belanghebbende dient te worden vergeleken
met de totale bijstandsnorm. Ook als een inkomen de maandnorm
te boven gaat, kan recht op bijstand bestaan, en wel als over dat
inkomen geen aanspraak op vakantietoeslag bestaat. Andersom kan het
voorkomen dat bij een inkomen dat onder de maandnorm ligt geen recht
op bijstand bestaat, namelijk als de aanspraak op vakantietoeslag
hoger is dan in de bijstand. Op dit punt wordt duidelijkheid bereikt door
de bijstandsnorm uit te drukken als een bedrag waarin de aanspraak op
vakantietoeslag is begrepen. In paragraaf 5.6 wordt ingegaan op het voorstel om de
aanspraak op vakantietoeslag die in deze totale bijstandsnorm is
begrepen vast te stellen op een andere wijze dan thans.
Momenteel kan aanspraak worden gemaakt op de norm voor
een alleenstaande ouder (90% van het nettominimumloon) door rblz.| 47
degene die één of meer tot zijn last komende kinderen
jonger dan 21 jaar heeft. In de Toeslagenwet, de
Ioaw, de Ioaz [Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, red.] en de AOW [Algemene
Ouderdomswet, red.] wordt een leeftijdsgrens van 18 jaar gehanteerd. Achtergrond van dit leeftijdscriterium is dat personen vanaf het
18de jaar over
het algemeen economisch zelfstandig zijn, doordat ze arbeidsinkomsten
hebben, studiefinanciering ontvangen of een eigen uitkering
genieten. Er is geen reden om dit uitgangspunt niet eveneens in de Abw
te
hanteren, zodat op dit punt een betere afstemming van verwante regeling
[lees: op verwante regelgeving, red.] en in het kader van de sociale zekerheid wordt bereikt. Hier wordt
derhalve voorgesteld om ook in de bijstand de norm voor een alleenstaande
ouder toe te passen als er één of meer ten laste komende kinderen
jonger dan 18 jaar zijn waarvoor de betrokken ouder de volledige zorg
heeft.
De Abw dient, als laatste voorziening, mede te kunnen
voorzien in de situatie dat de veronderstelde economische
onafhankelijkheid van het 18-jarige kind zich niet voordoet. Een volledig
zelfstandig recht op bijstand ontstaat immers pas bij het bereiken van de
leeftijd van 21 jaar, wanneer de ouder niet langer onderhoudsplichtig is;
degenen van 18 tot 21 jaar komen, hoewel de ouder nog onderhoudsplichtig
is, in aanmerking voor een eigen bijstandsuitkering mits ze
beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Deze bijstand gaat eerst in na een
wachttijd van een halfjaar vanaf het moment waarop het onderwijs werd
beëindigd of betrokkene zich vestigde in of terugkeerde naar
Nederland. In deze situaties, waarin één of meer kinderen tussen de 18 en
21 jaar niet zelf over voldoende middelen beschikken, kan een toereikende
bestaansvoorziening worden geboden door te bepalen dat het
gezamenlijke inkomen van de alleenstaande ouder en het kind tot 21 jaar zich
ten minste bevindt op het niveau van de bijstandsnorm
voor gehuwden door verlening van een toeslag tot dat niveau (artikel 40 [-]).
Op deze wijze is de essentie van de bestaande Beschikking toeslagen
voormalige eenoudergezinnen (Stb. 1986, 170) in het wetsvoorstel
opgenomen en is daaraan tevens een ruimere werkingssfeer gegeven. Genoemde
beschikking kan daarmee vervallen.
De Commissie Sociale Voorzieningen van de SER
heeft in
zijn slotadvies in hoofdlijnen met deze benadering ingestemd,
gezien de grotere samenhang in het stelsel van sociale zekerheid
en de vermindering van regelgeving die aldus worden bereikt. Ook
stemde de Commissie ermee in dat er geen reden is een aparte overbruggingsuitkering te handhaven voor de situatie waarin er, ondanks
de aanvulling tot het niveau van de gehuwdennorm, een
inkomensachteruitgang optreedt; in dit soort situaties kan eventueel bijzondere bijstand
worden verleend.
Het noodzakelijkheidscriterium van de
Abw komt onder
andere tot uitdrukking in het beginsel van de gezinsbijstand,
waarbij de te verlenen bijstand wordt afgestemd op de gezamenlijke middelen en
behoeften van de gezinsleden. Als één van de gehuwden geen recht op
bijstand heeft, dient aan dit beginsel echter op een specifieke wijze
invulling te worden gegeven. Het zonder meer afstemmen van de bijstand op de
gezamenlijke middelen en behoeften zou in een dergelijk geval immers betekenen
dat ook bijstand wordt verleend aan de echtgenoot die
geen recht op bijstand heeft. Een uitsluiting die slechts één van de
partners betreft, zou dan voor gehuwden feitelijk geen betekenis hebben.
Aangezien deze situaties met enige regelmaat voorkomen, is het gewenst
voor de daarbij te volgen afwijkende handelwijze een duidelijk wettelijk
kader te bieden.
De vaste jurisprudentie geeft hiervoor aanknopingspunten
en wel door voor de rechthebbende echtgenoot de bijstandsnorm
vast
te stellen op die voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder.
Het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot wordt slechts in
beschouwing genomen voor zover dat inkomen de eigen noodzakelijke
bestaanskosten te boven gaat. Deze handelwijze is opgenomen in de
artikelen 33 [32] en 55 [50].
rblz.| 48
In dit wetsvoorstel zijn de voorstellen verwerkt om voor
personen jonger dan 21 jaar en voor schoolverlaters van 21 tot 27
jaar tot een aanpassing van de uitkeringsbedragen over te gaan (Kamerstukken
II 1991-92, 22 163, en Stcrt. 1991, 57). Deze
voorstellen houden allereerst in dat voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar de
bijstandsuitkering wordt afgestemd op de budgetten voor levensonderhoud die
op grond van de Wet
op de studiefinanciering gelden. Voor de
uitwonende schoolverlaters in deze leeftijdscategorie wordt de norm
gesteld op het niveau van een 18-jarige alleenstaande. De bijstandsnorm
voor
een thuisinwonende schoolverlater wordt hiervan afgeleid in dezelfde
verhouding als bij de studiefinanciering geldt tussen het budget voor
uit- en thuiswonenden. Ook voor alleenstaande ouders en gehuwden vindt
een dergelijke doorwerking plaats. Voor gehuwden waarvan één of
elk der echtgenoten een schoolverlater jonger dan 27 jaar is, wordt
een dergelijke aansluiting bij de studiefinanciering bereikt door de
uitkering lager te stellen voor zover voor één of elk der echtgenoten als
alleenstaande een lagere bijstandsnorm zou hebben gegolden dan de helft
van de algemeen gebruikelijke gehuwdennorm.
Voor alleenstaanden jonger dan 21 jaar wordt in de
uitkeringen geen leeftijdsdifferentiatie meer aangebracht. De
uitkeringsniveaus worden gesteld op de bijstandsnormen die voor de
schoolverlaters van 21 tot 27 jaar gelden
Ten slotte worden, in overeenstemming met genoemde
eerdere voorstellen, voor alleenstaanden jonger dan 21 jaar
zonder kinderen nadere voorwaarden verbonden aan de toekenning van de
uitwonendennorm. Voor gehuwden zonder kinderen waarvan één of
elk der echtgenoten jonger dan 21 jaar is, vindt in beginsel
eveneens een dergelijke toetsing plaats. Deze wordt echter gebonden aan de
voorwaarde dat slechts voor één van de echtgenoten een
thuisinwonendennorm wordt toegepast.
5.4.3. Bijzondere bijstand
Afdeling 2 van hoofdstuk IV betreft de bijstand ter
voorziening in bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Of er
aanleiding is tot het verlenen van bijzondere bijstand is in belangrijke
mate afhankelijk van de beoordeling door burgemeester en wethouders.
Beoordeeld zal moeten worden of zich in het individuele
geval zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat
bijzondere bijstand moet worden verleend. Het betreft hier dus bij uitstek
een kwestie van maatwerk. Deze overweging heeft de regering eerder tot
het voorstel gebracht de bijzonderebijstandverlening te decentraliseren, zoals werd
betoogd in paragraaf 4.2.1 en paragraaf
4.4 van deze memorie. In
overeenstemming daarmee is de regelgeving die specifiek de bijzondere
bijstand betreft tot enkele kernbepalingen beperkt, waarbij is aangesloten
bij de reeds genoemde Wet tot decentralisatie van de bijzondere
bijstand (Stb. 1991, 337).
De verlening van bijzondere bijstand vertoont enkele
afwijkende kenmerken in vergelijking tot de algemene bijstand. Zo
is de bijzondere bijstand vaak incidenteel van aard, terwijl bovendien
regelmatig sprake zal zijn van een geldlening, bijvoorbeeld wanneer de
kosten betrekking hebben op duurzame gebruiksgoederen. Een belangrijk
eigen kenmerk van de bijzondere bijstand is bovendien dat ook degenen
die zelfstandig in de algemene bestaanskosten kunnen voorzien,
bijvoorbeeld door middel van een andere uitkering of looninkomsten, ervoor
in aanmerking kunnen komen indien het inkomen onvoldoende draagkracht
biedt om in rblz.| 49
bepaalde noodzakelijke kosten die uit bijzondere
omstandigheden voortvloeien te voorzien. De vaststelling van de draagkracht
geschiedt op jaarbasis. Voor degenen die uitsluitend over een inkomen
op bijstandsniveau beschikken, zal als regel geen draagkracht
aanwezig kunnen worden geacht. Wel zal dan moeten worden beoordeeld of
de betreffende kosten niet uit de bijstandsnorm, die een all-in
karakter heeft, kunnen worden voldaan. Dit blijkt niet alleen uit
artikel 41 [39], maar tevens uit de omschrijving van het begrip bijzondere bijstand
in artikel 6, onderdeel b.
Overigens wordt verwezen naar de toelichting
op de
artikelen 41 tot en met 43 [39-41].
5.4.4. De middelen
Het complementaire karakter van de
Abw brengt mee dat in
dit wetsvoorstel een ruime definitie van het begrip middelen
wordt gehanteerd. Hoewel de bestaande wet niet uitdrukkelijk
definieert wat onder middelen wordt verstaan, wordt ook thans reeds, zoals
mede blijkt uit de jurisprudentie, bij de verlening van bijstand uitgegaan
van een ruim middelenbegrip. Dit uitgangspunt wordt geëxpliciteerd
door in afdeling 3 van hoofdstuk IV te bepalen dat alle vermogens- en
inkomensbestanddelen tot de middelen worden gerekend. Daarbij is, gelet
op het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in
het bestaan, tevens aangegeven dat naast de middelen waarover de
belanghebbende feitelijk de beschikking heeft, mede in aanmerking
dienen te worden genomen de middelen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.
De middelen die door een ander ten behoeve van de
belanghebbende worden ontvangen, dienen ook tot de middelen van de
laatste te worden gerekend; omgekeerd behoren middelen die de
belanghebbende ten behoeve van een ander ontvangt, bij de bijstand aan de
belanghebbende buiten beschouwing te blijven. In lijn met het reeds
gevoerde beleid wordt eveneens bepaald dat een teruggave of vermindering
van loon- of inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen buiten
beschouwing blijft als bijzondere, voor de belastingheffing
aftrekbare kosten daaraan ten grondslag liggen. Het is niet te billijken dat een
bijstandsontvanger feitelijk niet over een dergelijke teruggave of
vermindering zou kunnen beschikken en derhalve niet in staat wordt gesteld die
kosten te maken, terwijl een niet-bijstandsontvanger in dezelfde
financiële omstandigheden wel het profijt van zo'n fiscale tegemoetkoming
heeft.
Een nieuw element is verder dat een door derden
verstrekte eenmalige premie voor het voltooien van een noodzakelijke scholing
of opleiding niet tot de middelen wordt gerekend, voor zover een
bepaald bedrag niet wordt overschreden. Hiermee wordt ruimte geboden voor
het toepassen, bijvoorbeeld door de gemeente of de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
van stimulansen ter bevordering van de deelname aan een
scholing of opleiding die noodzakelijk is voor de
arbeidsinschakeling. Aan het oogmerk van dergelijke stimulerende maatregelen zou
afbreuk worden gedaan indien een verstrekte scholingspremie ten volle
op de bijstand in mindering zou worden gebracht. Voorgesteld wordt een
dergelijke premie, evenals reeds het geval is bij arbeidsinkomsten,
gedeeltelijk vrij te laten. Dit resulteert in een vrijlating van ten
hoogste ƒ2100,-, welk bedrag ongeveer overeenkomt met de maximale vrijlating
van arbeidsinkomsten op basis van de gehuwdennorm over een periode
van negen maanden (een gebruikelijke scholingstermijn). Indien de
premie boven dit bedrag uitgaat, wordt het meerdere als inkomen in
aanmerking genomen.
Middelen worden in aanmerking genomen voor zover ze
netto besteedbaar zijn. Belastingen en andere inhoudingen met
een verplicht rblz.| 50
karakter dienen dus op de middelen in mindering te
worden gebracht. Een aandachtspunt daarbij vormt de eventuele toekomstige
belasting- en premieaanslag en een vermindering of teruggave van
belasting en premies. Momenteel bestaat er op dit punt een
uiteenlopende praktijk. Vanuit de overweging dat het voor de verlening van
bijstand niet van belang mag zijn op welk moment een inkomen wordt
ontvangen, wordt in dit wetsvoorstel uitgegaan van een toerekening van
het inkomen aan de periode waarop het betrekking heeft. Op deze
benadering wordt hieronder verder ingegaan. Als naderhand over een
periode waarover bijstand is ontvangen een aanslag inkomstenbelasting en
premies volksverzekeringen wordt opgelegd, is het vanuit de nettovaststelling van de behoefte aan bijstand consequent om aanvullende bijstand
te verlenen. Door een dergelijke aanslag blijkt immers het inkomen
uiteindelijk netto lager te zijn dan waarvan aanvankelijk was uitgegaan.
Omgekeerd dient een eventuele teruggave van belasting en premies als
inkomen over de betreffende periode te worden aangemerkt, aangezien
hierbij sprake is van een achteraf gebleken hoger netto-inkomen.
Op grond van de bestaande wet is het vaste
jurisprudentie dat geen algemene bijstand wordt verstrekt als de betrokkene ten
minste het nettominimumloon verdient. Gelet op het karakter van het
minimumloon kan de betrokkene dan immers worden geacht in de algemeen
noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Deze algemene lijn wordt ook
gehanteerd als het werkelijk besteedbare inkomen door buitengewone
verwervingskosten onder de bijstandsnorm ligt. Voor veel
bijstandsontvangers zijn de inkomsten die zij, zeker aanvankelijk, kunnen verwerven
niet veel hoger dan de bijstandsuitkering. Als daarvoor buitengewone
verwervingskosten moeten worden gemaakt, kan het uiteindelijk netto
besteedbaar arbeidsinkomen lager zijn dan de voorheen ontvangen bijstand.
Dit kan een financiële belemmering vormen om arbeid te aanvaarden.
Een dergelijke belemmering kan worden weggenomen door ook voor de
beoordeling van het recht op bijstand als zodanig het inkomen in
beschouwing te nemen waarop de eventuele buitengewone verwervingskosten
in mindering zijn gebracht.
In het voorontwerp van wet dat aan de adviesorganen is
voorgelegd, was voorgesteld deze aftrek van buitengewone
verwervingskosten in alle gevallen te laten plaatsvinden. De Commissie Sociale
Voorzieningen van de SER was blijkens haar slotadvies van oordeel dat een
dergelijke regeling alleen voor bijstandsgerechtigden die een baan
aanvaarden, bijdraagt tot het beoogde doel ervan, namelijk de
bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening. Bovendien stelde de
Commissie voor de aftrek van verwervingskosten slechts voor een periode
van twee jaar toe te passen, analoog aan de maximale duur van de
regeling van de gedeeltelijke vrijlating van arbeidsinkomsten. De
regering acht een beperking inderdaad op zijn plaats. De in het
voorontwerp voorgestelde regeling zou als ongewenst neveneffect kunnen hebben dat
de bijstand blijvend een voorziening treft voor de vergoeding van
buitengewone verwervingskosten. Dit kan niet de functie van de bijstand zijn. Over het
algemeen zal overigens slechts gedurende korte tijd
sprake zijn van een netto besteedbaar inkomen dat onder bijstandsniveau
ligt. Veelal treedt na korte tijd een inkomensverbetering op (zodat het
inkomen toereikend wordt om de verwervingskosten op te vangen) of is geen
sprake meer van buitengewone verwervingskosten omdat de betrokkene bijvoorbeeld dichter in de buurt van het werk is gaan wonen. Voor de
duur van de periode waarin deze aftrek kan plaatsvinden, acht de
regering een aansluiting met de verlening van bijstand voor de kosten
van kinderopvang meer voor de hand liggend dan met de duur van de
vrijlatingsperiode. Voor de verlening van bijzondere bijstand voor de
kosten van kinderopvang geldt als uitgangspunt dat deze voor ten
hoogste één jaar kan worden verleend.
rblz.| 51
Zoals in paragraaf
5.4.1 reeds werd opgemerkt, zijn enkele
lacunes in de huidige regelgeving opgevuld. Dit betreft onder meer de
onderscheiding van ontvangen middelen naar inkomen en vermogen. Daarbij
wordt naast de aard van de middelen de periode waarop deze
betrekking hebben als criterium gehanteerd. Een dergelijke transactiesystematiek
wordt momenteel in de uitvoeringspraktijk en in de
jurisprudentie over het algemeen reeds als uitgangspunt gehanteerd. Hierbij
is in dit wetsvoorstel aangesloten. Anderzijds kan bij de
verlening van bijstand slechts rekening worden gehouden met de op dat moment
aanwezige middelen. Concreet betekent één en ander dat wat de
toerekening van middelen aan een bepaalde periode betreft een tweetal
uitgangspunten bepalend is voor de hoogte van de bijstand:
- middelen die pas op een later tijdstip zullen worden
ontvangen, worden voorshands buiten beschouwing gelaten;
- zodra dergelijke middelen worden ontvangen, worden ze
toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.
Het eerstgenoemde uitgangspunt houdt in dat voor de
vaststelling van de hoogte van de maandelijkse uitkering alleen die
middelen in aanmerking worden genomen waarover de alleenstaande of
het gezin op dat moment beschikt of redelijkerwijs kan beschikken;
dit is verwoord in artikel 44 [42]. Het tweede uitgangspunt komt erop neer
dat
zodra middelen worden ontvangen die betrekking hebben op een periode
waarover bijstand is ontvangen, deze bijstand wordt
teruggevorderd. Teruggevorderd wordt dan het deel van de bijstand dat over de
periode waarop de ontvangen middelen betrekking hebben niet zou zijn
verleend als die middelen beschikbaar waren geweest op het moment van
bijstandverlening. Het terug te vorderen bedrag kan uiteraard ook
worden verrekend met nog te ontvangen bijstand.
De in dit wetsvoorstel gehanteerde begrippen
"inkomen"
en "vermogen" sluiten op deze systematiek aan. Indien de
middelen betrekking hebben op een periode waarover beroep op
bijstand wordt gedaan en ook hun aard daartoe aanleiding geeft, worden
deze op grond van artikel 50 [47] als inkomen aangemerkt. Alle andere ontvangen middelen
worden, zoals blijkt uit artikel 56 [51], aangemerkt als
vermogen, uiteraard slechts voor zover zij op grond van paragraaf 1 van
afdeling 3 niet buiten beschouwing blijven. Als tijdens de bijstandsperiode nog
een nabetaling wordt ontvangen van een inkomen dat is verworven vóór
de aanvang van de bijstand, wordt deze derhalve als vermogen aangemerkt
en buiten beschouwing gelaten voor zover daarmee het zogenaamde "bescheiden
vermogen" (artikel 59 [54], eerste en tweede lid) niet wordt
overschreden. Parallel daaraan wordt een inkomen dat na afloop van de
bijstand wordt ontvangen, maar dat wel betrekking heeft op de periode
waarover bijstand is genoten, als inkomen aangemerkt waarop de
terugvorderingsbepalingen betrekking hebben.
Enkele inhoudelijke wijzigingen ten aanzien van het
inkomen betreffen de vrijlatingsbepalingen (artikelen 52 [-] en 53 [-]). In
afwijking van de huidige regelgeving is bepaald dat bij de vrijlating van
arbeidsinkomsten de buitengewone ten laste blijvende noodzakelijke
verwervingskosten niet in mindering worden gebracht. Hiermee wordt voorkomen
dat
uitsluitend vanwege dergelijke verwervingskosten onbedoeld een
vrijlating zou moeten worden toegepast. De voorgestelde handelwijze om
ook voor de beoordeling van het recht op bijstand de
verwervingskosten in aanmerking te nemen, zou daarmee niet aan zijn doel
tegemoet kunnen komen. Het oogmerk daarvan is immers slechts om te
voorkomen dat personen ten opzichte van de bijstandsperiode er in
besteedbaar inkomen op achteruitgaan doordat voor het verwerven van de arbeidsinkomsten kosten moeten worden gemaakt. Bovendien zou dat
een rblz.| 52
ongelijkheid meebrengen voor degene met overigens
dezelfde inkomsten die deze kosten niet behoeft te maken.
De vrijlatingsregeling is mede van toepassing op een
vorstverletregeling en andere werkloosheidsuitkeringen die bij
voortduring van het dienstverband worden verstrekt. Uitdrukkelijk is bepaald
dat de vrijlating niet van toepassing is op arbeidsinkomsten die de
belanghebbende niet of niet tijdig bij burgemeester en wethouders heeft gemeld. Wat betreft
de vrijlating van een particuliere oudedagsvoorziening
voor personen van 65 jaar of ouder is de beperkende voorwaarde komen te
vervallen dat de belanghebbende in een inrichting dient te verblijven.
Doordat tegenwoordig, anders dan in het verleden, als regel buiten de
bijstand om wordt voorzien in de kosten van het verblijf in de
inrichting, heeft de algemene bijstand voor personen in inrichtingen
voornamelijk nog betekenis bij het voorzien in persoonlijke uitgaven voor
noodzakelijke bestaanskosten waarin niet anderszins wordt voorzien.
Het betreft hier personen met een onvolledig AOW-pensioen. Hun situatie
is dus in wezen vergelijkbaar met personen uit dezelfde
leeftijdscategorie die zelfstandig wonen en die eveneens vanwege onvoldoende
opgebouwde AOW-rechten een ontoereikend inkomen hebben. Er is
derhalve voldoende reden om ook laatstgenoemde groep voor de -
bescheiden - vrijlating van het particuliere oudedagspensioen in
aanmerking te laten komen.
Ten aanzien van het vermogen is in
dit wetsvoorstel
nader verduidelijkt op welke wijze de vaststelling plaatsvindt van het bij
de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen. Daarbij is bepaald dat de
schulden waarvoor een daadwerkelijke verplichting tot
terugbetaling bestaat op het vermogen in mindering komen, ongeacht de termijn
waarop de terugbetaling dient plaats te vinden. Momenteel wordt
wel de gedragslijn gevolgd dat uitsluitend die schulden in aanmerking
worden genomen waarvoor men op het moment van de aanvraag reeds tot
terugbetaling verplicht is. In de transactiesystematiek die in dit
wetsvoorstel wordt voorgestaan ten aanzien van de beoordeling van de
middelen zou een dergelijke handelwijze minder consequent zijn.
Tijdens de bijstandsperiode ontvangen vermogen wordt
vrijgelaten voor zover bij de aanvang van de bijstand het aanwezige
vermogen onder de grens van het "bescheiden vermogen" lag. De
voorgestelde beoordeling van middelen op transactiebasis zou zonder
betekenis zijn als de vrijlating van het "bescheiden vermogen" geen
betrekking zou hebben op tijdens de bijstandsperiode ontvangen middelen die
niet als inkomen, maar als vermogen worden aangemerkt; het uitgangspunt is
immers dat het tijdstip waarop middelen feitelijk worden ontvangen
niet van invloed dient te zijn op het recht op bijstand. Daarom wordt
voorgesteld te handelen alsof deze middelen al aanwezig waren bij de
aanvang van de bijstand. Voor zover het ontvangen vermogensbestanddeel
op dat moment zou zijn vrijgelaten omdat het samen met het
overige op dat tijdstip aanwezige vermogen de grens van het "bescheiden
vermogen" niet zou hebben overschreden, wordt het eveneens
vrijgelaten als het tijdens de bijstandsperiode wordt ontvangen. Op deze
wijze wordt ten aanzien van alle als vermogen aangemerkte middelen
eenzelfde handelwijze gehanteerd, ongeacht het tijdstip waarop deze
worden ontvangen. Het bij de aanvraag beschikbare vermogen, het tijdens de
bijstandsperiode ontvangen vermogen, alsmede het vermogen waarop
bij de aanvraag wel een aanspraak bestond, maar waarover
feitelijk nog niet kon worden beschikt, worden alle beoordeeld als waren
zij reeds aanwezig ten tijde van de bijstandsaanvraag.
Ten aanzien van spaargelden die tijdens de
bijstandsperiode worden ontvangen, wordt in de praktijk verschillend gehandeld.
Derhalve is uitdrukkelijk bepaald dat spaargelden welke in die
periode worden rblz.| 53
opgebouwd niet als vermogen in aanmerking worden
genomen. Het wordt niet billijk geacht wanneer door spaarzaamheid de grens van
het "bescheiden vermogen" wordt overschreden, de
bijstandverlening zou moeten worden opgeschort. Uiteraard kunnen
spaargelden voor zover deze zouden blijken te zijn opgebouwd uit
verzwegen inkomsten niet buiten beschouwing blijven.
Aangaande de vrijlating van het
"bescheiden vermogen"
wordt in het kader van dit wetsvoorstel slechts op een enkel
onderdeel een wijziging voorgesteld. In de adviesaanvraag betreffende de
herinrichting van de ABW was de gedachte opgenomen om de algemene
vrijlatingsbedragen tevens te laten gelden voor personen van 65 jaar of ouder in een inrichting, al dan niet met een vrijgelaten particuliere
oudedagsvoorziening. In het vervolgadvies van 16 februari 1990
stemde de Commissie Sociale Voorzieningen van de SER
met dit voorstel in.
Het komt de regering thans voor dat een algemene verruiming van de
vermogensvrijlating voor deze categorie voorbijgaat aan de vrijlating
van de oudedagsvoorziening. De reden voor de lagere vermogensvrijlating
(voor gehuwden momenteel ƒ10 400,- in plaats van ƒ17 200,-) is er immers in
gelegen dat de vrijgelaten oudedagsvoorziening de
betrokkene al tot een wat ruimer uitgavenniveau in staat stelt. De lagere
vermogensvrijlating geldt momenteel echter ook voor in een inrichting
verblijvende personen van 65 jaar of ouder die niet in het genot zijn van een
particuliere oudedagsvoorziening en die derhalve niet van deze
inkomensvrijlating profiteren. De regering acht het dan ook, gelet op de
achtergrond van de lagere vermogensvrijlating, consequent om de algemene
vermogensvrijlating ook te laten gelden voor degenen voor wie geen
oudedagsvoorziening wordt vrijgelaten. Gelet op het laten vervallen
van de voorwaarde voor de vrijlating van de oudedagsvoorziening dat de
betrokkene in een inrichting verblijft, geldt deze aanpassing zowel voor
de personen die in een inrichting verblijven als voor degenen die
zelfstandig wonen.
In aansluiting bij de wet tot decentralisatie van de
bijzondere bijstandverlening [lees: Wet tot decentralisatie van de
bijzondere bijstand, red.] wordt ten aanzien van de bijzondere bijstand
hetzelfde middelenbegrip gehanteerd als bij de verlening van algemene
bijstand. Voor de vermogenstoets betekent dit dat de extra vrijlating van
het in de eigen woning gebonden vermogen mede van toepassing is bij de
verlening van bijzondere bijstand.
Een laatste wijziging in dit verband ten opzichte van de
huidige regelgeving betreft de vaststelling van de eventuele
aanspraak op vakantietoeslag die de belanghebbende over zijn inkomen zal
ontvangen. Voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de
bijstand is het totale inkomen van de belanghebbende van belang, dat wil zeggen
zijn maandelijks ontvangen inkomen én de daarbij behorende
aanspraak op vakantietoeslag.
Uit contact met
gemeenten blijkt hierbij een belangrijk
uitvoeringsknelpunt te zijn dat de nettoaanspraak op
vakantietoeslag in de regel nog niet bekend is op het moment dat het recht op of de
hoogte van de bijstand door de gemeente moet worden vastgesteld.
Duidelijkheid daarover ontstaat pas op het moment van uitbetaling van
het vakantiegeld. Het recht op en de hoogte van de bijstand kan
feitelijk pas op dat tijdstip worden vastgesteld. Het kan daarbij
voorkomen dat het vakantiegeld zodanig hoog is dat blijkt dat geen recht
op bijstand bestond. Deze dient dan te worden teruggevorderd. Een
ander probleem betreft de situatie waarin de belanghebbende niet
gedurende de gehele periode waarop het uitbetaalde vakantiegeld betrekking
heeft bijstand heeft ontvangen. Het ontvangen vakantiegeld dient in zo'n situatie te
worden toegerekend aan de periode waarover bijstand is
verleend. Bij wisselende inkomsten - en derhalve wisselende aanspraken
op vakantiegeld - kan zo'n toerekening slechts bij benadering
plaatsvinden. De rblz.| 54
maandelijkse aanspraken worden immers als een brutobedrag opgebouwd, terwijl slechts van de gecumuleerde
aanspraken het nettobedrag bekend is.
Deze knelpunten kunnen worden opgelost door het te
ontvangen nettovakantiegeld vast te stellen aan de hand van het
ontvangen maandinkomen of van de over die maand bruto opgebouwde
aanspraak. Als de gemeente het nettobedrag van de in de betreffende maand
opgebouwde aanspraak kan vaststellen, kan het recht op en de hoogte
van de bijstand over die maand definitief worden vastgesteld. Het op
deze wijze van maand tot maand vaststellen van de nettoaanspraken
voorkomt tevens de problemen die inherent zijn aan de toerekening van
het ontvangen vakantiegeld als deze periode niet samenvalt met de
periode waarover bijstand is ontvangen.
Afhankelijk van de gegevens die de gemeente bekend zijn
over het inkomen kan de vaststelling van het te ontvangen nettovakantiegeld hetzij direct worden afgeleid van de
brutoaanspraak,
hetzij worden vastgesteld aan de hand van het ontvangen inkomen.
Indien alleen het netto-inkomen bekend is, dient daartoe eerst het bruto-inkomen te worden vastgesteld. Gegeven de hoogte van de inkomens
die voor de bijstandverlening relevant zijn, kan dit doorgaans op
eenvoudige wijze plaatsvinden. Dergelijke "berekende" nettoaanspraken
zijn een goede benadering van het feitelijk te ontvangen vakantiegeld.
Van verschillen behoeft slechts sprake te zijn voor zover de opgebouwde
aanspraak niet in hetzelfde jaar tot uitbetaling komt. Bij de
berekening dient noodzakelijkerwijs te worden uitgegaan van de op dat moment
geldende belasting- en premiepercentages. Deze kunnen afwijken van de
percentages die gelden op het moment dat de aanspraak feitelijk tot
uitbetaling komt. Bij een gelijkblijvende systematiek van de belasting en
premieheffing blijven deze verschillen echter beperkt tot enkele guldens op
jaarbasis.
De regering acht dergelijke afwijkingen verantwoord, te
meer omdat de onnauwkeurigheden waartoe het huidige systeem leidt,
in voorkomende gevallen aanzienlijk groter kunnen zijn. Bovendien
ontstaat voor de bijstandsontvanger op deze wijze grotere
duidelijkheid over het totaal te ontvangen bedrag aan bijstand, terwijl eventuele
terugvordering van de reeds uitbetaalde maandelijkse uitkeringen niet meer
aan de orde is.
5.4.5. Aanpassing van bedragen
Ten opzichte van de bestaande regelgeving zijn de
indexeringsbepalingen aanzienlijk verduidelijkt. De explicitering die
daarbij plaatsvindt, draagt bij aan de rechtszekerheid. De bestaande, in
artikel 19 van het Bln opgenomen bepalingen dragen een naar de huidige
maatstaven te globaal karakter. Er wordt daarin uitsluitend aangegeven
welke maatstaven - het nettominimumloon, het prijsindexcijfer
en dergelijke - worden gehanteerd bij de aanpassing van de uitkeringsbedragen, maar
niet in welke mate de ontwikkeling van deze maatstaven
in die bedragen doorwerkt. Evenmin is thans vastgelegd op welk moment aanpassing
dient plaats te vinden. Alleen aangaande het normbedrag
voor een echtpaar is de aanpassing momenteel ondubbelzinnig
vastgelegd, en wel door de gelijkstelling daarvan aan het nettominimumloon
in artikel 1 van de bestaande ABW.
Het globale karakter van de indexeringsbepalingen in het
Bln is niet in overeenstemming met de nauwkeurigheid waarmee de
ontwikkeling van het nettominimumloon, zowel naar hoogte als tijdstip
van aanpassing, door de bijstandsnormen wordt gevolgd. Dit geldt
evenzeer voor de ontwikkeling van andere relevante factoren, zoals
bijvoorbeeld de individuele huursubsidie.
In afdeling 4 van hoofdstuk IV is de feitelijke praktijk
bij de aanpassing van bedragen zoveel mogelijk geëxpliciteerd. Uit deze
afdeling blijkt dat rblz.| 55
het geheel van aanpassingsmechanismen in het kader van
de Abw, in vergelijking tot andere inkomensvoorzieningen, complex
is. Dit heeft verschillende oorzaken. Zo is specifiek voor de Abw dat
niet alleen de ontwikkeling van het
minimumloon en het minimumjeugdloon
moet worden gevolgd, maar dat ook de ontwikkeling van de huursubsidie, de
studiefinanciering en het prijsindexcijfer van belang
zijn voor de bijstandsbedragen. In sommige gevallen kan het daarbij
om een combinatie van factoren gaan, waarbij juist de onderlinge
ontwikkeling van belang is voor het relevante bijstandsbedrag.
De uitbreiding van regelgeving waartoe de explicitering
van de indexeringsbepalingen leidt, is niet van belang voor de
uitvoeringspraktijk: deze bepalingen binden slechts de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
5.5. Het geldend maken van het recht op bijstand
In hoofdstuk II van dit
voorstel van wet is bepaald door
welke personen en in welke omstandigheden aanspraak op bijstand kan
worden gemaakt. Alvorens in een individueel geval het recht op bijstand
geldend kan worden gemaakt, dienen door de belanghebbende bepaalde
stappen te worden gezet: hij dient zich met een schriftelijke
aanvraag tot het verlenen van bijstand te richten tot burgemeester en
wethouders van zijn woonplaats en desgevraagd of eigener beweging de
gegevens te verstrekken waarover dit college dient te beschikken
teneinde een besluit te kunnen nemen.
Aan de hand van de aanvraag en de gegevens stellen
burgemeester en wethouders het recht op bijstand vast. Ambtshalve
vaststelling is eveneens mogelijk, doch hiertoe is slechts aanleiding in
bijzondere situaties indien een schriftelijke aanvraag niet
mogelijk is.
De gelijke behandeling van mannen en vrouwen dient ook
bij het aanvragen van bijstand tot uitdrukking te komen. Bepaald
is dat de bijstand door beide echtgenoten gezamenlijk wordt
aangevraagd; indien één der echtgenoten aanvraagt, dient, blijkens een
schriftelijke verklaring, duidelijk te zijn dat de ander daarmee
instemt. Op deze wijze wordt ook ten aanzien van het geldend maken van het
recht op bijstand tot uitdrukking gebracht dat het recht op gezinsbijstand
een gezamenlijk recht van beide echtgenoten is. Het kan evenwel
voorkomen dat één van de echtgenoten weigert met de aanvraag om bijstand in te
stemmen. Ook dan kan ambtshalve bijstandverlening geboden zijn,
indien het belang van de overige gezinsleden in het gedrang komt.
Uit het voorgaande volgt dat de toekenning, wijziging of
beëindiging van gezinsbijstand geschiedt bij één besluit en dat
mededelingen van burgemeester en wethouders aan de aanvrager zich tot
beide echtgenoten dienen te richten. Praktisch gezien betekent dit
dat het besluit op beider naam wordt gesteld. Dit is ook een logisch
uitvloeisel van het feit dat beide echtgenoten als belanghebbende bevoegd zijn
een bezwaarschrift tegen het besluit in te dienen.
In de bestaande ABW zijn de domiciliebepalingen
opgenomen onder paragraaf 2 van hoofdstuk II en omvatten zij de
artikelen 14 tot en met 21. In het algemeen geldt daar de regel dat als
gemeente van bijstand is aangewezen de gemeente waar de persoon of het gezin zich
bevindt. In de Ioaw en de Ioaz
is een eenvoudiger domicilieregeling
opgenomen, waarbij wordt uitgegaan van het begrip woonplaats. Beide
wetten bepalen dat het recht op uitkering bestaat tegenover
burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende
woonplaats heeft. In het kader van de herinrichting van de ABW is
bewust gestreefd naar het verminderen van het aantal domiciliebepalingen.
Dit is bereikt rblz.| 56
door thans uitdrukkelijk te verwijzen naar het
woonplaatsbegrip als bedoeld in titel 3 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek. Hierdoor kan
een afzonderlijke regeling voor enkele bijzondere
situaties (tijdelijk verblijf buiten de woonplaats, het ontbreken van een
vaste woonplaats, verblijf in een inrichting) achterwege blijven. Het
aantal domiciliebepalingen wordt aldus meer dan gehalveerd.
Titel 3 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt
dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt te
zijner woonstede en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn
werkelijk verblijf. Hierdoor is het niet langer nodig afzonderlijke regels
op te nemen voor gevallen waarin een vaste woonplaats, dus een woonstede,
ontbreekt. Dit heeft als bijkomend voordeel dat niet langer het
uiteenlopende begrippenkader "woonplaats" en "vaste
woonplaats", waarmee
hetzelfde wordt bedoeld, behoeft te worden gehanteerd, zoals in de Ioaw en
Ioaz nog wel is geschied.
De verwijzing naar het woonplaatsbegrip uit het Burgerlijk Wetboek
brengt een wijziging mee met betrekking tot de
bijstandverlening aan personen in inrichtingen. Thans geldt nog dat op grond
van artikel 18, eerste lid, van de ABW bijstand wordt verleend door
burgemeester en wethouders van de gemeente waar de persoon laatstelijk
vóór het verblijf in de inrichting thuisbehoorde. Artikel 18
is destijds
opgenomen om te voorkomen dat de gemeente waar de inrichting is
gevestigd, wordt belast met het verlenen van bijstand aan alle personen die,
vaak vanuit diverse andere gemeenten, in die inrichting worden opgenomen.
Voor een groot deel is het belang aan deze bepaling komen te ontvallen
door de sedert 1 januari 1985 ingrijpend gewijzigde financiering van de
bejaardenoorden. Bewoners van bejaardenoorden betalen voor hun
verblijf in het bejaardenoord een naar draagkracht vastgestelde eigen
bijdrage; bijstandverlening voor de verblijfkosten is sindsdien
niet langer aan de orde. Er kan nog wel aanleiding zijn voor het
verstrekken van algemene bijstand voor persoonlijke uitgaven, alsmede voor het
verlenen van bijzondere bijstand. Het gaat daarbij om aanzienlijk
geringere bedragen dan vóór bedoelde wijziging van de Wet op de
bejaardenoorden.
Dat deze bijstandverlening nu overeenkomstig het
voorstel in principe moet plaatsvinden door de gemeente waar de inrichting is
gevestigd, is ook uit praktisch oogpunt wenselijk. Op basis van de
bestaande domiciliebepalingen kan het voorkomen dat een gemeente met de
bijstandverlening blijft belast ten aanzien van een persoon die
zich reeds jaren niet meer in die gemeente bevindt en daar ook geen enkele
binding meer mee heeft. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit de verkoop
van de woning, omdat men er definitief voor heeft gekozen zijn intrek
te nemen in het bejaardenoord. De thans voorgestelde regeling merkt de
gemeente waar de inrichting is gevestigd aan als woonplaats. Kortom,
wanneer het verblijf in een inrichting geen vooropgezet tijdelijk
karakter heeft, gaat de bijstandverlening over van de vertrekgemeente naar de
gemeente waar de inrichting is gevestigd. Onder de bestaande
domiciliebepalingen zou de vertrekgemeente altijd voor die persoon de aangewezene blijven om
de bijstand te verlenen, ook al bevindt deze zich al tal
van jaren in een inrichting in een ander deel van het land.
De Commissie Sociale Voorzieningen van de SER
heeft in
haar slotadvies met de zojuist beschreven regeling van het
domicilie ingestemd. De Commissie vestigt de aandacht op de
financiële gevolgen voor gemeenten vanwege de overgang van de bijstandstaak
naar de gemeente waar de inrichting is gevestigd. Financieel
nadeel zou er voor een gemeente kunnen ontstaan als in de nieuwe situatie
het aantal extra personen waarvoor die gemeente bijstand moet gaan
verlenen (i.c. personen afkomstig uit een andere gemeente die
verblijven in een inrichting in de onderhavige gemeente) het aantal
personen dat afvalt (i.c. personen uit die gemeente die in een inrichting in
een andere rblz.|57
gemeente verblijven) duidelijk overtreft. Aangezien het
aantal personen dat bijstand ontvangt en in een inrichting verblijft die
buiten de eigen gemeente is gelegen niet omvangrijk is en het hierbij
bovendien per geval om relatief geringe bedragen gaat, zullen zich
naar verwachting geen aanzienlijke financiële effecten voordoen.
In dit voorstel van wet
keert de mogelijkheid om bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen dat de bijstand aan personen die tot een daarbij aangewezen groep behoren en in een daarbij
aangegeven gebied verblijven, wordt verleend door burgemeester en
wethouders van één of meer bij die maatregel aan te wijzen
gemeenten, niet meer terug.
Op dit artikel berust uitsluitend het Aanwijzingsbesluit
bijstandverlening ondernemers in de binnenvaart (Koninklijk besluit van 31 augustus 1976,
Stb. 1976, 485). Bijstandverlening aan deze groep doet zich slechts in
beperkte mate voor: jaarlijks betreft het in alle aangewezen gemeenten
tezamen omstreeks honderd gevallen. Gezien deze geringe omvang
is er onvoldoende reden de betreffende bijstandverlening nog langer
via een aanwijzingsbesluit in bepaalde gemeenten te
concentreren. De voorgestelde algemene domicilieregeling kan zonder bezwaar ook
voor deze categorie gaan gelden. Anders dan de Commissie Sociale
Voorzieningen van de SER ziet de regering in de benodigde specifieke
deskundigheid geen aanleiding het aanwijzingsbesluit te handhaven. Uit
nadere gegevens over de uitvoeringspraktijk is gebleken dat
aangewezen gemeenten thans reeds (een deel van) de benodigde
deskundigheid "inhuren" door inschakeling van de Stichting
Administratie, beheer, rechtshulp en incasso (Abri), waarin de organisaties van
ondernemers in de binnenvaart participeren. Deze mogelijkheid staat in
voorkomende gevallen voor elke gemeente open.
In het wetsvoorstel is uitdrukkelijk een termijn
opgenomen waarbinnen burgemeester en wethouders een besluit dienen te nemen
op de aanvraag. Dit verschaft niet alleen duidelijkheid aan de
aanvrager, maar is tevens van belang in verband met de
rechtsbescherming. Als regel geldt voor de meeste bijstandsaanvragen dat
burgemeester
en wethouders binnen vier weken dienen te beslissen.
Verlenging van deze termijn is mogelijk als het recht op bijstand niet kan
worden vastgesteld op grond van het ontbreken van voldoende gegevens. Voor
zelfstandigen geldt als regel een beslistermijn van dertien weken.
Deze ruimere termijn is noodzakelijk vanwege de noodzakelijke beoordeling van
de levensvatbaarheid van het bedrijf of zelfstandig beroep. Indien
burgemeester en wethouders niet in staat zijn binnen die termijn te
beslissen op de aanvraag om als zelfstandige bijstand te ontvangen, kan
de termijn worden verlengd tot ten hoogste 26 weken.
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten de aanvraag
niet te behandelen wanneer de aanvrager onvoldoende gegevens
heeft verstrekt; zij dienen de aanvrager dan in de gelegenheid
te stellen aanvullende gegevens te verstrekken. De termijn
waarbinnen het besluit dient te zijn genomen, wordt opgeschort vanaf het moment
waarop burgemeester en wethouders de aanvrager om een
dergelijke aanvulling hebben verzocht.
De al dan niet verlengde beslistermijn is tevens van
belang in verband met de in artikel 80 [74] aan burgemeester en wethouders
toegekende bevoegdheid om zonder voorafgaand onderzoek naar het
recht op bijstand, gedurende korte tijd zo nodig een voorschot te
verlenen. Deze bevoegdheid, die in de bestaande wet niet gegeven is, is
zoveel mogelijk afgestemd op de van toepassing zijnde beslistermijn. In
de uitvoeringspraktijk blijkt aan een voorschotmogelijkheid behoefte
te bestaan. Hierbij speelt het karakter van de ABW als laatste voorziening
waarop een beroep kan worden gedaan mede een rol. Er kunnen zich
situaties rblz.| 58
voordoen van acute financiële nood waarin het niet
verantwoord te achten is dat wordt gewacht tot het moment waarop het
onderzoek is afgerond. Verstrekte voorschotten kunnen, voor zover
deze algemene bijstand betreffen, door de
gemeenten bij het Rijk
worden gedeclareerd.
Uiteraard dient zoveel mogelijk te zijn verzekerd dat
slechts bijstand wordt verleend aan degenen die verkeren in de
omstandigheden waarop de wet ziet. Om het recht op bijstand en de hoogte
daarvan te kunnen vaststellen, dienen burgemeester en wethouders dan ook
over de benodigde gegevens te beschikken. Op de persoon ten
behoeve van wie een bijstandsuitkering is gevraagd of wordt verleend,
dient derhalve de verplichting te rusten tot het verschaffen van de
relevante inlichtingen die voor de verlening of voortzetting van de verleende
bijstand noodzakelijk zijn. Een belangrijk middel om kennis te nemen
van (wijzigingen in) de omstandigheden van de belanghebbende is het
maandelijks door hem in te vullen inlichtingenformulier. Het gebruik daarvan
is in dit wetsvoorstel verplicht gesteld, zowel voor de
belanghebbende als voor burgemeester en wethouders. Gelet op het belang dat uit
een oogpunt van handhavingsbeleid aan een consequente toepassing van
het inlichtingenformulier toekomt, is in het wetsvoorstel bepaald
dat het recht op bijstand wordt opgeschort indien de belanghebbende het
formulier niet, niet tijdig of onvolledig inlevert. Dit is overigens een
handelwijze die in diverse
gemeenten reeds gangbaar is. De opschorting kan
ten hoogste acht weken bedragen. Wordt het verzuim binnen die
periode hersteld, dan kan een nabetaling plaatsvinden; blijft de
belanghebbende echter na afloop van die termijn in verzuim, dan dient de bijstand
te worden beëindigd.
Aangezien het onderzoek en het heronderzoek in belang
niet voor elkaar onderdoen, is naast de onderzoeksverplichting
tevens in de wet opgenomen dat burgemeester en wethouders verplicht zijn
heronderzoek te verrichten. Het doel van deze hercontrole is
handhaving van de kwaliteit en de legitimiteit van de bijstandverlening.
Vooral ook gezien het feit dat de verlening van bijstand zich niet zelden
over een ruime periode uitstrekt, is het noodzakelijk dat de relevante omstandigheden
regelmatig opnieuw aan een onderzoek worden onderworpen.
Alleen op die wijze kan, ook in de tijd gezien, de bijstand worden
afgestemd op optredende veranderingen in de omstandigheden van de
belanghebbenden.
5.6. Betaling, terugvordering en verhaal
De betaling van de bijstand is het derde hoofdmoment in
het uitkeringsproces. Voordat deze betaling aan de orde kan zijn,
dient eerst het recht op bijstand te zijn vastgesteld en door de
belanghebbende geldend te zijn gemaakt.
Ook bij de betaling van de bijstand speelt het aspect
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen een rol. In dit
wetsvoorstel is bepaald dat de algemene bijstand aan ieder van de
echtgenoten voor de helft wordt uitbetaald; deze gesplitste betaling vormt
het complement van de in artikel 13, derde lid, geregelde
gelijkberechtiging in de aanspraak op de gezinsbijstand. Indien de echtgenoten
daar gezamenlijk om verzoeken, wordt de bijstand in zijn geheel
uitbetaald aan één van hen. Deze regeling wijkt in zoverre af van de bestaande
bepaling in artikel 5, vierde lid, dat thans niet langer het
uitgangspunt is dat gesplitste uitbetaling slechts plaatsvindt indien de
echtgenoten of één van hen daartoe een verzoek hebben ingediend.
Gesplitste uitbetaling dient de regel te zijn, teneinde een zo zuiver mogelijke
aansluiting te bereiken bij het uitgangspunt dat de gezinsbijstand de
echtgenoten gezamenlijk toekomt. Dit impliceert evenwel niet dat
voor de echtgenoten rblz.| 59
een strikt individueel uitkeringsrecht bestaat.
Het uitkeringsrecht wordt aan de hand van de gezamenlijke behoeften en
middelen als geheel vastgesteld, waarbij beide echtgenoten een
gelijke aanspraak op de gezinsbijstand kunnen doen gelden. Dit betekent dat
de toekenning, wijziging of beëindiging van zodanige bijstand bij
één besluit geschiedt.
Een nieuw element is de regel dat burgemeester en
wethouders de algemene bijstand maandelijks aan het einde van de
kalendermaand betalen. Momenteel worden in de
gemeenten verschillende
betalingssystemen gehanteerd. Het betreft hier verschillen die niet
voortkomen uit de omstandigheden van de bijstandsgerechtigden, doch die
het resultaat zijn van de systeemkeuze die door de afzonderlijke
gemeente is gemaakt. In de praktijk blijkt dat dergelijke systeemkeuzes tot
verschillen in de uitvoeringspraktijk leiden die soms rechtstreeks
gevolgen hebben voor de bijstandsgerechtigden. Zo leidt een systeem van
voorafbetaling tot een geheel andere wijze van verrekening van bijverdiensten
dan een systeem van achterafbetaling; hetzelfde geldt wanneer een
gemeente kiest voor weekbetaling in plaats van betaling op maandbasis. De
betaalwijze hangt tevens samen met de wijze waarop bij de eerste
bijstandverlening de bijstandbehoevendheid wordt vastgesteld. Bij een systeem
van vooruitbetaling wordt de eerste uitkering verricht na afloop
van de periode waarvoor het aan de bijstand voorafgaande inkomen kan
worden geacht te zijn bestemd. Als voorafgaand aan de bijstand een
inkomen per maand werd betaald, wordt de eerste bijstandsuitkering één maand na de uitbetaling van dat inkomen verstrekt. De bijstand
heeft dan betrekking op de daaropvolgende maand. Aan deze
benadering ligt de visie ten grondslag dat een inkomen bestemd is voor de
uitgaven van de daaropvolgende periode. Eventuele inkomsten worden dan
ook betrokken bij de vaststelling van de bijstandsuitkering
voor de daaropvolgende periode.
Uit deze voorbeelden blijkt dat, ook al komt het
uiteindelijke resultaat op hetzelfde neer, het betalingssysteem waarvoor een
bepaalde gemeente heeft gekozen op de korte termijn voor een
individuele bijstandsgerechtigde tot afwijkende uitkomsten kan
leiden ten opzichte van een soortgelijk geval in een andere gemeente, die
een ander betalingssysteem hanteert. Uit een oogpunt van gelijke
behandeling van gelijke gevallen verdient het de voorkeur in de nieuwe
Abw een stelregel op te nemen voor de betaling van de algemene bijstand.
Daartoe wordt in dit voorstel van wet uitgegaan van maandelijkse
betaling aan het einde van de kalendermaand.
In toenemende mate gaan gemeenten reeds eigener beweging
over op een dergelijk systeem van achterafbetaling per maand.
Het voordeel van een dergelijk betalingssysteem is onder andere dat
eventuele inkomsten kunnen worden verrekend met de bijstandsuitkering over
dezelfde periode. Bij beëindiging van de bijstand omdat de
betrokkene weer over voldoende middelen beschikt, wordt de gemeente dan
ook niet geconfronteerd met de noodzaak van terugvordering van de
uitkering. Deze handelwijze is in overeenstemming met de benadering
die in dit wetsvoorstel is gekozen om de inkomsten op
transactiebasis - dat wil zeggen naar de periode waarop deze betrekking hebben -
in beschouwing te nemen. Waar deze middelen ontoereikend
zijn, vult de bijstand deze aan tot het sociaal
minimum. Of van ontoereikende
middelen sprake is, kan vaak slechts aan het einde van
de maand worden vastgesteld, gelet op de algemeen gebruikelijke wijze
van betalen aan het einde van de maand van loon en andere uitkeringen of
inkomsten die bij de bijstandverlening in aanmerking dienen te worden
genomen. Een systeem van achterafbetaling sluit het beste bij dit
gegeven aan.
rblz.| 60
Waar een keuze voor een - momenteel ontbrekende -
regeling op dit punt geboden is met het oog op de in dit wetsvoorstel
consequent gehanteerde verrekeningssystematiek op transactiebasis,
voorkomt een landelijk gelijke betalingswijze tevens de problemen die
nu, zowel voor de belanghebbenden zelf als voor de gemeente, ontstaan
in geval van verhuizing van de bijstandsontvanger naar een gemeente
die een andere betalingsmethode hanteert. Als de "oude" gemeente een systeem van
vooruitbetaling volgde en de "nieuwe" een van
achterafbetaling, is er een periode van twee maanden gelegen tussen de betaling
van twee uitkeringen. De daaruit voor de belanghebbende
voortvloeiende financiële problemen kunnen slechts worden opgelost als de
"nieuwe" gemeente een voorschot verstrekt ter overbrugging van de
periode gelegen tussen het voor de bijstandsontvanger voorheen
gebruikelijke en het nieuwe betaaltijdstip. Omdat dit voorschot op
dezelfde periode betrekking heeft als de eerstvolgende uitkering en
derhalve voor eenzelfde periode tweemaal een uitkering zou worden
verstrekt, dient deze ten laste van toekomstige uitkeringen te worden
terugbetaald. Hoewel over de gehele periode in totaal de hoogte van de
uitkering correct is vastgesteld en uitbetaald, heeft dit tot gevolg dat de belanghebbende gedurende een
van de hoogte van het
noodzakelijke voorschot afhankelijke kortere of langere periode een
uitkering onder de toepasselijke bijstandsnorm
ontvangt. Bij verrekening
van de inkomsten kan het zich in zo'n situatie voordoen dat een
inkomen in het geheel niet wordt verrekend, dan wel tweemaal op de
uitkering in mindering wordt gebracht. Dergelijke problemen worden
voorkomen door landelijk dezelfde betalingssystematiek te volgen.
Het maandelijkse betalingsritme kan om verschillende
redenen voor individuele gevallen niet wenselijk zijn. De wet dient
dan ook de mogelijkheid open te laten om de algemene bijstand over
een kortere of langere periode te betalen indien dit gelet op de
omstandigheden van de betrokken bijstandsgerechtigde wenselijk is.
De Commissie Sociale Voorzieningen van de SER
heeft in
haar slotadvies met de hier voorgestelde uniformering van de
betaalwijze ingestemd. De Commissie wijst erop dat in sommige
gevallen personen tussen twee betaaldata een beroep op bijstand doen,
bijvoorbeeld in een situatie van verlating, zodat de periode tot de eerstvolgende
betaling
moet worden overbrugd door middel van een voorschot dat
later moet worden terugbetaald. Anders dan de Commissie is de
regering van mening dat dit laatste geen knelpunt vormt. Immers,
wanneer, zoals geschetst, in deze situatie ter overbrugging een
voorschot wordt verleend, wordt bereikt dat het de belanghebbende niet
aan liquide middelen ontbreekt, terwijl anderzijds door de
verrekening of terugvordering van het voorschot op een later tijdstip wordt
bereikt dat in totaal niet méér bijstand wordt verleend dan waarop recht
bestaat.
Een deel van de bijstandsuitkering wordt als
vakantiegeld eenmaal per jaar - in juni of bij eerdere beëindiging van de
bijstandverlening - uitbetaald. Momenteel wordt per uitkeringstype de te
reserveren vakantietoeslag als een vast bedrag gespecificeerd. Ingeval de
belanghebbende een inkomen heeft waarover eveneens aanspraak op
vakantietoeslag bestaat, wordt dat vakantiegeld in mindering gebracht op
de over de bijstandsuitkering uit te betalen vakantietoeslag. Deze
handelwijze brengt met zich dat zowel aan de kant van het inkomen als aan
de kant van de bijstand een splitsing moet worden aangebracht tussen
het maandbedrag en de aanspraak op vakantietoeslag. Voor zover
het vakantiegeld dat over het inkomen wordt ontvangen meer bedraagt dan
het vakantiegeld dat in de bijstandsnorm begrepen is, dient dat alsnog in
mindering te worden gebracht op de maandelijks
uitbetaalde bijstand. Deze systematiek is administratief bewerkelijk.
Een aanmerkelijke vereenvoudiging kan worden bereikt
door een voor rblz.| 61
alle uitkeringscategorieën gelijk aandeel van de
feitelijke totale bijstandsuitkering als vakantiegeld te reserveren. Het
hiervóór aan de orde gestelde voorstel om de aanspraak op
vakantietoeslag over het inkomen reeds vast te stellen op het moment dat
die
aanspraak wordt opgebouwd, stelt de gemeente in staat deze totale
bijstandsuitkering te berekenen. In plaats van de huidige splitsing van de
bijstandsnorm tussen het maand- en het vakantiegeldgedeelte en de
gescheiden verrekening hiervan met de daarmee overeenkomende componenten
in het inkomen, behoeft de gemeente dan nog slechts van die
totale uitkering een zeker percentage als vakantiegeld te reserveren.
Voor deze systematiek, die in het voorontwerp van wet nog niet was
opgenomen, is mede op basis van signalen uit de uitvoeringspraktijk
gekozen.
Genoemde systematiek beïnvloedt op geen enkele wijze
het totaal te ontvangen bedrag aan bijstand, aangezien deze uitgaat
van bijstandsnormen waarin de aanspraak op vakantiegeld reeds is
begrepen. Slechts in de verhouding tussen maandbedrag en vakantiegeld kan
een geringe verschuiving optreden. Door het aandeel vakantiegeld te
stellen op de verhouding die op dat punt bij het nettominimumloon bestaat, blijven de maanduitkeringen en aanspraken op vakantietoeslag gelijk
bij de 70-, 90- en 100-procentsuitkeringen. Bij de uitkeringen voor
personen jonger dan 23 jaar en voor schoolverlaters treden wel wijzigingen
op in deze verhouding, waarbij de maandelijkse uitkering zowel iets
hoger als iets lager kan uitkomen. De aanspraak op vakantietoeslag komt
dan uiteraard met eenzelfde bedrag lager respectievelijk hoger te
liggen. Het bedrag waarmee de maandelijkse uitkering lager uitkomt, is ten
hoogste ƒ16,-. In dergelijke gevallen komt het maandbedrag van de
bijstandsuitkering overigens meer in overeenstemming met dat van een
arbeidsinkomen dat in totaal netto gelijk is aan de desbetreffende bijstandsnorm. Een dergelijke verschuiving brengt derhalve de voorziening in de
noodzakelijke maandelijkse bestaanskosten niet in gevaar.
Een verschil ten opzichte van de bestaande regelgeving
betreft de thans opgenomen mogelijkheid voor burgemeester en
wethouders tot het verlenen van een voorschot. Hiermee wordt aan een in
de uitvoeringspraktijk bestaande behoefte tegemoetgekomen.
Voorschotten op te verwachten toe te kennen bijstand worden nu door
gemeenten uit eigen middelen verstrekt. Bij de behandeling in de Tweede
Kamer van het wetsvoorstel houdende een nieuwe regeling voor
terugvordering en verhaal van kosten van bijstand (Kamerstukken I
1989-1990, 20 598, nr. 179) is reeds toegezegd dat zou worden bezien of
het mogelijk is om aan het verlenen van bij het Rijk declarabele voorschotten een wettelijke grondslag in de ABW te geven. De Commissie Sociale
Voorzieningen van de SER heeft in haar slotadvies instemming
betuigd met de voorgestelde invoering van genoemde
voorschotmogelijkheid. De Commissie voegde hier het voorstel aan toe de termijn
waarover een voorschot kan worden verleend met één maand te verlengen
tot maximaal drie maanden, met name voor gevallen waarin de
beslissing vlak na de betaaldag afkomt. Uit nadere informatie is de
regering evenwel gebleken dat aan een dergelijke verlenging in de
praktijk in het algemeen geen behoefte bestaat, aangezien op bijstandsaanvragen als
regel in een tijdsbestek van vier à vijf weken een
besluit wordt genomen, zodat een maximale voorschottermijn van twee
maanden toereikend is. Een verlenging van de voorschottermijn
zou bovendien het nadeel hebben dat langer dan strikt noodzakelijk is
onduidelijkheid voor de bijstandsgerechtigde blijft bestaan.
De tijdelijke doorbetaling van de bijstand in geval van
overlijden is momenteel geregeld in artikel 20 van het Bln. Tot nu toe
is alleen voorzien in de situatie van overlijden van één van de
echtelieden. De op rblz.| 62
dat moment van toepassing
zijnde bijstandsnorm blijft gehandhaafd tot en met de laatste dag van de
tweede maand volgend op die waarin het overlijden plaatsvond. In
navolging van andere wetten in het kader van de sociale zekerheid is
thans ook de situatie geregeld van uitbetaling van de bijstand bij overlijden
van de alleenstaande ouder aan het kind of de kinderen.
Verder is als nieuw element
in de wet opgenomen de tijdelijke doorbetaling van de bijstand aan
de alleenstaande ouder die als gevolg van het overlijden van het laatste
tot zijn last komende kind terugvalt naar de bijstandsnorm voor een
alleenstaande. Daartoe is in het slotadvies van de Commissie Sociale
Voorzieningen van de SER geadviseerd. Overweging hierbij is dat
deze gewezen alleenstaande ouder in vergelijkbare omstandigheden
verkeert als andere nabestaanden die voor tijdelijke doorbetaling naar de
voorheen van toepassing zijnde bijstandsnorm in aanmerking komen.
Aangaande de terugvordering
van kosten van bijstand is aangesloten bij het wetsvoorstel
houdende een nieuwe regeling voor terugvordering en verhaal van kosten van
bijstand. Dat wetsvoorstel is op 3 april 1990 door de Tweede Kamer
aangenomen en thans bij de Eerste Kamer in behandeling.
Terugvordering ziet op de
gevallen waarin de bijstand onnodig of ten onrechte is verleend, dan
wel waarin eerst achteraf met aanwezige middelen rekening kan worden gehouden. Als algemeen uitgangspunt
geldt dat de
gemeenten
verplicht zijn tot terugvordering in de gevallen die de wet
aangeeft. De
gemeente kan van terugvordering geheel of gedeeltelijk afzien indien
- gelet op de omstandigheden van persoon en gezin - daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn. Voor zover van de tekst van laatstgenoemd
wetsvoorstel wordt afgeweken, is dit het gevolg van de doorwerking van de in
het kader van de herinrichting voorgestelde wijzigingen ten
opzichte van de bestaande ABW (inclusief de doorwerking van de Algemene
wet bestuursrecht). Zo kent het onderhavige wetsvoorstel een
nieuwe terugvorderingsbepaling inzake verleende voorschotten,
gelet op de thans voorgestelde voorschotmogelijkheid.
In hoofdstuk VII van
het
wetsvoorstel zijn de bepalingen inzake het verhaal van bijstand
bijeengebracht. Deze bepalingen sluiten inhoudelijk geheel aan bij het eerdergenoemde afzonderlijke wetsvoorstel. In redactioneel opzicht doen zich
enkele verschillen met dat wetsvoorstel voor.
5.7. Aan de bijstand
verbonden verplichtingen
5.7.1. Algemeen
Bij het voorkómen en
bestrijden van langdurige bijstandsafhankelijkheid vormt de
wederzijdse inspanningsverplichting van de overheid en de bijstandsgerechtigde een
kernpunt. De overheid biedt de financiële hulp die vereist is, alsmede
de mogelijkheden om de kans op zelfstandige
bestaansvoorziening te vergroten. Op de bijstandsgerechtigde rust de verplichting
het mogelijke te doen weer in de situatie te komen dat hij zelf in de
noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. In paragraaf
4.3 van
deze memorie werd reeds aandacht besteed aan de mogelijkheden te komen
tot een effectievere bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening van bijstandsgerechtigden.
De integratie van de Rww in de wet
heeft hoofdzakelijk gestalte gekregen in hoofdstuk VIII
van dit wetsvoorstel. De Commissie Sociale Voorzieningen van de
SER heeft in zijn
interim-advies met het principe rblz.| 63
van deze integratie ingestemd. Genoemd hoofdstuk heeft
dus betrekking op alle bijstandsgerechtigden, zowel degenen die op
arbeid in dienstbetrekking zijn aangewezen alsook degenen die als
zelfstandige kunnen worden aangemerkt.
In dit voorstel van wet wordt de term "verplichtingen"
gehanteerd. De bestaande wet, de Rww en het Bz spreken doorgaans van
"voorwaarden". Zoals blijkt uit de
bestaande
bepalingen ten aanzien van het verlagen of beëindigen van de bijstand indien
één
of meer aan de bijstand verbonden voorwaarden niet worden nagekomen, gaat het bij
deze voorwaarden feitelijk nu ook reeds om
verplichtingen. Vanuit wetssystematisch oogpunt is het gewenst één term in de
wet te hanteren, waarbij aan de term "verplichtingen", als
duidelijke pendant van de rechten die deze wet toekent, de voorkeur is
gegeven.
De verplichtingen die voor de belanghebbende aan de
bijstand zijn verbonden, zijn zoveel mogelijk in hoofdstuk VIII
samengebracht. Enkele specifieke verplichtingen hebben elders in het
wetsvoorstel een plaats gekregen, omdat dit, gelet op de samenhang met andere
bepalingen, de voorkeur verdiende. Zo maakt de verplichting van de
belanghebbende om de inlichtingen te verstrekken die voor de
bijstandverlening van belang zijn deel uit van de stappen die nodig zijn om het
recht op bijstand geldend te maken; deze verplichting is derhalve
opgenomen in artikel 76 [65+69]. De inlichtingenverplichting aangaande terugvordering van
bijstand is opgenomen in de paragraaf die daarop betrekking heeft
(artikel 92 [86], derde lid). De inlichtingenverplichtingen van derden
zijn gebundeld in paragraaf 2 van hoofdstuk IX.
De door de belanghebbende te ondernemen activiteiten om
zich (weer) op eigen kracht een inkomen te verwerven, dienen hun
weerslag te vinden in de verplichtingen die aan de bijstand worden
verbonden. Van de belanghebbende wordt verwacht dat hij de eigen
mogelijkheden op de arbeidsmarkt benut en van de door de instanties geboden mogelijkheden tot verbetering van zijn arbeidskansen actief
gebruikmaakt. Deze verplichtingen zijn gekoppeld aan het recht op bijstand.
Hieruit vloeit voort dat het niet nakomen van de verplichtingen als
regel gevolgen zal dienen te hebben voor de uitkering.
Aan hoofdstuk VIII ligt het uitgangspunt ten grondslag
dat bij iedere belanghebbende op individuele basis onderzocht dient te
worden op welke wijze de zelfstandige bestaansvoorziening
bevorderd kan worden en welke verplichtingen hiertoe aan de bijstand
verbonden dienen te worden. Naargelang de concrete omstandigheden en mogelijkheden in
het afzonderlijke geval dienen steeds de noodzakelijke
schakeringen in de feitelijk op te leggen verplichtingen te worden
aangebracht. De fijnafstemming van de bijstand dient dus niet alleen
betrekking te hebben op de hoogte en de vorm van de bijstand, maar evenzeer op
de verplichtingen, zoals ook tot uitdrukking is gebracht in het
voorgestelde artikel 13, eerste en tweede lid. Hierbij speelt een rol dat de
verplichtingen die deze wet stelt naar hun aard te onderscheiden zijn in
twee categorieën: enerzijds verplichtingen die de wet
rechtstreeks aan de
belanghebbende oplegt, zoals het verstrekken van informatie, of waarvan
de wet voorschrijft dat burgemeester en wethouders ze aan de
bijstand verbinden; anderzijds verplichtingen die burgemeester en
wethouders aan de bijstand kunnen verbinden. Ten aanzien van de
eerste categorie geldt dat verplichtingen die de wet rechtstreeks aan
belanghebbende oplegt onverkort gelden en dat bij verplichtingen
waarvan de wet voorschrijft dat burgemeester en wethouders ze aan de
bijstand verbinden, de genoemde fijnafstemming kan plaatsvinden
doordat burgemeester en wethouders besluiten een dergelijke
verplichting niet op te leggen of daarvan tijdelijk ontheffing verlenen.
Ten aanzien van de tweede categorie is toepassing per definitie een kwestie
van nadere rblz.| 64
besluitvorming door burgemeester en wethouders, waarbij
afstemming op het individuele geval plaatsvindt.
Van essentieel belang is de zorg door burgemeester en
wethouders voor een regelmatige afstemming van de verplichtingen op
wijzigingen in de omstandigheden van de belanghebbende. Voor een goede
uitvoering van de Abw is het een vereiste dat steeds adequaat wordt
gereageerd op veranderingen die zich voordoen in de mogelijkheden
tot arbeidsinschakeling van de individuele bijstandsgerechtigde,
alsook op veranderingen in de vraag naar arbeidskrachten. Dit vergt een
alert samenspel tussen bijstandverlenend orgaan, andere organen, zoals de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de Jeugdwerkgarantieorganisatie,
en de belanghebbende zelf. Alleen zo kan worden bereikt dat het
verbinden van verplichtingen aan de bijstand niet een eenmalige en
statische aangelegenheid is, doch een proces dat voortdurend aandacht
krijgt.
Burgemeester en wethouders dienen, zoals reeds vermeld,
in elk afzonderlijk geval te bepalen welke van die
verplichtingen daadwerkelijk worden opgelegd; indien redenen van medische of sociale
aard daartoe nopen, zijn burgemeester en wethouders bevoegd bepaalde
verplichtingen niet op te leggen of daarvan tijdelijk ontheffing te verlenen. De
bepaling van de duur van de ontheffing wordt, anders dan
thans in de Rww, geheel aan burgemeester en wethouders overgelaten.
Van het opleggen van bepaalde verplichtingen kan tevens worden
afgezien met het oog op aard en doel van de bijstand. Bijvoorbeeld
bij eenmalige bijzondere bijstand of bij borgstelling ligt het voor
de hand dat de verplichtingen uit artikel 120 [113]
niet worden opgelegd.
In de gekozen opzet, waarin de bepalingen die betrekking
hebben op werkloze werknemers en die thans zijn opgenomen in de
Rww worden overgebracht naar de wet, is er geen aanleiding meer om
werkloze werknemers als afzonderlijke categorie aan te duiden.
Voor de vaststelling welke verplichtingen in een concreet geval
van toepassing zijn, kan worden volstaan met de beoordeling of de
belanghebbende voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in
dienstbetrekking. Dat is het geval indien de belanghebbende niet
kan worden aangemerkt als een zelfstandige in de zin van deze wet.
Uit de vaststelling dat betrokkene op arbeid in dienstbetrekking is aangewezen,
volgt niet automatisch dat alle verplichtingen uit
hoofdstuk VIII op hem van toepassing zijn.
Het vereiste dat belanghebbende beschikbaar is voor
inschakeling in de arbeid in een dienstbetrekking van ten minste de
helft van de geldende volledige arbeidstijd per week maakt thans
deel uit van de omschrijving van het begrip werkloze werknemer in de
Rww.
Dit beschikbaarheidscriterium is in de bestaande regelgeving nodig
om de personenkring van de Rww af te bakenen. Die noodzaak vervalt
met de overbrenging van Rww-bepalingen naar de wet. De thans
gekozen opzet brengt tot uitdrukking dat de in hoofdstuk VIII van
rechtswege gegeven verplichtingen voor iedere belanghebbende van toepassing
zijn; de werkingssfeer van deze verplichtingen is dus niet op
voorhand beperkt, bijvoorbeeld door deze slechts van toepassing te
verklaren op degenen die ten minste voor een bepaald aantal uren per week
beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Alleen door een expliciet besluit
van burgemeester en wethouders kan in een individueel geval van
toepassing van één of meer verplichtingen worden afgezien. Indien er een
geldige reden is waardoor een belanghebbende niet beschikbaar is voor de
arbeidsmarkt, dienen burgemeester en wethouders daarmee rekening te
houden door vast te stellen welke verplichtingen in die situatie
feitelijk niet kunnen worden opgelegd. Ten aanzien van degene die op arbeid
in dienstbetrekking rblz.| 65
is aangewezen en die zich naar het oordeel van
burgemeester en wethouders zonder geldige reden niet of niet reëel
beschikbaar stelt voor inschakeling in het arbeidsproces, zal er in beginsel
aanleiding zijn om, met toepassing van artikel 14, in laatste instantie
bijstand te weigeren.
Degene die een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent,
doch die niet voldoet aan het urencriterium in de zin van de Wet op de
inkomstenbelasting (de zogenaamde marginale zelfstandige, die niet kan
worden beschouwd als een zelfstandige in de zin van artikel
5, eerste
lid, onderdeel b), dient te worden aangemerkt als een persoon die op arbeid in
dienstbetrekking is aangewezen. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat
de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep door de betrokkene
een reëel karakter dient te hebben. Voor invoering van genoemd
urencriterium is in dit wetsvoorstel gekozen teneinde de zelfstandigen als
doelgroep binnen de Abw scherper te kunnen afbakenen, zodat ook in de
uitvoeringspraktijk over deze afbakening duidelijkheid bestaat.
De zelfstandige die zijn bedrijf of zelfstandig beroep
gedurende ten minste een halfjaar niet of nagenoeg niet uitoefent,
dient in die periode te worden beschouwd als een persoon die op arbeid in
dienstbetrekking is aangewezen.
Er doet zich ook de situatie voor van de persoon die
gedurende enkele dagen in de week loonarbeid in dienstbetrekking verricht
en die voor het resterende deel van de week activiteiten ontplooit als
zelfstandig ondernemer. Indien deze combinatie van werkzaamheden geen
toereikend inkomen oplevert, zal moeten worden beoordeeld of
belanghebbende kan worden aangemerkt als zelfstandige in de zin van deze wet
en of het bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is. Indien
dit het geval is, behoeft de omstandigheid dat belanghebbende zijn
deeltijdwerk in dienstverband voortzet niet in de weg te staan aan de
verlening van bijstand aan hem in zijn hoedanigheid van zelfstandige.
Uiteraard zal dan wel moeten worden beoordeeld of de
bijstandsafhankelijkheid kan worden beëindigd doordat belanghebbende zijn
activiteiten als zelfstandige uitbreidt.
Aan burgemeester en wethouders wordt in
dit wetsvoorstel
expliciet de bevoegdheid verleend om, in aanvulling op de algemene
verplichtingen die krachtens de wet aan de bijstand zijn of
worden verbonden, nadere verplichtingen aan de bijstand te verbinden. In
de bestaande regelgeving ontbreekt deze expliciete bevoegdheid, hoewel artikel 3 van
de ABW een zeer ruime en open formulering kent. Door aan
burgemeester en wethouders genoemde bevoegdheid toe te
kennen, wordt meer accent gegeven aan de mogelijkheid om de
verplichtingen die in een individueel geval worden opgelegd af te stemmen op
de lokale en regionale situatie. Zo kan worden bereikt dat door het
stellen van specifieke verplichtingen aangesloten wordt op het
voorzieningenaanbod en de arbeidsmarktsituatie ter plaatse en in de regio.
Tevens kunnen op die wijze de afspraken die de gemeente
maakt met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden vertaald in de aan
bijstandsgerechtigden te stellen verplichtingen. Indien, bijvoorbeeld op basis van een
individueel actieplan, afspraken met een langdurig werkloze worden
gemaakt over zijn arbeidsinpassing, zijn burgemeester en wethouders
bevoegd die afspraken als een verplichting van belanghebbende aan te
merken. De verplichtingen die voor een individuele bijstandsgerechtigde gelden,
dienen bij voorkeur zo expliciet mogelijk in de
bijstandsbeschikking te worden vermeld. De directe samenhang tussen rechten en
plichten wordt zodoende duidelijk tot uitdrukking gebracht en de
belanghebbende zal zich in sterkere mate van die samenhang bewust zijn.
Aan burgemeester en wethouders wordt aldus de
mogelijkheid geboden om in de sfeer van de verplichtingen een eigen
beleid te rblz.| 66
ontwikkelen. Dit vergroot enerzijds de lokale
sturingsmogelijkheden ten aanzien van de bijstandsafhankelijkheid door het voeren
van een actief beleid dat gericht is op het wegnemen van belemmeringen voor de
arbeidsinschakeling, anderzijds leidt het tot een
flexibilisering van de wetstoepassing, doordat meer ruimte wordt geboden om ook
op het punt van de verplichtingen te streven naar maatwerk.
Vanzelfsprekend kunnen niet onbeperkt verplichtingen
worden gesteld. De aard van de verplichtingen die op grond van de Abw
kunnen worden opgelegd is in het voorgestelde artikel 113 [106]
in algemene
termen omlijnd. Alleen verplichtingen die strekken tot
arbeidsinschakeling, tot vermindering of beëindiging van de bijstand of die
verband
houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand zijn
geoorloofd.
Wanneer men op bijstand aangewezen raakt, treedt vaak
een terugval in inkomen op. Ook indien van een aanmerkelijke terugval
geen sprake is, kan het rondkomen van een bijstandsuitkering een
probleem zijn. De laatste jaren zijn de mogelijkheden voor professioneel
budgetadvies toegenomen. Op die wijze kan ertoe worden bijgedragen
dat het bestedingspatroon in overeenstemming wordt gebracht met het
inkomen. Desalniettemin doet zich de situatie voor dat
bijstandsgerechtigden, bijvoorbeeld als gevolg van onverwachte omstandigheden
of een onevenwichtig bestedingsgedrag, in financiële
moeilijkheden geraken of dreigen te geraken. Het kan dan in het belang van
betrokkene zijn dat burgemeester en wethouders over de mogelijkheid
beschikken om tijdelijk een gedeelte van het financieel beheer van hem over te nemen,
door bepaalde noodzakelijke betalingen, zoals huur, gas, elektra en aflossingen, in zijn naam uit de bijstandsuitkering te
verrichten. Langs deze weg kan een bijdrage worden geleverd aan de
noodzakelijke hulpverlening in schuldsituaties.
De Commissie Sociale Voorzieningen van de SER
heeft er
in haar vervolgadvies voor gepleit expliciet in de Abw
te
bepalen dat burgemeester en wethouders in de zojuist geschetste situatie
de bevoegdheid hebben als verplichting aan de bijstand te verbinden dat
belanghebbende aan genoemde vorm van budgetbeheer medewerking verleent.
De Commissie acht het noodzakelijk de betreffende
bevoegdheid duidelijk in te kaderen, mede om een mogelijk te ruim gebruik ervan
tegen te gaan.
De door de Commissie voorgestelde bevoegdheid is
opgenomen in artikel 116 [109]; door toepassing daarvan kan mede een
bijdrage worden geleverd aan de preventie van schulden.
Genoemd artikel verduidelijkt in welke omstandigheden
het te rechtvaardigen is dat bij de verlening van bijstand de
verplichting wordt opgelegd dat belanghebbende aan een dergelijke vorm van
budgetbeheer meewerkt. Alleen wanneer er gegronde redenen zijn
voor de aanname dat de belanghebbende zonder dergelijke
afdrachten door de gemeente niet in staat is tot een verantwoorde besteding
van zijn bestaansmiddelen, kan er aanleiding zijn bedoelde
verplichting op te leggen. Van dergelijke gegronde redenen kan slechts
sprake zijn indien de belanghebbende zich in een problematische
schuldsituatie bevindt, dan wel indien een dergelijke situatie dreigt te
ontstaan. Voor deze clausulering is gekozen naar aanleiding van het
slotadvies van de genoemde Commissie. Aan het, ook door de Commissie wenselijk geachte, preventieve karakter van de bepaling zou
evenwel te veel afbreuk worden gedaan wanneer daarin de voorwaarde zou
worden opgenomen dat steeds reeds eerder van een problematische
schuld sprake dient te zijn geweest. Ik deel de mening van de Commissie dat bedoelde vorm van budgetbeheer slechts betrekking kan
hebben op een gelimiteerde periode; alleen zolang daartoe in het
individuele geval uitdrukkelijk de noodzaak bestaat, is het verantwoord de
betreffende verplichting aan de bijstand te verbinden.
rblz.| 67
Voor een terughoudend gebruik van deze mogelijkheid is
te meer aanleiding vanwege het uitgangspunt in dit wetsvoorstel
dat wanneer het recht op bijstand vaststaat, er in principe een
betalingsverplichting op burgemeester en wethouders rust. Tenzij bijstand voor
een bijzonder doel wordt verleend, dient zoveel mogelijk het uitgangspunt te zijn dat de
belanghebbende de uitgekeerde bijstand naar eigen
goeddunken kan besteden. Alleen duidelijke aanwijzingen voor het
bestaan of dreigen van een problematische schuld kunnen rechtvaardigen dat
burgemeester en wethouders een deel van deze eigen verantwoordelijkheid
van de betrokkene overnemen, zolang dit noodzakelijk is.
5.7.2. Samenwerking met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
Mede gelet op het gestelde doel te komen tot een
effectievere bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening, dient
een groot belang te worden gehecht aan de samenwerking tussen
burgemeester en wethouders als uitvoerders van de Abw
en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Ook de Commissie Sociale Voorzieningen van
de SER heeft in het interim-advies op de betekenis van een nauwe
samenwerking gewezen.
Het ondernemen van activiteiten gericht op de
(her)inschakeling van degenen die er niet in slagen op eigen kracht de
zelfstandige bestaansvoorziening te realiseren, vergt een gezamenlijke
inspanning van gemeente en Arbeidsvoorzieningsorganisatie, waarbij
ieder een eigen verantwoordelijkheid heeft. Aan de kant van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ligt het zwaartepunt op de contacten met de
vragers van arbeid, de bekendheid met de arbeidsmarktsituatie en de
mogelijkheden tot toepassing van het reguliere
arbeidsmarktinstrumentarium. De gemeente heeft door het regelmatige contact met de
bijstandsgerechtigde een goed inzicht in diens concrete omstandigheden en
mogelijkheden. Ten opzichte van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft de
gemeente in zekere mate een complementaire taak, onder andere door
het aanbieden en (mede)financieren van arbeidsmarktgerichte
voorzieningen. Dergelijke complementaire voorzieningen vervullen een brugfunctie
naar de toepassing van het reguliere
arbeidsvoorzieningsinstrumentarium. Het verdient de voorkeur dat de inspanningen zoveel mogelijk
worden gericht op activiteiten die rechtstreeks bijdragen aan de
arbeidsinschakeling of het vergroten van de arbeidsgeschiktheid.
De arbeidskansen van personen die reeds geruime tijd
werkloos zijn of die over een ongunstige startpositie op de
arbeidsmarkt beschikken, bijvoorbeeld door een afgebroken opleiding, zijn vaak
weinig rooskleurig. Om de kansen op een baan te vergroten, is het in die
situatie noodzakelijk om, alvorens arbeidsbemiddeling reëel mogelijk
is, een beroep te doen op aanvullende voorzieningen die de belanghebbende
beter kwalificeren voor de arbeidsmarkt. De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie beschikt over diverse instrumenten in de sfeer van scholing,
werkervaring, sollicitatietraining en dergelijke. In aanvulling daarop
kunnen, zoals reeds werd aangegeven, ook de gemeenten arbeidsmarktgerichte
voorzieningen aanbieden, bij wijze van voortraject. Degenen die ook
na het doorlopen van een dergelijk voortraject onvoldoende kans zouden
maken op een reguliere baan kunnen in aanmerking komen voor
indiensttreding bij een door de gemeente opgezette banenpool; het loon dat de
deelnemers aan deze banenpools ontvangen, wordt mede met behulp van
bespaarde bijstandsuitkeringen bekostigd.
Voor een optimaal functioneren van de Abw is het
noodzakelijk dat burgemeester en wethouders bevorderen dat
belanghebbenden van de bestaande arbeidsmarktgerichte voorzieningen
gebruikmaken. Voorlichting omtrent dergelijke voorzieningen en het
verrichten van bemiddelende activiteiten teneinde te bereiken dat een
belanghebbende rblz.| 68
daadwerkelijk gebruik van zo'n voorziening kan maken,
zijn daarbij onmisbaar. Derhalve is in dit wetsvoorstel op dit punt
een inspanningsverplichting voor burgemeester en wethouders opgenomen.
In de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening
dragen de
gemeenten mede de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor
de arbeidsvoorziening. Vanaf 1987 zijn er lokaal en regionaal
samenwerkingsverbanden tussen gemeenten en arbeidsbureaus ontstaan die
een belangrijke rol spelen bij het voeren van heroriënteringsgesprekken met
langdurig werklozen. Deze verbanden hebben niet alleen
aangetoond dat intensieve samenwerking mogelijk is, doch ook dat deze
tot resultaten leidt die, zonder deze samenwerking, niet zouden zijn
bereikt.
Gezien het grote belang dat aan bedoelde samenwerking
tussen de gemeente en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie moet
worden gehecht, is in dit wetsvoorstel gekozen voor een
samenwerkingsverplichting. Op deze wijze wordt een nieuwe wettelijke basis voor
bedoelde samenwerking gelegd. In de bestaande wet wordt deze basis
gevormd door artikel 31. Dat artikel gaat echter niet verder dan het
stellen van een verplichting voor burgemeester en wethouders tot het
consulteren van het arbeidsbureau alvorens voorwaarden die strekken tot
arbeidsinschakeling aan de bijstand te verbinden. Niet alleen is dat
artikel, afgezet tegen de recent ontstane intensieve samenwerkingsvormen,
een te smalle basis, het is bovendien een onnodige belasting
van zowel gemeentelijke sociale diensten als van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
om ten aanzien van afzonderlijke gevallen een
consultatieplicht te handhaven. Mede om die reden wordt in de praktijk al
geruime tijd slechts marginaal uitvoering aan genoemd artikel
gegeven. De meer directe vormen van samenwerking die de laatste jaren
zijn ontstaan, hebben bovendien als effect dat de arbeidsmarktkunde bij
gemeentelijke sociale diensten is toegenomen; gemeenten kunnen
daardoor in staat worden geacht om doorgaans zelf te beoordelen of het,
gelet op de arbeidsmarktsituatie, in individuele gevallen reëel is
verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling aan de bijstand te
verbinden. In geval van twijfel ligt het, mede gezien de algemene opdracht tot
samenwerking die de wet stelt, voor de hand dat bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie informatie wordt ingewonnen.
Een doeltreffende samenwerking tussen een
gemeente en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie vereist naar twee kanten een
adequate informatie-uitwisseling. In hoofdstuk IX van
het wetsvoorstel
is, in aansluiting bij bestaande regelgeving respectievelijk
ontwerpregelgeving, bepaald dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, desgevraagd of
eigener beweging, inlichtingen aan burgemeester en wethouders
verstrekt die voor de uitvoering van de Abw
noodzakelijk zijn. Aan de
nadere uitwerking van de informatievoorziening kan het beste
vorm worden gegeven door middel van door de betrokken instanties
lokaal of regionaal te maken afspraken.
5.7.3. Passende arbeid
In het voorgestelde artikel 120
[113], tweede lid, is een
omschrijving van het begrip passende arbeid opgenomen. Het uitgangspunt dat
het hierbij moet gaan om arbeid die voor de krachten en bekwaamheden
van de belanghebbende is berekend, is ook opgenomen in de Werkloosheidswet. Welke arbeid in een concreet geval als passend
moet worden aangemerkt, is ter beoordeling aan burgemeester en
wethouders. Criteria hiervoor kunnen worden ontleend aan de uitgebreide
jurisprudentie die over het begrip passende arbeid is ontstaan. Duidelijk
is, ook uit de jurisprudentie, dat de individuele omstandigheden mede
bepalend zijn voor de beoordeling of arbeid passend is of niet.
rblz.| 69
Een belangrijk algemeen uitgangspunt uit de
jurisprudentie is dat naarmate de werkloosheid langer duurt, andere arbeid dan
die welke de belanghebbende gewoonlijk verrichtte eerder als passend
kan worden aangemerkt. Ten aanzien van degenen die niet of
nauwelijks over een arbeidsverleden beschikken, zal voornamelijk bij het opleidingsniveau
moeten worden aangesloten. Toepassing van beide
uitgangspunten betekent dat de feitelijke invulling van het begrip
passende arbeid in de praktijk ruimer zal zijn dan bij de uitvoering van de
Werkloosheidswet. Immers, naar verhouding zijn langdurig werklozen en
personen zonder arbeidsverleden onder bijstandsgerechtigden sterk
vertegenwoordigd.
Evenals in de Rww wordt arbeid in WSW-verband niet als
passende arbeid aangemerkt. Het karakter van WSW-arbeid verschilt
van de arbeid die onder normale omstandigheden wordt verricht. Het
betreft immers aangepast werk, waaraan deelgenomen kan worden op basis
van vrijwilligheid. Dit sluit evenwel niet uit dat een tijdelijke
deelname aan WSW-werkzaamheden als bijzondere activiteit die
onderdeel is van een toeleidingstraject gericht op inschakeling van de
belanghebbende in de reguliere arbeid, aangewezen kan zijn. Het gaat dan niet
om het aanbieden van een vaste arbeidsplaats in WSW-verband op
basis van een dienstbetrekking in de zin van de WSW, maar om een
tijdelijke inspanning die de uitkeringsinstantie van de
belanghebbende kan vragen, juist om op afzienbare termijn een passende werkkring op
de reguliere arbeidsmarkt binnen bereik te brengen. Een dergelijke
tijdelijke deelname aan WSW-werkzaamheden als tussenstap kan worden vergeleken met
deelname aan een werkervaringsproject of het volgen van
een noodzakelijke stage.
Ook een dienstbetrekking in het kader van de Wet ter
bevordering van de werkgelegenheid voor werkzoekenden die zeer langdurig
werkloos zijn (Stb. 1986, 483; 1989, 286) kan als tussenstap naar
reguliere arbeid verplicht worden gesteld. Hetzelfde kan gelden voor
deelname aan sollicitatietrainingen. Het betreft in deze voorbeelden
activiteiten die aangewezen zijn voor de bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening, anders dan reguliere arbeid of scholing.
5.7.4. Toepassing verplichtingen bij gehuwden en
alleenstaande ouders
In 1984 is in de Rww de mogelijkheid opgenomen om aan
beide echtgenoten verplichtingen op te leggen, gericht op
inschakeling in de arbeid. In de uitvoeringspraktijk wordt als regel
volstaan met het opleggen van de arbeidsverplichting aan één van
beiden, tenzij de rolverdeling nog open is, zoals bij jonge partners die gaan
samenwonen. Sinds de herziening van de Rww in 1984 heeft de toen
onderkende tendens naar een grotere deelname van gehuwde vrouwen aan de
betaalde arbeid zich verder doorgezet. Het beleid is op
bevordering van de arbeidsparticipatie van vrouwen gericht. In de huidige
samenleving is het steeds meer gebruikelijk, zeker bij de jongere
generaties, dat beide partners bijdragen in het gezinsinkomen. Er is reden in
de Abw als bestaansvoorziening aan te sluiten bij de veranderde
opvattingen over de rolverdeling tussen mannen en vrouwen.
In dit verband is verder het uitgangspunt van belang dat
in elk afzonderlijk geval onderzocht dient te worden op welke wijze
de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderd kan worden. In het geval
van gehuwden, waartoe mede worden gerekend ongehuwd samenwonenden,
dient daarbij met name ook in ogenschouw te worden genomen dat
de partners een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben
voor de voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan.
Hiermee is in overeenstemming dat bij de verlening van bijstand aan
gehuwden de arbeidsmogelijkheden van beide partners worden benut.
Daartoe bepaalt rblz.| 70
het derde lid van artikel 120 [113]
dat ten aanzien van
gehuwden de betreffende verplichtingen voor ieder van de echtgenoten
gelden. Indien redenen van medische of sociale aard hiervoor aanleiding
geven, kunnen burgemeester en wethouders besluiten de bedoelde
verplichtingen, of een deel daarvan, aan één van beide partners niet op te
leggen of daarvan tijdelijk ontheffing te verlenen. In elk geval
zal er bij het stellen van verplichtingen rekening dienen te worden gehouden
met een eventuele verzorgende taak van de echtgenoten of de
alleenstaande ouder voor kinderen jonger dan 12 jaar.
In de huidige uitvoeringspraktijk wordt ten aanzien van
gehuwden het uitgangspunt gehanteerd dat doorgaans één van de
ouders deze verzorgende taak op zich neemt. Bij alleenstaande ouders wordt
de verzorgende taak veelal aangemerkt als een reden van sociale
aard die zich verzet tegen het verbinden van arbeidsverplichtingen aan
de bijstand. In de bestaande situatie leidt dit ertoe dat de Rww niet
wordt toegepast op personen met een verzorgende taak voor kinderen en dat
zij bijstand ontvangen op grond van de wet zelf. Wanneer de
gezinsverantwoordelijkheid beperkter wordt als gevolg van het feit dat de
kinderen een leeftijd hebben bereikt waarop zij minder intensief
toezicht van de betreffende ouder behoeven, is toepassing van de Rww weer aan
de orde, doch de mate waarin en het moment waarop
gemeenten
hiertoe overgaan blijkt in de uitvoeringspraktijk nogal
verschillend te zijn. In de meeste gemeenten wordt beneden de leeftijd van 12 jaar
geen arbeidsverplichting opgelegd. In een deel van de gemeenten
wordt vanaf de leeftijd van 12 jaar in de verzorgende taak doorgaans
geen reden meer gezien om de verplichtingen in het kader van de Rww niet
toe te passen; in andere gemeenten wordt deze leeftijdsgrens echter bij
16 jaar gelegd. De leeftijdsgrenzen van 12 en 16 jaar houden verband met
de overstap van het kind naar het voortgezet onderwijs, respectievelijk met de
beëindiging van de leerplicht. Indien gedurende de periode dat het kind basisonderwijs
volgt arbeidsverplichtingen aan de verzorgende ouder
worden opgelegd - hetgeen relatief zelden het geval is -, gebeurt dit
meestal op eigen initiatief van betrokkene.
Het aantal alleenstaande ouders dat erin slaagt om via
deelname aan betaalde arbeid de bijstandsafhankelijkheid te
beëindigen, is gering. De gemiddelde verblijfsduur in de bijstand is daardoor voor
deze categorie aanzienlijk langer dan bij Rww-gerechtigden. Teneinde in
deze situatie verbetering te brengen, is het noodzakelijk dat ook voor
bijstandsgerechtigde alleenstaande ouders een op het individu afgestemde actieve toeleiding naar de arbeidsmarkt plaatsvindt. De huidige
uitvoeringspraktijk heeft echter in veel gevallen tot gevolg dat
hiermee pas wordt begonnen na een zeer langdurige onderbreking van de
arbeidsdeelname van de belanghebbende. Opleiding en werkervaring zijn
dan sterk verouderd, terwijl ook de oriëntatie op het verrichten
van betaald werk vaak zwak is. Voor een succesvolle herintreding op de
arbeidsmarkt vormen dit grote obstakels.
Terugdringing van de langdurige bijstandsafhankelijkheid
onder alleenstaande ouders vereist dat de (her)inschakeling in de
betaalde arbeid in een eerder stadium plaatsvindt of wordt voorbereid. In
dit wetsvoorstel wordt geen vaste leeftijdsgrens ten aanzien van te
verzorgen kinderen gehanteerd voor de bepaling of van de verzorgende ouder
arbeidsinschakeling of de voorbereiding daarop kan worden gevergd.
Teneinde een meer uniforme gedragslijn op dit punt door gemeenten te bevorderen, is
ervoor gekozen te bepalen dat in de geschetste situatie
de verplichtingen worden afgestemd op een verzorgende taak voor één
of meer ten laste komende kinderen jonger dan 12 jaar. Dit betekent
evenwel niet dat in geval van een zorgtaak voor een kind in die
leeftijdscategorie arbeidsinschakeling nimmer kan worden gevergd. Als er
adequate rblz.| 71
mogelijkheden voor kinderopvang zijn of als de zorgtaak
met de partner kan worden gedeeld, kan beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt in
principe worden verlangd. Wanneer zodanige
beschikbaarstelling nog niet mogelijk is, kan het redelijk zijn van
belanghebbende medewerking te vragen aan activiteiten gericht op toeleiding naar de
arbeidsmarkt. Indien de verzorgende taak uitsluitend één of meer
kinderen van 12 jaar of ouder betreft, kunnen burgemeester en wethouders in
het individuele geval zo nodig besluiten arbeidsmarktgerichte
verplichtingen niet op te leggen, of daarvan tijdelijk ontheffing te verlenen,
om
redenen van medische of sociale aard.
Door bij genoemde afstemming op de zorg voor kinderen
uit te gaan van kinderen tot 12 jaar wordt aangesloten bij de
leeftijdsgrens waarop kinderen doorgaans de overstap maken naar het voortgezet
onderwijs. Bovendien vindt zo afstemming plaats op de
Werkloosheidswet waar bij de bepaling van het arbeidsverleden, door middel van het
zogenaamde verzorgingsforfait rekening wordt gehouden met verzorgende
taken voor kinderen tot 12 jaar. In de Wet
op de studiefinanciering speelt bij de partnertoeslag de verzorging van kinderen tot 12 jaar
eveneens een rol.
De voorgestelde individualiserende benadering bij het
verbinden van verplichtingen aan de bijstand betekent een verruiming
van de mogelijkheden voor burgemeester en wethouders om de concreet op
te leggen verplichtingen in geval van een verzorgende taak voor één of meer jonge kinderen zodanig
te nuanceren dat deze voldoende op die
taak zijn toegesneden. De voorgestelde regelgeving opent de
mogelijkheid dat een bepaalde verplichting wordt toegepast, zoals het
gaan volgen van een cursus of opleiding op de tijdstippen dat de
kinderen naar school gaan, terwijl andere verplichtingen, zoals het zich
laten inschrijven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of het naar vermogen
trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen, zo nodig nog achterwege
kunnen blijven.
De Commissie Sociale Voorzieningen van de
SER heeft zich
in zijn adviezen op het standpunt gesteld dat - het beginsel van
de gezinsbijstand op dit moment als gegeven beschouwend - kan worden
aanvaard dat de verplichting tot arbeidsinschakeling in bepaalde
omstandigheden aan beide partners kan worden opgelegd. Daarbij denkt de
Commissie in het bijzonder aan partners die jong en kinderloos zijn
en aan partners die tijdens de bijstandsperiode tot rolwisseling besluiten.
Een ruime meerderheid van de Commissie acht het echter bezwaarlijk
wanneer in beginsel aan alle partners die geen kinderen beneden 12
jaar hebben de arbeidsverplichting zou worden opgelegd. De
keuzevrijheid van de betrokkenen ten aanzien van de rolverdeling tussen de
partners en van de vraag wie voor de kinderen zorgt, dient volgens deze
meerderheid voorop te staan. Dit neemt niet weg dat
bijstandsgerechtigden in de individuele gevalsbehandeling nadrukkelijk op de
mogelijkheden van een andere rolverdeling kunnen worden gewezen en de Commissie
vindt het ook wenselijk dat dit gebeurt. In die zin acht zij het
niet onmogelijk dat, gezien de maatwerkbenadering in het voorontwerp en de
daarbij behorende ontheffingsmogelijkheden, het verschil in
visie met het kabinet vrij klein kan zijn voor zover het de concrete
materiële uitwerking betreft.
De Commissie wijst op de relatie met de discussie over
de verzelfstandiging van uitkeringsrechten. De FNV-vertegenwoordigers
in de Commissie dringen in het slotadvies aan op de
geleidelijke invoering van volledig individuele rechten in de Abw.
De Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten
onderschrijft het uitgangspunt als neergelegd in het voorontwerp van
wet dat bij de verlening van gezinsbijstand de verplichting zich
beschikbaar te stellen voor de arbeidsmarkt aan beide partners kan worden
opgelegd. Zij vindt dit een logisch uitvloeisel van het feit dat het recht
op bijstand aan beide partners gezamenlijk toekomt.
rblz.| 72
De Emancipatieraad constateert dat degenen die in de
bestaande situatie nog niet verplicht worden zich beschikbaar te
stellen voor de arbeidsmarkt - vooral vrouwen - ook niet worden
gestimuleerd betaald werk te gaan verrichten. Veel vrouwen zien het huwelijk
nog ten onrechte als een bestaansgarantie. De doelstelling van de herinrichting om de
zelfstandige bestaansvoorziening beter te bevorderen,
wordt positief beoordeeld, aangezien deze strookt met één van de
belangrijkste doelstellingen van het emancipatiebeleid, namelijk
vrouwen in staat stellen een zelfstandig bestaan te verwerven. De
voorgestelde integratie van de Rww in de Abw
wordt onderschreven; deze zal de
uitstroom van vrouwen uit de bijstand kunnen bevorderen. Noodzakelijk
is dan wel dat de nodige belemmeringen voor arbeidsinschakeling van
vrouwen (belemmeringen in regelingen, in de uitvoeringspraktijk
en vanwege het gebrek aan kinderopvang) worden weggenomen. Vanaf het moment dat
vrouwen in de bijstand komen, zullen ze intensief moeten
worden begeleid op hun weg naar betaald werk, aldus de Raad.
Zowel voor alleenstaande ouders als voor partners zal daartoe per individueel geval door de
gemeente moeten worden beoordeeld of en in welke
mate arbeidsinschakeling kan worden gevergd. De voorgestelde
leeftijdsgrens ten aanzien van te verzorgen kinderen (12 jaar) wordt
door de Raad als kunstmatig ervaren. De Raad benadrukt dat niet aan alle
vrouwen de eis tot arbeidsinschakeling kan worden gesteld, waarbij de Raad met name denkt aan vrouwen die bij voorbaat kansloos zijn op de
arbeidsmarkt.
Tegenover de plicht tot arbeidsinschakeling van de
partner stelt het kabinet geen individueel uitkeringsrecht, constateert de
Emancipatieraad. In ieder geval voor de 1990-generatie dient er volgens
de Raad een individueel uitkeringsrecht in de Abw te komen, waarbij
er ten aanzien van degenen aan wie een arbeidsverplichting is opgelegd
geen toets op de middelen van de partner zou dienen te gelden. Ten
aanzien van de huidige generatie vindt een deel van de Raad een
individueel recht niet juist, omdat daardoor de vangnetfunctie van de Abw wordt
ondergraven. Een ander deel vindt dat ook voor degenen uit de huidige
generatie die zich beschikbaar stellen voor de arbeidsmarkt er een
individueel recht op bijstand zou moeten zijn.
Uit het voorgaande blijkt dat de Commissie voor de
toetsing van wetgevingsprojecten en de Emancipatieraad in algemene
zin het voorstel om verplichtingen tot arbeidsinschakeling ook toe te
passen op partners en alleenstaande ouders kunnen onderschrijven. De
meerderheid van de Commissie Sociale Voorzieningen van de SER
heeft, door
vooral de keuzevrijheid van de betrokkenen centraal te plaatsen,
voor een andere benadering gekozen, waarop reeds werd ingegaan in
hoofdstuk 3 van deze memorie. Genoemde benadering van de Commissie zou,
naar zij in haar slotadvies aangeeft, wat de praktische uitwerking
betreft niet sterk behoeven te verschillen ten opzichte van de voorstellen
zoals deze in het voorontwerp waren opgenomen. Al met al is er naar de
mening van de regering voldoende basis om in dit wetsvoorstel de
benadering zoals deze was uitgewerkt in het voorontwerp te handhaven.
De voorstellen van (delen van) de Emancipatieraad en de
Commissie Sociale Voorzieningen van de SER tot invoering van een
individueel recht op bijstand zijn niet in overeenstemming te brengen met
de in hoofdstuk 3 beargumenteerde keuze om het complementaire karakter
van de Abw en het beginsel van de gezinsbijstand als grondbeginselen van
de wet te
handhaven. De Abw zou, wanneer genoemde voorstellen
zouden worden gevolgd, wezenlijk van karakter veranderen doordat niet langer het
voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan in
gezinsverband uitgangspunt zou zijn. Het recht op bijstand zou zich
mede gaan uitstrekken tot personen die, wat de inkomenssituatie
van de leefeenheid betreft, reeds over de noodzakelijke middelen beschikken.
rblz.| 73
Het wetsvoorstel biedt de nodige mogelijkheden
om ook
ten aanzien van de aan de bijstand te verbinden verplichtingen
maatwerk te leveren. Daartoe is in hoofdstuk VIII van
dit wetsvoorstel, zoals
reeds werd gesteld, een zodanige opzet gekozen dat burgemeester en
wethouders in elk afzonderlijk geval beoordelen of zich ten aanzien
van belanghebbende omstandigheden voordoen die aan
arbeidsinschakeling in de weg staan. Ten aanzien van de partner die vanwege het
langdurig verrichten van verzorgende taken in het huishouden niet of
nauwelijks over arbeidservaring beschikt en bij wie bovendien als gevolg
van die rolverdeling de oriëntatie op de arbeidsmarkt volledig
ontbreekt, kan er aanleiding zijn te besluiten dat wegens sociale redenen
geen arbeidsverplichtingen dienen te worden opgelegd.
Het wetsvoorstel biedt dus de ruimte om met een reeds
lang bestaande rolverdeling tussen partners rekening te
houden indien dit gelet op alle omstandigheden, zoals ook de leeftijd,
redelijk is. Het zou echter te ver voeren om bij de uitvoering van de Abw
in
alle gevallen bij een door de partners gekozen rolverdeling aan te sluiten. Daarmee zou
geen recht worden gedaan aan de maatschappelijke
ontwikkeling, die laat zien dat de rolverdeling tussen mannen en vrouwen
veranderingen ondergaat. In de praktijk blijkt bovendien niet zelden
dat een eenmaal gekozen taakverdeling tussen de partners een zekere
flexibiliteit bezit, bijvoorbeeld doordat in toenemende mate vrouwen, na een
aantal jaren verzorgende taken te hebben verricht, zich opnieuw
melden op de arbeidsmarkt.
Indien een gezin aangewezen raakt op algemene bijstand,
treedt een bijzondere situatie in, die op zich kan rechtvaardigen
dat, waar dit reëel mogelijk is, van een bestaande rolverdeling wordt
afgeweken. De gezinsbijstand die in deze situatie wordt verstrekt, heeft het
karakter van een gezamenlijk recht van beide partners. Het algemene
uitgangspunt dat de bijstand aan gehuwden op de omstandigheden en
mogelijkheden van beide partners wordt afgestemd, heeft mede betrekking op
de aan de bijstand te verbinden verplichtingen. Indien er geen
redenen van medische of sociale aard zijn die zich daartegen
verzetten, dienen de aan de gezinsbijstand te verbinden verplichtingen
betreffende arbeidsinschakeling aan beide partners te worden opgelegd. Zo kunnen
de bij beide partners aanwezige kansen op herstel van de zelfstandige
bestaansvoorziening worden benut.
De regering is van opvatting dat niet kan worden gesteld
dat een verzorgingsperiode als regel leidt tot een onherstelbare
breuk met de arbeidsmarkt. In de praktijk is dit lang niet altijd het
geval. Ook ten aanzien van het verzorgingsforfait in de
Werkloosheidswet is het uitgangspunt gekozen dat een verzorgingsperiode kan
worden beschouwd als een tijdelijke onderbreking van de
betaalde arbeid en op grond daarvan wordt die periode betrokken bij de
vaststelling van het arbeidsverleden.
Het beleid zal er in het algemeen op gericht dienen te
zijn te voorkomen dat een periode van zorg voor kinderen
structureel in de weg staat aan de economische zelfstandigheid van vrouwen.
Onder meer met het oog hierop is in dit wetsvoorstel de benadering
gekozen dat ook tijdens de periode dat er sprake is van een verzorgende
taak voor één of meer kinderen jonger dan 12 jaar, de band met de
arbeidsmarkt zoveel mogelijk in stand wordt gehouden en dat wordt
geanticipeerd op toekomstige arbeidsinschakeling. Het voorgaande komt
neer op een beleid dat mannen en vrouwen zoveel mogelijk in staat
stelt het werken buitenshuis en thuis te combineren. Er is geen reden om
bij gehuwden ten aanzien van de verzorgende ouder een principieel
andere benadering rblz.| 74
te kiezen dan voor alleenstaande ouders. Gehuwde
partners hebben de mogelijkheid de verzorging van de kinderen te delen.
Hiermee dient bij het opleggen van arbeidsverplichtingen rekening te
worden gehouden.
Ten aanzien van de leeftijdsgrens van 12 jaar voor wat
de te verzorgen kinderen betreft, die de Emancipatieraad aanmerkt als
kunstmatig, is sprake van een opdracht aan burgemeester en wethouders
tot afstemming van de verplichtingen op die zorgtaak. Met
deze leeftijdsgrens wordt zeker niet beoogd het tot een automatisme te maken dat bij
kinderen jonger dan 12 jaar wordt afgezien van,
respectievelijk dat bij oudere kinderen altijd wordt besloten tot,
arbeidsinschakeling.
5.7.5. Scholing
De bijstand is erop gericht de belanghebbende in staat
te stellen zelfstandig in het bestaan te voorzien en daartoe worden
als regel aan de bijstand verplichtingen verbonden die direct gericht
zijn op inschakeling in arbeid in dienstbetrekking. De deelname aan het
arbeidsproces kan echter worden belemmerd door het ontbreken van een
toereikend opleidingsniveau of een verkeerde opleidingsrichting.
Evenals in de bestaande praktijk wordt de mogelijkheid
geboden om met behoud van de bijstandsuitkering een scholing of
opleiding te volgen die noodzakelijk is voor de inschakeling in het
arbeidsproces. Aldus kan het arbeidsmarktperspectief worden verbeterd. Er is dan
aanleiding om van bepaalde verplichtingen voor de duur van die
scholing of opleiding ontheffing te verlenen. Het oordeel over de
noodzakelijkheid van een scholing of opleiding ligt in de eerste plaats bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Vooral daar bestaat inzicht in de lokale of
regionale behoeften van de arbeidsmarkt en in de betekenis die de
verschillende beschikbare opleidingsmogelijkheden voor de
belanghebbende kunnen hebben om meer aan deze arbeidsmarktbehoeften te
voldoen. De conclusie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dient in
beginsel door de
gemeenten te worden gevolgd. Aldus kan een probleem
worden opgelost dat zich in de huidige praktijk wel voordoet,
namelijk dat het arbeidsbureau een scholing noodzakelijk acht, maar
burgemeester en wethouders de uitkering toch niet continueren. Daarnaast
blijft het in individuele gevallen mogelijk dat de gemeente voor een
belanghebbende met een zeer specifieke problematiek, met name in
achterstandssituaties, een minder direct op de arbeidsmarkt gerichte
scholingsvorm als noodzakelijk aanwijst. Hierbij dient dan sprake te zijn
van een opleiding die uitdrukkelijk bijdraagt tot een betere startpositie
op de arbeidsmarkt en die een noodzakelijke basis vormt voor een wél
direct op arbeidsinschakeling gerichte opleiding.
Reguliere onderwijsvormen die onder het bereik van de
Wet op de
studiefinanciering vallen, kunnen op grond van artikel 10 [9], tweede lid, van
dit wetsvoorstel niet met behoud van het recht op
bijstand worden gevolgd. Daarmee zou immers het beleid van de Minister
van Onderwijs en Wetenschappen worden doorkruist. De meerderheid van
de Commissie Sociale Voorzieningen van de SER
heeft zich in
het slotadvies bij dit standpunt van de regering aangesloten.
Het onderwijs op HBO- of wetenschappelijk niveau
blijkt in de praktijk echter niet altijd een voldoende basis te vormen voor de
inschakeling in de arbeid, zodat ook behoefte bestaat aan een instrument
als bijvoorbeeld omscholing op tertiair niveau voor de
herinschakeling in de arbeid. Een scholing of opleiding op tertiair niveau
kan echter
alleen als noodzakelijk worden beschouwd als het een specifiek op
werklozen gericht project betreft. De scholing dient beroepsgericht te
zijn en aan te sluiten bij de arbeidsmarktbehoefte. Tevens moet de scholing,
omdat deze ook gericht is op een zo snel mogelijke herintreding op de
arbeidsmarkt, van beperkte duur zijn. Bij opleidingen die langer dan twee
jaar duren, kan rblz.| 75
nauwelijks meer de garantie worden gegeven dat wordt
ingespeeld op een concrete behoefte op de arbeidsmarkt, zodat deze in
het algemeen niet als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt.
Om te voorkomen dat onder de noemer "scholing"
feitelijk activiteiten worden verricht die zijn aan te merken als onbeloonde
arbeid, geldt ook een beperking ten aanzien van de praktijkcomponent van
de scholing. Er kan slechts van een praktijkdeel binnen een scholing
worden gesproken indien dat deel in een redelijke verhouding staat tot
het theoriegedeelte. In bepaalde gevallen is toetsing hiervan noodzakelijk.
Toetsing is niet nodig indien het praktijkdeel qua tijdsbeslag niet meer
dan de helft van het scholingsprogramma uitmaakt én duidelijk een
onderdeel vormt van dat scholingsprogramma, blijkend uit bijvoorbeeld het
aanwezig zijn van begeleiding en nadruk op het in de praktijk oefenen (en
niet op het verrichten van produktieve arbeid). In gevallen van twijfel of als het praktijkdeel meer dan de helft van het
scholingsprogramma uitmaakt, zal toetsing moeten plaatsvinden. De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid kan hieromtrent nadere regels stellen.
5.8. Uitvoering en toezicht
5.8.1. De uitvoerende verantwoordelijkheid
De Abw
legt een zware verantwoordelijkheid bij
burgemeester en wethouders. Die verantwoordelijkheid reikt verder dan
het uitsluitend in technische zin uitvoering geven aan wettelijke en nadere
regels; zij omvat mede de zorg voor de inschakeling van voorliggende
voorzieningen, voor de fijnafstemming van de bijstand in het individuele geval,
voor het herstel van de zelfstandige bestaansvoorziening
van bijstandsgerechtigden en in zekere mate ook voor hun
maatschappelijk functioneren. De uitvoering van de Abw door burgemeester en
wethouders in medebewind, op basis van complementair bestuur, betekent
dat de gemeentebesturen gezamenlijk met de rijksoverheid de
verantwoordelijkheid dragen voor het doelmatig functioneren van de bijstandswet.
Uit het karakter van de Abw vloeit reeds voort dat in
het kader van deze wet niet volstaan kan worden met de aanwijzing van
een uitkeringsorgaan in enge zin; de verlening van bijstand is een
bestuurlijke taak, die alleen op decentraal niveau doelmatig kan worden
uitgevoerd. In die zin ligt het voor de hand dat de wetgever deze taak in
handen geeft van de colleges van burgemeesters en wethouders.
Een groot voordeel van deze uitvoering in medebewind is
dat de gemeentelijke bijstandstaak aldus ingekaderd is in het
geheel van lokale bestuurlijke verantwoordelijkheden. Anders gezegd:
doordat de verlening van bijstand onderdeel vormt van het geheel van
bestuurlijke verantwoordelijkheden op het lokale vlak, kan op andere
terreinen van gemeentelijke zorg met de bijstandsproblematiek rekening
worden gehouden. In de afwegingen die gemeentelijk worden gemaakt ten
aanzien van bijvoorbeeld het huisvestingsbeleid, de gezondheidszorg
en de maatschappelijke dienstverlening, kunnen en zullen
bijstandsvraagstukken worden meegewogen.
Op diverse plaatsen in dit wetsvoorstel komt de brede
verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders bij de
uitvoering van de Abw tot uitdrukking, onder andere:
- in de zorg voor de afstemming van de bijstand op alle
relevante omstandigheden van de betrokkenen en voor de
voorlichting en bemiddeling in verband met de inschakeling van voorliggende
voorzieningen (artikelen 13, 17 en
18). Het gaat hierbij niet om een
eenmalige zorg, doch om een regelmatige afstemming op wijzigingen in de
omstandigheden van de betrokkene;
rblz.| 76
- in de verlening van bijzondere bijstand, een taak die
zich mede uitstrekt tot degenen met een beperkt inkomen uit andere
bron dan de Abw (artikelen 41 tot en met 43 [39-41]);
- in de bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening, mede door samen te werken met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en door te bevorderen dat bijstandsgerechtigden
gebruikmaken van
voorzieningen die relevant zijn voor de arbeidsinschakeling (artikel 118
[111]);
- in de bevoegdheid tot het verbinden van aanvullende
verplichtingen aan de bijstand, alsmede tot het niet opleggen van
verplichtingen of het verlenen van ontheffing daarvan (artikelen 113 [106]
en 114 [107]);
- in de bij dringende redenen te bieden hulp in geval
van problematische schulden, hetgeen nauwe samenwerking met de gemeentelijke kredietbanken
vergt (artikel 15);
- in de bevoegdheid om, indien noodzakelijk, op te
treden als budgetbeheerder ten behoeve van een bijstandsgerechtigde (artikel
116 [109]).
De Interbestuurlijke Projectgroep Sociale Vernieuwing
heeft in het werkvoorstel "Bijstand verdienen" (oktober 1991)
gesteld dat burgemeester en wethouders duidelijk moeten omschrijven hoe
zij hun verantwoordelijkheid met betrekking tot de bijstandswet
invullen. In dit licht heeft de Projectgroep aangegeven dat zij een planmatige
aandacht op gemeentelijk niveau voor de uitvoering van de Abw
gewenst acht en er voorstander van is dat
gemeenten daartoe (op vrijwillige
basis) meer gaan werken met beleidsplannen en -verslagen. De
regering deelt de mening van de Projectgroep dat een dergelijke planmatige
aanpak van het gemeentelijk uitvoeringsbeleid grote voordelen
heeft. De zojuist geschetste brede verantwoordelijkheid die de Abe bij de
gemeenten legt, vergt, mede gezien het maatschappelijk belang van
de bijstandverlening, een weloverwogen uitvoeringsbeleid waarin de
relevante samenhangen, zoals met maatregelen die de arbeidsinschakeling
bevorderen, een plaats hebben. Door jaarlijks een beleidsplan vast
te stellen, kan het gemeentebestuur voor de individuele burger, voor
maatschappelijke organisaties en voor de rijksoverheid als toezichthouder
en overlegpartner zichtbaar maken op welke wijze aan genoemde
verantwoordelijkheid concreet inhoud wordt gegeven. Vooralsnog is er
de voorkeur aan gegeven in de Abw geen verplichting inzake de
vaststelling van een beleidsplan en -verslag op te nemen. Vrijwillige
invoering door de gemeenten is zodoende, zoals ook door de Projectgroep
bepleit, uitgangspunt. Slechts indien zou blijken dat invoering
op vrijwillige basis niet kan worden bereikt, is er aanleiding het werken met
beleidsplannen en -verslagen wettelijk te regelen.
Hoofdstuk IX van
dit wetsvoorstel bevat de bepalingen
die specifiek de uitvoerende verantwoordelijkheid van burgemeester en
wethouders betreffen. Daartoe wordt, zoals blijkt uit het
voorgestelde artikel 125 [119], mede gerekend de zorg voor een doeltreffende
voorlichting aangaande de verlening van de bijstand. Het ligt voor de hand
dat
de voorlichting zich niet beperkt tot degenen die reeds een
bijstandsuitkering ontvangen, maar gericht is op het bereiken van de bredere doelgroep
van mogelijke belanghebbenden. Verondersteld mag bovendien worden dat
de behoefte aan voorlichting niet alleen de mogelijkheden
van de landelijke regelgeving betreft, ook ten aanzien van het eigen
gemeentelijke beleid op het vlak van de bijstand zal het noodzakelijk zijn de
inwoners van een gemeente informatie te verschaffen.
De huidige wet bevat op dit punt in artikel 13a de
verplichting voor burgemeester en wethouders tot openbaarmaking van door
hen vastgestelde richtlijnen voor de verlening van bijstand. In
dit wetsvoorstel is deze verplichting niet overgenomen. Dit hangt ermee
samen dat evenmin is voorgeschreven dat burgemeester en wethouders
dergelijke richtlijnen rblz.| 77
dienen vast te stellen. Ik deel niet de mening van de
Commissie Sociale Voorzieningen van de SER, die in haar
interim-advies handhaving van die
verplichting heeft bepleit vanwege de betekenis die naar
haar mening aan dergelijke richtlijnen toekomt voor de
rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Het door de Commissie beoogde doel - openheid
en duidelijkheid omtrent het gemeentelijke bijstandsbeleid -,
dat ik volledig onderschrijf, kan ook zonder een dergelijke
publicatieplicht worden bereikt. Met het voorgestelde artikel 125 [119]
wordt beoogd
een actief voorlichtings- en informatiebeleid door gemeenten te bevorderen.
Bovendien wijs ik erop dat burgemeester en wethouders
reeds krachtens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehouden
zijn eventuele gemeentelijke richtlijnen waarop zij
bijstandsbeslissingen mede baseren openbaar te doen zijn. De rechtspraak inzake deze
beginselen heeft zich, sinds de invoeging in de ABW van artikel 13a in 1970,
zodanig ontwikkeld dat de openbaarheid en daarmee de
rechtszekerheid op dit punt voldoende gewaarborgd zijn. Wat de eventuele opname
in de Abw van een plicht voor gemeenten tot het vaststellen van
richtlijnen voor de bijstandverlening betreft - waarvoor de Raad voor het
binnenlands bestuur pleit -, ben ik van mening dat louter door
het stellen van die plicht de rechtsgelijkheid niet wordt bevorderd.
Paragraaf 2 van hoofdstuk IX regelt de
inlichtingenverplichtingen en de gegevensuitwisseling die in het kader van de uitvoering
van de Abw noodzakelijk zijn. De voorgestelde artikelen komen
overeen met het voorstel van Wet invoering sociaal-fiscaal nummer
gemeenten (Kamerstukken I 1991-1992, 22 148, nr. 229).
Ten aanzien van de gemeentelijke adviescommissie inzake
de bijstandverlening is de regelgeving aanmerkelijk vereenvoudigd.
Thans is het nog zo dat zowel de ABW, de Rww als het Bz bepalingen
kennen omtrent de instelling, taak en samenstelling van dergelijke
adviescommissies. Deze bepalingen zijn bovendien onderling verschillend. De
integratie van regelgeving die met dit wetsvoorstel wordt nagestreefd,
betekent dat wordt volstaan met het voorschrijven van één adviescommissie
binnen de gemeente; twee of meer gemeenten kunnen desgewenst
besluiten tot de vorming van een gezamenlijke commissie.
Binnen de Commissie Sociale Voorzieningen van de
SER leven blijkens het vervolgadvies van 16 februari 1990 verschillende
opvattingen op dit punt. Een deel van de Commissie is met de regering van
mening dat het instellen door de gemeente van een adviescommissie op
het terrein van de bijstandverlening wettelijk verplicht dient te zijn
en onderschrijft de keuze om daarbij te volstaan met één adviescommissie,
aangezien de bundeling van informatie en kennis in één commissie
kan bijdragen tot een meer integrale advisering over het bijstandsbeleid.
Wel acht dit deel de vorming gewenst van afzonderlijke subcommissies voor
de bijstand aan zelfstandigen en aan werkloze werknemers. Een ander
deel van de SER-commissie is van mening dat, behoudens ten aanzien
van zelfstandigen, de gemeenten niet dienen te worden verplicht tot
het instellen van een adviescommissie; voor een dergelijke verplichting
ziet dit deel geen reden, gelet op de algemene bevoegdheid tot de vorming
van commissies die burgemeester en wethouders reeds op grond
van de Gemeentewet bezitten.
Ik teken bij dit laatste standpunt aan dat vanwege het
bijzondere maatschappelijk belang dat met een adequaat lokaal
bijstandsbeleid is gediend, een adviserende inbreng daarin van
maatschappelijke groeperingen en deskundigen naar mijn mening niet gemist kan
worden. Het beleid krijgt hierdoor een steviger draagvlak. In dat licht bezien acht ik
het noodzakelijk dat is verzekerd dat in elke gemeente,
al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, een adviescommissie
actief is. rblz.| 78
Derhalve ben ik van mening dat gemeenten niet de ruimte
kan worden geboden geheel van de vorming van een adviescommissie af
te zien.
De voorschriften aangaande de samenstelling van de
commissie zijn tot een minimum beperkt, zowel wat betreft de te
vertegenwoordigen groeperingen als wat betreft de zetelverdeling. Aldus
wordt de gemeente zoveel mogelijk ruimte gelaten om ten aanzien
van de samenstelling tot een eigen invulling te komen. Door de inbreng van
één of
meer vertegenwoordigers van het Regionaal Bestuur voor
de Arbeidsvoorziening wordt bereikt dat de commissie op lokaal
niveau een rol kan spelen als platform voor de noodzakelijke
beleidsafstemming tussen de betreffende gemeente als uitvoerder van voorzieningen op
het terrein van de sociale zekerheid en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Uitdrukkelijk zij erop gewezen dat ook andere
groeperingen dan de in artikel 138 [-] genoemde in de commissie kunnen worden
opgenomen. Hierbij kan worden gedacht aan lokale, representatieve
organisaties van uitkeringsgerechtigden. Indien één of meer van
dergelijke organisaties in de gemeente aanwezig zijn, kan het zinvol zijn
hen bij de
werkzaamheden van de commissie te betrekken. Bekend is evenwel dat
zeker niet in alle gemeenten representatieve organisaties van uitkeringsgerechtigden
aanwezig zijn. Een verplichte instelling van zogenaamde
cliëntenadviescommissies, zoals de Emancipatieraad bepleit, ligt daarom
niet voor de hand.
Anders dan thans is de rijksconsulent sociale zekerheid
niet genoemd als lid van de commissie. Wel heeft hij, zoals blijkt
uit artikel 139 [130], derde lid, toegang tot de commissie en kan hij deelnemen aan
de beraadslagingen. Door de rijksconsulent niet langer lid te doen
zijn van de commissie worden diens verantwoordelijkheden als
toezichthouder en de uitvoerende verantwoordelijkheid van de gemeente
duidelijker onderscheiden. Het lidmaatschap van de commissie kan de
rijksconsulent in de positie brengen dat hij medeverantwoordelijkheid draagt
voor adviezen inzake door burgemeester en wethouders te nemen
beslissingen of te voeren beleid, waarvan hij later, in zijn hoedanigheid
van toezichthouder, de juistheid en toelaatbaarheid dient te beoordelen. Het
wordt derhalve zuiverder geacht te bepalen dat de rijksconsulent, uit
hoofde van zijn functie, toegang tot de commissie heeft en deel kan
hebben aan de beraadslagingen aldaar.
De taak van de commissie is in het voorstel van wet
globaal omschreven als het adviseren over vraagstukken die
samenhangen met de uitvoering van de Abw. Het accent is daarmee gelegd
op een beleidsmatige advisering, zoals thans ook reeds ten aanzien van
de Rww-commissie het geval is. De adviestaak van de
commissie betreft het gehele bijstandsterrein en heeft dus mede betrekking op
de bijstandverlening aan zelfstandigen. Indien een gemeente een deel
van de adviestaak in handen wenst te geven van een
subcommissie, bestaat daartegen geen bezwaar, zolang deze subcommissie
onderdeel uitmaakt van een commissie die voldoet aan de voorschriften in de
artikelen 137 [-] en 138 [-]. Met name ten aanzien van zelfstandigen kan de
vorming van een subcommissie praktische voordelen bieden.
Een deel van de SER-commissie is van opvatting
dat
naast de advisering over algemene beleidsaangelegenheden, de
gemeentelijke adviescommissie in ieder geval dient te worden gehoord
over de behandeling van individuele gevallen ingevolge het huidige
artikel 19 van de Rww; het betreft hier naar de mening van dit deel
zodanig ingrijpende beslissingen dat een verplicht advies van de commissie
een onmisbare rechtswaarborg vormt. Een ander deel van de
SER-commissie is daarentegen van mening dat de rechtsbescherming in voldoende
mate tot uitdrukking komt in de bestaande beroeps- en
bezwaarschriftenprocedures.
Ik onderschrijf de opvatting van het laatstbedoelde deel
van de SER-commissie. Uit een oogpunt van rechtsbescherming is
individuele rblz.|79
gevalsbehandeling via de commissie niet noodzakelijk,
gezien de mogelijkheden van bezwaar en beroep die in hoofdstuk XI
worden geboden. Indien burgemeester en wethouders dit wensen, kan de taak
van de commissie zich mede uitstrekken tot het adviseren
over individuele gevallen; ik zie dit evenwel niet als
belangrijkste taak van de commissie. Gevalsbehandeling op uitgebreide schaal is,
zeker in grotere gemeenten, vanwege de werklast moeilijk te combineren
met de noodzakelijk geachte beleidsadvisering door de commissie.
5.8.2. Het toezichtsbeleid
Een adequate uitvoering van
de Abw dient te zijn verzekerd, gelet op de
aanzienlijke maatschappelijke belangen die ermee gemoeid zijn. Velen zijn
immers voor de voorziening in het bestaan van deze
wet afhankelijk; voor
hen is een juist functioneren van de wet in de uitvoeringspraktijk van
directe betekenis voor hun bestaanszekerheid. Door de uitvoering van de
Abw in medebewind aan de
gemeenten op te dragen, wordt de uitvoerende verantwoordelijkheid in eerste aanleg aan
dat deel van de overheid
toevertrouwd dat het dichtst bij de individuele burger staat. Deze keuze
voor een decentrale uitvoering is van essentieel belang voor de kwaliteit van
de bijstandverlening; op lokaal niveau kan immers een afstemming op
individuele en plaatselijke omstandigheden plaatsvinden, die vanuit de
centrale overheid niet in dezelfde mate kan worden gerealiseerd.
De gemaakte keuze om de Abw
onder decentrale verantwoordelijkheid te doen uitvoeren,
is evenwel niet zonder consequenties. De uitvoering wordt zo gespreid
over de meer dan 600 gemeenten, die elk, binnen de kaders die de wet
stelt, een zekere ruimte hebben voor een eigen beleidsinvulling.
Naast maatwerk en een geringe afstand tussen burger en hulpbiedende
overheid zijn ook de rechtszekerheid, de rechtsgelijke toepassing van de
wet, de rechtmatigheid van de uitvoering en de afstemming tussen het
bijstandsbeleid en andere terreinen van overheidsoptreden van groot
belang. Daaruit vloeit voort dat er ook op centraal, landelijk, niveau
een verantwoordelijkheid ligt voor het adequate functioneren van de Abw. In politiek opzicht is die verantwoordelijkheid in handen gelegd
van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Teneinde de uitvoering van
de bijstandswet te kunnen optimaliseren, is het een vereiste dat beide
geschetste verantwoordelijkheidsniveaus, het decentrale en het centrale,
met elkaar worden verbonden. Daartoe oefent de rijksoverheid toezicht
uit op de gemeentelijke uitvoeringspraktijk; zij ziet erop toe dat de lokale
invulling niet tot strijdigheid met de wet of het landelijk beleid voert
en dat de gemeentelijke aanpak doelmatig en doeltreffend is.
rblz.|80
Zoals uit het voorgaande
duidelijk mag zijn geworden, vloeit de noodzaak van toezicht dus
voort uit de kenmerken van de Abw als een in medebewind, decentraal
uitgevoerde regeling met een openeindekarakter en een
sluitstukfunctie, een regeling derhalve die zowel centraal als lokaal beleidsafstemming
met andere beleidsterreinen vraagt en die vanwege het grote aantal
personen dat ervan afhankelijk is en het beslag op de algemene middelen dat
ermee is gemoeid, hoge eisen stelt uit een oogpunt van wetshandhaving.
Door het toezicht verschaft de rijksoverheid zich het benodigde
inzicht in het reilen en zeilen van de bijstandverlening en is de
minister in staat voor het bijstandsbeleid en voor de besteding van de
daarmee gemoeide gemeenschapsgelden verantwoording af te leggen
ten overstaan van het parlement en kan hij, ook in beleidsmatig opzicht,
inzicht verschaffen in de wijze waarop de bijstandswet wordt uitgevoerd.
Zoals uit het voorgaande
duidelijk mag zijn geworden, brengt de herinrichting van de ABW geen
wijziging in de noodzaak als zodanig tot het uitoefenen van toezicht op
de uitvoering. Wel is deze operatie aanleiding om de uitgangspunten en de
praktijk van het toezicht opnieuw te bezien. Met de herinrichting wordt immers getracht een nieuw evenwicht te
bereiken in de verdeling van
verantwoordelijkheden tussen Rijk en
gemeenten voor de
bijstandverlening en de toezichtsrelatie is daarbij mede aan de orde. Bovendien
vormt de problematiek van de wetshandhaving een aanleiding om de
effectiviteit van toezichtsactiviteiten onder ogen te zien. Het
toezichtsbeleid dient dus te worden geplaatst in het ruimere kader van de
bestuurlijke verhouding tussen Rijk en gemeenten en van het
handhavingsbeleid. Aldus kan nader vorm worden gegeven aan het specifieke karakter
van het toezicht waar de Abw om vraagt.
Het eigen karakter van het
toezicht op de bijstandverlening blijkt zowel uit de motieven om tot
toezicht te komen, uit de aard van het toezicht en de accenten die daarbij
worden gelegd, alsook uit de instrumenten die ter beschikking staan en de
concrete werkwijze van het toezicht. Bij deze verschillende aspecten zal
hierna worden stilgestaan.
Over de motieven die aan het
toezicht in het kader van de Abw ten grondslag liggen, is in het
voorgaande reeds het één en ander opgemerkt. Dat het financiële motief,
hoewel niet overheersend, een belangrijke rol speelt, spreekt voor zich,
gelet op de omvang van de uitgaven die, voor zover het de algemene
bijstand betreft, voor 90% ten laste van de rijksbegroting komen (circa ƒ10
mld in 1991). Een zo omvangrijke overdracht van financiële middelen van
het Rijk naar de
gemeenten kan niet verantwoord plaatsvinden zonder
dat van rijkswege wordt toegezien op de rechtmatigheid en
doelmatigheid van de gemeentelijke bijstandsuitgaven. Hierbij speelt mede
een rol dat de kosten van algemene bijstand op declaratiebasis aan de
gemeenten worden vergoed, zodat dus sprake is van een zogenaamde
openeinderegeling. In deze situatie kan niet worden volstaan met de
gebruikelijke accountantscontrole van gemeentelijke zijde, maar is ook toezicht
door het Rijk op de wijze van uitvoeren door de gemeenten vereist,
teneinde in voldoende mate zekerheid te verkrijgen over de
aanvaardbaarheid van de door de gemeenten gedane bijstandsuitgaven. Alleen op
die basis van [lees: kan, red.] de minister tegenover het parlement de volledige
politieke verantwoordelijkheid voor die uitgaven dragen.
Niet minder belangrijk als
motief tot toezicht is de noodzaak tot beleidsafstemming. Dit hangt
nauw samen met het beginsel van de uitvoering in medebewind. Zoals reeds werd aangegeven, laat de regelgeving aan de gemeenten een
belangrijke mate van beleidsruimte. Zo zijn er diverse open bepalingen
in de wet die burgemeester en wethouders een bepaalde taak of
bevoegdheid toekennen. Op verscheidene plaatsen wordt bewust afgezien van
het geven van centrale normen in de wet. Daarmee legt de wet
belangrijke verantwoordelijkheden op het decentrale niveau. Bij deze
bewuste keuze wordt op voorhand aanvaard dat bepaalde aspecten van
bijstandverlening tussen gemeenten onderling kunnen divergeren. Vooral, doch niet uitsluitend,
op het terrein van de bijzondere bijstand is dit
het geval. Deze divergentie mag evenwel niet zover gaan dat zij tot een
doorkruising van landelijk beleid voert. Zonder een passende vorm van toezicht is het niet mogelijk bevoegdheden op
verantwoorde wijze te
decentraliseren, gezien de ook bij decentralisatie in stand blijvende noodzaak
van afstemming op landelijke beleidskaders.
Met de noodzaak tot
beleidsafstemming hangt samen dat het toezicht mede een functie vervult ter
verzekering van evenwichtige bestuurlijke verhoudingen. Uit het feit
dat de uitvoering van de Abw door de wetgever in medebewind is
opgedragen aan de gemeenten volgt reeds dat het hier een taak
betreft waarvan het niet mogelijk wordt geacht rblz.|81
deze volledig overeenkomstig
lokale inzichten als autonome gemeentelijke taakbehartiging te
doen uitvoeren. Het toezicht brengt tot uitdrukking dat Rijk en
gemeenten de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Abw delen;
dat het hier, met andere woorden, een taak betreft die alleen op
basis van complementair bestuur tot een goed einde kan worden gebracht.
Een niet minder belangrijk
toezichtsmotief betreft de wetshandhaving. Het belang hiervan hangt
sterk samen met het karakter van de Abw als wet die rechten en plichten
regelt en die daarbij differentieert naar veel voorkomende omstandigheden.
Of in een concreet geval aanspraak op bijstand kan worden gemaakt,
tot welk bedrag en onder welke voorwaarden, is afhankelijk
van de in dat geval blijkende omstandigheden. Het complementaire
karakter van de Abw betekent dat reeds aanwezige middelen bij de
vaststelling van het recht op en de hoogte van de bijstand moeten worden
betrokken. Onvermijdelijk maakt dit de Abw tot een wet die
misbruikgevoelig is. Een goede uitvoering vereist daarom voortdurende aandacht voor
het handhavingsaspect. Rijk en gemeenten dienen een handhavingsbeleid
te voeren. Ook dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van
beide overheden. Uit de medebewindsconstructie vloeit reeds voort
dat burgemeester en wethouders een eigen verantwoordelijkheid voor de
wetshandhaving dragen. Deze verantwoordelijkheid omvat bijvoorbeeld de verificatie van de gegevens die belanghebbenden verstrekken,
alsmede de zorg voor een afdoende mate van wetshandhaving door de
uitvoerende ambtenaren. De verantwoordelijkheid van de centrale
overheid voor de wetshandhaving kan, gegeven de decentrale uitvoering,
slechts worden waargemaakt door inschakeling van de
rijksconsulentschappen als toezichthoudend apparaat.
Een vierde toezichtsmotief
betreft de noodzaak tot coördinatie. In bepaalde gevallen kan het
noodzakelijk zijn dat de rijksconsulent het initiatief neemt tot overleg
tussen twee of meer gemeenten of tussen gemeenten en andere
uitvoerende instanties, zoals bedrijfsverenigingen of de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Vooral naar zijn aard neemt
het toezicht op de uitvoering van de Abw een bijzondere plaats in.
Het toezicht dient niet beperkt te zijn tot zuiver controlerende,
toetsende
taken. Dit uitgangspunt ligt reeds ten grondslag aan de bestaande
toezichtspraktijk. De taken die de rijksconsulenten sociale zekerheid,
in naam van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, thans
vervullen, omvatten de volgende componenten:
a. beleidsoverdracht naar en
algemene advisering van
gemeenten inzake de uitvoering van de Abw;
b. bevordering van
coördinatie, bijvoorbeeld door het bevorderen van overleg tussen gemeenten en
andere uitvoerende instanties, zoals bedrijfsverenigingen en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
c. signalering van
ontwikkelingen en knelpunten in de gemeentelijke uitvoeringspraktijk ten
behoeve van het landelijke beleid, door het verzamelen van informatie via
thematische onderzoeken, mede ten behoeve van de beleidsverantwoording
tegenover het parlement;
d. toetsing van het
gemeentelijk bijstandsbeleid door onderzoek naar de wijze van uitvoeren en
het rapporteren van de bevindingen;
e. zo nodig het doen van
voorstellen voor corrigerende maatregelen, voorafgegaan door overleg
met burgemeester en wethouders.
Zoals uit dit takenpakket
blijkt, wordt aan het toezicht in het kader van de Abw
een invulling gegeven
die breder is dan het repressieve toezicht in zuiver formele zin.
Beleidsoverdracht, advisering en overleg zijn onmisbare bestanddelen van
de toezichthoudende taak. Dit houdt verband met de brede functie
van de Abw als algemene voorziening die mede het sluitstuk vormt op
andere voorzieningen. De uitoefening van de rblz.|82
toezichthoudende taak door
de rijksconsulenten is dus geen kwestie van eenrichtingsverkeer. De
Commissie Sociale Voorzieningen van de SER
heeft hier terecht de
aandacht op gevestigd. Het behoort mede tot de taak van de rijksconsulent
om signalen uit de gemeentelijke uitvoeringspraktijk op te vangen en
door te geven naar het centrale beleidsniveau. Dergelijke signalen kunnen
betrekking hebben op bijvoorbeeld de uitvoerbaarheid van de regelgeving of een tekortschietende aansluiting van het centrale beleid op
bepaalde problemen ten aanzien van de bijstand die zich in de
praktijk voordoen. Op deze wijze worden door middel van het toezicht - in
brede zin - het landelijke en het lokale niveau met elkaar verbonden.
De rijksconsulent treedt
verder op als raadgever voor de
gemeenten. Onder meer bij de
introductie van nieuwe beleidsmaatregelen is het van belang dat de gemeenten in
de eigen regio ambtenaren van het ministerie kunnen consulteren.
Het taakveld van de consulent beperkt zich niet tot de Abw, maar strekt zich
uit tot alle regelingen die de gemeenten op het beleidsterrein van de
sociale zekerheid uitvoeren en raakt bovendien aan beleidsterreinen die
voor de bijstandswet een voorliggend karakter hebben. Aldus heeft de
signalerende functie van de rijksconsulent ook betrekking op een eventuele
gebrekkige afstemming tussen de Abw en een voorliggende voorziening die ongewenste gevolgen voor de bijstandverlening heeft.
De accenten in het toezicht
worden zowel wat betreft de keuze van de instrumenten en methoden als
van de zaken waarop het toezicht zich richt verschillend gelegd,
al naargelang de aard van de bijstand en de inspanningen die een gemeente
zichzelf reeds getroost om een adequate uitvoering te bewerkstelligen. Ook door beleidsmatige prioriteitstelling
kan zich een (tijdelijke)
verschuiving van accenten voordoen. Het toezicht dient aan te sluiten bij de
dynamiek van de ontwikkelingen in de bijstandverlening en kan derhalve,
naar inhoud noch methode, statisch zijn. In algemene zin wordt
terughoudendheid in het toezicht nagestreefd. In welke mate deze doelstelling
kan worden gerealiseerd, is mede ook afhankelijk van de wijze
waarop de gemeentelijke uitvoeringspraktijk zich zal ontwikkelen en van de
wijze waarop de gemeenten het eigen bijstandsbeleid inzichtelijk
maken.
Een eerste aandachtspunt
hierbij betreft de bijzondere bijstand. De decentralisatie van de
bijzonderebijstandverlening heeft de beleidsinhoudelijke en financiële
verantwoordelijkheid daarvoor verlegd naar de gemeenten; dit leidt tot een
belangrijke accentverschuiving in het toezicht op deze bijstand.
Vooral ten aanzien van de beleidstoetsing en het treffen van corrigerende
maatregelen (de hiervoor genoemde componenten d en e) zal het
toezicht terughoudender worden. Allereerst komt het financiële motief voor
het toezicht als gevolg van de decentralisatie te vervallen, waardoor
financiële correctiemaatregelen niet meer aan de orde zijn. Bovendien zal de
toetsing van het gemeentelijk beleid inzake de bijzondere bijstand
beperkter van aard zijn als gevolg van de vermindering van de landelijke
regelgeving inzake deze bijstand; met het vervallen van gedetailleerde
landelijke voorschriften, bijvoorbeeld voor de draagkrachtberekening,
vervalt ook de noodzaak op de naleving ervan toe te zien. De beoordeling
op eventuele strijdigheid met de wet krijgt dus een globaler karakter,
zodat de rechtmatigheidstoets globaler en beperkter kan zijn. Het
aspect van de beleidsafstemming zal echter aandacht blijven vragen.
Voor de landelijke beleidsontwikkeling is voldoende inzicht in de
werking van de bijzonderebijstandverlening onmisbaar, waarbij ook
inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid van het betreffende
gemeentelijk beleid nodig is. Ook zal het toezicht een mogelijke strijdigheid
met het algemeen belang dienen te signaleren, rblz.|83
zodat bijvoorbeeld, indien
nodig, een doorkruising van het landelijk gevoerde inkomensbeleid kan
worden tegengegaan.
Doordat de decentralisatie
van de bijzondere bijstand de financiële verantwoordelijkheid voor
deze bijstand heeft verlegd van het Rijk naar de gemeenten, kan de
rijksoverheid zich terughoudend opstellen, mede doordat vanwege het
financiële belang van de gemeenten bij een doelmatige uitvoering van de
bijzonderebijstandverlening een vorm van gemeentelijke "zelfsturing" kan worden bereikt. In hoeverre voor de bijzondere bijstand
daadwerkelijk en blijvend kan worden volstaan met een vorm van "toezicht op
afstand", is mede afhankelijk van de mate waarin genoemde zelfsturing
in de praktijk zal blijken te functioneren. Naarmate gemeenten zelf hun
beleid en uitvoering inzake de bijzondere bijstand inzichtelijk maken,
kan met een globaal toezicht worden volstaan. Zo zal het ten
aanzien van een gemeente die periodiek een beleidsplan voor de
bijzondere bijstand vaststelt en die de resultaten van het gevoerde beleid in een
beleidsverslag neerlegt mogelijk zijn dat de rijksconsulent na
kennisneming van deze documenten geen aanleiding meer heeft tot het nader
ondernemen van concrete toezichtsactiviteiten op dit punt; ten aanzien van
een gemeente daarentegen die het eigen beleid in onvoldoende mate
inzichtelijk maakt, zal er eerder aanleiding voor de rijksconsulent zijn
om van zijn formele bevoegdheden gebruik te maken.
Ook ten aanzien van de
algemene bijstand acht ik een planmatige ontwikkeling en evaluatie
door
gemeenten van de eigen lokale uitvoeringspraktijk en de daarbij
gemaakte beleidskeuzes van belang. Hier geldt, evenzeer als bij de
bijzondere bijstand, dat een actieve opstelling van het gemeentebestuur,
leidend tot explicitering van het gemeentelijk beleid ter zake, ertoe kan
bijdragen dat de rijksconsulent terughoudend kan zijn met de inzet van
zijn formele bevoegdheden. Gelet op de doorwerking van de
uitoefening van het toezicht in de bestuurlijke verhouding tussen Rijk en
gemeenten, verdient ook ten aanzien van de algemene bijstand een
terughoudend optreden van de rijksconsulent de voorkeur. Daaraan kan
concreet gestalte worden gegeven door de toezichtsactiviteiten, meer
nog dan thans reeds in het algemeen het geval is, te richten op
hoofdlijnen en tendenties van het gemeentelijk bijstandsbeleid. Dit betekent
dat individuele bijstandsbeslissingen slechts in het toezicht worden
betrokken voor zover dit noodzakelijk is voor de toezichthouder om zich een
beeld te vormen van bepaalde tendenties in het gevoerde beleid. Met het
toezicht op grond van de Abw wordt niet beoogd het rechtstreeks
corrigeren van een door burgemeester en wethouders in een
individueel geval genomen bijstandsbeslissing. Indien is vastgesteld dat een
bepaald gemeentelijk bijstandsbeleid strijdig is met de
wet of het algemeen
belang, is het vervolgens de verantwoordelijkheid van burgemeester en
wethouders om de bijstelling van het beleid te laten doorwerken in afzonderlijke gevallen.
Belangrijk verschilpunt met
de bijzondere bijstand is dat het toezicht in het kader van de algemene
bijstand zich in belangrijke mate mede dient te richten op de beoordeling
van de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Bovendien is er
een samenhang met de financiële verantwoording door de gemeente
van de verrichte bijstandsuitgaven. De gemeenteaccountant stelt
met name vast of de in de definitieve opgave opgenomen kosten van
bijstand terecht door de gemeente worden gedeclareerd bij het Rijk,
gelet op de geldende criteria voor vergoeding, alsmede of de aan de
declaratie ten grondslag liggende gegevens correct zijn. Dit impliceert
dat hij vaststelt dat aan de uitgaven gemeentelijke toekenningsbesluiten
ten grondslag liggen, dat deze besluiten conform hun inhoud zijn
uitgevoerd en dat de bedragen aan de in de besluiten genoemde personen
in het beoordeelde jaar zijn uitbetaald. De gemeenteaccountant onthoudt
zich van een inhoudelijke toets van de rblz.|84
besluiten van burgemeester
en wethouders; de inhoudelijke beoordeling of de besluiten in
overeenstemming zijn met de geldende regelgeving maakt deel uit van de
beleidstoetsing door de rijksconsulent. De controle van de administratieve
organisatie van de gemeente en de beoordeling of de interne controle bij de
gemeente toereikend is, is daarentegen niet een taak van de
rijksconsulent, maar van de gemeenteaccountant.
Ook ten aanzien van de
beoordeling van de rechtmatigheid van de gemeentelijke
bijstandsuitgaven geldt dat eigen gemeentelijke inspanningen ertoe kunnen
bijdragen dat de rijksconsulent zijn werk meer op afstand kan doen. Naar de
mate waarin een gemeente er blijk van geeft een openlijke verantwoording
van het gevoerde bijstandsbeleid niet als eigen taak te zien, zal de
rijksconsulent zich in die gemeente nadrukkelijker door eigen onderzoek
van de hoofdlijnen en tendenties van dat beleid op de hoogte moeten
stellen. In dergelijke gevallen of overigens wanneer er aanleiding is de
rechtmatigheid van de verleende bijstand te onderzoeken, kan het nodig
zijn aan de hand van een steekproef uit de persoonsdossiers de
resultaten van de uitvoering te toetsen.
De instrumenten die aan het
toezicht ten dienste staan, zijn ten dele in wettelijke bepalingen
neergelegd. Verwezen wordt naar de artikelen 139 [130],
140 [131], 142 [135] en
143 [136]. In concreto
gaat het om:
- het verzoeken om
inlichtingen en inzage in relevante documenten;
- toegang tot de
gemeentelijke adviescommissie;
- het geven van aanwijzingen
aan burgemeester en wethouders met betrekking tot een goede
uitvoering van de Abw;
- het lager vaststellen van
voorschotten op de vergoeding van bijstandskosten aan
gemeenten;
- het geheel of gedeeltelijk
weigeren van de vergoeding.
Een deel van het
instrumentarium is niet of niet volledig in wettelijke bepalingen neergelegd. Dit
betreft met name het overleg dat de rijksconsulent met
gemeenten voert
en de activiteiten in het kader van de beleidsoverdracht aan
gemeenten. In overeenstemming met de hiervoor uiteengezette
toezichtsfilosofie wordt een weloverwogen en gedifferentieerde inzet van de genoemde
instrumenten nagestreefd. Hierbij speelt niet alleen een rol dat,
zoals reeds werd aangegeven, de bijzondere bijstand een andere
benadering vergt dan de algemene bijstand, maar ook dat in de fase van de
invoering van nieuwe beleidsmaatregelen een andere inzet van
instrumenten gewenst is dan ten aanzien van de staande regelgeving. Bij
nieuwe beleidsmaatregelen ligt het accent in de aanvangsfase op de
overdracht van dat beleid, waarbij de rijksconsulent een adviserende en
stimulerende rol te vervullen heeft.
Met de decentralisatie van
de bijzondere bijstand is de mogelijkheid voor het Rijk vervallen om
ten aanzien van een bepaalde gemeente zo nodig corrigerend op te
treden door het treffen van een financiële maatregel. Het Rijk blijft
beschikken over de mogelijkheid, gegeven in artikel 265 e.v. van de Gemeentewet, een besluit van het gemeentebestuur te schorsen en te
vernietigen in geval van strijdigheid met het recht of met het algemeen belang.
In met name twee situaties die zich bij de uitvoering van de Abw
kunnen
voordoen, zijn deze mogelijkheden van de Gemeentewet
evenwel niet
toereikend:
- er kan sprake zijn van een
onjuiste tendentie in de gemeentelijke uitvoering die in een ruim
aantal individuele uitkeringsbesluiten naar voren treedt, doch die niet
berust op een ter zake door het gemeentebestuur genomen besluit van
algemene strekking. Schorsing en vernietiging zijn dan als instrument
minder geschikt, aangezien hiermee de bedoelde tendentie als zodanig niet
ongedaan kan worden gemaakt; zo stuit schorsing weliswaar
onmiddellijk de werking van de betreffende individuele uitkeringsbeschikking,
doch de onjuist geachte tendentie in het rblz.|85
gemeentelijk
uitvoeringsbeleid wordt hierdoor onverlet gelaten;
- er kan sprake zijn van een
zodanig passieve opstelling van het gemeentebestuur dat moet
worden gesproken van het geheel of gedeeltelijk verzaken van de in medebewind opgedragen bijstandstaak. Indien
deze passieve opstelling
niet berust op een gemeentelijk besluit, biedt de mogelijkheid van schorsing
en vernietiging geen soelaas.
Met het oog op beide
situaties acht ik het noodzakelijk dat de momenteel in artikel 81d
van de ABW opgenomen mogelijkheid voor de verantwoordelijke minister
om aan burgemeester en wethouders een aanwijzing te geven met
betrekking tot een goede uitvoering van de wet, wordt gehandhaafd, mede ten
aanzien van de bijzondere bijstand. In de aanwijzing wordt ten aanzien
van de betreffende gemeente neergelegd wat in dat geval de
medebewindstaak vergt. De aanwijzingsprocedure heeft het voordeel dat
deze
indien verschil van inzicht bestaat tussen de centrale en een lokale
overheid over wat een goede uitvoering van de Abw
vergt, voor beide
partijen klaarheid schept. Zo dienen burgemeester en wethouders
voordat een aanwijzing wordt gegeven te worden gehoord en kunnen zij
tegen de aanwijzing beroep aantekenen. De aanwijzing heeft dus mede
een procedurele functie. Er wordt van uitgegaan dat indien de
aanwijzing - eventueel na een daartegen door de gemeente ingesteld beroep
- in stand blijft, de betrokken gemeente deze opvolgt. De ervaring
geeft geen aanleiding anders te veronderstellen, zodat ervan is
afgezien in dit wetsvoorstel een regeling op te nemen voor het geval een
gemeente een aanwijzing naast zich neer zou leggen. Van de bevoegdheid
tot het geven van een aanwijzing zal, zoals in achterliggende jaren ook
het geval is geweest, een terughoudend gebruik worden gemaakt.
De Commissie Sociale
Voorzieningen van de SER heeft in zijn
interim-advies voorgesteld het
streven naar terughoudendheid bij het toezicht nader te concretiseren, door
in de regelgeving vast te leggen dat het toezicht ten aanzien van de
bijzondere bijstand beperkt blijft tot een marginale toetsing. De regering is van opvatting dat, waar dit mogelijk is,
concreet gestalte dient te
worden gegeven aan het uitgangspunt van een terughoudend toezicht. Dit
is in dit wetsvoorstel geschied door, naast de verduidelijking in deze
memorie van toelichting, ten aanzien van de aanwijzing uitdrukkelijk te
bepalen dat de minister daarbij niet treedt in de besluitvorming in
individuele gevallen. Een verdere mogelijkheid tot concretisering betreft de
totstandkoming van bestuurlijke afspraken tussen Rijk en gemeenten
omtrent de wijze waarop toezichtsactiviteiten plaatsvinden; hierop zal aan
het slot van deze paragraaf nader worden ingegaan. Dit wordt een
betere weg geoordeeld dan het in de wettekst vastleggen dat sprake is van
een "marginale toetsing", zoals de Commissie voorstelde. De wijze waarop
het toezicht wordt uitgeoefend en waarop gemeenten dit ervaren, wordt
in belangrijke mate bepaald door de manier waarop de
toezichtsfunctie in de dagelijkse praktijk gestalte krijgt. Deze materie leent
zich naar zijn aard beter voor bestuurlijke afspraken tussen Rijk en
gemeenten dan voor wettelijke regeling, waardoor bovendien te veel
afbreuk zou worden gedaan aan de voor een effectief toezicht vereiste
flexibiliteit.
Er is geen aanleiding
toezichtsinstrumenten met een preventief karakter in de Abw of de
nadere regelgeving te handhaven of op te nemen. Het zogenoemde instemmingsrecht van de minister in bepaalde
gevallen van
bijstandverlening aan zelfstandigen (artikel 31 Bz) zal om die reden vervallen.
De bevoegdheid tot het
stellen van nadere regels bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur betreffende de taak en bevoegdheden van de rijksconsulent, welke
thans is gegeven in artikel 81b, tweede lid, is niet gehandhaafd. Het
daarop gebaseerde Besluit bijstandsconsulenten rblz.|86
(Stb. 1974, 521) zal
worden ingetrokken. Het is toereikend de bevoegdheid van de
rijksconsulent te regelen zoals in het voorgestelde artikel 139 [130]. Het is niet
nodig, en uit een oogpunt van deregulering ook niet gewenst, het
takenpakket van de rijksconsulenten, die rijksambtenaar is, in aparte
formele regelgeving vast te leggen.
De concrete werkwijze die de
rijksconsulent bij de uitoefening van zijn toezichthoudende taak
hanteert, kan van geval tot geval verschillen. Zo zal wanneer een omvangrijk
onderzoek bij een grote gemeente nodig blijkt, een andere werkwijze
worden gevolgd dan wanneer het een specifiek probleem betreft
dat zich in een kleine gemeente voordoet.
Er zijn vijf
rijksconsulentschappen, die elk in een regio werkzaam zijn; een regio omvat twee tot
drie provincies. Jaarlijks wordt er voor de vijf rijksconsulentschappen
gezamenlijk een toezichtsplan opgesteld. Het toezichtsplan omvat de
algemene prioriteiten die landelijk worden gesteld. Per rijksconsulentschap vindt vervolgens een nadere
uitwerking van het toezichtsplan
plaats. Een deel van de toezichtsactiviteiten heeft een regulier karakter.
Daarbij geldt het uitgangspunt dat per regio elke gemeente ten minste eenmaal
per jaar wordt benaderd. Het gaat hierbij om
standaardonderzoeksactiviteiten die erop gericht zijn een beeld van de hoofdlijnen en tendenties
van het bijstandsbeleid in de betreffende gemeente te verkrijgen, ter
beoordeling van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de
verleende bijstand.
Indien het
standaardonderzoek of andere signalen daartoe aanleiding geven, kan worden besloten
dat aan de gemeente in kwestie meer specifiek aandacht wordt
geschonken. In de contacten die de rijksconsulent in zo'n situatie met
de gemeente heeft, laten zich als regel enkele fasen onderscheiden.
Aanvankelijk ligt de nadruk op het voeren van overleg, waarbij de
rijksconsulent zich een duidelijk beeld tracht te verschaffen van de
achtergronden van de in die gemeente gemaakte beleidskeuzen en waarbij
hij, indien dat beleid aanpassing behoeft, allereerst door overreding zal
trachten de gemeente tot een bijstelling van het beleid te bewegen.
Wanneer duidelijk is dat de gemeente aan haar beleid wenst vast te houden
en de nader verkregen informatie de rijksconsulent sterkt in de opvatting dat dit beleid aanpassing behoeft, zal hij
vervolgens gebruikmaken van
de wettelijke instrumenten die hem ten dienste staan.
Het is gebruikelijk dat
indien een specifiek onderzoek wordt ingesteld, de rijksconsulent met de
betrokken gemeente overlegt over de systematiek van het onderzoek.
Soms kan worden volstaan met een steekproef, soms zal ten aanzien
van een bepaald aspect het gehele bestand dienen te worden onderzocht, soms richt het onderzoek zich op een
bepaald deelbestand, zoals
het debiteurenbestand. Eén en ander is uiteraard in belangrijke
mate afhankelijk van de aard van het probleem dat dient te worden
onderzocht.
Hoewel elk onderzoek weer
bijzondere eisen kan stellen, is er sprake van bepaalde terugkerende
procedures. Bezien zal worden of het mogelijk is bepaalde procedurele aspecten, termijnen en de gedragsregels die de
rijksconsulenten in acht nemen in hun contacten met de gemeenten, neer te leggen in
een protocol. Een dergelijk protocol kan de gemeenten op voorhand
informatie verschaffen over de wijze waarop toezichtsactiviteiten
concreet gestalte krijgen. Bij voorkeur dient een dergelijk protocol een
tweezijdig karakter te dragen, doordat ook essentiële gedragsregels die de
gemeenten in hun contacten met de rijksconsulentschappen in acht nemen
erin worden opgenomen.
Aldus kunnen aangaande de
wijze waarop de toezichtsfunctie in de praktijk wordt uitgevoerd
bestuurlijke afspraken worden gemaakt die recht doen aan de hier uitgedragen conceptie van het complementaire
bestuur. Zoals reeds werd
aangegeven in paragraaf 4.2.1 van deze memorie is in
rblz.|87
1991 een regelmatig
bestuurlijk overleg tussen de bewindspersonen van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de VNG ingesteld, ter
bevordering van de afstemming tussen landelijk en gemeentelijk
bijstandsbeleid en tussen landelijk beleid en gemeentelijke
uitvoeringspraktijk. Daarbij wordt gestreefd naar de totstandkoming van concrete
afspraken, zowel in procedureel als beleidsinhoudelijk opzicht.
Ook de methodiek van het toezicht kan daarbij, in algemene zin, onderwerp van overleg zijn. Naast de hiervoor
genoemde procedurele
aspecten en gedragsregels kunnen ook aangaande de in het algemeen
te hanteren criteria bij het toezicht bestuursafspraken worden
gemaakt. Op deze wijze kunnen de gemeenten via genoemd
centraal overleg worden betrokken bij de wijze waarop het toezicht in de
praktijk gestalte krijgt.
Ten
slotte verdient nog
vermelding dat de rijksconsulentschappen ook door individuele burgers
worden benaderd met een verzoek om informatie of advies. De rijksconsulent kan in dit soort gevallen slechts een
toelichting geven op de
bedoeling van de wet, zowel naar de belanghebbende als naar de betrokken
gemeente;
hij heeft niet de bevoegdheid bindende uitspraken te doen
over het betrokken geval en zal de hierbij te treffen beslissing voor
verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders dienen te laten.
5.9. Financiering
In de adviesaanvrage inzake
de herinrichting van de ABW is het vorige kabinet uitgegaan van een
vergroting van het gemeentelijk aandeel in de kosten van de algemene
bijstand. Concreet is daartoe voorgesteld de huidige financiële
verhouding, waarin het Rijk 90% van de lasten van de algemene bijstand
draagt en het gemeentelijk aandeel 10% beloopt, te vervangen door
een 80/20-verhouding. Omtrent dit voorstel is zowel door de Commissie
Sociale Voorzieningen van de SER, de Raad voor de
gemeentefinanciën
als door de Raad voor het binnenlands bestuur overwegend negatief
geadviseerd. In paragraaf 4.2.1 van deze memorie is uiteengezet dat dit voor
de regering aanleiding is af te zien van de invoering van een 80/20-verhouding.
Zoals blijkt uit hoofdstuk X
van het wetsvoorstel, is gekozen voor handhaving van de huidige
90/10-verhouding voor wat betreft de bijstandsuitgaven voor algemene bestaanskosten
(....). [lees: voor algemene bestaanskosten., red.]. Deze financiële
verhouding zal eveneens
gelden voor de bijstandverlening aan ondernemers in de binnenvaart en
aan personen in inrichtingen zonder gemeente
van thuisbehoren.
Voor beide situaties geldt in de bestaande wet een afwijkende
vergoedingsregeling, inhoudend dat het Rijk 100% van de
bijstandslasten vergoedt. Beide situaties komen slechts zelden voor, zodat er,
gezien ook het streven naar vereenvoudiging van regelgeving, geen aanleiding
is deze afwijkende vergoeding te laten voortbestaan. Met de
hierdoor optredende financieringsverschuiving is naar schatting een bedrag
gemoeid van ongeveer ƒ0,3 mln. Dit bedrag zal aan het gemeentefonds
worden toegevoegd.
Zoals in
paragraaf 4.2.1 reeds is
vermeld, wordt thans in het kader van de zogenaamde Decentralisatie-impuls
onderzoek verricht naar de mogelijkheid van een andere bekostigingssystematiek voor de algemene bijstand. Naar die
paragraaf wordt verwezen.
De decentralisatie van de
bijzondere bijstand heeft ertoe geleid dat deze bijstandskosten
voortaan volledig ten laste van de
gemeenten komen. De gemeenten zijn
financieel in staat gesteld de verantwoordelijkheid voor de bijzondere
bijstand te dragen door overheveling naar het rblz.|88
gemeentefonds van de gelden
die tot het jaar van overheveling door het Rijk voor deze
bijstandverlening waren uitgetrokken. De omvang daarvan is bepaald op ƒ200 mln.
Gelijktijdig is ter bevordering van een adequate verlening van bijzondere
bijstand overeenkomstig het Regeerakkoord een additioneel bedrag van ƒ100
mln aan het gemeentefonds toegevoegd, zodat, tezamen met het
bedrag van ƒ200 mln, per saldo voor de financiering van de bijzondere
bijstand structureel ƒ300 mln aan de gemeenten ter beschikking
staat.
In de adviesaanvraag aan de
SER is gewezen op de mogelijkheid ook de bijstand voor
bedrijfskapitaal te decentraliseren. De Commissie Sociale Voorzieningen van de
SER is er blijkens het vervolgadvies geen voorstander van deze
bijstand onder de financiële en beleidsmatige verantwoordelijkheid van de
gemeenten te brengen. Zij wijst daarbij op een aantal negatieve
gevolgen van de financiële overheveling die voortvloeien uit het ontstaan van
verschillende financieringsregimes voor bijstand ter voorziening in
bedrijfskapitaal, respectievelijk periodieke bijstand aan zelfstandigen
ter voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Tevens merkt
zij op dat decentralisatie vooral voor kleine gemeenten een sterk
wisselende financiële belasting kan betekenen, aangezien het bij de
bijstand voor bedrijfskapitaal per geval om vaak omvangrijke bedragen gaat;
door onvoorziene externe omstandigheden die de gemeenten niet kunnen
beïnvloeden, zoals een extreem slecht oogstjaar voor boeren, kan
de bijstand in een bepaald jaar bovendien sterk oplopen. Voorts ziet
de SER-commissie geen mogelijkheden tot vermindering van centrale
regelgeving vanwege de complexiteit van de bijstand voor
bedrijfskapitaal.
Genoemd advies is voor de
regering aanleiding geweest om aangaande de bijstand ter
voorziening in bedrijfskapitaal voorshands te kiezen voor handhaving van
de huidige financieringsverhouding van 90/10. Of tot
decentralisatie van deze vorm van bijstand zal worden besloten, is thans nog
onderwerp van nadere besluitvorming.
In het Regeerakkoord is
neergelegd dat iedere afzonderlijke gemeente die meewerkt aan het
instrument van de banenpool de mogelijkheid wordt geboden in aanmerking
te komen voor een eenmalige incentivepremie van 10% over de effectieve daling van de totale bijstandsuitgaven in het
jaar na oprichting van de banenpool ten opzichte van het voorgaande jaar.
Deze premie is in 1991 voor het eerst tot uitbetaling gekomen; voor
volgende jaren zal over de verdere daling van de bijstandsuitgaven de premie
hoger kunnen zijn (15% of meer), afhankelijk van de
resultaten. De bedoeling is dat de premie door de gemeente opnieuw wordt
ingezet voor de financiering van het activerend arbeidsmarktbeleid in het
kader van de banenpools, opdat dat bedrag dan weer kan worden
aangewend voor intensivering respectievelijk financiering van de
banenpoolinspanning. Deze incentiveregeling heeft als specifieke uitkering in
een afzonderlijke regeling gestalte gekregen (Stcrt. 1991, 7).
Het niveau van het
gemeentelijk aandeel in de bijstandsuitgaven is in de tijd gezien zowel als
gevolg van door het Rijk geïnitieerde beleidsmaatregelen alsmede door
autonome ontwikkelingen aan wijziging onderhevig. Het activerend
arbeidsmarktbeleid zal de komende jaren tot een verdere daling van de uitgaven voor algemene bijstand moeten
leiden. Mede in dit licht
zijn er tussen Rijk en VNG afspraken gemaakt over de systematiek van
compensatie en decompensatie van gemeentelijke bijstandsuitgaven.
Deze afspraken zijn opgenomen in een bijlage bij het in 1990 ondertekende
Bestuursakkoord Rijk-VNG.
rblz.|89
In de bestaande ABW
ontbreken expliciete bepalingen inzake de verlening door het Rijk aan
gemeenten van voorschotten op de rijksvergoeding van bijstandsuitgaven. Uit een oogpunt van rechtsbescherming
voor de gemeenten wordt het
wenselijk geacht dat deze voorschotverlening stoelt op een in de
wet vastgelegde bepaling. In dit wetsvoorstel is derhalve, in hoofdstuk
X,
uitdrukkelijk geregeld dat het Rijk op verzoek van de gemeente een
dergelijk voorschot verleent. In nadere regelgeving zullen de wijze van
berekenen, de voorwaarden tot verstrekking en de betaling van voorschotten
worden geregeld. Voor zover mogelijk zal daarbij worden aangesloten
bij de huidige uitvoeringspraktijk, zoals thans geregeld in het Besluit
verantwoording en vergoeding uitkeringskosten ABW, loaw
en Ioaz (Bvvu; Stcrt. 1987, 188).
Voor geschillen over de
rijksvergoeding is ingevolge de voorgestelde Algemene wet bestuursrecht
(Kamerstukken I 1991-92, 21 221, nr. 174) de algemene rechtsgang van
toepassing die ook geldt voor overige bijstandsgeschillen. Dit
betekent dat de gemeente
de mogelijkheid heeft om een bezwaarschrift in te
dienen bij het bestuursorgaan dat de beslissing heeft genomen (i.c.
de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid). Vervolgens staat
beroep open op de administratieve kamers van de rechtbank en hoger
beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
In het bestaande Bvvu zijn
voor de
gemeenten voorschriften opgenomen inzake de
administratie, de wijze van declareren, de bij de declaratie behorende accountantsverklaring, de uitvoering van periodieke
heronderzoeken en het
verstrekken van statistische gegevens. Voorts is daarin bepaald onder welke
voorwaarden en op welke tijdstippen voorschotten op de
rijksvergoeding worden verleend en is geregeld dat gemeenten statistische
gegevens inzake de uitvoering van de ABW dienen te verstrekken. Deze
gegevensverstrekking blijft ook in de toekomst noodzakelijk, mede
ten aanzien van de bijzondere bijstand. Weliswaar is vanwege het
vervallen van de rijksvergoeding voor bijzondere bijstandsuitgaven
een comptabele controle vanwege het Rijk op deze uitgaven niet meer
aan de orde, doch de eindverantwoordelijkheid van de minister
voor de uitvoering van deze wet maakt het niettemin noodzakelijk dat
hij, mede aangaande de bijzondere bijstand, blijft beschikken over de
nodige informatie. De nader door de minister te stellen regels omtrent de
voor de statistiek te verstrekken gegevens zullen om die reden ook
betrekking hebben op de bijzondere bijstand. Dit geldt evenzo ten aanzien van
de verplichting voor de gemeenten tot het verstrekken van inlichtingen
aan de rijksconsulent en het verlenen van inzage in van belang zijnde
documenten.
In een ministeriële
regeling zullen (nadere) regels worden gesteld ten aanzien van de
administratie, de termijn waarbinnen heronderzoeken dienen plaats te vinden, de
wijze en het tijdstip van declareren en de daarbij door de gemeente te
verstrekken gegevens (waaronder begrepen de accountantsverklaring),
de verlening van voorschotten, alsmede ten aanzien van de voor de
landelijke statistiek te verstrekken uitvoeringsgegevens. Deze regeling komt
in de plaats van het Bvvu en zal, evenals dat besluit, mede betrekking
hebben op overige regelingen in het kader van de sociale zekerheid die de
gemeenten in medebewind uitvoeren. In aansluiting bij de bestaande
situatie is voor de genoemde aspecten wat het niveau van regelgeving
betreft, gekozen voor de ministeriële regeling. Hierbij is overwogen dat de
aard van de te geven administratieve voorschriften en van de
statistiekbepalingen nauw aansluit bij de ministeriële bevoegdheid inzake de
vergoeding van de algemene bijstandskosten. Gezien die samenhang
wordt het gewenst geacht het integrale karakter van het bestaande
Bvvu te handhaven. Bovendien is het noodzakelijk dat de
administratieve voorschriften, de voorschriften in het kader rblz.|90
van de vergoeding en de
statistiekbepalingen in voorkomende gevallen tijdig in overeenstemming
kunnen worden gebracht met wijzigingen in de regelgeving, mede wanneer
die wijzigingen een ministeriële regeling betreffen.
Tegen de achtergrond van de
nieuwe Gemeentewet, waarbij meer eisen worden gesteld aan de
rekening en verantwoording ten behoeve van de gemeenteraad, heeft
het vorige kabinet, na overleg met de VNG, besloten tot een experiment
op het vlak van de accountantsverklaringen. In dit kader zijn ook het zogenoemde BBI-project
(Beleids- en beheersinstrumentarium
gemeentebesturen) en de instelling van de Werkgroep Ontwikkeling
Accountantscontrole (WOA) van betekenis. In het regeringsstandpunt van 24
februari 1989 naar aanleiding van het WOA-rapport "Verantwoording en
controle in het perspectief van de nieuwe Gemeentewet; betekenis voor
de gemeente en het Rijk" (Kamerstukken II 1988-89, 20 800, hoofdstuk
VII, nr. 33) is gesteld dat de verbetering van de termijnen en vooral van
de kwalitatieve betekenis (recht- en doelmatigheid) van de
gemeenterekening en de gemeentelijke verantwoording, de mogelijkheid zou
openen
om één integrale accountantscontrole toe te passen ten behoeve van de
gemeenteraad enerzijds en de ministeries met specifieke uitkeringen anderzijds (de
zogenaamde
"single
audit"). Teneinde deze hoofdgedachte
te toetsen, wordt sinds enige tijd in een beperkt aantal gemeenten
geëxperimenteerd met een geïntegreerde accountantsverklaring, onder
meer aangaande de bijstandsuitgaven. Uitgangspunt daarbij is dat
de jaaropgaaf als declaratiedocument van de gemeente blijft gehandhaafd.
De daarop vermelde hoofdgegevens dienen te corresponderen met
de gemeenterekening. De op de gemeenterekening betrekking
hebbende accountantsverklaring en het daarbij behorende rapport van
bevindingen kunnen om die reden dienen als verklaring bij de jaaropgaaf
die aan het ministerie wordt gezonden. Na afloop van de
experimenteerperiode zal, indien de resultaten het toelaten, deze werkwijze
voor alle gemeenten worden ingevoerd. Daarbij zal ook de betekenis van de
resultaten voor de werkzaamheden van de rijksconsulent aandacht
kunnen krijgen.
5.10. Rechtsbescherming
5.10.1. Herziening stelsel
van rechtsbescherming
Bij de inrichting van de
rechtsgang voor de Abw ligt het voor de hand om zoveel mogelijk aan te
sluiten bij de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie en bij de daarvan deel uitmakende definitieve voorziening in
kroongeschillen. Bovendien ligt het in de rede om rekening te houden met de
aard van de geschillen en de gewenste eenheid in de toepassing van
het recht binnen het gehele stelsel van sociale zekerheid, waardoor
de overzichtelijkheid voor de burger wordt vergroot. Op deze gronden
dringt de volgende keuze voor de (toekomstige) socialezekerheidsrechter zich op: rechtspraak in eerste instantie door de (administratieve
kamers van de) rechtbanken en in hoger beroep door de Centrale Raad van
Beroep. Dit betekent dat voortaan in Abw-zaken sprake zal zijn
van rechtspraak in twee instanties.
Genoemd stelsel en de
herinrichting van de ABW zullen, indien enigszins mogelijk,
gelijktijdig worden ingevoerd, en wel per 1 juli 1993. Op die datum is namelijk de
inwerkingtreding voorzien van de Algemene wet bestuursrecht
(Kamerstukken I 1991-1992, 21 221, nr. 174) en van het voorstel van
Wet
voltooiing
eerste fase herziening rechterlijke organisatie (Kamerstukken II 1991-1992,
22 495).
Van de hoofdregel van
rechtspraak in twee instanties kan onder omstandigheden worden
afgeweken, echter niet waar artikel 14, vijfde rblz.|91
lid, van het Internationaal
verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten rechtspraak in twee
instanties voorschrijft. Dat is het geval indien sprake is van een
"criminal charge". In het advies van de Commissie voor de toetsing
van wetgevingsprojecten is geconstateerd dat hoewel toepassing van
een administratieve sanctie op grond van de Abw niet steeds een "criminal
charge" oplevert, dit in bepaalde gevallen, gezien de stand
van de jurisprudentie, zeer waarschijnlijk wel het geval zal zijn. In die
gevallen is derhalve op grond van internationaalrechtelijke verplichtingen
rechtspraak in twee instanties voorgeschreven en is er dus geen ruimte
voor een andere keuze. Hoewel dit laatste dus niet voor alle
bijstandsgeschillen geldt, zou een keuze voor een stelsel waarin voor sommige
geschillen rechtspraak in twee instanties en voor andere rechtspraak in één
instantie wordt voorgeschreven, belangrijke nadelen met zich brengen.
Uiteenlopende rechtsgangen binnen één wet behoren zoveel mogelijk
vermeden te worden. Dit heeft het kabinet ertoe gebracht in het algemeen te
kiezen voor rechtspraak in twee instanties.
De bestaande ABW kent een
dubbele bestuurlijke voorprocedure. Het kabinetsbeleid is erop
gericht dubbele voorprocedures te vermijden. Teneinde te voorkomen dat
over een bijstandsgeschil in vier "instanties" zou kunnen worden
geprocedeerd, dient een keuze te worden gemaakt tussen bezwaar en administratief beroep. Hoofdregel is dat in het
bestuurlijke traject wordt
gekozen voor bezwaar. Deze hoofdregel is neergelegd in artikel 6.3.1a
[7:1] van de voorgestelde Algemene wet bestuursrecht. Voor
administratief beroep is in beginsel alleen nog plaats als het daarmee te belasten
bestuursorgaan zelf een beleidsmatige verantwoordelijkheid op het
beleidsterrein heeft. Dit is ten aanzien van gedeputeerde staten ten
aanzien van de Abw niet het geval. Bovendien past de keuze voor de
gemeenten bij de tendens in het beleid op het terrein van de bijstand tot
verdere de centralisatie en vergroting van de verantwoordelijkheid van de
gemeenten.
Eén en ander leidt tot het
volgende algemene stelsel: bezwaar bij het college van burgemeester en
wethouders - beroep bij de rechtbank - hoger beroep bij de
Centrale
Raad van Beroep. Dit stelsel is in overeenstemming met het door de
Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten geadviseerde
stelsel. Gelet op het karakter van de Abw en de uitdrukkelijke
maatschappelijke behoefte aan een mogelijkheid om indien burgemeester en
wethouders besluiten de aanvrager van een bijstandsuitkering geen
voorschot toe te kennen (of een voorschot dat belanghebbende ontoereikend
acht), bij een andere instantie om onverwijlde bijstandverlening te
verzoeken, is de onverwijlde bijstandverlening door de voorzitter van
gedeputeerde staten gehandhaafd (artikel 149 [140]). De normale voorlopige
voorziening zoals die per 1 juli 1993 bij de president van de rechtbank
mogelijk wordt, biedt namelijk niet in alle gevallen uitkomst. Een
dergelijke voorziening kan immers pas worden gevraagd als tegen een
(fictieve) weigering van een bijstandsuitkering bezwaar is gemaakt, dus pas
na het verstrijken van de beslistermijn van enkele weken. Tegen de
beslissing van de voorzitter van gedeputeerde staten staat geen
administratiefrechtelijke voorziening open. Artikel
8.1.1.6 [8:5] van de Algemene wet
bestuursrecht bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen
een besluit genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is
opgenomen in de bijlage die bij die wet
behoort. In de Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet wordt de plaatsing van artikel 149
[140] op bedoelde lijst geregeld.
rblz.|92
5.10.2. Personele gevolgen
Het uitgangspunt is dat het
nieuwe stelsel van rechtsbescherming in de Abw,
indien enigszins mogelijk, gelijktijdig in werking treedt met het
voorstel van Wet voltooiing eerste fase herziening
rechterlijke organisatie
(Kamerstukken II 1991-1992, 22 495). Het stelsel past inhoudelijk in
die voorstellen. Om wetgevingstechnische redenen is het opgenomen in
het onderhavige wetsvoorstel, onderscheidenlijk in de daarmee
samenhangende Invoeringswet. Over de personele, organisatorische en
financiële gevolgen die voor de Raad van State voortvloeien uit die eerste
fase heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden zowel met de Raad van State
zelf als met de Bijzondere Commissie van Overleg Raad van State. De
uitkomsten van dit overleg zijn opgenomen onder punt 5 van de memorie
van toelichting bij het voorstel van Wet voltooiing eerste fase
herziening rechterlijke organisatie. Daar wordt met name ingegaan op de garantie
tegen gedwongen werkloosheid voor medewerkers van de Raad van
State die op 31 december 1992 in vaste dienst zijn, op de
overheveling van formatieplaatsen van de Raad van State naar de rechterlijke
organisatie en de aanvullend voor de herzieningsoperatie benodigde
gelden uit de Grote Efficiency Operatie.
Gelet op de nauwe samenhang
tussen beide wetsvoorstellen is aan de Raad van State
medegedeeld
dat de resultaten van het overleg over de rechtspositionele gevolgen
die voortvloeien uit het wetsvoorstel Eerste fase herziening rechterlijke
organisatie [lees: voorstel van Wet
voltooiing eerste fase herziening
rechterlijke organisatie, red.] ook gelden voor de medewerkers van de Raad van State die
zijn belast met de afhandeling van bijstandsgeschillen. Deze resultaten
houden in een gelijke garantie tegen gedwongen werkloosheid,
inclusief alle andere afspraken zoals die zijn neergelegd in het sociaal
statuut dat ten behoeve van de personeelsleden van de Raad van State
die betrokken zijn bij de herziening van de rechterlijke organisatie is
opgesteld. Aan de Raad van State is toegezegd dat indien het
wetsvoorstel Eerste fase herziening rechterlijke organisatie vertraging
oploopt en het wetsvoorstel herinrichting ABW zelfstandig in werking
treedt, de hiervoor bedoelde overlegresultaten en de daaruit voortvloeiende
verplichtingen voor het Rijk onverkort zullen gelden voor het wetsvoorstel
herinrichting ABW.
Als gevolg van de
kabinetsbeslissing van 17 mei 1991 over de rechtsbescherming in de
bestuurlijke fase en het laten vervallen van het beroep op gedeputeerde
staten is
vergelijkbaar overleg gestart met de provincies. Ten aanzien van
de betrokken medewerkers bij de provincies hanteert de regering evenzeer
het uitgangspunt dat een zorgvuldige behandeling van de personele
gevolgen van de invoering van een andere rechtsgang voor de Abw
geboden is. In september 1991 is een werkgroep aan de slag gegaan
die de personele, organisatorische en financiële consequenties in
beeld brengt van het schrappen van de taak van gedeputeerde staten voor
wat betreft de rechtsbescherming in de Abw. Aan de hand van het
door de werkgroep uit te brengen rapport zal worden bezien hoe de
gevolgen voor de betrokken medewerkers van de provincies zo goed mogelijk
kunnen worden opgevangen. De werkgroep heeft tevens het opstellen
van een sociaal statuut ter hand genomen. Er wordt door de werkgroep naar
gestreefd in het voorjaar van 1992 een eindrapport te presenteren,
inclusief een sociaal statuut. Aansluitend zal bestuurlijk overleg
plaatsvinden over de bevindingen van de werkgroep.
5.10.3. Samenhang met het
wetsvoorstel Algemene wet bestuursrecht
Met name voor
hoofdstuk XI
is het voorstel voor een Algemene wet bestuursrecht (Awb;
Kamerstukken I 1991-1992, 21 221, nr. 174) van rblz.|93
belang. Een doelstelling van
de Awb is het treffen van voorzieningen ten aanzien van onderwerpen die
zich naar hun aard niet voor regeling in een bijzondere wet lenen. De Awb
bevat onder meer algemene bepalingen over het bezwaar en het
beroep op de administratieve rechter, alsmede bijzondere bepalingen over
bezwaar. Dit brengt mee dat de in die wet geregelde onderwerpen geen
regeling behoeven in de bijzondere wetten. Zo is het bijvoorbeeld niet
meer nodig om te regelen dat de beslissing op het bezwaarschrift
schriftelijk en met redenen omkleed aan de indiener wordt medegedeeld. Verder
regelt de Awb dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan
instellen bij de rechtbank. Eén en ander betekent dat het hoofdstuk
rechtsbescherming in de nieuwe Abw beperkt van omvang kan zijn
en dat genoemd hoofdstuk in samenhang dient te worden gelezen met
de Awb.
6.
Financiële gevolgen
Op het financiële vlak
geldt als uitgangspunt dat de herinrichting van de ABW, afgezien van de
reeds gerealiseerde decentralisatie van de bijzondere bijstand en
eventuele tijdelijke financiële effecten in de overgangssituatie van de
oude naar de nieuwe wet, budgettair neutraal verloopt. De herinrichting
heeft immers geen uitbreiding van de kring van rechthebbenden tot gevolg en
leidt niet tot wijziging van de uitkeringsniveaus. Enkele wijzigingen in
dit wetsvoorstel zullen naar verwachting tot geringe meeruitgaven leiden;
daar staan echter enkele andere wijzigingen tegenover die tot een
zekere vermindering van uitgaven leiden. De verwachte "plussen en
minnen" wegen tegen elkaar op, zodat het uitgangspunt van budgettaire
neutraliteit niet in gevaar komt.
Hoewel met de
herinrichtingsoperatie per saldo geen bezuiniging wordt beoogd, zal
niettemin,
indien de in paragraaf 4.1 geformuleerde doelstellingen worden gerealiseerd,
op termijn een daling van de bijstandsuitgaven kunnen optreden als
uitvloeisel van een verminderd beroep op de Abw. Dit kan als volgt
worden toegelicht.
Het streven naar een
adequater afstemming van de bijstand op de specifieke omstandigheden in
het individuele geval zal in sommige gevallen tot meer en in andere gevallen tot minder bijstand leiden. Er
wordt rekening mee gehouden
dat deze verbeterde afstemming per saldo tot meer uitgaven
leidt, zowel op het punt van de uitkeringslasten als van de gemeentelijke
uitvoeringskosten. In deze uitgavenstijging is voorzien in het kader van de
decentralisatie van de bijzondere bijstand: in het Regeerakkoord is voor
het intensiever rekening houden met individuele omstandigheden bij de
bijstandverlening voorgesteld structureel ƒ100 mln extra aan het
gemeentefonds toe te voegen. Per saldo is bij de decentralisatie van de
bijzondere bijstand ƒ300 mln aan het gemeentefonds toegevoegd. In dit
bedrag is mede voorzien in de uitgaven die gemoeid zijn met het in
individuele gevallen hoger vaststellen van de normbijstand voor algemene
bestaanskosten, de zogenaamde individualisering, die voorheen tot de algemene
bijstandsuitgaven wordt gerekend, doch die als gevolg van de
decentralisatieoperatie deel is gaan uitmaken van de bijzondere bijstand.
In de tweede plaats wordt
een effectievere bevordering van de zelfstandige voorziening in
het bestaan nagestreefd. Deze doelstelling vraagt gerichte inspanningen
ter bevordering van de uitstroom van bijstandsgerechtigden. Voor
de
gemeenten kunnen deze inspanningen, zeker aanvankelijk, leiden
tot extra uitvoeringskosten, gelet bijvoorbeeld op de arbeidsintensieve
begeleiding van langdurig werklozen en herintredende vrouwen die vaak
noodzakelijk zal zijn. Naarmate het activerend arbeidsmarktbeleid vruchten
afwerpt en eigen gemeentelijke beleidsinspanningen effect hebben,
zullen deze hogere uitvoeringskosten naar rblz.|94
verwachting ruimschoots
worden gecompenseerd door de optredende volume- en uitgavendaling
in de sfeer van de Abw. Deze daling zal ten dele financieel ten goede
komen aan de gemeenten, zowel door de verlichting die optreedt ten
aanzien van het gemeentelijk aandeel in de uitkeringslasten als door vermindering van uitvoeringskosten bij een
geringer volume.
In de derde plaats wordt ook
van de nagestreefde verbetering in de afstemming van de Abw op
andere voorzieningen een gunstig financieel effect verwacht. Een beroep
op bijstand in gevallen waar een voorliggende voorziening kan worden
aangesproken, zal zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.
Zoals in paragraaf 5.2 van deze
memorie werd vermeld, is de in het bestaande artikel 82 opgenomen
mogelijkheid van bijstandverlening aan Nederlanders in het buitenland in
dit wetsvoorstel niet meer opgenomen. Voor degenen die reeds gebruikmaken van deze mogelijkheid (ongeveer 800 gevallen) zal in de Invoeringswet
een overgangsregeling worden
getroffen, waarbij als
uitgangspunt zal gelden dat de lopende uitkeringen zullen worden voortgezet
zolang de noodzaak daartoe aanwezig is. Structureel is met beëindiging
van genoemde mogelijkheid een besparing gemoeid van ruim ƒ7 mln. Daar
staat evenwel tegenover dat als gevolg van genoemde beëindiging
er een toename zal optreden van het aantal personen dat naar Nederland
terugkeert en aansluitend hier een beroep op bijstand zal doen. Per
saldo zal de genoemde besparing vrijwel wegvallen tegen deze
meeruitgaven, zodat deze maatregel geen wijziging brengt in de over het
geheel genomen budgettaire neutraliteit van de herinrichtingsoperatie.
Op het vraagstuk van de
invoeringskosten en de financiële effecten van het overgangsrecht zal
worden ingegaan in het kader van de Invoeringswet. De hoofdlijnen van
het overgangsrecht komen hierna in paragraaf 7.5 aan de orde.
7. Enkele bijzondere
aspecten
7.1. Internationale aspecten
De totstandkoming van de
interne markt in EG-verband en de hiermee samenhangende communautaire
regelgeving zullen naar verwachting geen grote gevolgen hebben
voor de bijstandverlening (wetgeving en uitvoeringspraktijk) in
Nederland. Genoemde ontwikkelingen zijn dan ook geen aanleiding geweest in
dit wetsvoorstel op onderdelen voor een andere invulling te kiezen.
Niettemin is er aanleiding, gezien de betekenis voor het ruimere kader
waarin de Abw functioneert, in deze paragraaf aandacht aan genoemde
ontwikkelingen te besteden.
De nationale regelingen op
het terrein van de sociale zekerheid behoren in het algemeen tot
het nationale sociaal-economisch beleid van de afzonderlijke lidstaten.
In de vervolgnota "Sociale dimensie Europa 1992" (Kamerstukken
II
1990-1991, 21 240, nr. 6) sprak het kabinet als zijn oordeel uit dat voor
wat betreft het gehele terrein van de sociale zekerheid harmonisatie en
bindende regelgeving op communautair niveau door middel van
verordeningen en richtlijnen wenselijk noch haalbaar is. Daarvoor zijn
de verschillen naar aard en niveau van de socialezekerheidsstelsels
en de verschillen in welvaartsniveau tussen de lidstaten te groot. Wel is
convergentie - het naar elkaar toegroeien - van socialezekerheidsstelsels
van de lidstaten tot op zekere hoogte wenselijk, bijvoorbeeld door
de introductie van een minimumbescherming in alle lidstaten.
In de vervolgnota is aangegeven dat ook bij het streven naar een zeker
minimumniveau van de sociale zekerheid in
de lidstaten
terughoudendheid past.
Voor zover thans in Europees
verband over convergentie van rblz.|95
socialezekerheidsstelsels
wordt gesproken, is van bindende regelgeving op het terrein van de bijstandverlening geen sprake. Wel heeft de
Commissie van de EG in 1991
op het terrein van de bijstandverlening een voorstel voor een
Aanbeveling inzake gemeenschappelijke criteria met betrekking tot
toereikende inkomsten en prestaties in de stelsels van sociale bescherming
ingediend bij de Raad. Deze aanbeveling vloeit voort uit het in 1989 door
elf van de twaalf lidstaten aanvaardde "Gemeenschapshandvest van
sociale grondrechten van werkenden" en het daaraan gekoppelde
actieprogramma. De onderhandelingen over de aanbeveling verlopen echter
moeizaam. Overigens zijn de gevolgen ervan voor Nederland waarschijnlijk zeer beperkt. Immers, Nederland
voldoet reeds aan de
vereisten inzake een minimumbestaansgarantie zoals neergelegd in de
voorgestelde aanbeveling.
Bij gelegenheid van de
Intergouvernementele Conferenties die hebben geleid tot de totstandkoming
van het Verdrag betreffende de Europese Unie, hebben de afgelopen
maanden intensieve besprekingen plaatsgevonden op het terrein van de
sociale politiek. Er tekende zich geleidelijk een wens af om het terrein
van de sociale zekerheid tot de competentie van de Gemeenschap te
rekenen. In het op 8 februari 1992 ondertekende Unieverdrag is tussen
de lidstaten (het Verenigd Koninkrijk uitgezonderd) overeengekomen dat
de sociale zekerheid en de sociale bescherming van werknemers
uitdrukkelijk tot de bevoegdheden van de Gemeenschap gaan behoren,
zij het niet exclusief. Maatregelen, in de vorm van richtlijnen, moeten
met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld. Op deze wijze
wordt gewaarborgd dat de sociaal-economische belangen van één of
enkele lidstaten niet worden veronachtzaamd. Een belangrijk
richtsnoer zal zijn dat eventuele maatregelen slechts met inachtneming van
het subsidiariteitsbeginsel kunnen worden vastgesteld.
De dynamiek van het
eenwordingsproces is moeilijk op voorhand in te schatten. Niettemin zijn er
voldoende aanwijzingen dat het wegvallen van de binnengrenzen eind 1992
niet zal leiden tot een vorm van "sociaal toerisme", waarbij een
toenemend aantal onderdanen van andere EG-lidstaten zich in Nederland vestigt en hier een beroep op bijstand
doet. In de eerste plaats
moet erop worden gewezen dat de actieve beroepsbevolking van de
Gemeenschap (werknemers, zelfstandigen en hun gezinsleden) zich al
bijna 25 jaar vrij door Europa kan bewegen met een beroep op het beginsel
van het vrije verkeer. In de tweede plaats blijkt uit onderzoek naar de
invloed van het systeem van sociale verzekeringen en sociale
voorzieningen op migratiestromen dat er op grond van de beschikbare literatuur
geen aanwijzingen zijn dat er een aanzuigende werking uitgaat van een goed
socialezekerheidsstelsel.¹ De (kwaliteit van) socialezekerheidsstelsels is maar van zeer geringe - en zeker niet
van doorslaggevende -
betekenis bij een beslissing tot arbeidsmigratie. De verwachting is dat het
wegvallen van de binnengrenzen slechts tot lichte migratiestromen van
met name de hoger opgeleiden kan voeren. Bovendien is het volgens
genoemd onderzoek nog maar de vraag of Nederland, mochten er
duidelijk aanwijsbaar migratiestromen op gang komen, een potentieel
doelland voor migranten zal zijn. De werkgelegenheids- en
inkomensperspectieven zijn immers niet veel gunstiger dan in de meeste andere landen.
Hoewel het niet ondenkbaar
is dat van het Nederlandse sociale stelsel juist bij niet-werkenden een
bijzondere aantrekkingskracht uitgaat, zal de migratie van niet-werkenden
óók na 1 januari 1993 aan voorwaarden gebonden blijven. Het
verblijfsrecht in de Europese Gemeenschap is ook na de eenwording van de
interne markt nog geen volledig algemeen verblijfsrecht. Met de
vaststelling op 28 juni 1990 van drie richtlijnen ² is rblz.|96
het verblijfsrecht in de EG
van haar onderdanen weliswaar aanzienlijk uitgebreid, maar het
uitgangspunt is dat betrokkene over toereikende bestaansmiddelen of een
pensioen van een toereikend bedrag moet beschikken, teneinde te
voorkomen dat betrokkene (hoofdbegunstigde en zijn familie) tijdens
zijn verblijf ten laste van de bijstandsregeling van het gastland komt. Zodra
betrokkene niet meer over toereikende bestaansmiddelen beschikt
dan wel een beroep doet op bijstand, verliest hij het verblijfsrecht
gebaseerd op deze richtlijnen. Op 30 juni 1992 moeten deze richtlijnen zijn
doorgevoerd in de nationale wetgeving.
Overigens is het kabinet
voornemens een onderzoek te laten verrichten naar de gevolgen die de
Europese eenwording en de tendentie tot convergentie kunnen hebben
voor de bijstandverlening in Nederland.
1. A. Elzinga en B. Vriend,
Sociale zekerheid en arbeidsmigratie binnen de
EG: verslag van een literatuurstudie,
COSZ-reeks nr. 35, november 1991.
2. R 1.90/364 betreffende het
verblijfsrecht; R 1.90/365 betreffende het
verblijfsrecht van werknemers en
zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheden hebben beëindigd; R 1.90/366 betreffende het
verblijfsrecht van studenten. Gepubliceerd
in het Publicatieblad van de Europese
Gemeenschappen, 13 juli 1990, blz. 26-30.
De verhouding tot een
tweetal internationale verdragen, het Europees verdrag tot bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en
het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), vergt nog enige aandacht in
verband met de relatie met
de administratieve sanctie in artikel 14 van dit
wetsvoorstel. De
Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten heeft hieraan een
uitvoerige beschouwing gewijd. De Commissie concludeert dat toepassing
van artikel 14 niet steeds een "criminal charge" in de zin van
artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het IVBPR oplevert, doch dat, gelet op
de stand van de jurisprudentie, in bepaalde gevallen zeer waarschijnlijk
wel van een "criminal charge" sprake is. Met name denkt de Commissie
hierbij aan de situatie waarin als gevolg van verzwegen inkomsten ten
onrechte verleende bijstand wordt teruggevorderd en tegelijk op grond
van artikel 14 van dit wetsvoorstel een administratieve sanctie
wordt toegepast. Gezien deze stand van zaken dient volgens de Commissie,
teneinde strijd met artikel 6 EVRM te voorkomen, de toepassing van
genoemd artikel 14 steeds aan de eisen van artikel 6 EVRM te
voldoen. De indruk van de Commissie dat de uitvoeringspraktijk
feitelijk in de meeste gevallen reeds voldoet aan de eisen die uit artikel 6 EVRM
en artikel 14 IVBPR zijn af te leiden, kan worden onderschreven. De
eisen vloeien immers reeds voort uit de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur en de beoogde Algemene wet
bestuursrecht.
Wat betreft de
onschuldpresumptie (artikel 6, tweede lid, EVRM) constateert de Commissie
dat, gezien de huidige stand van de jurisprudentie, geen ondubbelzinnig
antwoord kan worden gegeven op de vraag of de sanctie al dan niet
pas ten uitvoer mag worden gelegd nadat de (hoogste) rechter over de sanctie heeft geoordeeld. De opvatting van de
Commissie dat het verlenen
van schorsende werking aan het bezwaar of beroep tegen een
administratieve sanctie een effectieve handhaving zou belemmeren, kan worden
onderschreven. Hoewel uit het advies van de Commissie kan worden
afgeleid dat de stand van de jurisprudentie geen aanleiding geeft de wijze
van toepassing van administratieve sancties te heroverwegen en de "lik-op-stukbenadering" te verlaten, is het van belang de ontwikkelingen op
dit vlak in de nationale en internationale rechtspraak nauwlettend te
blijven volgen. In bijlage 6 bij deze memorie worden deze aspecten uit het
advies van de Commissie uitgebreider aan de orde gesteld (paragraaf
3).
Over de vraag hoe het naast
elkaar bestaan van de in artikel 14 van dit wetsvoorstel geregelde
administratieve sanctie en de strafrechtelijke procedure inzake fraude zich
verhoudt tot het "ne-bis-in-idembeginsel", neergelegd in artikel 14,
zevende lid, van het IVBPR, kan het volgende opgemerkt worden. Hoewel er
thans geen jurisprudentie voorhanden is waaruit blijkt dat het
opleggen van een administratieve sanctie gelijktijdig en tezamen met een
strafrechtelijke sanctie in strijd is met genoemd verdrag, is in de nota
"Aspecten van rechtshandhaving op het gebied van rblz.|97
de sociale
zekerheid"
(Kamerstukken II 1991-1992, 22 457) gesteld dat het onwenselijk is dat deze
beide sanctiemogelijkheden naast elkaar blijven voortbestaan. Bij de
evaluatie van de "Richtlijnen voor de socialezekerheidsfraude" zal
worden bezien op welke wijze tot een anticumulatieve wetgeving kan worden
gekomen.
7.2. Gevolgen voor vrouwen
De Abw
kent een recht toe
aan iedere Nederlander en aan rechtmatig hier verblijvende
vreemdelingen. Een onderscheid naar geslacht is daarbij niet aan de orde. Of
men daadwerkelijk aanspraak op bijstand kan maken, is afhankelijk van de
feitelijke omstandigheden waarin men verkeert. De mate waarin
vrouwen gebruikmaken van de Abw is dan ook een afgeleide van de
mate waarin vrouwen in de omstandigheid verkeren of dreigen te
geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke
bestaanskosten te voorzien.
Het aantal mannen en vrouwen
met een bijstandsuitkering ontloopt elkaar niet veel. In 1990
bestond het totaal aantal van 510 000 bijstandspartijen voor 47% uit
mannen en voor 53% uit vrouwen. Wanneer men echter dit
totale bestand gaat onderscheiden naar Rww-ers en niet-Rww-ers,
treden belangrijke verschillen aan het licht. In de Rww zijn vrouwen
duidelijk ondervertegenwoordigd: 35% van de Rww-gerechtigden bestaat
uit vrouwen. Daarentegen laat de categorie waarop de Rww niet
wordt toegepast met 88% een sterke
oververtegenwoordiging van vrouwen zien.
Deze cijfers weerspiegelen
dat ten aanzien van vrouwen naast werkloosheid vooral
echtscheiding een belangrijke reden is voor het aangewezen raken op een bijstandsuitkering. Bij echtscheiding ontstaat
relatief vaak de situatie
dat van de vrouw, doordat ze als alleenstaande ouder de zorg voor één of
meer jonge kinderen heeft, voorshands niet wordt gevergd dat zij zich
beschikbaar stelt voor de arbeidsmarkt.
Niettemin dient de bij de
herinrichting van de ABW nagestreefde doelstelling van een
effectievere bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening zich ook
op deze categorie vrouwen in de bijstand te richten. Zoveel mogelijk
zal moeten worden voorkomen dat een echtscheiding tot blijvende
bijstandsafhankelijkheid bij vrouwen leidt. Op die manier wordt tegengegaan
dat er geleidelijk een duidelijke oververtegenwoordiging van vrouwen
met een bijstandsuitkering ontstaat.
Naarmate vrouwen binnen het
huwelijk en in niet-huwelijkse samenlevingsvormen in economisch
opzicht een zelfstandiger positie gaan innemen, zal het zich minder
vaak gaan voordoen dat zij als rechtstreeks gevolg van het verbreken van
de relatie op bijstand aangewezen raken. Gegeven het gestelde doel
kan niet worden volstaan met het afwachten van de doorwerking van dit
effect. Gerichte aandacht voor de positie van vrouwen met een
bijstandsuitkering is noodzakelijk. Belemmeringen in de regelgeving en in de
uitvoeringspraktijk die aan (her)intreding in het arbeidsproces van vrouwen
met een bijstandsuitkering in de weg staan, dienen zoveel mogelijk te
worden weggenomen.
Samengevat zijn de volgende
maatregelen in het kader van de herinrichting van belang voor de
arbeidsinschakeling van vrouwen in de bijstand:
- Opheffing van het
onderscheid tussen degenen met een Rww-uitkering en degenen met
een uitkering rechtstreeks op grond van de wet ("Abw-sec")
Dit onderscheid leidt onbedoeld tot een statische
indeling van
bijstandsgerechtigden in categorieën, waarbij instrumenten die gericht zijn op
bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening rblz.|98
nauwelijks worden toegepast
op de categorie met een "Abw-sec-uitkering". Genoemde
maatregel, die voortvloeit uit de beoogde integratie van de Rww in de
wet, zal
vooral voor vrouwen van belang zijn, gezien hun sterke
oververtegenwoordiging in genoemde categorie. Inspanningen die gericht zijn op
verbetering van de arbeidsmarktpositie van bijstandsgerechtigden zullen
als uitvloeisel hiervan in gelijkere mate ook op herintredende vrouwen
moeten worden gericht.
De onbedoelde achterstelling
van vrouwen op dit punt kan aldus ongedaan worden gemaakt.
- Meer uniformiteit in het
beleid aangaande het rekening houden met de zorg voor kinderen
Zoals
hiervoor in paragraaf 5.7.4 reeds werd betoogd, is de uitvoeringspraktijk op
dit punt weinig uniform en is er in dit voorstel voor gekozen in
de wet op te
nemen dat bij het opleggen van verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling, ten aanzien van echtgenoten en
alleenstaande ouders
rekening dient te worden gehouden met een verzorgende taak voor één of
meer ten laste komende kinderen jonger dan 12 jaar. Concreet
betekent dit dat van degenen met een verzorgende taak voor kinderen beneden
12 jaar arbeidsinschakeling slechts kan worden gevraagd indien
deze, bijvoorbeeld door kinderopvang, met die zorgtaak is te combineren.
In de praktische toepassing vraagt dit maatwerk. In algemene zin
wordt ernaar gestreefd de mogelijkheden van kinderopvang te verruimen.
- Bij bijstand aan gehuwden
gelden de verplichtingen tot arbeidsinschakeling voor ieder van
hen (artikel 120 [113], derde lid)
In paragraaf
5.7.4 van deze memorie werd hierbij
reeds uitvoerig stilgestaan.
- Een anticiperende
toepassing van arbeidsmarktgerichte voorzieningen
Ten aanzien van
vrouwen die vanwege de zorg voor jonge kinderen nog niet inzetbaar
zijn op de arbeidsmarkt kan het gewenst zijn om, vooruitlopend op toekomstige arbeidsinschakeling, de arbeidsgeschiktheid reeds te
vergroten, met name door middel van scholing. Voor de kosten van deze
scholing kan indien daarin niet op andere wijze kan worden voorzien,
bijzondere bijstand worden verleend. In de Wet tot decentralisatie van de
bijzondere bijstand is het uitgangspunt gehanteerd dat de mogelijkheid van
artikel 8, Rww tot het verlenen van bijstand in de kosten van een om-, her-
of bijscholing die noodzakelijk wordt geacht voor de
arbeidsinschakeling,
mede van toepassing dient te zijn op bijstandsgerechtigden die
niet tot de personenkring van de Rww behoren. Wanneer deelname
aan een dergelijke scholing of aan een werkervaringsproject
kinderopvang noodzakelijk maakt, kunnen ook de kosten daarvan worden gerekend tot de noodzakelijke bestaanskosten
waarvoor bijzondere bijstand
kan worden verleend. Zowel bij de bijzondere bijstand voor scholing als voor
kinderopvang is geen drempelbedrag van
toepassing. Hiermee worden mogelijke belemmeringen in de Abw
voor een
activerende aanpak weggenomen.
In het kader van het
heronderzoek verdient het de voorkeur in een zo vroeg mogelijk stadium te
inventariseren op welke termijn de betrokken vrouw aan wie de arbeidsverplichting wordt
opgelegd beschikbaar kan
zijn voor de arbeidsmarkt,
c.q. uit kan stromen door het aanvaarden van betaald werk. Ook kan in dit
heronderzoek worden nagegaan welke activiteiten op het gebied
van scholing, opleiding en werkervaring nodig zijn en welke activiteiten
reeds kunnen worden ondernomen om de kans op betaald werk te
vergroten.
Hierover kan zo nodig contact
worden opgenomen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
rblz.|99
- Het vergroten van de
mogelijkheden om de aan de bijstand te verbinden verplichtingen in
verband met de arbeidsinschakeling af te stemmen op de individuele
omstandigheden
Ook ten aanzien van de verplichtingen dient naar
maatwerk te worden gestreefd. Het is mogelijk dat een bijstandsgerechtigde
vrouw vanwege de zorg voor jonge kinderen slechts voor een
beperkt aantal uren beschikbaar is voor werk of scholing. De aan de
bijstand te verbinden verplichtingen dienen daarop dan te worden
afgestemd. Uiteraard dient hierbij een afweging plaats te vinden of, gezien
de mate van beschikbaarheid, een reëel aanbod van werk of scholing mogelijk is.
In de uitvoeringspraktijk
dient dus een zwaarder accent te worden gelegd op een meer
individueel gerichte, actieve begeleiding naar de arbeidsmarkt van vrouwen in
de bijstand, teneinde hun perspectief op beëindiging van de
bijstandsafhankelijkheid te vergroten. Het verdient in dit verband aanbeveling dat
het opstellen van individuele actieplannen gericht op de planmatige
toegeleiding naar de arbeidsmarkt ook ten aanzien van (her)intredende
vrouwen plaatsvindt. Wanneer uit het heronderzoek blijkt dat daartoe
redenen aanwezig zijn, kan betrokkene worden opgeroepen voor een gesprek
voor het opstellen van zo'n actieplan, waarin afspraken worden
opgenomen over de instrumenten die, toegesneden op de individuele
mogelijkheden en tekortkomingen, moeten worden ingezet om de kansen
op een succesvolle arbeidsbemiddeling te vergroten. Met een
dergelijke invulling van het heronderzoek, waar mogelijk gevolgd door het
opstellen van een concreet actieplan, kan maatwerk worden geleverd,
waardoor de kans op uitstroom uit de bijstand wordt vergroot.
De Emancipatieraad heeft in
zijn advies "Vrouwen in de bijstand" (november 1990) naar
aanleiding van het voorontwerp van wet enkele concrete voorstellen gedaan
ter verbetering van de positie van vrouwen met een bijstandsuitkering:
a. Allereerst stelt de
Emancipatieraad voor inkomsten van het hebben van een onderhuurder of
kostganger volledig vrij te laten. Dit zou vrouwen die langdurig op
bijstand aangewezen zijn en geen mogelijkheid hebben tot arbeidsdeelname
een mogelijkheid tot bijverdienen geven. Momenteel worden de op de
bijstand in mindering te brengen inkomsten bij het hebben van één
kostganger gesteld op ƒ274,36 per kalendermaand; het eventuele
meerdere blijft vrij.
Overname van het voorstel
van de Raad zou naar de opvatting van de regering op gespannen voet
staan met het complementariteitsbeginsel en het minimumbehoeftekarakter van de
Abw. Ook zou een vreemde
verhouding ontstaan ten
opzichte van de woningdelersregeling, doordat dan met het (woon)kostenvoordeel dat bij een zakelijke verhouding als
kostgangerschap optreedt
geen rekening meer zou worden gehouden, terwijl er met dit voordeel
bij een niet-zakelijke verhouding (woningdeling) wél rekening wordt
gehouden.
b. De herinrichting dient
naar de mening van de Emancipatieraad te worden aangegrepen om in de Abw
globale verplichtingen voor
gemeenten op te nemen tot
het voeren van een emancipatiebeleid. Burgers zouden zich op die
rechtsplicht van de gemeente kunnen beroepen. Bij dit
emancipatiebeleid zou het met name moeten gaan om verplichte
inspanningen van
de gemeenten gericht op vrouwen in de bijstand.
Het voorstel komt erop neer
dat aan de Abw een emancipatiedoelstelling en
emancipatie-instrumenten zouden worden toegevoegd. De regering voorziet dat
hierdoor een ongewenste vermenging zou optreden van bijstands- en
emancipatiebeleid. Hierbij moet worden bedacht dat het emancipatiebeleid een
veel ruimere doelgroep heeft dan de categorie rblz.|100
bijstandsvrouwen. Er zijn in
de voorgestelde nieuwe Abw algemene inspanningsverplichtingen
voor gemeenten opgenomen, zowel ter bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening van bijstandsgerechtigden alsook op het punt
van de voorlichting. Deze bepalingen geven de gemeenten uiteraard ook tot
taak een actief voorlichtings- en uitstroombeleid voor vrouwen in de
bijstand te voeren. Het wordt niet zinvol geacht specifieke bepalingen
aangaande vrouwen toe te voegen.
c. Voor deelname aan
activiteiten in het kader van artikel 36 WWV
geldt de voorwaarde dat men ten minste voor een derde van de normale arbeidstijd is ingeschreven bij het arbeidsbureau. De Emancipatieraad
stelt dat dit vereiste voor
veel bijstandsvrouwen met kinderen een belemmering is om aan deze
activiteiten deel te nemen en zich zo tijdig voor te bereiden op (her)intreding
op de arbeidsmarkt. Ook dringt de Raad erop aan een deel van de
artikel-36-activiteiten taakstellend aan te wenden voor bijstandsvrouwen.
De artikel-36-voorzieningen
zijn gericht op directe bevordering van de arbeidsinpassing en hebben
werklozen als doelgroep; dit betreft niet alleen personen die een
werkloosheidsuitkering ontvangen, maar ook andere
uitkeringsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden. Laatstgenoemde groepen moeten dan
wel blijk hebben gegeven dat zij daadwerkelijk een band met het
arbeidsleven wensen. Bij de wijziging van artikel 36 WWV
is als norm daarvoor
inschrijving bij het arbeidsbureau voor ten minste een derde van de normale
arbeidsduur ingevoerd. Loslaten van deze norm zonder meer zou
betekenen dat het instrument van artikel 36 WWV
zijn plaats in het kader
van de werkloosheidsbestrijding verliest. Dit is naar mijn mening een
ongewenste ontwikkeling. Inmiddels is in het kader van de sociale
vernieuwing de situatie ontstaan dat de middelen in het kader van artikel 36
WWV kunnen worden ingezet voor alternatieve aanwendingen binnen het
socialevernieuwingsbeleid. Hierdoor wordt niet alleen de plaats van
het instrument in het kader van de werkloosheidsbestrijding bewaard,
maar komt dat instrument ook voor een bredere doelgroep
beschikbaar.
Wat betreft de door de Raad
voorgestelde taakstelling inzake de aanwending van artikel 36 WWV
voor activiteiten voor bijstandsvrouwen merk ik op dat het opleggen
van een taakstelling aan de
gemeenten niet past binnen de
decentralisatiedoelstelling die ingevolge het advies van de Commissie Vermindering en
Vereenvoudiging van Overheidsregelingen (Kamerstukken II
1983-1984, 12 931, nr. 39) destijds aan de doelstellingen van de
wijziging van artikel 36 zijn toegevoegd. Dit geldt nog sterker nu deze
voorziening onderdeel uitmaakt van de brede geldstroom in het kader van
de sociale vernieuwing. Met artikel 36 WWV
dienen de gemeenten te
kunnen beschikken over een instrument waarmee zij soepel kunnen
inspelen op de omstandigheden ter plaatse. Dit verdraagt zich niet met
het centraal opleggen van een taakstelling als door de Emancipatieraad
bepleit.
7.3. Informatievoorziening
Een effectieve uitvoering
van de Abw vereist een toereikende informatievoorziening. Evenals de
bestaande wet leidt ook de nu voorgestelde wet in de uitvoeringspraktijk tot diverse informatierelaties. Uitwisseling
van informatie is aan de
orde tussen Rijk en
gemeenten, tussen gemeenten en andere
instanties, tussen gemeenten onderling en tussen de gemeente en de
belanghebbende burger. Op deze informatierelaties wordt hierna ingegaan. De
uitwisseling van informatie die uitsluitend een intern karakter heeft, zowel
binnen de rijksoverheid als binnen het gemeentelijk apparaat,
blijft hier buiten beschouwing.
rblz.|101
De informatie-uitwisseling
tussen Rijk en gemeenten strekt zich in principe uit tot alle
aspecten van het bijstandsbeleid: ook met betrekking tot onderdelen van de
wet die een bepaalde verantwoordelijkheid in handen van burgemeester en
wethouders leggen, zoals ten aanzien van de bijzondere bijstand het
geval is, kan een overdracht van relevante informatie naar het
rijksniveau niet worden gemist. Een regelmatige informatiestroom tussen de
gemeenten en de rijksoverheid is een onmisbare schakel tussen
beleid en uitvoering. Beleidsbeslissingen op landelijk niveau kunnen
slechts op verantwoorde wijze worden genomen als voldoende informatie
over de uitvoeringspraktijk beschikbaar is. Voor deze informatiestroom zijn
de rijksconsulenten sociale zekerheid een belangrijk kanaal. Enerzijds
dragen zij naast hun toezichthoudende taken zorg voor de
overdracht van het landelijke beleid naar de gemeenten en treden tevens
op als raadgever indien een gemeente zich met een bepaalde
beleidsvraag geconfronteerd ziet. Anderzijds geven zij signalen uit gemeentelijke
kring door naar het centrale rijksniveau.
De nagestreefde versterking
van het decentrale karakter van de Abw brengt geen principiële
verandering in de informatieve schakelfunctie van de rijksconsulenten. Maar
het belang van de informatie-uitwisseling via de rijksconsulenten ten
aanzien van decentrale taken groeit. De decentralisatie van de bijzondere
bijstand betekent dat gemeenten niet langer hun uitgaven voor bijzondere
bijstand bij het Rijk declareren; daarmee komen de declaratiegegevens
als bron van informatie te vervallen. Aangezien het nodig zal
blijven om op landelijk niveau over gegevens te beschikken aangaande aard en
omvang van de bijzondere bijstandverlening, zullen andere wegen
moeten worden gevonden om de benodigde informatie te verkrijgen. De
rijksconsulenten zullen daarbij een centrale rol dienen te vervullen;
bovendien zal het, ook na decentralisatie, nodig blijven dat gemeenten ten
behoeve van de landelijke statistiek gegevens blijven leveren.
Eén en ander behoeft voor de
gemeenten niet tot een extra belasting te leiden indien de
informatievraag van de rijksoverheid zich beperkt tot kerngegevens. Veelal zullen
de betreffende gegevens ook voor de gemeenten zelf relevant zijn
en nog aan betekenis winnen naarmate een gemeente binnen de
mogelijkheden die de Abw daartoe biedt een eigen beleid ontwikkelt. Bovendien
maakt geautomatiseerde dataverwerking het aggregeren van gegevens
eenvoudiger.
De verstrekking van
inlichtingen door burgemeester en wethouders aan de rijksconsulent is
geregeld in het voorgestelde artikel 139 [130], tweede lid, dat niet wezenlijk
afwijkt van het bestaande artikel 81b, derde lid. Ook wat betreft de
verstrekking van statistische gegevens door de gemeente (artikel 135 [133]) is
aangesloten bij de huidige praktijk, waaromtrent thans nadere
regelgeving is opgenomen in het Bvvu.
De verstrekking van gegevens
door gemeenten in het kader van de financiële vergoeding van
bijstandslasten ondergaat in het kader van de herinrichtingsvoorstellen
geen wezenlijke wijziging. Op de aspecten vergoeding en verantwoording
van bijstandsuitgaven werd in deze memorie reeds ingegaan in paragraaf
5.9.
Een bijzonder aspect van
informatievoorziening dat nog nader aandacht verdient, betreft
de evaluatie van de uitvoering van de nieuwe Abw. De thans voorgestelde
herziening van de bijstandswet mag in diverse opzichten ingrijpend
worden genoemd. Dit is op zich reeds een voldoende rechtvaardiging om gedurende de eerste periode na invoering van
de nieuwe wet de
toepassing daarvan in de praktijk nauwlettend te volgen door het instellen
van een evaluatieonderzoek op landelijke schaal. Dit zal in de
beginperiode extra eisen stellen aan de aanlevering van informatie door de
gemeenten waarop het evaluatieonderzoek zich richt. Uit het onderzoek zal
kunnen blijken of de met de herinrichting rblz.|102
beoogde doelstellingen
inderdaad worden gerealiseerd. Ten aanzien van de decentralisatie van de
bijzondere bijstand zal twee jaar na de invoering een evaluatie
plaatsvinden.
Een belangrijk deel van de
informatievoorziening betreft de contacten tussen de gemeente
en
derden, met name instanties zoals de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de gemeentelijke
kredietbank, bedrijfsverenigingen, de belastingdienst,
de vreemdelingendienst en dergelijke. Veelal hebben deze contacten betrekking op
de verzameling en verificatie van cliëntgegevens en op verificatie van
de naleving van aan de bijstand verbonden verplichtingen. De bepalingen die de inlichtingenverstrekking en
gegevensuitwisseling
betreffen, zijn in dit wetsvoorstel samengebracht in hoofdstuk IX,
paragraaf 2. De daar
voorgestelde artikelen 127 tot en met 135 [121-133]
komen overeen met het
bepaalde in het voorstel van Wet invoering sociaal-fiscaal nummer
gemeenten (Kamerstukken I 1991-1992, 22 148, nr. 229).
Wat betreft de relatie met
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie legt het wetsvoorstel de gemeente een
inspanningsverplichting op die is gericht op de totstandkoming van
structurele samenwerking. Deze samenwerking zal zich mede dienen
uit te strekken tot de wederzijdse informatie-uitwisseling, zoals reeds werd betoogd in
paragraaf 5.7 van deze memorie.
De specifieke verplichtingen
voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie die dit wetsvoorstel in artikel
128 [122], eerste lid, onderdeel d, en in artikel 134
[128] bevat, leiden ten opzichte
van hetgeen thans reeds is geregeld, respectievelijk in ander verband
reeds werd voorgesteld, niet tot een verzwaring van informatietaken.
Diverse bepalingen leiden,
hoewel ze geen specifieke informatieverplichting inhouden,
niettemin tot een gerichte uitwisseling van inlichtingen met andere instanties. Dit betreft onder andere de
artikelen 14
(Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en Jeugdwerkgarantieorganisatie), 15 (gemeentelijke kredietbank),
17 en 18 (uitvoerende instanties van voorliggende voorzieningen),
32 [31] (inrichtingen) en 81 [75]
(bedrijfsvereniging).
Informatieve contacten
tussen
gemeenten onderling zijn aan de orde in geval van bijstandsaanvragen
buiten de woonplaats (doorzending van de aanvraag), onduidelijkheid
over iemands vaste woon- of verblijfplaats of wanneer een
bijstandsgerechtigde naar een andere gemeente verhuist, dan wel in een andere
gemeente in een inrichting wordt opgenomen. Ten aanzien van deze
uitvoeringsaspecten is in de artikelen 72 tot en met 74 [63--]
een vereenvoudigde regeling
voorgesteld. Uit het eerdergenoemde evaluatieonderzoek zal
kunnen blijken of, mede uit een oogpunt van informatie-uitwisseling,
deze regeling voldoet.
Fundamenteel voor het proces
van bijstandverlening is de informatie-uitwisseling tussen de gemeente
als uitvoerder van de Abw en degene die bijstand aanvraagt of
ontvangt. Een juiste uitvoering van de wet staat of valt met de volledigheid
en betrouwbaarheid van de door de cliënt verstrekte gegevens. Artikel
76 [65+69] verplicht de belanghebbende tot het op eigen initiatief verstrekken
van alle relevante gegevens, mede door het maandelijks inleveren van
een inlichtingenformulier. De artikelen 92 [86], derde lid, en 122
[115] bevatten
aanvullende informatieverplichtingen van de cliënt, respectievelijk ten
aanzien van de terugvordering van bijstand en het verrichten van
onbetaalde werkzaamheden. Het naleven van deze verplichtingen is mede in
het belang van betrokkene zelf. De in artikel 129 [123]
opgenomen verplichting
tot geheimhouding vormt een waarborg tegen aantasting van diens
privacy. Vrees voor aantasting van de persoonlijke levenssfeer
behoeft geen reden te zijn voor enige terughoudendheid van de
belanghebbende in de verstrekking van inlichtingen aan de uitvoerende ambtenaar.
rblz.|103
Op de noodzaak van een
adequate voorlichting door burgemeester en wethouders aangaande de
verlening van bijstand werd reeds ingegaan in paragraaf
5.8.
7.4. Dereguleringsaspecten
Het wetsvoorstel is getoetst
aan de Aanwijzingen inzake terughoudendheid met regelgeving. In
dit verband kan worden verwezen naar het als bijlage bijgevoegde
advies van de Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten, alsmede
het bijbehorend regeringsstandpunt (bijlagen 5 en 6). In
aanvulling hierop en op hetgeen elders in deze memorie aan de orde is
gesteld, wordt aangaande het dereguleringsaspect nog het volgende
opgemerkt.
Op de doelstellingen van het
wetsvoorstel is uitvoerig ingegaan in hoofdstuk 4 van deze
memorie; vereenvoudiging van regelgeving en versterking van het decentrale aspect maken deel uit van deze doelstellingen. In
paragraaf 4.2.2
is aangegeven op welke onderdelen vereenvoudiging wordt voorgesteld. De bijlagen 1 en 2 brengen de samenhang met
overige wetsvoorstellen en
met de bestaande regelgeving op het terrein van de bijstandverlening in
beeld. Zoals blijkt uit onderdeel D van bijlage 2, blijft het nodig op
enkele onderdelen te voorzien in delegatie van regelgeving. In vergelijking
tot de bestaande regelgeving is evenwel in sterkere mate gekozen voor
normstelling in het wetsvoorstel zelf en is de mate waarin sprake is van
gedelegeerde regelgeving aanzienlijk teruggebracht. Verwacht wordt dat
de keuze voor normstelling bij wet mede zal bijdragen tot een
(voortgezet) terughoudend beleid aangaande circulaires.
De noodzaak van toezicht op
de uitvoering van de Abw blijft aanwezig; wel wordt, zoals
is uiteengezet in paragraaf 5.8.2 van deze memorie, bij de uitoefening van toezicht van rijkswege naar terughoudendheid gestreefd waar dit
mogelijk is.
De uitvoering van de Abw
gaat, gezien de omvang van het beroep op de regeling en de noodzaak
de bijstand steeds nauwkeurig af te stemmen op de omstandigheden
in het individuele geval, ontegenzeglijk met de nodige bestuurlijke
lasten gepaard, met name voor de
gemeenten. Verschillende adviesorganen, in het bijzonder de Commissie
voor de toetsing van
wetgevingsprojecten en de Raad voor de gemeentefinanciën, hebben erop
gewezen dat de doelstellingen van de herinrichtingsoperatie naar hun
mening de bestuurlijke lasten voor de gemeenten zullen verzwaren. Dit wordt
vooral een gevolg geacht van het - overigens door deze adviesorganen
onderschreven - doel zowel de maatwerkbenadering als de bevordering
van de uitstroom uit de bijstand te intensiveren.
Niet ontkend kan worden dat
het streven om op beide genoemde punten de effectiviteit van
de Abw te vergroten slechts kan slagen door gerichte inspanningen door
de gemeenten; ook op het vlak van de voorlichting aan
bijstandsgerechtigden en de inschakeling van voorliggende voorzieningen worden
inspanningen van gemeenten verwacht. Hoewel het hier niet om
nieuwe taken gaat, doch om een beoogde effectievere uitvoering van
opdrachten die de bestaande wet reeds stelt, kan op deze punten, indien men
ze afzonderlijk beschouwt, inderdaad van een verzwaring van
bestuurlijke lasten worden gesproken. In het kader van de per 1 augustus 1991
gerealiseerde decentralisatie van de bijzondere bijstand is, mede
om te bevorderen dat bij de verlening van bijstand maatwerk wordt
geleverd, een extra bedrag van ƒ100 mln aan het gemeentefonds
toegevoegd. Tegenover genoemde verzwaring staat een aanmerkelijke
vermindering en betere systematisering van de regelgeving, hetgeen als zodanig
een verlichting van de gemeentelijke uitvoeringslast betekent. Bovendien mag worden verwacht dat gemeentelijke
rblz.|104
inspanningen tot bevordering
van de zelfstandige bestaansvoorziening ertoe zullen leiden dat meer
mensen uit de Abw gaan stromen, waardoor de noodzaak tot
overheidsoptreden in kwantitatief opzicht vermindert. Voorts kan erop
worden gewezen dat het aantal bijstandsgerechtigden zich momenteel op
een duidelijk lager niveau bevindt dan in de jaren tachtig.
Eén en ander rechtvaardigt
de conclusie dat over het geheel genomen de herinrichting
van de ABW structureel niet tot een aanmerkelijke verzwaring van bestuurlijke lasten zal leiden. Het is, evenals thans,
primair een gemeentelijke
verantwoordelijkheid om af te wegen welke middelen in het
uitvoeringsproces moeten worden ingezet - en hoe dit zo doelmatig mogelijk kan
geschieden - om een verantwoorde uitvoering van de Abw mogelijk te
maken. In de eerste fase na de inwerkingtreding zal sprake zijn van extra
werkzaamheden die verband houden met het invoeringsproces. Hieraan
zal in het kader van de Invoeringswet aandacht worden geschonken.
Het wetsvoorstel leidt niet
tot de instelling van nieuwe bestuursinstrumenten, noch tot de vorming
van nieuwe organen.
Met de vereenvoudiging en
betere systematisering van de regelgeving die met de
herinrichtingsoperatie wordt beoogd, wordt mede een bijdrage geleverd aan
een
betere handhaafbaarheid van de gestelde regels. Overzichtelijke
regelgeving met een duidelijke normstelling is immers beter handhaafbaar.
Van de in paragraaf 5.8.2 van deze memorie beschreven aanpassing in de
werkwijze van het toezicht wordt een, waar mogelijk nog versterkte,
bijdrage aan de wetshandhaving verwacht.
Een bijzonder belang voor de
handhaafbaarheid komt de instrumenten toe die aan de uitvoerende
instanties op het terrein van de sociale zekerheid in handen zijn of
worden gegeven om een uitvoering van de regelgeving in
overeenstemming met de bedoeling van de wetgever mogelijk te maken. Hierbij
kan gewezen worden op de ontwikkeling van het sociaal-fiscaal nummer,
waardoor een efficiënte en structurele gegevensvergelijking en -uitwisseling
tussen betrokken instanties geschapen wordt. Voorstellen
tot versterking van de aandacht voor het handhavingsaspect in de
uitvoeringspraktijk zijn op 10 juli 1991 in brieven voorgelegd aan de VNG, gelijktijdig met
soortgelijke brieven aan de Sociale Verzekeringsraad en het Centraal Bestuur voor
de
Arbeidsvoorziening (Kamerstukken II 1990-1991, 17 050, nr. 139).
In de nota "Aspecten van rechtshandhaving op het gebied van de
sociale zekerheid (Kamerstukken II 1991-1992, 22 457) zijn
voorstellen ontwikkeld om de verantwoordelijkheden van de justitiële
instanties en van de uitvoerende instanties zo duidelijk mogelijk vorm te
geven en zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen.
Eén en ander neemt niet weg
dat de regelgeving in het kader van de bijstandverlening, juist
gezien de functie van de Abw
als laatste voorziening en gelet ook op
het complementaire karakter, nooit geheel vrij kan zijn van aspecten
die de handhaving bemoeilijken.
Er is geen aanleiding voor
de verwachting dat de nieuwe Abw tot een zwaardere belasting van het
justitiële apparaat zal leiden dan bij de bestaande wet het geval is.
Overigens wordt voor dit aspect verwezen naar paragraaf
5.10, die handelt
over de rechtsbescherming.
7.5. Overgangsbepalingen en
wijziging van andere regelingen
De herinrichting van de ABW
maakt een regeling van overgangsrecht noodzakelijk. Dit zal worden
geregeld in een afzonderlijke Invoeringswet. Beoogd wordt de herziene ABW
in werking te doen treden per 1 juli rblz.|105
1993, onder gelijktijdige
intrekking van de bestaande wet. Degenen die op de dag voor de
inwerkingtreding reeds een bijstandsuitkering ontvangen, worden dus
geconfronteerd met de overgang van de oude naar de
nieuwe wet. Het
uitgangspunt is dat deze overgang voor de betrokken
bijstandsgerechtigden met zo min mogelijk complicaties dient te verlopen. De aard van de
herinrichtingsvoorstellen maakt dit mogelijk, met name omdat deze
voorstellen, in vergelijking tot de bestaande regelgeving en reeds in ander
verband voorgestelde wijzigingen, specifieke uitzonderingen daargelaten,
niet leiden tot een aanpassing van de uitkeringsniveaus, terwijl de
nieuwe bepalingen goeddeels neerkomen op een codificatie van bestaand beleid. Dit betekent dat het niet nodig is al
degenen die op de dag vóór
de inwerkingtreding reeds bijstand ontvangen (de zogenaamde lopende
gevallen), op of kort na de ingangsdatum een nieuwe aanvraag te laten
indienen. De nieuwe wet continueert in principe de rechten die op
grond van de oude wet zijn ontstaan, zolang de omstandigheden van de
betrokkenen zich niet wijzigen. Op de ingangsdatum zal er ten
aanzien van de lopende gevallen dus geen discontinuïteit in de verlening van bijstand optreden.
Aangezien de nieuwe wet
diverse bepalingen bevat die afwijken van de bestaande, zal binnen het
tijdsbestek van een aantal maanden na invoering van de nieuwe wet
een nieuwe beoordeling door burgemeester en wethouders moeten
plaatsvinden van degenen die op de dag voor de inwerkingtreding reeds een
bijstandsuitkering ontvingen. Daarbij zal moeten worden bezien in
hoeverre de nieuwe regels in het individuele geval tot aanpassingen
dienen te leiden, niet alleen wat het rechtenaspect betreft, maar evenzeer
aan de kant van de verplichtingen. Naar verwachting zal dit in het
gros der gevallen niet tot ingrijpende aanpassingen van de uitkering
behoeven te leiden. In de Invoeringswet zal de systematiek van deze
herbeoordeling worden geregeld, evenals de termijn waarbinnen de
herbeoordeling dient plaats te vinden en het tijdstip waarop ten aanzien
van de lopende gevallen de rechtsgevolgen van de nieuwe wet zullen ingaan. Voor de nieuwe gevallen (degenen die
bijstand aanvragen na de
datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet) zal deze meteen
toepassing vinden.
Zoals eerder werd vermeld,
leidt invoering van de nieuwe Abw slechts in een beperkt aantal
gevallen rechtstreeks tot een lager uitkeringsniveau. Dit effect kan zich
voordoen in enkele specifieke situaties die de bestaande wet overlaat aan
de beoordeling door burgemeester en wethouders, maar waarvoor de
nieuwe wet voorziet in een regeling. In enkele gevallen is als
codificatie van de in de loop der jaren ontstane jurisprudentie hiervoor
gekozen. Indien een gemeente voor dergelijke gevallen tot nu toe een
eigen beleid voert dat tot een ruimere bijstandverlening leidt dan de
codificatie in de nieuwe Abw voorschrijft, treedt een inkomensteruggang op.
Als voorbeeld kan het zogenaamde co-ouderschap worden genoemd, waarvoor de
bestaande regelgeving, anders dan dit
wetsvoorstel, geen bepaling
bevat. In gemeenten die bij co-ouderschap in ruimere mate bijstand
verlenen dan de vaste jurisprudentielijn aangeeft, zal het op die
jurisprudentie berustende artikel in dit wetsvoorstel voor de
betrokkenen tot een lagere bijstandsuitkering leiden. In de Invoeringswet
zal voor dit soort gevallen worden voorzien in een tijdelijke
overbruggingsuitkering.
In de Invoeringswet zullen
ook de wijzigingen in andere wetten worden geregeld waartoe de
herinrichting van de ABW leidt. In verband met de wijzigingen die optreden in
algemene maatregelen van bestuur zal een invoeringsbesluit worden
getroffen.
De nieuwe Abw, de
Invoeringswet en het invoeringsbesluit zullen gelijktijdig in werking
treden. In overeenstemming met het Bestuursakkoord dat in 1990 tussen het
Rijk en de VNG is gesloten, zal
een invoeringstermijn van drie maanden worden aangehouden.
rblz.|106
Artikelsgewijze
toelichting
In deze artikelsgewijze
toelichting is in hoofdzaak aandacht besteed aan de wijzigingen die
optreden ten opzichte van de bestaande regelgeving. Waar hiertoe echter,
uit een oogpunt van volledigheid en begrijpelijkheid, aanleiding
bestond, zijn ook artikelen of artikelleden die overeenkomen met bestaande
bepalingen van een korte toelichting voorzien, aansluitend bij de
betreffende oorspronkelijke toelichting.
Artikel
1, onderdeel e
Het begrip inrichting is
momenteel in het kader van de bijstandverlening niet duidelijk
omlijnd. Het is van belang met het oog op enkele bijzondere bepalingen die
de wet bevat ten aanzien van personen die in een inrichting verblijven,
waarvan artikel 31 [30] betreffende de hoogte van de bijstand het belangrijkst
is. In de jurisprudentie wordt aangaande de vraag of al dan niet van een
inrichting sprake is, zowel de doelstelling als het feitelijk functioneren
van de betreffende organisatie in ogenschouw genomen. Beide elementen
maken deel uit van de gegeven begripsomschrijving. De feitelijke
werkzaamheden kunnen onder meer blijken uit het door de instelling
aangeboden voorzieningenpakket. Bij de uitvoering van deze
wet zal vooral
moeten worden beoordeeld of de inrichting voorziet in kost en inwoning
van de betrokkene. Aangezien dit in de meeste inrichtingen, zoals
bijvoorbeeld verzorgingstehuizen, verpleeghuizen en opvangtehuizen,
het geval is, is de verlening van bijstand aan personen in inrichtingen
slechts in een beperkt aantal gevallen aan de orde.
Artikel 3
Naar strekking komt dit
artikel overeen met het huidige artikel 5a. Als gevolg van de inpassing in
de nieuwe wettelijke context en door zijn vorm als begripsomschrijving
verschilt het voorgestelde eerste lid in redactioneel opzicht van het
bestaande artikel 5a. Enig beleidsinhoudelijk verschil is niet beoogd. Het
voorgestelde artikel brengt derhalve geen wijziging in de bestaande
beleidsafstemming op dit punt met, onder meer, de AOW
en de Toeslagenwet.
Van duurzaam gescheiden
levende echtgenoten (eerste lid) is sprake indien het een door beide
betrokkenen of één van hen gewilde verbreking van de echtelijke
samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven
leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten
minste één van hen als bestendig is bedoeld. Ook een door geen van beide
echtgenoten gewilde toestand die voor de voortzetting van de
echtelijke samenleving een daadwerkelijk beletsel vormt en waarvan
redelijkerwijs niet valt te verwachten dat deze zich binnen afzienbare tijd
zodanig zal wijzigen dat de echtelijke samenleving kan worden hervat, kan
worden aangemerkt als een situatie van duurzaam gescheiden leven.
Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de echtgenoot voor langere tijd
in een psychiatrische inrichting is opgenomen en geen positieve
wijziging in diens geestestoestand is te verwachten.
In overeenstemming met de
bestaande wet strekt het tweede lid ertoe het beginsel van de
gezinsbijstand, dat zijn uitwerking krijgt in artikel
13, tweede lid, mede van
toepassing te doen zijn op ongehuwd samenwonenden. Destijds is
toegelicht dat er aanleiding is ongehuwd samenwonenden op gelijke wijze te
behandelen als gehuwden indien hun feitelijke omstandigheden niet
verschillen van die van gehuwden. Vast dient dan te staan dat de ongehuwd
samenwonenden duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren. De
omschrijving van het begrip gezamenlijke rblz.|107
huishouding in het derde lid
vindt zijn oorsprong in een amendement-Linschoten/Kraaijeveld-Wouters,
dat bij gelegenheid van de behandeling in de Tweede Kamer van de
wetsvoorstellen in het kader van de stelselherziening sociale zekerheid
werd aanvaard. Of inderdaad in het concrete geval sprake is van het
voeren van een duurzame gezamenlijke huishouding staat ter
beoordeling aan burgemeester en wethouders. Bij die beoordeling worden de
objectieve feitelijkheden in ogenschouw genomen. Alleen indien
feitelijke omstandigheden aannemelijk maken dat de betrokkenen een
gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening dragen, bijvoorbeeld blijkend uit een financiële
verstrengeling waardoor zij
in economisch opzicht als een eenheid kunnen worden beschouwd, is
het gerechtvaardigd bij de bijstandverlening van het bestaan van
een gezamenlijke huishouding uit te gaan. Niet afgegaan kan worden op
het door gedragingen van de betrokkenen naar buiten toe eventueel
opgeroepen beeld van het bestaan van een affectieve relatie.
Zoals in het tweede lid is
aangegeven, dient de gezamenlijke huishouding een duurzaam
karakter te hebben. In sommige gevallen kan bij de samenwonenden onzekerheid bestaan over de vraag of hun relatie
duurzaam van aard zal
blijken te zijn. Hiermee kan rekening worden gehouden indien de
samenwoning in een pril stadium verkeert. In dergelijke gevallen kan de
gedragslijn worden aangehouden dat een kennismakingsperiode wordt
toegestaan van drie maanden, gedurende welke tijd de betrokkenen nog niet als
gehuwd worden aangemerkt, zodat de eventuele middelen en
behoeften van de partner voorlopig buiten beschouwing blijven. Tenzij
het tegendeel blijkt, zal na afloop van deze periode worden aangenomen
dat betrokkenen een gezamenlijke huishouding voeren. Tijdens
de kennismakingsperiode is de woningdelersaftrek van toepassing.
Er kan aanleiding zijn in een bepaald geval de kennismakingsperiode vast te
stellen op een kortere of langere termijn, doch in beginsel niet langer
dan zes maanden, aangezien de geschetste gedragslijn het centrale
uitgangspunt van gelijke behandeling van ongehuwd samenwonenden en
gehuwden niet in gevaar mag brengen.
Niet onder de werking van
dit artikel vallen personen met uitsluitend één of meer kostgangers of
kamerhuurders, alsmede woongroepen bestaande uit meer dan twee
personen die samenwonen zonder één of meer gezamenlijke
huishoudingen of gezinnen te vormen. Indien niet aannemelijk is dat iemand
een gezamenlijke huishouding met een ander voert, doch vaststaat dat
betrokkene op niet-commerciële basis de woning deelt met één of meer
anderen, zal doorgaans sprake zijn van woningdeling; ook
bloedverwanten in de eerste of tweede graad als bedoeld in het tweede lid
worden als woningdelers aangemerkt. In deze gevallen dient uitvoering te
worden gegeven aan de artikelen 34 [33] en 35 [34].
De delegatiebepaling in het
vierde lid is reeds opgenomen in het huidige artikel 5a, vijfde
lid, alsmede in onder meer de AOW, de Toeslagenwet en de Ioaw. Indien de
noodzaak van nadere regelgeving zich voordoet, is het gewenst dat
alle wettelijke regelingen waarin het begrip gezamenlijke huishouding een
rol speelt daartoe de mogelijkheid bieden.
Artikel 4
Onderdeel b
Alleen de
persoon die als alleenstaande de volledige zorg voor één of meer tot zijn
last komende kinderen heeft, wordt in dit wetsvoorstel aangemerkt als
alleenstaande ouder. De reden hiervoor is dat slechts ten aanzien van
de persoon die feitelijk optreedt als hoofd van een eenoudergezin er aanleiding is de specifieke bepalingen in
deze wet betreffende
alleenstaande ouders, zoals de uitkeringsnorm van 90% en de gunstiger
regeling voor de vrijlating van arbeidsinkomsten, toe te passen. Indien de
zorg voor de kinderen wordt gedeeld met een rblz.|108
ander, zoals het geval is
bij vormen van co-ouderschap, zal betrokkene in de regel niet als een
alleenstaande ouder kunnen worden aangemerkt. In dit soort situaties is het
derde lid van artikel 30 [29+30]
van toepassing.
Onderdelen c, d en e
In
onderdeel c zijn de personen aangeduid die tot het gezin worden
gerekend. Onder gehuwden zijn, overeenkomstig artikel
3, mede begrepen
ongehuwd samenwonenden. Het beginsel dat de bijstand aan personen die
een gezin vormen, wordt verleend als gezinsbijstand (in de
bestaande wet geregeld in artikel 5), is in dit wetsvoorstel neergelegd in
artikel 13, tweede lid.
Onderdeel
d bevat een
algemene omschrijving van het begrip "kind". Onder kind wordt mede het
geadopteerde kind begrepen. Pleegkinderen worden niet als kind
aangemerkt; zij worden niet gerekend tot het gezin in de zin van de Abw. Ook in
de jurisprudentie is als uitgangspunt verankerd dat pleegkinderen
niet in de gezinsbijstand zijn begrepen; het is gebruikelijk dat het
pleeggezin voor dit kind een vergoeding ontvangt. Is niettemin ten behoeve van
een pleegkind bijstand noodzakelijk, dan wordt dit kind als
zelfstandig subject aangemerkt.
Wat betreft het ten laste
komende kind wordt een leeftijdsgrens van 18 jaar gehanteerd. Hiermee
wordt aangesloten bij het ook in andere regelingen op het terrein
van de sociale zekerheid bestaande uitgangspunt dat kinderen
vanaf 18 jaar doorgaans als economisch zelfstandig kunnen worden
beschouwd. De vraag of sprake is van een ten laste komend kind,
waarvoor als criterium is gegeven dat de ouder of ouders daarvoor aanspraak op
kinderbijslag kunnen maken, is met name ten aanzien van de
alleenstaande ouder van belang.
Immers, of aanspraak kan
worden gemaakt op de
bijstandsnorm
voor een alleenstaande ouder is
afhankelijk van de vraag of de belanghebbende de volledige zorg
heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen. De ongehuwde die
uitsluitend één of meer kinderen in de leeftijdscategorie van 18
tot 21 jaar heeft (kinderen dus die niet als tot zijn last komend worden
aangemerkt), wordt als een alleenstaande beschouwd. Indien bedoelde
kinderen evenwel nog tot het huishouden van deze alleenstaande
behoren, kan betrokkene aanspraak maken op een toeslag als bedoeld in
artikel 40 [-].
Anders dan thans in het Bln
wordt niet meer gesproken van "het in het gezinsverband levende"
kind, teneinde duidelijker tot uiting te brengen dat het kind tot 18
jaar
dat niet thuis verblijft of woont en waarvoor niet op andere wijze in het
bestaan wordt voorzien, tot het gezin wordt gerekend zolang het
feitelijk ten laste van zijn ouders komt. Een kind dat weliswaar financieel ten
laste van de ouders komt, doch dat in het buitenland woonachtig is,
kan niet worden aangemerkt als een ten laste komend kind in de zin van de
Abw, aangezien de werkingssfeer van deze wet
zich niet uitstrekt tot
degenen die buiten Nederland woonachtig zijn.
Artikel 5
Eerste lid
Onderdeel a
De
personen tot wie de bijstandswet zich richt, worden in de huidige
regelgeving met uiteenlopende termen aangeduid. Dit vloeit voort uit het
feit dat de betrokkenen in verschillende fasen van het proces dat tot een
uitkering kan leiden niet steeds dezelfde hoedanigheid hebben: de wet richt
zich immers zowel tot aanvragers als ontvangers van bijstand, tot
rechthebbenden evenals tot personen van wie het recht nog niet
vaststaat. De personenkring van de ABW is bovendien zo ruim dat er
naast werkloze werknemers ook bijvoorbeeld zelfstandigen,
schoolverlaters en gepensioneerden toe behoren. Een verdere complicerende factor
is dat de bijstand zowel betrekking kan hebben op individuele
personen als op gezinnen. Teneinde niettemin zoveel mogelijk consistentie
in de terminologie te brengen, wordt hier, in aansluiting bij de voorgestelde Algemene wet bestuursrecht, het begrip
rblz.|109
belanghebbende geïntroduceerd. In het geval van gehuwden zijn beide
echtgenoten belanghebbende;
beiden hebben immers een rechtstreeks belang bij een besluit van burgemeester en wethouders inzake de
verlening van bijstand. Het
kan hierbij zowel gaan om een nog te nemen besluit als om een reeds
genomen besluit.
Afgezien van echtgenoten
hebben overige leden van het gezin, die mede begrepen zijn in de
gezinsbijstand, geen zelfstandig opeisbaar recht op een deel van die
bijstand. In die zin hebben zij geen rechtstreeks, doch een indirect,
belang bij het besluit van burgemeester en wethouders en als zodanig
zijn zij dus niet aan te merken als belanghebbende.
Onderdeel b
De
omschrijving van het begrip zelfstandige komt ten dele overeen met
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Bijstandsbesluit zelfstandigen. Aan de definitie is toegevoegd dat de
zelfstandige zijn bedrijf of
beroep hier te lande rechtmatig dient uit te oefenen. Dit vereiste is
reeds opgenomen in artikel 2 respectievelijk artikel 4, onderdeel d, van
genoemd besluit. Verder is in aansluiting bij de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz)
bepaald dat de belanghebbende dient te voldoen aan het
urencriterium dat in de Wet op de inkomstenbelasting wordt gehanteerd voor het
verkrijgen van de zogenaamde zelfstandigenaftrek.
Indien de belanghebbende
niet aan dit criterium voldoet, kan aan hem niet in de hoedanigheid van
zelfstandige bijstand worden verleend. In deze situatie kan slechts
bijstand worden verleend vanuit het uitgangspunt dat betrokkene
voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op het verrichten
van arbeid in dienstbetrekking; er zal sprake moeten zijn van een
reële beschikbaarstelling voor arbeidsinschakeling en de daarop
betrekking hebbende verplichtingen uit hoofdstuk VIII zijn dan op betrokkene
van toepassing.
Verder zijn de voorwaarden
aangegeven waaraan de zelfstandige moet voldoen indien hij alleen of
samen met derden het bedrijf of beroep uitoefent. Dit betreft bijvoorbeeld een samenwerkingsverband zoals een
vennootschap onder firma of
een rechtspersoon zoals een besloten vennootschap. Evenals in het bestaande Bijstandsbesluit zelfstandigen
het geval is, zal in het te
treffen Besluit bijstandverlening zelfstandigen
nader op de wijze van bijstandverlening in dergelijke situaties worden ingegaan.
De begripsomschrijving heeft
mede betrekking op de beginnende zelfstandige, dat wil zeggen
degene die uit hoofde van volledige of gedeeltelijke werkloosheid een uitkering ontvangt en die vanuit deze
uitkeringssituatie een
bedrijf of zelfstandig beroep begint.
Tweede en derde lid
Voor
schoolverlaters van 18 tot 21 jaar bestaat gedurende een halfjaar na
beëindiging van het onderwijs of de beroepsopleiding geen recht op
bijstand, zoals is bepaald in artikel 10 [9], eerste lid, onderdeel g. Ook de
bestaande Rww kent een dergelijke wachttijd. Voor werkloze schoolverlaters van
18 tot 21 jaar kan gedurende een halfjaar na beëindiging van het
onderwijs aanspraak worden gemaakt op kinderbijslag. Voor
schoolverlaters van 21 tot 27 jaar wordt de bijstand gedurende die periode
afgestemd op het niveau van de budgetten voor levensonderhoud van de Wet
op de studiefinanciering (WSF).
Om als schoolverlater te
worden aangemerkt, dient men onderwijs of een beroepsopleiding te
hebben beëindigd op grond waarvan aanspraak bestond op studiefinanciering op basis van hoofdstuk II van de
WSF of
op kinderbijslag. De
wachttijd van een halfjaar is in de omschrijving van het begrip schoolverlater
geïncorporeerd. Derhalve wordt iemand alleen als schoolverlater in de zin
van deze wet aangemerkt zolang een halfjaar niet is verstreken na
beëindiging van het onderwijs of de beroepsopleiding. rblz.|110
Het tijdstip waarop
het halve jaar ingaat, wordt verschillend bepaald al naargelang de
schoolverlater jonger of ouder dan 21 jaar is (derde lid). Voor
schoolverlaters jonger dan 21 jaar is aansluiting noodzakelijk bij de regeling
in het kader van de kinderbijslag ten aanzien van werkloze schoolverlaters
van 18 tot 21 jaar, waarbij uitgegaan wordt van een kwartaalsystematiek.
Voor schoolverlaters van 21 jaar of ouder is het begin van het halve
jaar bepaald op de eerste dag van de maand na beëindiging van het
onderwijs. Aldus wordt een naadloze aansluiting bereikt met de WSF.
Vierde tot en met zesde lid
Eenzelfde benadering als voor de schoolverlater wordt, zoals thans
ook reeds het geval is, gevolgd voor degene die zich in Nederland
vestigt of naar Nederland is teruggekeerd. Deze persoon wordt in het vierde
lid gelijkgesteld met een schoolverlater. Voor personen van 21 jaar of ouder wordt tevens de voorwaarde gesteld dat
recent in het buitenland
onderwijs is gevolgd. Met de term "onderwijs of beroepsopleiding van
overeenkomstige aard" wordt beoogd aan te geven dat het in het buitenland
gevolgde onderwijs in karakter overeen dient te komen met het onderwijs
waarbij aanspraak op WSF
[lees: studiefinanciering, red.] of kinderbijslag kan bestaan. Dit houdt in dat
het een in het betreffende land erkende vorm van onderwijs dient te
betreffen. Voorts dient het onderwijs voor ten minste negentien uur per week te
zijn gevolgd. Dit zijn immers criteria die gelden voor toekenning van
studiefinanciering of kinderbijslag.
De betrokkene dient aan te
tonen of, en zo ja, wanneer recentelijk gevolgd onderwijs is
beëindigd. Indien de beëindiging van het onderwijs niet afdoende door betrokkene kan worden aangetoond, dienen burgemeester en wethouders uit te
gaan van de dag waarop dat onderwijs aantoonbaar niet meer
gevolgd kan zijn. In het algemeen zal dit de dag van vestiging in of
terugkeer naar Nederland zijn.
In het vijfde lid is bepaald
dat betrokkene alleen voor een nieuwe periode van een halfjaar in
aanmerking komt wanneer een nieuwe scholingsperiode ten minste twee jaar heeft geduurd.
Bij het volgen van een
tweede scholing of opleiding gedurende een periode korter dan twee jaar
wordt het niet reëel geacht betrokkene bij beëindiging daarvan opnieuw
als schoolverlater aan te merken. Het volgen van een nieuwe
opleiding schort echter wel de wachttijd op, zodat degene die
schoolverlater is geweest bij beëindiging van een nieuwe, kortdurende
opleiding bijstand ontvangt naar de norm voor een schoolverlater, voor zover
bij de aanvang van de voorgaande opleidingsperiode de termijn van een
halfjaar nog niet was verstreken. Als betrokkene niet afdoende aan
kan tonen dat de nieuwe opleiding korter dan 24 maanden duurde, geldt
opnieuw een volledige termijn van een halfjaar. Het voorgaande
geldt in beginsel evenzeer voor de schoolverlater die in het buitenland een opleiding gaat volgen en voor degene die
op grond van het vierde lid
als schoolverlater wordt aangemerkt en nadien een scholing of
opleiding heeft gevolgd.
Voorzien is dat de precieze
vaststelling van het begin van de termijn van een halfjaar bij
ministeriële regeling geschiedt (zesde lid). Een vergelijkbare delegatiebepaling
maakt reeds deel uit van de huidige Rww.
Artikel 6
Onderdelen a en b
Een
duidelijke afbakening tussen bijstand ter voorziening in de algemeen
noodzakelijke bestaanskosten en bijstand in bijzondere noodzakelijke
kosten van het bestaan kan niet worden gemist. Zowel om de inhoud van het
recht op bijstand te verduidelijken alsook ter omlijning van de beleidsmatige en financiële verantwoordelijkheden
van centrale overheid en
gemeenten, is de onderscheiding van beide vormen van bijstand van
belang. Op de principiële aspecten van deze rblz.|111
onderscheiding is reeds
ingegaan in het algemeen deel van deze memorie.
De voorgestelde
begripsomschrijvingen nemen, anders dan het Bln en het Bld, niet de aard van de
kosten als vertrekpunt voor de afbakening, maar sluiten aan bij de
wijze van bijstandverlening: de bijstand die wordt verleend
overeenkomstig de landelijk genormeerde bedragen ter voorziening in de algemeen
noodzakelijke bestaanskosten wordt aangemerkt als algemene bijstand.
Deze bijstand wordt geacht toereikend te zijn ter voorziening in de
algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan, dat wil
zeggen in de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op
minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Doen zich evenwel in
de individuele situatie bijzondere omstandigheden voor en leiden deze
tot extra noodzakelijke bestaanskosten waardoor de algemene
normuitkering naar het oordeel van burgemeester en wethouders in die
concrete situatie niet toereikend is, dan kan er aanleiding zijn tot het
verlenen van bijzondere bijstand. Ook degenen die geen algemene bijstand
ontvangen, kunnen indien hun inkomen onvoldoende draagkracht biedt,
voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.
Onderdeel c
In verband met
het uitgangspunt dat de Abw in het stelsel van
bestaansvoorzieningen de plaats inneemt van de laatste voorziening, speelt het
begrip voorliggende voorziening een bepalende rol. In de bestaande
regelgeving is dit begrip evenwel niet nader omschreven. De hier
voorgestelde begripsomschrijving brengt tot uitdrukking dat elke andere
bestaansvoorziening voor de Abw, als sluitstukvoorziening, het
karakter heeft van een voorliggende voorziening, die met voorrang op de
Abw dient
te worden toegepast. De bijstandverlening is complementair ten
opzichte van voorliggende voorzieningen. Indien zich in het bereik of
de werking van een voorliggende voorziening wijzigingen voordoen, dient
de Abw daarbij aan te sluiten. De gegeven begripsomschrijving laat dit
toe.
Tot de voorliggende
voorzieningen worden in de eerste plaats gerekend alle mogelijke
prestaties op grond van publiekrechtelijke regelingen, dan wel op grond van privaatrechtelijke regelingen, zoals een
overeenkomst met een
werkgever. Het gaat hierbij dus om regelingen waaraan rechten kunnen
worden ontleend. Indien de mogelijkheid bestaat om van een
charitatieve instelling een gift te verkrijgen, kan derhalve niet van een
voorliggende voorziening worden gesproken. Dit neemt uiteraard niet weg dat
giften die, gezien hun bestemming en hoogte, uit een oogpunt van
bijstandverlening niet buiten beschouwing kunnen blijven, als middelen
worden aangemerkt (artikel 46 [44]). Wettelijke aanspraken op onderhoud of
vruchtgenot hebben voor de toepassing van de Abw weliswaar een voorliggend karakter, zodat er bij de verlening
van bijstand rekening mee
dient te worden gehouden; het gaat hierbij echter om aanspraken in het
kader van het familierecht, zodat niet van een voorliggende voorziening
in eigenlijke zin kan worden gesproken.
In de tweede plaats wordt
ook de voorziening waarop anders dan door middel van wettelijke
aanspraken door de belanghebbende een beroep kan worden gedaan,
aangemerkt als voorliggende voorziening. Concreet kan hierbij onder meer
worden gedacht aan kredietverlening door een gemeentelijke
kredietbank. Reeds in het kader van de bestaande wet is
het uitgangspunt gehanteerd
dat de ABW, op grond waarvan ook leningen kunnen worden
verstrekt, het functioneren van de normale kredietvoorzieningen niet
dient te doorkruisen.
Het begrip voorliggende
voorziening vertoont belangrijke raakvlakken met het middelenbegrip, dat
in artikel 44 [42] is omschreven, doch is niet identiek daaraan.
rblz.|112
Artikel
7 [-], tweede lid
In bepaalde situaties kan er
aanleiding zijn de bijstandsnorm, waarmee doorgaans reeds in de
woonkosten kan worden voorzien, te verhogen met een woonkostentoeslag
(artikel 39 [-]). Deze toeslagmogelijkheid vergt een nauwgezette omschrijving
van het begrip woonkosten, zowel voor wat betreft huurwoningen als
eigen woningen. Voor beide categorieën woningen is het van belang
een zo goed mogelijke aansluiting met de individuele huursubsidie te
bereiken.
De voorgestelde omschrijving
van het begrip woonkosten is dan ook afgestemd op de Wet
individuele huursubsidie en komt ten dele overeen met artikel 1, eerste lid,
onderdeel g, van het Bln. Verschilpunt met de in het Bln gegeven omschrijving
is de toevoeging in het tweede lid, onderdeel b, onder 1º, dat
bij de eigen woning de verschuldigde hypotheekrente betrekking
dient te hebben op de aankoop of verbetering van de woning en dat de
ontvangen rijkspremie voor de aankoop van de woning in mindering dient te
worden gebracht. Dit komt overeen met de bestaande praktijk.
De aflossing van de
hypotheekschuld wordt niet tot de woonkosten gerekend; indien dit wel het
geval zou zijn, zou bijstand worden verleend ten behoeve van vermogensopbouw. Met de in aanmerking te nemen
hypotheekrente wordt gedoeld
op de hypotheek die verband houdt met de aankoop van de woning of waarmee de belanghebbende de woning
heeft verbeterd.
Het dient immers te gaan om
woonkosten die vergelijkbaar zijn met een huurwoning van dezelfde
kwaliteit; indien een deel van de hypotheekrente betrekking heeft op bezwaring van de woning in verband
met een consumptieve
besteding, kan daarmee geen rekening worden gehouden, om te voorkomen
dat de eigenaar voor eenzelfde kwaliteit woning een hogere
tegemoetkoming ontvangt dan een huurder die op individuele huursubsidie is
aangewezen.
Met de ontvangen rijkspremie
wordt gedoeld op de premie die de belanghebbende zelf
ontvangt. Is de premie gecedeerd aan de geldgever, dan is het maandelijks verschuldigde bedrag aan hypotheekrente daaraan aangepast en
dient van dat bedrag te worden uitgegaan.
Tot de woonkosten van de
eigen woning wordt mede gerekend het eigenaarsdeel in de
zakelijke lasten. Dit betreft in elk geval de onroerendgoedbelasting, baatbelasting
in verband met getroffen publieke voorzieningen, straat- en
grondbelasting, polder- en waterschapsrechten, het erfpachtcanon en de
verzekering van het onroerend goed tegen brand- en stormschade. Het vast te
stellen bedrag voor groot onderhoud dient ter reservering voor de
feitelijke onderhoudskosten. Dit is, in vergelijking tot het Bln, in het tweede
lid, onderdeel b, onder 3º, verduidelijkt. Het gaat hierbij om kosten van
groot onderhoud die noodzakelijk zijn om de woning in dezelfde staat te
houden, niet om kosten in verband met achterstallig onderhoud of
verbetering van de woning.
Een derde verschilpunt met
de bestaande begripsomschrijving uit het Bln betreft de toevoeging in
het tweede lid van onderdeel b, onder 4º, dat bij een eigen woning ook
als woonkosten worden aangemerkt overige kosten waarmee,
indien sprake zou zijn geweest van een huurwoning, bij de
huursubsidie rekening zou zijn gehouden. Het betreft hier de kosten van
collectieve voorzieningen, waarmee met name de eigenaar van een koopflat
kan worden geconfronteerd.
Artikel 8
[7]
Het eerste lid
correspondeert met het huidige artikel 1. Het is de kernbepaling inzake het
recht op bijstand. In overeenstemming met de herziene Grondwet
(artikel 20, derde lid) wordt gesproken van een recht
rblz.|113
op bijstand van
overheidswege. Het recht op bijstand van iedere burger impliceert de plicht van de
overheid in voorkomende gevallen bijstand te verlenen.
Deze plicht rust op de
schouders van burgemeester en wethouders, aan wie de uitvoering van deze
wet in medebewind is opgedragen.
Het recht op bijstand vindt
zijn begrenzing in het begrip "de noodzakelijke kosten van het
bestaan". De eindverantwoordelijkheid die de overheid op zich neemt voor
de voorziening in het bestaan van haar onderdanen in het geval alle
andere bestaansmogelijkheden tekortschieten, kan niet verder
strekken dan het voorzien in het noodzakelijke. Omgekeerd zou het recht op
bijstand worden aangetast indien de bijstandswet minder dan
hetgeen noodzakelijk is, zou verstrekken. Echter, in gevallen waar de
belanghebbende op enigerlei wijze is tekortgeschoten in zijn besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan het
gerechtvaardigd zijn minder bijstand te verstrekken dan in het algemeen noodzakelijk
wordt geacht.
Welke kosten van het bestaan
als noodzakelijk dienen te worden aangemerkt, is in belangrijke
mate afhankelijk van de omstandigheden en mogelijkheden van persoon en
gezin. Een volledige objectivering van het centrale begrip
noodzakelijke kosten van het bestaan is dan ook niet mogelijk. De uitvoerende
verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders brengt mee dat
dit college in voorkomende gevallen beoordeelt of bepaalde
kosten, gelet op het specifieke geval, al dan niet als noodzakelijk zijn aan te
merken. Niet de belanghebbende zelf, doch de gemeentelijke overheid
oordeelt dus over de noodzaak van bepaalde kosten.
Evenals in de bestaande ABW
is geregeld dat ook bijstand kan worden verleend wanneer er een
gebrek aan middelen dreigt, zonder dat dit gebrek reeds feitelijk is
ingetreden. Dit biedt de mogelijkheid van een zeker preventief optreden.
Te denken valt aan bijstand in de vorm van bedrijfskapitaal ten behoeve
van een zelfstandig ondernemer voor wie, hoewel hij over een
levensvatbaar bedrijf beschikt, de situatie dreigt te ontstaan dat hij zich met
zijn bedrijf niet langer zelf het noodzakelijke kan verschaffen.
Tot de middelen worden,
zoals blijkt uit het voorgestelde artikel 44 [42], alle vermogens- en
inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin
beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit laatste houdt in dat bij de
toepassing van artikel 8 ook de middelen waarover de betrokkene binnen afzienbare
tijd zal kunnen beschikken en aanspraken op middelen die hij
redelijkerwijs kan effectueren, in aanmerking dienen te worden genomen. Artikel
24, onderdeel a, biedt de mogelijkheid om indien redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat op korte termijn voldoende middelen voor de
betreffende periode beschikbaar komen, aan de bijstand de vorm van
een geldlening of borgtocht te geven. Is er met het ter beschikking
komen van de middelen of het effectueren van de aanspraken nog enige tijd
gemoeid en ontbreekt het de belanghebbende in de tussentijd
effectief aan voldoende middelen, dan kan de verlening van bijstand om
niet op zijn plaats zijn, zo nodig gevolgd door terugbetaling zodra de
bedoelde middelen ter beschikking komen.
Het voorgestelde eerste lid
geeft het hoofdbeginsel inzake het recht op bijstand. In de overige
artikelen van hoofdstuk II
wordt nader gespecificeerd wie tot de kring van
rechthebbenden behoren, wie van het recht op bijstand zijn uitgesloten en aan welke personen, hoewel ze niet tot de kring van rechthebbenden
behoren, niettemin bijstand kan worden verleend; tevens wordt in
dit hoofdstuk nader inhoud gegeven aan het beginsel dat de bijstand
wordt afgestemd op de omstandigheden en aan het niet beschikken over de
middelen ter voorziening in de noodzakelijke bestaanskosten.
rblz.|114
Het tweede lid komt overeen
met het bestaande artikel 1, derde lid. Het recht op bijstand van
vreemdelingen is gekoppeld aan het op de Vreemdelingenwet berustende
vergunningenstelsel met betrekking tot de regeling van het recht op
verblijf.
Wat betreft EG-onderdanen
die als begunstigd EG-onderdaan zijn te beschouwen, vloeit het
verblijfsrecht rechtstreeks voort uit het gemeenschapsrecht. Een begunstigd
EG-onderdaan heeft niet steeds op grond van het gemeenschapsrecht
recht op bijstand; onder omstandigheden kunnen begunstigde EG-onderdanen worden gerekend tot de personen
als bedoeld in het tweede
lid, ook indien niet uitdrukkelijk uit een verblijfsdocument blijkt dat
het de betrokkene op grond van artikel 9 of 10 van de Vreemdelingenwet
is toegestaan in Nederland te verblijven. In het kader van de uitvoering
van de Abw
dienen burgemeester en wethouders echter na te gaan
of het verblijfsrecht bijstandverlening toelaat. De gemeente
is in
het algemeen niet in staat dit zelfstandig te beoordelen. In de praktijk
zal het verblijfsrecht voor de toepassing van de Abw daarom moeten worden
geverifieerd met behulp van het verblijfsdocument, al dan niet in
combinatie met het vragen van informatie aan de vreemdelingendienst. Op
deze wijze wordt het rechtstreeks uit het EG-recht voortvloeiende verblijfsrecht bij de uitvoering van de
Abw
volledig gerespecteerd.
Ten aanzien van de
vreemdeling aan wie het niet is toegestaan in Nederland te verblijven,
doch wiens verblijf alhier wordt gedoogd, kan bijstand worden verleend op
grond van artikel 12.
Artikel 9
[8]
In dit artikel is de kern
van enkele bepalingen uit het huidige Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bz)
opgenomen. Het betreft artikel 16 (opgenomen in het voorgestelde eerste
lid), artikel 4, onderdeel b, en artikel
25 [26], eerste lid (opgenomen in
het derde lid, aanhef en onderdeel a), en artikel 26 [27]
(opgenomen in het derde
lid, onderdeel b). Aangezien deze artikelen uit genoemd besluit bepalend
zijn voor het recht op bijstand van zelfstandigen, verdient
opneming in de wet de voorkeur. Het blijft evenwel noodzakelijk nadere
regels te stellen. Zelfstandigen nemen immers, aangezien zij door
middel van een eigen bedrijf of zelfstandig beroep in het
levensonderhoud voorzien, een bijzondere positie in. Dit vergt op diverse onderdelen
een specifieke benadering, die niet zou passen in het algemene kader
van de wet zelf. De betreffende nadere regelgeving zal worden
opgenomen in een nieuw te treffen Besluit
bijstandverlening zelfstandigen. Op de keuze voor handhaving van een afzonderlijk besluit voor
zelfstandigen is reeds ingegaan in het algemeen deel van deze memorie.
Eerste lid
De
uitkeringsduur van bijstand voor levensonderhoud aan zelfstandigen is in het
algemeen beperkt tot maximaal twaalf maanden. Een langere uitkeringsperiode
zou gaan in de richting van een inkomensgarantie, hetgeen in strijd is
met het uitgangspunt dat, tenzij het ouderen betreft, alleen een uitkering kan worden verleend bij tijdelijke inkomensproblemen.
Verlenging van genoemde
termijn met ten hoogste twee jaar is alleen mogelijk als de noodzaak
voortkomt uit externe omstandigheden van tijdelijke aard. Verlenging
is dus niet mogelijk indien de oorzaken van de bijstandsbehoefte in de
wijze van bedrijfsvoering zijn gelegen.
Tweede lid
Dit biedt de
mogelijkheid bijstand te verlenen aan uitkeringsgerechtigden die een
bedrijf of zelfstandig beroep gaan uitoefenen. De doelgroep van dit lid
wordt gevormd door werklozen met een rblz.|115
werkloosheidsuitkering of
een uitkering, anders dan als zelfstandige, op grond van de Abw. Ook de
echtgenoot van een werkloze uitkeringsgerechtigde kan, met name in
geval van rolwisseling, tot de doelgroep behoren.
Voorts worden tot de
doelgroep gerekend degenen die een gedeeltelijke werkloosheidsuitkering
ontvangen in combinatie met een uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet [AAW, red.] of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
vanwege gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Ook een wachtgelduitkering voor overheidspersoneel kan
worden aangemerkt als een
werkloosheidsuitkering in de zin van dit lid. Niet als beginnende
zelfstandige kan worden aangemerkt de persoon voor wie een functie in
dienstbetrekking beschikbaar is, dan wel die nog in dienstbetrekking werkzaam
is.
Het derde lid voorziet in de
mogelijkheid van bijstandverlening aan de zelfstandige met een niet-levensvatbaar bedrijf. Allereerst betreft dit de oudere zelfstandige wiens
inkomen duurzaam ontoereikend is. In die situatie is het, gezien ook
de leeftijd, veelal niet mogelijk dat betrokkene door vergroting van zijn
inspanningen het bedrijfsresultaat verbetert. Regelmatig zal in dergelijke
gevallen sprake zijn van een achteropgeraakte bedrijfsvoering,
waardoor aan het vereiste van levensvatbaarheid op den duur niet kan worden
voldaan. Beëindiging van het bedrijf en omschakeling naar een andere
functie is dan in het algemeen geen reëel alternatief.
In overige gevallen van een niet-levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep kan de bijstand
slechts worden afgestemd op het als zelfstandige uitoefenen van het bedrijf
of beroep wanneer aan de bijstand de verplichting wordt verbonden
dat het bedrijf of beroep zo spoedig mogelijk zal worden
beëindigd (onderdeel b). In bepaalde situaties, bijvoorbeeld wanneer de
oogst nog moet worden binnengehaald of nog aan leveringsverplichtingen
moet worden voldaan, kan van de zelfstandige niet worden
verlangd dat het bedrijf of beroep onmiddellijk wordt beëindigd. Ook kan
daarmee enige tijd gemoeid zijn om te voorkomen dat het bedrijf of
beroep onder duidelijk ongunstige condities van de hand moet worden
gedaan. Verder kan de zelfstandige zodanig door liquidatiewerkzaamheden
in beslag worden genomen dat het voorshands fysiek onmogelijk
is daarnaast arbeid in loondienst te verrichten. Derhalve is voor
bijstandverlening aan beëindigende zelfstandigen een termijn
van ten hoogste twaalf maanden gesteld.
Het vierde lid regelt de
wijze van bijstandverlening indien in verband met ziekte of gebreken een
AAW-uitkering is aangevraagd. Een langere periode van bijstandverlening dan de termijn van
twaalf maanden kan dan
nodig zijn, omdat het recht
op een AAW-uitkering eerst na een periode van één jaar kan worden vastgesteld. Na eventuele beëindiging van de
activiteiten als
zelfstandige wordt betrokkene geacht te zijn aangewezen op arbeid in
dienstbetrekking. Het vijfde lid markeert de kring van zelfstandigen die aanspraak
kunnen maken op bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal. In het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen, dat op grond
van het zesde lid zal worden getroffen, worden hieromtrent nadere
regels gesteld.
Artikel 10
[9]
Dit artikel geeft weer welke
personen vanwege de omstandigheid waarin ze verkeren van
bijstandverlening zijn uitgesloten. De huidige regelgeving bevat geen systematische weergave van geldende
uitsluitingsgronden. In het
voorgestelde artikel vindt een dergelijke explicitering rblz.|116
wel plaats; het merendeel
van de uitsluitingen geldt reeds op grond van de bestaande wet en de
nadere regelgeving.
Indien zich ten aanzien van één van de echtgenoten een uitsluitingsgrond voordoet, zal de
andere echtgenoot bij de bepaling van de hoogte van de bijstand als alleenstaande of alleenstaande ouder moeten worden
aangemerkt. Dit is
bijvoorbeeld het geval wanneer bij een echtpaar de man is gedetineerd en
derhalve uitgesloten van het recht op bijstand. In dergelijke gevallen is het
voorgestelde artikel 33 [32] van toepassing.
Eerste lid
Onderdelen a en b
Degenen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen, komen niet in
aanmerking voor bijstand. In de noodzakelijke kosten van het bestaan van
gedetineerden wordt voorzien door het ministerie van
Justitie. Dit
geldt zowel voor algemene als bijzondere bestaanskosten. De
financiële verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie heeft mede
betrekking op perioden van weekendverlof. De Raad van State heeft in een
uitspraak bepaald dat de kosten gepaard gaande met weekendverlof
als uitvloeisel van de detentie moeten worden beschouwd en op grond
van artikel 35, Wetboek
van Strafrecht ten laste komen van het
ministerie van Justitie en derhalve niet voor bijstand in aanmerking komen
(RvS, 10 oktober 1989, JABW 1990/10).
Degenen die hun militaire dienstplicht vervullen, vallen onder de zorg van het ministerie van
Defensie. Zij zijn derhalve uitgesloten van het recht op bijstand. Deze
uitsluiting betreft zowel de algemene als de bijzondere bijstand,
aangezien genoemde zorg van het ministerie van Defensie in principe alle
noodzakelijke bestaanskosten omvat. De zorg voor erkende
gewetensbezwaarden berust bij het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Onderdeel c
Werkstaking of uitsluiting van het werk dient voor de
bijstandverlening een uitsluitingsgrond op te leveren, aangezien het verlenen van bijstand
aan degenen die rechtstreeks of zijdelings betrokken zijn bij een
dergelijk arbeidsconflict zou neerkomen op een ongewenste beïnvloeding
door de overheid van dat conflict. De uitsluitingsgrond geldt slechts
voor zover het gebrek aan middelen van die werkstaking of uitsluiting
van het werk het gevolg is. Deze nadere precisering ten opzichte van de
betreffende bepaling in de Rww (artikel 5, eerste lid, onderdeel a) is
noodzakelijk geworden door overheveling van die bepaling uit de Rww naar
de wet. De voorgestelde bepaling leidt ertoe dat iemand
die
voorafgaand aan de staking of uitsluiting van het werk, vanwege een deeltijdbaan aanvullende algemene bijstand
ontvangt of die reeds
bijzondere bijstand ontvangt, in geval van staking of uitsluiting van het werk
deze bijstand behoudt.
Onderdeel d en
derde lid
Als
tijdelijk verblijf buiten Nederland wordt aangemerkt
een normale vakantieperiode in het buitenland van in beginsel
vier weken. Verblijft iemand zonder noodzaak langer buiten Nederland, dan
onttrekt hij zich aan een juiste uitvoering van deze wet. Dit sluit als
regel zowel het verlenen van algemene bijstand als van bijzondere
bijstand uit. Het ligt niet in de rede deze uitsluitingsgrond zonder
meer toe te passen indien de belanghebbende aannemelijk maakt dat het
verblijf in het buitenland noodzakelijk is voor de zelfstandige voorziening
in het bestaan. Van een dergelijk noodzakelijk verblijf kan
bijvoorbeeld sprake zijn ten aanzien van de zelfstandig ondernemer die bijstand
ontvangt en die zich voor de uitoefening van zijn bedrijf enige tijd in het
buitenland dient te begeven. In aansluiting bij de huidige uitvoeringspraktijk
kan ten aanzien van degenen die op grond van artikel 120 [113], vierde lid,
zijn vrijgesteld van bepaalde verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling in
voorkomende gevallen een iets langer verblijf in het buitenland worden toegestaan.
Het derde lid geeft, evenals
thans artikel 2, derde lid, van de Rww, de rblz.|117
mogelijkheid om bij
ministeriële regeling het begrip "gebruikelijke vakantieduur" nader te
omlijnen.
Voor een rechtsgelijke toepassing van de Abw en de noodzakelijke
afstemming daarbij op andere socialezekerheidswetten is handhaving
van een dergelijke delegatiebepaling gewenst.
Onderdeel e
Personen jonger dan 18 jaar zijn in de gezinsbijstand begrepen; hun
noodzakelijke bestaanskosten worden gerekend tot de bestaanskosten van de
ouder of ouders, die ten aanzien van hen onderhoudsplichtig zijn. Zij
kunnen derhalve bij de verlening van bijstand niet worden aangemerkt als
een zelfstandig rechtssubject.
Onderdeel f
De
alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar kan als regel worden geacht
onafhankelijk van de ouders in het bestaan te kunnen voorzien. Hij wordt
niet aangemerkt als ten laste komend kind in de zin van artikel
4,
onderdeel e. Indien hij beschikbaar is voor inschakeling in de arbeid in een
dienstbetrekking van ten minste de helft van de algemeen geldende volledige
arbeidstijd per week of indien hij als zelfstandige kan worden
aangemerkt in de zin van artikel 5, kan hij voor het recht op bijstand worden
aangemerkt als zelfstandig subject. De voorwaarde dat de
belanghebbende voor ten minste de helft van de algemeen gebruikelijke
arbeidstijd per week beschikbaar is, vloeit voort uit de gewenste afbakening
ten opzichte van de Algemene Kinderbijslagwet. Het is niet de
bedoeling dat recht op bijstand ontstaat voor hen die meer dan de helft van de
algemeen gebruikelijke arbeidstijd per week onderwijs of een beroepsopleiding volgen. Voor hen kan aanspraak
gemaakt worden op kinderbijslag. Tot 21 jaar zijn de ouders nog onderhoudsplichtig.
Beschikbaarheid voor de
arbeidsmarkt dient eveneens als voorwaarde te gelden voor gehuwden van
18, 19 of 20 jaar die geen kinderen te verzorgen hebben. Toekenning
aan deze categorie van een zelfstandig recht op bijstand, zonder
het stellen van deze beschikbaarheidseis, zou te veel afbreuk doen aan de
eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
Het wordt niet juist geacht wanneer personen in deze leeftijdscategorie
zich, louter door als ongehuwden een gezamenlijke huishouding te
voeren of door te huwen, een recht op bijstand verwerven dat aan
de alleenstaande van die leeftijd in dezelfde omstandigheden niet toekomt.
Onderdeel g
Het
recht op bijstand van de schoolverlater van 18, 19 of 20 jaar
(alleenstaanden en gehuwden zonder tot hun last komende kinderen) gaat pas
in zodra een halfjaar is verstreken na beëindiging van het onderwijs.
Deze wachttijd is in de bestaande regelgeving opgenomen in artikel 6 van
de Rww en is in dit wetsvoorstel geïncorporeerd in de omschrijving van
het begrip schoolverlater in artikel 5. De genoemde schoolverlater is
tijdens de wachttijd nog aangewezen op de onderhoudsplicht van de
ouder of ouders. De kinderbijslag voorziet hierin.
Indien de relatie tussen de
ouders en een kind waarvoor zij onderhoudsplichtig zijn ernstig
is verstoord, ertoe leidend dat het kind het ouderlijk huis in een conflictsituatie verlaat, kan er aanleiding zijn van het
beginsel van de
gezinsbijstand af te wijken. Artikel 13, vierde lid, biedt daartoe de mogelijkheid. In
zo'n situatie zal met gelijktijdige toepassing van artikel 11 kunnen worden
afgeweken van de uitsluitingsgrond in het tweede lid.
Tweede lid
Geen recht op
algemene bijstand bestaat voor degene die een scholing of opleiding
volgt als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet
op de studiefinanciering (WSF).
rblz.|118
Aldus wordt voorkomen dat
ongewenste effecten zouden ontstaan op de begroting van het
ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Op grond van de WSF
zijn
bepaalde beperkingen gesteld aan het verkrijgen van aanspraak op studiefinanciering. Zo zijn bijvoorbeeld door middel van de Harmonisatiewet
(Stb.
1988, 334) beperkingen gesteld aan de periode waarover voor het
volgen van onderwijs aanspraak op studiefinanciering bestaan.
Ingevolge dit artikellid is in dergelijke situaties geen bijstand mogelijk om in de
kosten van het volgen van onderwijs - waaronder begrepen de kosten
van levensonderhoud - te voorzien. De verlening van bijstand kan
niet in de plaats treden van studiefinanciering.
Artikel 11
De plaats en functie van de
Abw als laatste voorziening in het stelsel van sociale zekerheid brengt
enerzijds mee dat deze wet dient open te staan voor een zeer ruime
kring van rechthebbenden; anderzijds betekent het dat aan de
uitsluitingsgronden die voor bepaalde personen gelden geen absoluut karakter kan
worden gegeven. In bijzondere gevallen dient, wanneer zich daartoe
zeer dringende redenen voordoen, de mogelijkheid aanwezig te
zijn om een persoon die geen recht op bijstand heeft toch
financieel bij te staan. Het voorgestelde artikel geeft de bevoegdheid daartoe aan
burgemeester en wethouders.
Uitsluitend vanwege het feit
dat het de belanghebbende ontbreekt aan de noodzakelijke middelen om
in het bestaan te voorzien, kan nog niet worden gesproken van zeer
dringende redenen zoals in het artikel bedoeld. Vast dient te staan
dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert
op geen enkele andere wijze
zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt
onvermijdelijk is. Ook het antwoord op de vraag of het niet verlenen van bijstand
voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens
gezondheid, zal in de afweging een rol dienen te spelen. Het
uitzonderingskarakter van het artikel brengt verder mee dat burgemeester en wethouders
ernaar dienen te streven de bijstandverlening van zo kort mogelijke
duur te laten zijn; de dringende redenen die tot het verlenen van
bijstand noodzaken, dienen zo spoedig mogelijk te worden weggenomen.
Uit het voorgaande volgt
reeds dat met het voorgestelde artikel niet is beoogd een algemene
ontsnappingsclausule ten aanzien van de toepassing van uitsluitingsgronden te bieden. Als zodanig toegepast zou
het artikel de
uitsluitingsgronden immers goeddeels ontkrachten, hetgeen niet juist te achten
is.
Het artikel kan, met
inachtneming van het voorgaande, bijvoorbeeld worden toegepast op degene
die vanwege een werkstaking of uitsluiting van het werk geen recht op
bijstand heeft.
De bevoegdheid om ten
aanzien van stakers bijstandverlening in bijzondere situaties
mogelijk te maken, berust thans bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (artikel 5, tweede lid,
Rww). Deze bevoegdheid verschuift,
binnen het kader van het voorgestelde artikel, naar burgemeester en
wethouders. Ook op de in Nederland verblijvende vreemdeling aan wie noch op
grond van artikel 8 [7], tweede lid, noch op grond van
artikel 12
bijstand kan worden verleend, kan in extreme situaties het artikel
worden toegepast. Als een dergelijke extreme situatie kan in elk geval
worden beschouwd een situatie waarin medische zorg nodig is vanwege een
levensbedreigende situatie en bij kans op ernstig letsel of
invaliditeit. In aanmerking nemend dat een opsomming van concrete, acute
noodsituaties het gevaar inhoudt dat deze als normatief of limitatief
wordt beschouwd, wordt van het geven van verdere concrete voorbeelden
afgezien. Het ontbreken van noodzakelijke middelen van bestaan kan ten
aanzien van deze categorie vreemdelingen rblz.|119
in het algemeen niet worden
aangemerkt als een zeer dringende reden die aanleiding geeft tot
bijstandverlening, aangezien de onrechtmatig in Nederland verblijvende
vreemdeling gehouden is te vertrekken. Het regeringsstandpunt
dienaangaande is dat voorkomen moet worden dat het een vreemdeling, door
het verlenen van bijstand, door dezelfde overheid die hem het recht
op verder verblijf weigert, feitelijk en financieel mogelijk wordt gemaakt
illegaal in Nederland te verblijven. De uitsluiting van het recht op
bijstand van onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen,
die in de praktijk reeds gold, is per 1 juni 1991 geformaliseerd in
artikel 84, vierde lid, van de bestaande ABW.
Bij toepassing van artikel
11 kan zowel sprake zijn van de verlening van algemene bijstand als van
bijzondere bijstand. Indien wordt afgeweken van een uitsluiting die de
algemene bijstand betreft, ligt het voor de hand dat de verleende bijstand
als algemene bijstand wordt aangemerkt; wordt afgeweken van een uitsluiting van bijzondere bijstand, dan dient
de verleende bijstand te
worden aangemerkt als bijzondere bijstand.
Artikel 12
Dit artikel komt inhoudelijk
overeen met het bestaande artikel 84, eerste lid. Hoewel niet
uitdrukkelijk bepaald, betekent het eerste lid van artikel 12
dat indien
de
eenmaal afgegeven verklaring niet meer geldig is, niet langer aan de
voorwaarde uit het eerste lid wordt voldaan.
Op grond van het derde lid
kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met
betrekking tot de bijstandverlening aan vreemdelingen die niet over
een geldige verblijfstitel beschikken, doch die wel met instemming van
het bevoegde gezag in Nederland verblijven.
Dergelijke regels kunnen
nodig zijn om ten aanzien van bepaalde groepen gedoogde
vreemdelingen te kunnen bepalen dat de rechtsplicht van de Nederlandse overheid
tot het verlenen van bijstand zich mede tot hen uitstrekt. Daarnaast kan
zich in de toekomst een situatie voordoen waarin het wenselijk is om,
gelet op de onzekerheid omtrent de duur van het verblijf in Nederland,
ten aanzien van bepaalde groepen gedoogde vreemdelingen nadere
afwijkende regels te stellen. Hiertoe kan te meer aanleiding zijn
wanneer
zonder de mogelijkheid van dergelijke afwijkende regels een specifieke
voorziening zou moeten worden gecreëerd.
Artikel 13
Eerste en tweede lid
Eén
van de wezenskenmerken van de Abw
is de afstemming van de bijstand
op de feitelijke behoefte in het individuele geval. In de bestaande
regelgeving komt dit beginsel met name naar voren in artikel
1, tweede
lid, van de wet en in artikel 2, tweede lid, van het Bln. Het thans voorgestelde
artikel 13 beoogt in het eerste en tweede
lid aan genoemd beginsel
opnieuw inhoud te geven door de afstemming op de individuele omstandigheden en mogelijkheden van persoon en
gezin uitdrukkelijk als
opdracht aan burgemeester en wethouders te formuleren en door de
afstemming mede te betrekken op de aan de bijstand verbonden
verplichtingen. Het betreft hier een opdracht van algemene strekking; ten
aanzien van een aantal specifieke onderdelen in dit wetsvoorstel waar een
nadere aanduiding wenselijk werd geacht, is deze algemene opdracht
verbijzonderd. Dit is bijvoorbeeld het geval in artikel 14 aangaande de
afstemming op verwijtbare gedragingen, in artikel 79 [73], tweede lid,
aangaande de periode waarover de bijstand wordt betaald en in artikel 114
[107] aangaande het in het individuele geval niet opleggen van verplichtingen.
Waar dergelijke specifieke bepalingen zijn gegeven, is daarmee ook de bevoegdheid van burgemeester en
wethouders bepaald om van
een voor die situatie gegeven algemeen wettelijk voorschrift af te
wijken. Het is evenwel onmogelijk en rblz.|120
ongewenst, gezien de
veelheid van - vaak onvoorzienbare - situaties waarin deze
wet van
toepassing is, voor elke denkbare situatie een specifieke opdracht tot
afstemming van de bijstand te geven en de daarbij behorende bevoegdheden toe
te delen. Het algemene karakter van artikel 13 impliceert
dat ook in
dergelijke situaties waarvoor geen specifieke afstemmingsbepaling is
gegeven burgemeester en wethouders bij de verlening van bijstand met
de hoedanigheden van het individuele geval rekening dienen te houden en
dat zij, binnen de kaders die de wet
stelt, daartoe bevoegd zijn.
De afstemming van de
bijstand als bedoeld in artikel 13 heeft mede betrekking op de toepassing
van het noodzakelijkheidscriterium uit artikel 8 [7], eerste lid, bij de
individuele gevalsbehandeling. De uitvoerende verantwoordelijkheid van
burgemeester en wethouder houdt onder meer in dat dit college bij de
individuele gevalsbehandeling beoordeelt:
- of er sprake is van hogere
of extra noodzakelijke bestaanskosten, zodat er aanleiding is
bijzondere bijstand te verlenen;
- of bepaalde algemeen
noodzakelijke bestaanskosten zich wellicht in mindere mate of geheel niet
voordoen, zodat de algemene bijstand op een lager niveau kan worden
bepaald dan overeenkomt met de landelijke normen aangegeven in
hoofdstuk IV.
Overigens zal er buiten de
in hoofdstuk IV, afdeling 1, genoemde
gevallen slechts bij wijze
van uitzondering aanleiding zijn om in verband met het feit dat bepaalde
kosten zich in mindere mate of in het geheel niet voordoen de bijstand
in afwijking van dat hoofdstuk lager vast te stellen. Hierbij speelt een
rol dat de bijstandsnormen een all-inkarakter hebben.
In aansluiting bij het
bestaande artikel 5 bepaalt het tweede lid dat bij de verlening van bijstand
aan de personen die een gezin vormen afstemming van de bijstand
plaatsvindt op de gezinsomstandigheden. Op de betekenis van het
beginsel van de gezinsbijstand werd reeds in het algemeen deel van deze
memorie ingegaan (hoofdstuk 3).
Derde lid
De aanspraak op
gezinsbijstand is een gemeenschappelijke aanspraak van beide
echtgenoten, die aan beiden gezamenlijk toekomt. Dit is tot uiting gebracht
in het derde lid, dat inhoudelijk overeenkomt met het bestaande artikel
5,
vierde lid, eerste volzin. Het voorgestelde artikel 71 [67], tweede lid,
bepaalt dat gezinsbijstand door de echtgenoten gezamenlijk wordt
aangevraagd; indien één van de echtgenoten aanvraagt, dient duidelijk te
zijn dat de ander met de aanvraag instemt. In het voorgestelde artikel 78
[72] is geregeld dat de gezinsbijstand, voor zover het algemene bijstand
betreft, aan ieder van de echtgenoten voor de helft wordt uitbetaald of,
op hun gemeenschappelijk verzoek, aan één van hen voor het geheel. Op
deze wijze is in het wetsvoorstel inhoud gegeven aan een zekere mate
van verzelfstandiging van uitkeringsrechten, zoals reeds bij
gelegenheid van de stelselherziening per 1 januari 1987 met het oog op
de gelijke behandeling van mannen en vrouwen is doorgevoerd.
Vierde lid
Dit lid biedt de
mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden af te wijken van de in
het tweede lid gegeven regel dat bijstand in een gezinssituatie als
gezinsbijstand wordt verleend. Tot een dergelijke afwijking kan er
bijvoorbeeld aanleiding zijn indien de relatie tussen gehuwden, hoewel ze nog niet
duurzaam gescheiden leven, dermate ernstig is verstoord dat
het niet verantwoord is nog langer met hun gezamenlijke middelen
rekening te houden; of indien zich tussen ouders en kind een zodanig ernstige
breuk in de relatie voordoet dat het niet verantwoord is het kind nog
langer aan te merken als een gezinslid dat in de gezinsbijstand is
begrepen. Met name doet zich dit voor wanneer een kind in een crisissituatie
het ouderlijk huis verlaat en terugkeer in het rblz.|121
gezin niet verantwoord is.
Dan kan het aangewezen zijn het kind als afzonderlijk subject voor
bijstand in aanmerking te brengen.
De constatering door het
bijstandverlenend orgaan dat een kind feitelijk niet meer kan
worden aangemerkt als tot het gezin behorend, laat uiteraard de onderhoudsverplichtingen van de ouder of ouders
onverlet.
Het bestaande artikel 8 van
de ABW bepaalt dat het beginsel van de gezinsbijstand buiten
toepassing blijft ten aanzien van de persoon die ter verpleging of verzorging in
een inrichting verblijft; achteraf kan dan met toepassing van het bestaande
artikel 56 verhaal plaatsvinden op de gezinsmiddelen. Er is geen aanleiding deze uitzonderingsbepaling uit
genoemd artikel 8 en de
daaraan verbonden verhaalsactie te handhaven, nu na beëindiging van de
indirecte financiering met bijstandsgelden van kosten van
dienstverlening
de te verstrekken bijstand aan personen in inrichtingen doorgaans
uitsluitend een bedrag voor persoonlijke uitgaven betreft.
Artikel 14
Er kunnen zich - naar hun
aard en zwaarte verschillende - gedragingen voordoen die aanleiding
geven om bij wijze van sanctie de bijstand lager vast te stellen (dat
wil zeggen gedeeltelijk te weigeren) of deze geheel te weigeren. Onder het weigeren
van bijstand wordt mede verstaan het beëindigen van bijstand die
reeds wordt verleend. Het eerste lid bevat de meest algemene
weigeringsgrond; in het tweede en vijfde lid zijn specifieke weigeringsgronden
opgenomen die op concreet omschreven gedragingen betrekking
hebben. De weigeringsgronden kunnen zowel algemene als bijzondere
bijstand betreffen.
Eerste lid
Indien de
belanghebbende er blijk van heeft gegeven zich onvoldoende bewust te zijn
van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan,
dient daarmee bij de verlening van bijstand rekening te worden gehouden.
Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat betrokkene
heeft nagelaten bepaalde voorzorgsmaatregelen te treffen, waardoor hij als
het ware zelf bepaalde bestaansrisico's over zich afroept. kan [lees: Er
kan, red.] doorgaans
redelijkerwijs van iemand worden verwacht dat hij zich verzekert tegen
ziektekosten of tegen bepaalde calamiteiten. Evenzeer mag in redelijkheid
worden gevergd dat men zichzelf niet nodeloos in
bijstandbehoevende omstandigheden brengt, bijvoorbeeld door het doen van bepaalde
uitgaven of het nalaten van bepaalde financiële reserveringen. De
jurisprudentie geeft aan dat in dergelijke gevallen van een ongenoegzaam besef
van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan worden gesproken. Het treffen van een
sanctiemaatregel door het
lager vaststellen van de bijstandsuitkering kan dan aangewezen zijn; ook
terugvordering van verleende bijstand is dan zo nodig aan de orde.
Tweede lid
Wanneer de
belanghebbende voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of in de
periode daarna geen of onvoldoende medewerking verleent aan het verkrijgen of behouden van werk, kan het
recht op bijstand niet
onverkort worden gehandhaafd. Burgemeester en wethouders brengen dit tot
uitdrukking door de bijstandsuitkering dan voor bepaalde tijd lager
vast te stellen. Ook bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen
die ten aanzien van betrokkene aan de bijstand zijn verbonden, is
er aanleiding voor een dergelijke verlaging (onderdelen b en c).
Derde en vierde lid
Burgemeester en wethouders stellen per geval de omvang en duur van de
maatregel vast, rekening houdend met de ernst rblz.|122
van het feit, de omstandigheden van de belanghebbende - waaronder de
gezinssituatie en de
relevante omstandigheden die tot het laakbare feit hebben geleid -, alsmede
met de mate van verwijtbaarheid.
Gaat het om zeer ernstige gedragingen of om herhaald foutief gedrag, dan kan op grond van het
vierde lid bijstand worden geweigerd, waaronder mede wordt verstaan het beëindigen van een reeds lopende
bijstandverlening. Hoewel de Abw de laatste voorziening is waarop men een beroep kan doen, hetgeen
tot extra zorgvuldigheid dwingt, kan het recht op bijstand niet onder
alle omstandigheden in stand blijven. Indien de omstandigheden dit vergen,
kan een weigering na enige tijd weer ongedaan worden gemaakt.
Louter het feit dat de belanghebbende nadat hem bijstand is geweigerd (opnieuw) een aanvraag indient, is nog geen reden die weigering
ongedaan te maken.
Vijfde lid
Dit lid komt
overeen met de in de Jeugdwerkgarantiewet (JWG) opgenomen wijziging
van de Rww. Burgemeester en wethouders zijn tot een tijdelijke weigering van bijstand verplicht indien een werkloze
jongere geen
dienstbetrekking in het kader van de JWG heeft omdat hij een daartoe strekkend aanbod
niet heeft aanvaard of omdat hij eerder wegens dringende redenen
werd ontslagen. Tijdens de periode waarin bijstand wordt geweigerd,
wordt de jongere geacht bij de Jeugdwerkgarantieorganisatie een
verzoek in te dienen tot (hernieuwde) indiensttreding. Verwacht mag worden
dat deze organisatie positief op een dergelijk verzoek zal
reageren indien er sprake is van een verbeterde opstelling van de betrokken
jongere. Als de jongere nalaat een dergelijk verzoek te doen of als hij
na de tijdelijke weigering van bijstand geen medewerking verleent, is er
aanleiding de weigeringstermijn te verlengen. Indien de
Jeugdwerkgarantieorganisatie nadat bijstand is
geweigerd negatief beslist
op een verzoek tot (hernieuwde) indiensttreding, is de jongere
werkloos en derhalve bijstandsgerechtigd. Doch ook in deze situatie is de
jongere gehouden al het mogelijke te doen om weer zelfstandig in zijn
bestaan te voorzien. Blijft hij daartoe in gebreke, dan is op hem het reguliere
sanctiebeleid van toepassing, met dien verstande dat het feit dat
hem reeds eerder op grond van ontslag uit de JWG-dienstbetrekking
bijstand werd geweigerd, betrokken dient te worden bij de beoordeling
van de zwaarte van de alsdan toe te passen sanctie. Met deze bepaling
wordt enerzijds aangegeven dat het niet gebruik maken van de geboden
garantie op werkervaring de jongere zwaar wordt aangerekend,
anderzijds wordt hiermee bereikt dat de afstemmingsmogelijkheden en
de normale rechtsbescherming van de Abw
van toepassing zijn.
Zesde lid
Dit
lid voorziet in
de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te
stellen inzake de in dit artikel geregelde lagere vaststelling of volledige
weigering van de bijstand. Gelet op het gevoelige karakter van de
materie die dit artikel regelt, met name vanwege de directe
doorwerking in het recht op bijstand, dient zo nodig nadere regulering te kunnen
plaatsvinden, bijvoorbeeld ter voorkoming dat in het gemeentelijk
sanctiebeleid sterk uiteenlopende maatstaven worden gehanteerd.
Artikel 15
Het begrip noodzakelijke
kosten van het bestaan is in de huidige wet niet nader omschreven.
De uitgebreide jurisprudentie die in de loop der jaren is ontstaan, heeft in zoverre tot een
nadere omlijning van dit begrip geleid dat ten aanzien van bepaalde kostensoorten is komen vast te staan dat deze
niet
of slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen worden aangemerkt als rblz.|123
noodzakelijke bestaanskosten
in de zin van artikel 1 van de bestaande ABW. Ten aanzien van de
belangrijkste kostensoorten wordt het wenselijk geacht deze vaste
lijn uit de jurisprudentie, althans wat de kern betreft, in de
wet op te
nemen. Hiermee wordt bijgedragen aan de bij de herinrichting van de ABW
mede beoogde verduidelijking van rechten en plichten. Dit artikel dient,
evenals artikel 16, in deze context te worden bezien.
Beide artikelen tezamen begrenzen wat de aard van de kosten
betreft de werkingssfeer van de Abw.
Het is constante
jurisprudentie dat bestaanskosten die de afbetaling van schulden
betreffen, in
het algemeen niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten in
de zin van artikel 1 van de bestaande ABW. De overheid biedt via deze wet
iedere burger immers de zekerheid van toereikende middelen om in
het noodzakelijke te voorzien en neemt daarmee de noodzaak weg tot
het maken van consumptieve schulden louter om in de
noodzakelijke bestaanskosten te kunnen voorzien. Schulden ontstaan dus niet,
uitzonderingen daargelaten, uit een gebrek aan het noodzakelijke, doch
uit de wijze van besteding van de middelen door de betrokkene.
De bestaande ABW en dit
voorstel van wet wensen de individuele bestedingsvrijheid
uitdrukkelijk te respecteren en rekenen de gevolgen van het bestedingsgedrag tot
ieders persoonlijke verantwoordelijkheid. Er kunnen zich evenwel
situaties voordoen waarin aan genoemde algemene regel niet onverkort kan
worden vastgehouden. Ook de jurisprudentie biedt de ruimte om in zeer
bijzondere omstandigheden bijstand te verlenen voor het betalen of
verhinderen van een schuld. De toe te stane uitzonderingen op genoemde
algemene regel zijn evenwel zeer specifiek van aard. Of zich zeer
dringende redenen voordoen die een afwijking van de gegeven hoofdregel
rechtvaardigen, is ter beoordeling aan burgemeester en wethouders. De
jurisprudentie geeft daarbij enig houvast. kan bijstand in de betaling
van een schuld gerechtvaardigd zijn [lees: Bijstand in de betaling
van een schuld kan gerechtvaardigd zijn, red.] indien het ontstaan en voortbestaan
van die schuld is veroorzaakt doordat de belanghebbende in het
verleden slechts beschikte over een inkomen onder het bijstandsniveau
en in zijn geval ook overigens van ontoereikende middelen kan worden
gesproken.
Het voorgaande impliceert
dat de Abw geen uitgebreide rol kan spelen in het kader van
schuldsanering. Schuldsanering is een taak die vooral door gemeentelijke kredietbanken
wordt vervuld. In de praktijk komt het voor dat een
kredietbank niet tot het verstrekken van een saneringskrediet overgaat, aangezien het inkomen van betrokkene te
weinig zekerheid biedt dat
deze aan de aflossing kan voldoen. Wanneer om die reden de kredietbank
tot een afwijzing van de aanvraag voor een saneringskrediet heeft
besloten, kan het wenselijk zijn indien schuldsanering noodzakelijk en
urgent is doordat het voortbestaan van de schuld de betrokkene in zijn
bestaan bedreigt, dat borgstelling op grond van de Abw plaatsvindt, zodat de
kredietbank alsnog tot de verstrekking van een saneringskrediet kan
besluiten. Het tweede lid biedt daartoe de mogelijkheid. Voor de
toepassing van dit lid is, zoals uit het voorgaande reeds naar voren kwam,
vooral de noodzaak en urgentie van de schuldsanering doorslaggevend en
niet de aard van de kosten die tot de schuld hebben geleid.
Wat betreft
schuldbemiddeling (het bemiddelen tussen schuldenaar en schuldeiser bij de
totstandkoming van een afbetalingsregeling zonder een schuldsaneringskrediet
te verstrekken) is een actieve rol van de GSD [gemeentelijke sociale
dienst, red.], gelet op de doelstelling van
deze wet: het bevorderen van de zelfstandige bestaansvoorziening, gewenst.
In het kader van de
bijstandverlening aan zelfstandigen komt het wel voor dat teneinde de
belanghebbende in staat te stellen door middel van zijn bedrijf in het bestaan
te blijven voorzien, de als bedrijfskapitaal rblz.|124
verstrekte bijstand, naast
bedrijfsschulden, mede betrekking heeft op de zich op het moment van
beoordeling voordoende privéschulden. Omdat de aard van de schulden bij
zelfstandigen in de regel sterke diversiteit vertoont en de oorzaak van
de problemen veelal een inkomen beneden bijstandsniveau is, kunnen
er redenen zijn om bij de als bedrijfskapitaal verstrekte bijstand privéschulden niet uit te zonderen.
Artikel 16
In dit artikel is aangegeven
welke kosten niet tot de noodzakelijke bestaanskosten worden
gerekend. Het betreft hier kosten die vanwege hun aard niet onder de
werkingssfeer van deze wet kunnen worden gebracht.
Zoals uit de aanhef "in
ieder geval" blijkt, is geen limitatieve opsomming beoogd. Het wordt
niet gewenst geacht een uitgebreide negatieve lijst in de
wet op
te nemen van alle kostensoorten die niet tot de noodzakelijke
bestaanskosten worden gerekend. Een dergelijke lijst zou burgemeester en
wethouders in voorkomende bijzondere gevallen te zeer kunnen belemmeren bij
het vinden van een passende oplossing. Alleen de belangrijkste
kostensoorten die in de jurisprudentie consequent als niet noodzakelijk
worden aangemerkt, zijn opgenomen.
Indien iemand reeds een
algemene bijstandsuitkering ontvangt en deze uitkering mede voor één van
de genoemde kostensoorten wenst aan te wenden, staat dit betrokkene
uiteraard vrij.
Bedoelde aanwending mag
evenwel niet vervolgens tot een toekenning van extra bijstand leiden,
aangezien dan alsnog langs indirecte weg bijstand voor deze kosten
zou worden verleend.
Artikel 17
Aan het complementaire
karakter van de Abw en de relatie met andere,
voorliggende
voorzieningen werd reeds aandacht besteed in paragraaf 4.5 in het
algemeen deel
van deze memorie.
Dit artikel omlijnt de
aanvullende functie die de Abw ten opzichte van voorliggende voorzieningen
vervult. Het komt overeen met het herziene artikel 1a, zoals opgenomen
in de Wet tot decentralisatie van de bijzondere bijstand (Stb.
1991, 337). Het voorgestelde artikel 17 heeft geen betrekking op de
samenloop van eigen bijdragen bij een beroep op meer dan één voorziening.
In deze kosten kan dus zo nodig bijzondere bijstand worden verleend.
Eerste en tweede lid
Als
uitgangspunt geldt dat de Abw geen functie heeft wanneer binnen de
voorliggende regeling een bewuste beslissing is genomen over de
noodzakelijkheid van een voorziening in het algemeen of in een specifieke
situatie. Voor zover daadwerkelijk een beroep kan worden gedaan op een toereikende en passende voorliggende
voorziening, is er geen
aanleiding tot het verlenen van bijstand. Of een bepaalde voorziening kan
worden aangemerkt als toereikend en passend is niet alleen afhankelijk
van de omstandigheden en mogelijkheden in het individuele geval, maar
wordt in het kader van aard en doel van de betreffende voorziening
mede bepaald door hetgeen naar maatschappelijk inzicht aanvaardbaar
wordt geacht.
Het beroep op een
voorliggende voorziening waarvan het eerste lid spreekt, zal vaak
voorzieningen betreffen op grond van een wettelijke regeling; dan is uit de
tekst van de betreffende wet of de toelichting duidelijk of de voorziening,
gelet op haar aard en doel, geacht wordt een toereikende en passende
voorziening te zijn. Ook ten aanzien van voorzieningen die op een
algemene maatregel van bestuur berusten, zal over het algemeen geen
onduidelijkheid bestaan over de vraag of rblz.|125
beoogd is daarmee een
toereikende en passende voorziening te treffen. Ten aanzien van
voorzieningen die uitsluitend op lagere regelgeving berusten of waar geen
formele regelgeving aan ten grondslag ligt, behoort het tot de
verantwoordelijkheid die de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
draagt voor het bijstandsbeleid, zo nodig over het al dan niet toereikende
karakter van zo'n voorziening duidelijkheid te verschaffen.
Wat betreft het tweede lid
wordt hieraan nog het volgende toegevoegd. Indien op het
beleidsterrein van een voorliggende voorziening een doelbewuste keuze is
gemaakt
om één of meer kostensoorten niet in die voorziening op te nemen,
dient de Abw bij deze beleidskeuze aan te sluiten. Die kosten kunnen
dan niet in aanmerking komen voor de verlening van bijstand.
Derde lid
Het
bijstandsbeleid dient aan te sluiten bij een in het kader van de individuele
gevalsbehandeling door de daartoe bevoegde instantie getroffen beslissing om een
voorliggende voorziening niet toe te kennen. Ingeval de voorziening als
zodanig in het concrete geval door die instantie niet noodzakelijk wordt geacht en derhalve ook geen
vergoeding wordt toegekend,
kan geen bijstand worden verleend. Wordt daarentegen de voorziening
in het individuele geval door die instantie wel noodzakelijk geacht, maar
worden de kosten - bijvoorbeeld om budgettaire redenen - niet
volledig vergoed, dan hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid
aanvullende bijstand te verlenen voor zover die kosten door de
voorliggende voorziening voor belanghebbende noodzakelijk worden geacht.
Vierde en vijfde lid
De
situatie kan zich voordoen dat weliswaar een beroep op een voorliggende
voorziening kan worden gedaan, doch dat de effectuering daarvan nog
enige tijd vergt. Gedurende de periode die hiermee is gemoeid, kan op
grond van het vierde lid bijstand worden verleend indien de
belanghebbende anders tijdelijk in omstandigheden zou gaan verkeren dat hij
niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het
bestaan te voorzien. Uiteraard is er dan aanleiding aan de bijstand
de verplichting te verbinden dat betrokkene, zodra dit mogelijk is,
daadwerkelijk een beroep op de betreffende voorliggende voorziening zal
doen. Ook ter voorkoming dat de in het tweede en derde lid
neergelegde regels in een bepaald geval onbedoeld tot ongewenste resultaten
zouden leiden, kunnen burgemeester en wethouders gebruikmaken van
de in het vierde lid toegekende bevoegdheid om, indien zich
daartoe zeer dringende redenen voordoen, in afwijking van de algemene
regel bijstand te verlenen. Op deze wijze kan de Abw
in noodsituaties
blijven functioneren als laatste redmiddel.
De beperking in het vijfde
lid aangaande kosten van medische handelingen en verrichtingen die
kunnen worden gerekend tot de ontwikkelingsgeneeskunde komt
overeen met hetgeen op dit punt is bepaald in artikel I, onderdeel A, van
het reeds genoemde wetsvoorstel tot decentralisatie van de bijzondere
bijstand [lees: de reeds genoemde Wet tot decentralisatie van de bijzondere
bijstand, red.]. Voor de toelichting op deze beperking wordt naar dat
wetsvoorstel verwezen [lees: wordt naar de memorie van toelichting bij
het betreffende wetsvoorstel verwezen, red.].
Artikel 18
Burgemeester en wethouders
dienen bij de bepaling of en in hoeverre recht op bijstand bestaat
tijdig te beoordelen of een beroep kan worden gedaan op een voorliggende
voorziening en te bevorderen dat de belanghebbende zijn voorliggende
rechten ook daadwerkelijk geldend maakt. Dit artikel geeft
burgemeester en wethouders derhalve een voorlichtende en bemiddelende taak. Op
welke wijze aan het aspect bemiddeling inhoud wordt gegeven, is ter
bepaling aan burgemeester en wethouders rblz.|126
en zal bovendien afhankelijk
zijn van de situatie in het concrete geval. Zo kan het soms voldoende zijn
wanneer een eenvoudige handreiking wordt geboden door ten behoeve van
belanghebbende het eerste contact met bijvoorbeeld een
hulpverlenende instantie te leggen; in andere gevallen zal het echter nodig kunnen
blijken om bij een hulpverlenende instantie uitdrukkelijk te bepleiten
dat een bepaalde vorm van dienstverlening wordt geboden.
Uiteraard laat de met het
artikel beoogde inspanningsverplichting voor burgemeester en wethouders
het primaat van de persoonlijke verantwoordelijkheid van de belanghebbende voor diens bestaansvoorziening
onverlet.
Indien naderhand blijkt dat
een voorliggende voorziening niet toepasselijk was, rijst de vraag
of de belanghebbende alsnog recht op bijstand heeft. Een beoordeling
hiervan vindt in eerste instantie plaats aan de hand van artikel
17. Van
groot belang is of de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd door de voorliggende voorziening bestreden kunnen
worden.
Wanneer die kosten
uitdrukkelijk buiten de werkingssfeer van de voorliggende voorziening
worden gelaten, is op grond van het tweede lid van artikel 17 in beginsel
ook geen bijstand mogelijk. Dat laatste geldt evenzeer indien de kosten
op zich wel onder de werkingssfeer vallen, maar in het concrete geval afwijzend op een aanvraag is beslist. Dan sluit
de Abw ingevolge artikel 17,
derde lid, bij die beslissing aan. Bijstand is echter wel mogelijk indien
door een voorliggende voorziening slechts gedeeltelijk in de kosten
wordt voorzien. Evenzeer kan bijstand worden verleend wanneer de
betreffende kosten weliswaar door de voorliggende regeling kunnen worden
bestreden, maar belanghebbende is uitgesloten van de personenkring van die
voorziening. Bijstand is dan uiteraard slechts mogelijk indien
belanghebbende niet valt onder een uitsluitingsgrond, genoemd in artikel
10 [9].
Het ligt in de rede dat
ingeval alsnog recht op bijstand blijkt te bestaan, dit recht ingaat
vanaf het moment waarop de belanghebbende zich bij de gemeente
met een
verzoek om bijstand heeft gemeld.
Artikel 19
Alleen wanneer iemand niet
over voldoende middelen beschikt, kan bijstand worden verleend
Hieruit vloeit voort dat de bijstand doorgaans "om niet" wordt verstrekt.
Dit sluit niet uit dat in bepaalde gevallen terugvordering en verhaal
van à fonds perdu verstrekte bijstand aan de orde kunnen zijn. Op de in
dit artikel gegeven hoofdregel zijn uitzonderingen mogelijk. Deze worden
in de overige bepalingen van dit hoofdstuk geregeld. Ook bij de
bepaling van de vorm van de bijstand is maatwerk een vereiste.
Artikel 20
Veelal is er bij het bezit
van een zelfbewoonde woning sprake van middelen, in de vorm van in
het huis of het woonschip aanwezig eigen vermogen, dat de grens van
het vrijgelaten, zogenoemde "bescheiden" vermogen overschrijdt.
Volledige aanwending van deze middelen voor de voorziening in het bestaan
zou in veel gevallen neerkomen op verkoop van de woning. Het wordt
echter bezwaarlijk geacht wanneer degene die door eigen inspanning
zelfstandig in zijn huisvesting voorziet, indien hij onverhoopt in
bijstandbehoevende omstandigheden komt te verkeren, altijd genoodzaakt zou zijn
de zelfbewoonde woning te verkopen.
Dit artikel biedt daarom, in
aansluiting bij het bestaande artikel 7a, de mogelijkheid om aan de
belanghebbende die een eigen woning bezit die hijzelf of die zijn gezin
bewoont, bijstand te verlenen indien tegeldemaking, rblz.|127
bezwaring of verdere
bezwaring van het onroerend goed in redelijkheid niet kan worden
gevraagd en indien de bijstand naar verwachting het
drempelbedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, zal overschrijden. In het
bestaande Bijstandsbesluit krediethypotheek (Stb. 1983, 602) is dit
drempelbedrag bepaald op ƒ1700,-, waarbij geen termijnaanduiding is
gegeven. Gebleken is dat dit aanleiding kan geven tot onbedoelde verschillen
in de toepassing van de drempel. Door het drempelbedrag te verbinden
aan een periode van één jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover
bijstand wordt verleend, wordt een meer uniforme toepassing beoogd
en een gelijke behandeling van enerzijds degenen die eenmalig een
bepaald bedrag aan bijstand ontvangen en anderzijds degenen die over
de periode van één jaar in totaal een vergelijkbaar bedrag ontvangen in
de vorm van een aantal periodieke aanvullingen. Het derde lid
verduidelijkt in welke vorm bijstand kan worden verleend indien het
bijstandsbedrag in totaal naar verwachting onder de drempel zal blijven;
zekerheidsstelling dient dan in elk geval achterwege te blijven, doch dit sluit
niet uit dat de bijstand als lening of borgtocht wordt verstrekt. Indien
bijstand wordt verstrekt in de kosten die zijn verbonden aan taxatie van de
woning, de hypotheekakte, de inschrijving van de hypotheek en
bijkomende kosten, dient met deze bijstand uiteraard mede rekening te
worden gehouden bij de bepaling of het in het eerste lid, onderdeel b,
en het derde lid genoemde drempelbedrag wordt overschreden.
Van het in de woning
gebonden vermogen blijft een gedeelte buiten beschouwing (zie artikel 59
[54],
derde lid).
Nu de verantwoordelijkheid
voor de verlening van bijzondere bijstand sinds 1 augustus 1991 is
gedecentraliseerd, ligt het niet in de rede om voor de gevallen waarin
uitsluitend bijzondere bijstand wordt verleend imperatief te bepalen dat
burgemeester en wethouders dienen over te gaan tot zekerheidsstelling
door vestiging van een krediethypotheek. Volstaan wordt met te
bepalen dat burgemeester en wethouders in dat geval bevoegd zijn de
bijstand in de vorm van een krediethypotheek te verstrekken (tweede lid).
Ook hierbij is het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde drempelbedrag van
toepassing.
De verlening van bijstand in
de vorm van een krediethypotheek is niet aan de orde ten aanzien van
de zelfstandige. Dit is reeds vastgelegd in de toelichting bij het
bestaande Bijstandsbesluit zelfstandigen. Voor zelfstandigen gelden
afwijkende regels ten aanzien van het vermogen: het voor de
bedrijfsuitoefening noodzakelijke vermogen blijft buiten beschouwing (artikel
57 [52],
tweede lid). Het is evenwel niet goed mogelijk strikt onderscheid te maken
tussen het bedrijfs- en het privévermogen van de zelfstandige.
Uitgangspunt is dan ook dat alle beschikbare vermogensbestanddelen, inclusief
het vermogen dat is belegd in de eigen woning, bestemd zijn voor
het bedrijf of zelfstandig beroep. Het in het eigen huis belegde vermogen
vervult bijvoorbeeld een belangrijke functie bij het aantrekken van
vreemd vermogen door de zelfstandige. Een krediethypotheek is verder
niet aan de orde indien het een woonwagen betreft. Een woonwagen is namelijk geen registergoed en uit
Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek (artn.
10 227 en 260 [lees: artikelen 10, 227 en 260, red.]) volgt dat een hypotheek alleen kan worden gevestigd
op registergoederen.
De verlening van bijstand in
de vorm van een krediethypotheek brengt mee dat taxatie van het in
de woning aanwezige vermogen dient plaats te vinden. Mede gezien de
formele aspecten die aan de vestiging van een krediethypotheek zijn
verbonden, is het noodzakelijk nadere regels te stellen omtrent de
voorwaarden waaronder bijstand in de vorm van een krediethypotheek wordt
verleend. Dit zal geschieden op vergelijkbare wijze als in het bestaande
Bijstandsbesluit krediethypotheek.
rblz.|128
Artikel 21
Tot de algemeen voorkomende
noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook de aanschaf,
vervanging of reparatie van gebruiksgoederen met een duurzaam karakter.
Indien men ten minste beschikt over een inkomen op het niveau van
het sociaal minimum, dus ook indien men een
algemenebijstandsuitkering
ontvangt, wordt in principe voldoende ruimte in het inkomen
aanwezig geacht om hiervoor te reserveren. Via de algemene normbijstand wordt
dus tevens reeds bijstand verstrekt voor duurzame gebruiksgoederen.
Doet zich evenwel de bijzondere situatie voor dat een dergelijk goed
bijvoorbeeld aan vervanging toe is, terwijl betrokkene nog niet
voldoende heeft gereserveerd, dan ligt het voor de hand dat de alsdan te
verstrekken bijzondere bijstand, mede gezien het duurzame karakter van het
goed, de vorm van een geldlening heeft.
Alvorens leenbijstand kan
worden verstrekt, dient vast te staan dat de belanghebbende de benodigde
geldlening niet kan verkrijgen via de normale kredietverlenende
instanties.
Teneinde een optimale
inschakeling van de reguliere kredietverlening mogelijk te maken, ook voor
degenen met een laag inkomen en derhalve een beperkte aflossingscapaciteit, biedt het voorgestelde artikel tevens
de mogelijkheid bijstand te
verlenen in de vorm van borgtocht.
Voor het verlenen van
borgtocht kan slechts aanleiding zijn indien is komen vast te staan dat
zonder optreden van de bijstand als borg de lening door de kredietverlenende instelling niet zal worden verstrekt.
Voorkomen dient te worden
dat de mogelijkheid van borgstelling leidt tot een onterechte afwenteling
van het bedrijfsrisico van kredietverlenende instellingen op de bijstand.
Burgemeester en wethouders
bepalen de hoogte van de aflossingsbedragen en de duur van de
aflossing. Het wordt ook aan hen overgelaten vast te stellen of er
aanleiding is de betreffende bijstand geheel of voor een deel te verlenen
"om niet". Eén en ander dient te worden beoordeeld naar de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
Deze dient ervan verzekerd
te zijn dat de aflossingsbedragen zodanig worden vastgesteld dat hij
niet in zijn bestaanszekerheid wordt aangetast. Derhalve dienen de
aflossingsbedragen zodanig te worden vastgesteld dat de belanghebbende
ten minste blijft beschikken over een inkomen op het niveau van de in het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen beslagvrije voet,
namelijk 90% van de toepasselijke bijstandsnorm. Het betreft
hier een bovengrens voor de hoogte van de aflossingsbedragen. Over het
algemeen zal het slechts gedurende een beperkte periode verantwoord
zijn het aflossingsbedrag zodanig vast te stellen dat de volledige
ruimte tot aan de beslagvrije voet wordt gebruikt. Het voorgestelde artikel
biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid de aflossingsduur en de aflossingsbedragen zodanig op
elkaar af te stemmen dat de
belanghebbende op wat langere termijn bezien een verantwoord
bestedings- en reserveringsniveau overhoudt.
Artikel 22
Bijstand aan zelfstandigen
is gericht op de continuïteit van het bedrijf of beroep. Indien het
bedrijf zonder verdere maatregelen onvoldoende oplevert, is het verstrekken
van periodieke bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke
bestaanskosten niet afdoende. Ook de bestaande wet biedt derhalve
de mogelijkheid van bijstand in de vorm van verschaffing van
bedrijfskapitaal. Uitgangspunt hierbij is dat dergelijke bijstand wordt
verstrekt als rentedragende lening. Ook borgtocht is mogelijk. Voor zelfstandigen
met een inkomen dat duurzaam onder de bijstandsnorm
ligt, is het
van belang om, tot een beperkt bedrag, de rblz.|129
bijstand voor
bedrijfskapitaal als een bedrag "om niet" te kunnen verstrekken. De financiële
verplichtingen van een geldlening kunnen zij niet opbrengen. Het is
gewenst deze zelfstandigen in staat te stellen hun bedrijf of beroep voort te
zetten wanneer zij naar verwachting met enige financiële hulp hun
zelfstandigheid kunnen behouden. Het tweede lid biedt hiertoe de
mogelijkheid. Voorwaarde daarbij is dat het vermogen van de zelfstandige een
zekere grens niet te boven gaat. Ook kan er reden zijn een ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal verstrekte geldlening geheel
of gedeeltelijk om te zetten in een bedrag om niet indien blijkt dat
de zelfstandige, bezien over een aaneengesloten periode van twaalf maanden
als geheel, een inkomen onder de bijstandsnorm had, terwijl
zijn vermogen niet uitgaat boven een zekere grens.
In het nieuw te treffen Besluit
bijstandverlening zelfstandigen zal één en ander nader worden
geregeld. Daarin zal tevens de berekening van rente over een verstrekte
lening worden geregeld, waarbij het bestaande uitgangspunt zal blijven
gelden dat het renteniveau aansluit op de rente die de algemene banken bedingen. Gezien de aard van de transactie ligt
het voor de hand dat de
zelfstandige een schuldbekentenis ondertekent. Uit een oogpunt van
deregulering is ervan afgezien hieromtrent een expliciete bepaling op te
nemen.
Artikel 23
Het inkomen van de
zelfstandige kan sterk wisselen. Het is dan ook vrijwel onmogelijk tijdens
het lopende jaar het inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep vast te
stellen. Is de bijstand "om niet" verstrekt of blijkt het inkomen achteraf
hoger te zijn, dan kan terugvordering van de te veel ontvangen bijstand
problemen opleveren. Om aan deze problemen tegemoet te komen, wordt de
maandelijkse uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening, in
afwachting van de definitieve vaststelling van de bijstand. Indien de
zelfstandige over het gehele jaar bezien een inkomen blijkt te hebben dat geen
aanleiding geeft om de bijstand op een lager bedrag vast te stellen,
wordt de aanvankelijk als een lening verstrekte bijstand omgezet in een
bedrag "om niet", mits de zelfstandige geen in aanmerking te nemen vermogen
heeft. Blijkt op grond van het jaarinkomen de zelfstandige over
voldoende inkomsten te beschikken, dan blijft de aanvankelijk verleende bijstand het karakter behouden van een
lening, die dient te worden
terugbetaald.
Deze wijze van bijstandverlening leidt tot een nauwkeurige vaststelling van de hoogte
van de bijstand. Het kan evenwel een nadeel blijken dat pas na overlegging van het boekhoudverslag de definitieve
hoogte van de bijstand
bekend wordt. Daarom wordt in het derde lid bepaald in welke gevallen de
bijstand direct als uitkering "om niet" wordt verleend (en definitief
wordt vastgesteld), namelijk indien naar verwachting de definitieve
bijstand weinig van de voorlopige bijstand af zal wijken. Voorwaarden in
dit verband zijn een beperkte uitkeringsperiode (niet langer dan zes
maanden), regelmatige inkomensvorming en een inkomen dat duurzaam
beneden de bijstandsnorm ligt. Ook hierbij geldt dat het vermogen van
de belanghebbende een zekere grens niet te boven dient te gaan. Eén en
ander zal in het nieuw te treffen Besluit
bijstandverlening zelfstandigen nader worden geregeld.
Artikel 24
In bijzondere omstandigheden
kunnen burgemeester en wethouders op grond van dit artikel ook in
enkele andere situaties dan die zijn geregeld in de artikelen 20 tot en
met 23 de bijstand verstrekken in de vorm van een geldlening of borgtocht.
Aanleiding hiertoe kan er zijn indien redelijkerwijs rblz.|130
kan worden aangenomen (bijvoorbeeld vanwege het bestaan van
een aanspraak) dat de
belanghebbende op korte termijn ten aanzien van de periode waarover hij
bijstand vraagt alsnog voldoende middelen tot zijn beschikking krijgt. Ook
indien de bijstandsaanvrage is te wijten aan het feit dat de betreffende
persoon blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, kan het in de rede
liggen dat aan te verstrekken bijstand de vorm van een geldlening of
borgtocht wordt gegeven. Wanneer de gevraagde bijstand
betrekking heeft op een waarborgsom, is leenbijstand de aangewezen vorm,
aangezien belanghebbende de waarborgsom op een later moment weer terugontvangt.
Artikel 25
[26]
In dit artikel wordt ter
bepaling van de hoogte van de algemene bijstand een uitwerking
gegeven van de in artikel 8 [7], eerste lid, opgenomen voorwaarde dat de belanghebbende in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te
geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Van dergelijke omstandigheden
is voor wat de verlening van algemene bijstand betreft sprake als
de alleenstaande of het gezin niet over in aanmerking te nemen vermogen
beschikt en als het inkomen de in dat geval geldende bijstandsnorm
niet te boven gaat. In afdeling 3 van hoofdstuk IV worden de
begrippen inkomen en vermogen nader uitgewerkt en wordt ook
aangegeven welke inkomens- en vermogensbestanddelen buiten beschouwing
blijven.
Of er aanleiding is tot het
verlenen van algemene bijstand kan uiteraard niet uitsluitend
aan de hand van artikel 25 [26] worden bepaald. Daartoe dient het geheel van
voorwaarden die de wet stelt voor het recht op
bijstand en die
doorwerken in de bepaling van de hoogte van de algemene bijstand, in
beschouwing te worden genomen. Zo dient bijvoorbeeld op grond van
artikel 17 te worden beoordeeld of voor de belanghebbende eventueel een
toereikend geachte voorliggende voorziening aanwezig is.
Indien dit inderdaad het geval is, is er geen aanleiding voor het verlenen
van algemene bijstand, ook niet wanneer de hoogte van de als toereikend
beschouwde voorliggende voorziening onder de voor de
belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm ligt. Artikel 20 is eveneens van
belang; zoals daaruit reeds blijkt, staat de aanwezigheid van vermogen
dat is belegd in de zelfbewoonde eigen woning doorgaans niet in de
weg aan de verlening van bijstand; dit vermogen, dat immers pas
voor de voorziening in het bestaan beschikbaar zou komen door
verkoop van de woning, wordt dus niet gerekend tot het in
aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
Eén
en ander illustreert dat de hoofdregel voor het vaststellen van de
hoogte van de algemene bijstand uit artikel 25 [26]
eerst toepassing vindt nadat
overigens op grond van deze wet is vastgesteld dat recht op algemene
bijstand bestaat.
In het
algemeen deel van
deze toelichting is reeds ingegaan op de voordelen om de in de bijstandsnorm
begrepen aanspraak op vakantietoeslag niet per uitkeringstype als een bedrag uit te drukken, maar als
een voor alle
uitkeringstypen gelijk percentage van de bijstandsuitkering. De totaal over
één maand uit
te betalen bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de totale
bijstandsnorm en het totaal ontvangen inkomen over die maand. Van deze
totale uitkering wordt 5,2% gereserveerd als vakantietoeslag.
Het percentage van 5,2 is afgeleid van de verhouding tussen de netto-aanspraak op vakantietoeslag en het maandloon die bij het
nettominimumloon bestaat.
De reservering van
vakantiegeld heeft alleen betrekking op de bijstand rblz.|131
die op grond van paragraaf 2
wordt verleend. Een eventuele verlaging of verhoging van de bijstandsnorm op grond van
paragraaf 3 of 4 [-] heeft
daarop geen invloed. De
reservering van de vakantietoeslag dient derhalve te worden berekend
over de bijstandsuitkering die zonder een dergelijke verlaging of
verhoging tot uitbetaling zou zijn gekomen.
Het kan voorkomen dat de
belanghebbende over het inkomen geen aanspraak op vakantietoeslag
heeft. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld alimentatie. De
procentuele vaststelling van de aanspraak op vakantiegeld over de
bijstandsuitkering kan er in zo'n situatie toe leiden dat de
belanghebbende te zijner tijd slechts een relatief lage vakantietoeslag zal
ontvangen. Het ontmoet geen bezwaar als de gemeente
dan een hoger
bedrag als vakantiegeld voor de betrokkene reserveert. Deze zal daarmee
uiteraard moeten instemmen.
Artikel 26
[27]
Zoals in het
algemeen deel van deze memorie is vermeld, vindt de vaststelling van de hoogte
van de bijstand, waarbij de financiële omstandigheden van de betrokkene
van belang zijn, als regel per kalendermaand plaats. In het eerste lid is
dit algemene uitgangspunt tot uitdrukking gebracht.
In het tweede lid worden de
uitzonderingen op deze hoofdregel vermeld. Allereerst betreft
dit de in onderdeel a genoemde situatie waarin de belanghebbende voor het eerst (of na langere onderbreking)
bijstand gaat ontvangen of
waarin de bijstand anders dan tijdelijk wordt beëindigd. Deze
uitzondering houdt in dat bij aanvang van de bijstand dient te worden vastgesteld
of de betrokkene gedurende de afgelopen periode van ten minste 30
dagen over de middelen beschikte om in de noodzakelijke bestaanskosten
te voorzien (zodat hij in die periode dus geen algemene bijstand heeft
ontvangen). Als dat het geval is, wordt de hoogte van de uitkering
overeenkomstig het derde lid vastgesteld over het deel van de
kalendermaand volgend op het ontstaan van de bijstandbehoevendheid. Dit wil
zeggen dat de
bijstandsnorm
naar rato van dit maanddeel wordt vastgesteld
en slechts het inkomen over dat deel in beschouwing wordt genomen.
Bij beëindiging van de
bijstand doet zich de situatie voor dat niet op voorhand met zekerheid kan
worden vastgesteld of de belanghebbende inderdaad gedurende langere
tijd bijstandsonafhankelijk zal zijn. Aangezien in het merendeel
van de gevallen de bijstand niet slechts kortdurend wordt
onderbroken, zal het voor de uitvoeringspraktijk over het algemeen
aanbevelenswaardig zijn om er bij beëindiging in eerste aanleg van uit te gaan dat
in de komende periode van ten minste 30 dagen niet opnieuw bijstand
behoeft te worden verstrekt. De bijstandsnorm wordt dan
gedurende de laatste bijstandsmaand naar rato van de periode van
bijstandbehoevendheid in die maand vastgesteld en de eventuele middelen worden
slechts over dit maanddeel in aanmerking genomen. Als de belanghebbende echter binnen een periode van 30
dagen wederom
bijstandbehoevend blijkt te zijn, dient alsnog de uitkering over deze maand
opnieuw te worden vastgesteld met toepassing van de gegeven
hoofdregel.
Dan dient in voorkomende
gevallen rekening te worden gehouden met de middelen die bij de
beëindiging van de voorafgaande bijstandsperiode niet in aanmerking zijn
genomen. Deze per saldo niet verrekende inkomsten kunnen op grond
van artikel 84 [78], tweede lid, worden verrekend met de uitkering over de volgende maand. Er is immers sprake van het in
aanmerking nemen van over de
voorafgaande maand opgegeven middelen.
De andere situaties waarin
een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel zijn in
onderdeel b aangegeven. Vaststelling van de
rblz.|132
bijstand over de gehele
kalendermaand zou in deze situaties betekenen dat bijstand wordt verleend
over een periode dat de belanghebbende van het recht op bijstand is uitgesloten of beroep op een voorliggende
voorziening kan doen.
Om dit te voorkomen, dient in
dergelijke gevallen de hoogte van de algemene bijstand eveneens
te worden vastgesteld naar evenredigheid van de periode waarin de
belanghebbende wel recht op bijstand heeft. In de situatie dat één van de
gehuwden slechts voor een deel van de maand van het recht op bijstand is
uitgesloten, worden voor dat deel van de maand de artikelen 33 [32]
en 55 [50] toegepast.
Artikel 27
[-]
De bijstandsuitkering wordt
als een nettobedrag vastgesteld. De gemeente neemt de door de
belanghebbende over de bijstand verschuldigde loonbelasting en
socialeverzekeringspremies voor haar rekening.
Met betrekking tot de
ziekenfondspremie betreft dit zowel het werkgevers- als het
werknemersaandeel in de procentuele premie. Op grond van het Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965 (Stb. 1965, 202) neemt de gemeente ook de
verschuldigde belasting en premies ten aanzien van de door een
bijstandsgerechtigde ontvangen alimentatie voor haar rekening. Dit betreft slechts de
alimentatie ten behoeve van de echtgenoot of gewezen echtgenoot.
Artikel 28
Aangezien de bijstand ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal eveneens betrekking
kan hebben op algemene bestaanskosten, zou zonder nadere bepaling deze
afdeling ook van toepassing zijn op deze vorm van bijstand. Gelet op
de afwijkende vorm van die bijstand kan dit niet het geval zijn.
Artikel 29
In dit artikel zijn de
uitkeringsbedragen opgenomen voor alleenstaanden. Het eerste lid
heeft betrekking op degenen jonger dan 21 jaar alsmede voor degenen van 21
tot 27 jaar die schoolverlater zijn. Het in onderdeel a van dit
artikellid genoemde bedrag is van toepassing op degenen die bij de ouder of
ouders wonen; het in onderdeel b genoemde bedrag geldt voor degenen
die zelfstandig wonen. Voor degenen van 21 jaar of ouder gelden deze
normen gedurende het eerste halfjaar na beëindiging van het
onderwijs of de beroepsopleiding.
Gedurende deze periode
worden zij op grond van artikel 5 als schoolverlater aangemerkt. Op
degene die gedurende de termijn van een halfjaar 21 jaar wordt en vanaf dat moment een zelfstandig opeisbaar
recht op bijstand verkrijgt,
zijn deze normen gedurende het restant van die termijn eveneens van
toepassing.
Voor de alleenstaanden
jonger dan 21 jaar bestaat in beginsel slechts recht op het in het eerste
lid, onderdeel a, genoemde bedrag, ook als zij feitelijk uitwonend zijn.
Over het algemeen worden in het kader van de algemene bijstand slechts de
beperkte bestaanskosten van het wonen in het gezinsverband van de
ouder of ouders als noodzakelijk aangemerkt. Dit wordt in het derde lid
bepaald. Een uitzondering hierop wordt gemaakt voor de situaties
waarin de belanghebbende niet bij de ouder of ouders woont en aan één van
de in het derde lid omschreven voorwaarden voldoet. Als de
ouder of ouders zijn overleden of in het builenland wonen, is het
zelfstandig wonen van de betrokken jongere noodzakelijk. Dat is
eveneens het geval als deze in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening
(Stb. 1989, 360) uit het gezinsverband is rblz.|133
geplaatst en bijvoorbeeld
onder begeleiding een kamer bewoont. Ongeacht of de
uithuisplaatsing voorafgaand aan of tijdens de bijstandverlening plaatsvindt, wordt
dan de norm voor een uitwonende toegekend. Op grond van het
algemene afstemmingsbeginsel heeft de gemeente de bevoegdheid deze
uitzonderingsbepaling eveneens toe te passen als weliswaar geen
maatregel in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening is
getroffen, maar voortgezet verblijf of terugkeer naar het ouderlijk gezin
evenmin mogelijk is. Met het oog op een zorgvuldige besluitvorming
is een indicatiestelling door een erkende instelling voor
jeugdhulpverlening aangewezen die vergelijkbaar is met een die tot uithuisplaatsing
zou leiden. Het is daarnaast, zoals in het derde lid, onderdeel c, is
bepaald, redelijk ook een uitzondering te maken als belanghebbende vóór de ingangsdatum van de bijstand al twaalf maanden of langer niet bij
de ouder of ouders woonde. Daarvan is geen sprake als de betrokkene
tijdens de periode van bijstandverlening, bijvoorbeeld financieel
mogelijk gemaakt door een bijdrage van de ouders, buitenshuis is gaan
wonen. In de situatie dat de betrokkene korter dan twaalf maanden
zelfstandig woont, zijn de in het eerste lid genoemde bedragen van
toepassing.
Uit de omschrijving van de
categorie personen voor wie de in dit artikel genoemde bedragen
gelden, volgt dat deze in beginsel ook kunnen worden gehanteerd in
de situatie dat de gemeente besluit om aan een persoon jonger dan
18 jaar op grond van artikel 13, vierde lid, in afwijking van het beginsel
van gezinsbijstand rechtstreeks bijstand te verlenen. Omdat in
dergelijke gevallen het recht op bijstand op individuele gronden wordt
toegekend, dient ook de hoogte daarvan al naargelang de individuele
situatie te worden vastgesteld. Als de betrokkene bijvoorbeeld bij
familieleden woont, kan een norm voor een thuisinwonende een redelijke
invulling van de noodzakelijke bestaanskosten zijn.
Artikel 30
[29+30]
De norm voor een
alleenstaande ouder wordt toegekend als de belanghebbende één of meer tot
zijn last komende kinderen jonger dan 18 jaar heeft. Voor de situatie dat
één of meer kinderen van 18 jaar of ouder ten laste van de belanghebbende
komen, kan afhankelijk van de gezamenlijke inkomenssituatie, op grond van artikel 40
[-] een toeslag op de alleenstaandennorm worden
verstrekt.
In het tweede lid zijn de bijstandsnormen
opgenomen die van toepassing zijn als de
alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar of een schoolverlater van 21 tot 27
jaar is. Deze normen zijn volgens de methodiek van de Wet
op de studiefinanciering afgeleid van de normen voor alleenstaande
schoolverlaters door deze te verhogen met een toeslag ter hoogte van 80% van de uitwonendennorm voor een alleenstaande.
De normuitkering voor een
alleenstaande ouder veronderstelt dat de belanghebbende de volledige
zorg heeft voor één of meer kinderen jonger dan 18 jaar. Er komen
echter situaties voor dat gewezen echtgenoten gezamenlijk de zorg
hebben voor de kinderen, het zogeheten co-ouderschap. In een
dergelijke situatie voldoen de betrokkenen noch aan de definitie van een
alleenstaande, noch aan die voor een alleenstaande ouder. In de
jurisprudentie is voor deze specifieke situatie de oplossing gekozen dat in
beginsel de norm voor een alleenstaande van toepassing is en dat deze
wordt verhoogd tot de norm voor een alleenstaande ouder naar
evenredigheid van het gedeelte van de maand of week dat de belanghebbende
de feitelijke zorg voor de kinderen heeft. In het derde lid is deze
benadering overgenomen.
rblz.|134
Artikel 31
[30]
Dit artikel regelt de
bijstandsnorm voor gehuwden die elk recht op bijstand hebben. Indien
één
van de echtgenoten geen recht heeft, is artikel 33 [32]
van toepassing.
Bij echtparen waarvan één
van de echtgenoten jonger dan 21 jaar of een schoolverlater van 21
tot 27 jaar is, ligt de bijstandsnorm die voor de betrokkene als alleenstaande
zou gelden onder de helft van de bijstandsnorm die voor
gehuwden geldt. Op deze situaties hebben het tweede en derde lid
betrekking. In het tweede lid wordt bepaald dat indien één of beide
echtgenoten jonger dan 21 jaar of een schoolverlater van 21 tot 27 jaar zijn, de
bijstandsnorm die voor de gehuwden geldt, wordt vastgesteld op grond
van de bijstandsnormen die voor elk van de echtgenoten zou hebben
gegolden indien deze alleenstaand waren. Als de betreffende
alleenstaandennorm minder bedraagt dan de helft van de gehuwdennorm, wordt van dat
lagere bedrag uitgegaan.
Deze benadering houdt ook in
dat in beginsel voor elk van de echtgenoten wordt nagegaan of deze
in aanmerking zouden zijn gekomen voor de uitwonendennorm indien de
betrokkene jonger dan 21 jaar is. Dit zou kunnen meebrengen dat de
gehuwdennorm wordt gesteld op de som van twee thuisinwonendennormen.
Om te voorkomen dat van tweemaal de norm voor een thuisinwonende
alleenstaande wordt uitgegaan, wordt in het derde lid, onderdeel a,
bepaald dat artikel 29, eerste of derde lid, slechts op
één van de
echtgenoten van toepassing is voor de vaststelling van de normen die voor de
betrokkenen als alleenstaanden zouden hebben gegolden. Als de
gehuwden waarvan één of beide echtgenoten jonger dan 21 jaar zijn één
of meer tot hun last komende kinderen hebben, behoeft voor de
vaststelling van de normen die voor ieder van de betrokkenen als
alleenstaande zou hebben gegolden, in het geheel geen toetsing plaats te
vinden aan de voorwaarden voor de uitwonendennorm. Artikel
29, derde
lid, blijft daartoe geheel buiten toepassing, zoals bepaald in het derde
lid, onderdeel b. Alleen als de gehuwden met één of meer ten laste
komende kinderen feitelijk bij de ouders van één van hen inwonen, wordt
derhalve ten aanzien van de betreffende echtgenoot uitgegaan van een
thuisinwonendennorm.
Artikel 32
[31]
Personen die ter verpleging
of verzorging in een inrichting verblijven, worden niet geconfronteerd
met een aantal belangrijke bestaanskosten. In voeding, huisvesting,
verwarming, onderhoud en dergelijke wordt voorzien door de inrichting.
De daaraan verbonden kosten zijn begrepen in de verpleeg- of verzorgingsprijs, die over het algemeen uit andere
hoofde wordt vergoed. Gelet
op dit verschil in noodzakelijke bestaanskosten geldt voor personen
in inrichtingen een aparte bijstandsnorm. Deze is afgestemd op de
beperkte uitgaven die voor rekening van de belanghebbende blijven en
niet worden geacht in de verpleging of verzorging te zijn
inbegrepen. In de uitzonderlijke situatie dat verpleeg- of verzorgingskosten voor
rekening van de belanghebbende zelf komen, kan daarin worden voorzien
door middel van bijzondere bijstand.
De situatie kan zich
voordoen dat een alleenstaande ouder tezamen met zijn kind in een
inrichting verblijft. In dergelijke gevallen zijn de kosten die de belanghebbende voor het kind moet
maken meestal
zodanig dat de kinderbijslag
daartoe een toereikende vergoeding biedt. Derhalve kan worden volstaan
met het normbedrag voor een alleenstaande. Voor de gevallen
dat hogere kosten dienen te worden gemaakt, is er aanleiding voor
burgemeester en wethouders de bijstand daarop af te stemmen door aanvulling
met bijzondere bijstand.
Het normbedrag voor gehuwden
is van toepassing als beide echtgenoten rblz.|135
in de inrichting
verblijven. Indien slechts één van de echtgenoten in een inrichting verblijft,
wordt een goede afstemming op de omstandigheden bereikt door de
normuitkering te stellen op de som van de normuitkeringen die voor
ieder afzonderlijk zouden gelden. Dit komt derhalve neer op
samenstelling [lees: samentelling, red.] van de norm voor een zelfstandig wonende alleenstaande of
alleenstaande ouder en die voor een in een inrichting verblijvende
persoon, over het algemeen naar het normbedrag voor een alleenstaande.
Artikel 33
[32]
Dit artikel betreft de
bijstandsnorm die van toepassing is als voor
één van de echtgenoten een
uitsluitingsgrond geldt. Zoals in het algemeen deel van deze memorie reeds
werd vermeld, dient in een dergelijke situatie te worden voorkomen
dat door de bijstandverlening aan degene die wél recht op bijstand
heeft indirect tevens bijstand wordt verleend aan de niet-rechthebbende
partner. Dit wordt voorkomen door voor de rechthebbende partner de
bijstandsnorm te stellen op die voor een alleenstaande of, als deze één of meer tot zijn last komende kinderen jonger dan 18 jaar heeft,
die voor een alleenstaande ouder.
De toets op de gezamenlijke
middelen is ook bij deze afwijkende vaststelling van de
bijstandsnorm in beginsel van kracht. Aangezien de bijstand als gevolg van de
afwijkende normvaststelling niet voorziet in de bestaanskosten van de
echtgenoot, dienen diens eventuele middelen niet onverkort in beschouwing te
worden genomen. Artikel 55 [50] bevat daaromtrent enkele bepalingen.
Artikel 34
[33]
Dit artikel bevat samen met
artikel 35 [34] de huidige woningdelersregeling. Met het oog op de
financiële voordelen die zijn verbonden aan het kunnen delen van de woonkosten met
één of meer medebewoners
wordt de bijstandsnorm in
geval van woningdeling lager gesteld. Deze voordelen betreffen zowel de
woonkosten in enge zin als de overige aan het wonen verbonden kosten,
zoals energielasten, onroerendgoedbelasting en
reinigingsheffingen.
Er is alleen aanleiding de
normuitkering lager te stellen als een zelfstandige woonruimte
wordt gedeeld. Daarvan is sprake als de belanghebbende zelfstandig opkomt
voor de woonkosten. Ook als de woonkosten samen met anderen
worden opgebracht, maar de woonruimte waarover de
belanghebbende beschikt alle faciliteiten bevat die aan zelfstandige
bewoning zijn verbonden, kan deze als een zelfstandige woonruimte
worden beschouwd.
De genoemde financiële
voordelen van woningdeling doen zich niet voor als de belanghebbende
tegen een zakelijke prijs het gebruik heeft van een deel van de woning
van een ander en derhalve als huurder, onderhuurder of kostganger
dient te worden aangemerkt. In het tweede lid, onderdeel a, is dan ook
bepaald dat de aftrek in dat geval niet van toepassing is. Evenmin is de
aftrek van toepassing als juist de medebewoner de positie van
huurder, onderhuurder of kostganger heeft. Deze wordt op grond van onderdeel
a van het derde lid daarom niet aangemerkt als medebewoner. Met
de opbrengst van verhuur of onderverhuur en het hebben van
kostgangers wordt rekening gehouden bij de vaststelling van het inkomen
van de belanghebbende. Bij huisgenoten (bloed- en aanverwanten in
de eerste en tweede graad) wordt, evenals bij de individuele
huursubsidie, geen zakelijke relatie verondersteld. Alleen broers en zusters
kunnen als huurder, onderhuurder of kostganger worden aangemerkt indien
zij, zoals ook voor anderen is vereist, kunnen aantonen dat een zakelijke
prijs wordt betaald.
rblz.|136
Het vierde lid heeft hierop
betrekking.
Eveneens wordt een
uitzondering gemaakt voor de situatie dat de belanghebbende zelf of
diens medebewoner zodanig hulpbehoevend is dat hij als hij de woning
niet met de ander zou bewonen, in een inrichting zou moeten worden
verpleegd of verzorgd. Het tweede en derde lid bevatten ook voor
deze beide situaties een uitzonderingsbepaling.
In de studiefinanciering
voor studerenden die thuis wonen, is eveneens reeds rekening gehouden met
het daaraan verbonden kostenvoordeel. Ook zij worden derhalve niet
als medebewoner aangemerkt. Hetzelfde geldt voor
bijstandsontvangende kinderen die jonger dan 21 jaar of een schoolverlater van 21 tot 27
jaar zijn. Uit de kinderbijslag die wordt ontvangen voor studerende
kinderen kan evenmin een zodanige bijdrage worden voldaan dat van een
kostenvoordeel voor de ouders sprake is. In het derde lid, onderdeel c
en d, is derhalve bepaald dat genoemde kinderen niet als
medebewoner worden aangemerkt. In andere situaties kan ervan worden uitgegaan
dat de medebewoner een zodanig inkomen heeft dat uit diens
medebewoning het volledige woonkostenvoordeel wordt genoten.
Gelet op het vloerbedrag dat
voor hen geldt, vindt er voor alleenstaanden die jonger dan 21
jaar of een schoolverlater van 21 tot 27 jaar zijn evenmin aftrek vanwege
woningdeling plaats. Voor alleenstaande ouders die tot één van deze
twee categorieën behoren en die thuisinwonend zijn, is met het
daaraan verbonden kostenvoordeel reeds rekening gehouden bij de
vaststelling van de bijstandsnorm. Ook voor hen dient op grond hiervan
geen woningdelersaftrek te worden toegepast. Het tweede lid,
onderdeel c, bevat derhalve voor deze groepen eveneens een
uitzonderingsbepaling.
Artikel 35
[34]
Het totale voordeel
verbonden aan het kunnen delen van een woning wordt gesteld op 10%
van de bijstandsnorm voor gehuwden, derhalve op
ƒ180,82 per maand. Hiervan wordt ƒ93,- toegerekend aan de
woonkosten in engere zin en
het resterende bedrag van ƒ87,82 aan de overige woonkosten. De
bijstandsnorm voor een woningdeler kan dus in beginsel ƒ180,82 lager
worden vastgesteld dan voor degene die alleen een woning bewoont.
Bij de toerekening van het
woonkostenvoordeel dient echter rekening te worden gehouden met de
gevolgen van de medebewoning voor de hoogte van de eventuele
huursubsidie of woonkostentoeslag. Aangezien de Wet individuele
huursubsidie bij bloed- en aanverwanten, waarvoor in die wet het begrip
huisgenoot wordt gehanteerd, op een andere wijze rekening houdt met de
medebewoning dan bij niet-bloedverwanten, dient daarop bij het
verdisconteren van de woningdelersaftrek in de bijstand te worden aangesloten. Bij
medebewoning door huisgenoten wordt in de individuele huursubsidie
rekening gehouden met hun inkomenspositie. Bij medebewoning door één of
meer niet-huisgenoten worden de woonkosten die voor rekening
van de belanghebbende komen naar evenredigheid vastgesteld.
In dat laatste geval is geen sprake van een woonkostenvoordeel dat in
overeenstemming is met het hiervoor genoemde bedrag. In de bestaande regeling in het Bln vindt daartoe een
correctie op de aftrek
plaats. Een eenvoudiger regeling wordt in dit wetsvoorstel bereikt door
bij medebewoning met één of meer niet-huisgenoten (geen bloed-
of aanverwantschap), uitsluitend rekening te houden met de voordelen
ten aanzien van de overige woonkosten, derhalve met een bedrag van ƒ87,82. Deze lagere aftrek is,
gezien de redactie van het eerste lid,
onderdeel b, ook van toepassing als de rblz.|137
belanghebbende met zowel
huisgenoten als niet-huisgenoten de woning bewoont.
Bij het in aanmerking nemen
van het woonkostenvoordeel dient mede de inkomenspositie van de
medebewoner en die van de belanghebbende zelf te worden betrokken.
Het tweede lid heeft betrekking op de situatie van bij de ouders inwonende
kinderen met een inkomen ter hoogte van of nauwelijks hoger dan de bijstandsnorm voor thuiswonenden. In deze
norm is reeds rekening
gehouden met de kostenvoordelen die verbonden zijn aan het thuis wonen,
mede gelet op de ouderlijke onderhoudsplicht die voor kinderen tot 21
jaar geldt. Slechts in de mate dat het inkomen van het kind deze norm, verhoogd met de maximale vrijlating van arbeidsinkomsten,
overschrijdt en van dit kind derhalve een bijdrage in de kosten van het huishouden
kan worden gevergd, leidt de inwoning aan de kant van de ouders
tot een voordeel. In de mate dat van de bedoelde kinderen zo'n
bijdrage niet kan worden verwacht, wordt de woningdelersaftrek dan ook lager gesteld.
Voor 22-jarige
alleenstaanden wordt de woningdelersaftrek naar rato van de voor hen geldende
bijstandsnorm lager gesteld. Voor de 21-jarige alleenstaanden wordt de
aftrek zodanig beperkt dat de bijstandsnorm niet onder het vloerbedrag
van ƒ876,72 komt. Het vierde en vijfde lid zijn van belang als voor de
gehuwden een afwijkende vaststelling van de bijstandsnorm heeft
plaatsgevonden. Voor gehuwden zonder kinderen van wie één of elk van de
echtgenoten jonger dan 21 jaar of een schoolverlater jonger dan 27 jaar
is, kan voor de vaststelling van de bijstandsnorm ten aanzien
van één echtgenoot zijn uitgegaan van de norm voor een thuisinwonende
alleenstaande, waarbij al rekening is gehouden met het
woonkostenvoordeel. In zo'n geval kan dan slechts aan de kant van de andere
echtgenoot rekening worden gehouden met het voor hem optredende
woonkostenvoordeel. Dit kan worden gesteld op de helft van de aftrek
die geldt voor personen die een woning bewonen met
niet-huisgenoten, derhalve op ƒ43,91.
Voor het echtpaar waarvan één van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft,
wordt de bijstandsnorm gesteld op de norm die voor de rechthebbende als
alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Het ligt in de rede om als de laatstbedoelde echtgenoot met
één of meer anderen een woning
deelt, ook de woningdelersaftrek voor een alleenstaande of een
alleenstaande ouder te laten gelden. Dit is in het vierde lid geregeld.
Als één van de echtgenoten
in een inrichting verblijft, wordt de bijstandsnorm samengesteld
uit de normen die voor elk van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
Als degene die niet in een
inrichting verblijft met één of meer anderen de woning bewoont, dient
voor deze de aftrek dan ook ten hoogste die voor een alleenstaande te
zijn. De in het vierde lid opgenomen regeling kan derhalve ook op deze
situatie worden toegepast.
Artikel 36
[35]
De financiële voordelen van
het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt eveneens een
lagere vaststelling van de bijstandsnorm. Dit uitgangspunt heeft in de
bestaande regelgeving uitwerking gekregen in artikel 10c van het
Bln. Als
ondergrens voor de lagere bestaanskosten ten gevolge van de
afwezigheid van woonkosten is het bedrag overgenomen dat bij het ontvangen
van individuele huursubsidie ten minste voor rekening van de bewoner
blijft, zijnde ƒ282,- per maand. Als de woning met één of meer huisgenoten
wordt bewoond, is echter reeds op grond van artikel 34 [33]
rekening
gehouden met een woonkostenvoordeel en wel voor een bedrag van ƒ93,- per
maand. In die situatie moet het voordeel van het geheel ontbreken van
woonkosten met dat bedrag lager worden gesteld, derhalve op ƒ181,-
per maand. Gelet op de omschrijving van het rblz.|138
begrip woonkosten (artikel 7
[-], tweede lid) kan slechts sprake zijn van een hier bedoelde situatie als
de belanghebbende een woning bewoont zonder dat sprake is van een
zakelijke relatie met de eigenaar van die woning.
Ook als aan de woning geen
woonkosten zijn verbonden in de zin van artikel 7 [-], tweede lid,
kunnen belanghebbenden voor de bewoning daarvan kosten maken, zoals
voor onderhoud.
Het tweede lid van artikel
36 [35] voorziet in een aanpassing van de aftrek aan de hand van dergelijke
door de belanghebbende werkelijk te maken of gemaakte onontkoombare
kosten.
Artikel 37
[-]
Aan dit artikel ligt het
bestaande uitgangspunt ten grondslag dat de premie voor een verzekering
tegen ziektekosten tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoort waarin de algemene bijstand dient te voorzien. De ontvanger van
algemene bijstand is verzekerd op grond van de Ziekenfondswet. Behoudens
de nominale ziekenfondspremie behoeven uit de
bijstandsuitkering geen kosten te worden gemaakt voor een ziekenfondsverzekering,
aangezien de gemeente de procentuele premie daarvan voor haar
rekening neemt.
Bij
niet-ziekenfondsverzekerden met een inkomen dat de normuitkering te boven gaat, kan het zich
voordoen dat dit inkomen na betaling van de premie voor een particuliere
ziektekostenverzekering onder de bijstandsnorm
komt te
liggen. De betrokkene beschikt daardoor over onvoldoende middelen van
bestaan. Voor zover deze premie het in de bijstandsnorm begrepen
bedrag voor de nominale ziekenfondspremie te boven gaat, wordt deze
derhalve vergoed. Gelet op het noodzakelijkheidscriterium van de Abw
kan zo'n premie slechts worden vergoed voor zover het particulier
verzekerde pakket overeenkomt met de ziekenfondsverzekering.
Voor belanghebbenden die in
een inrichting verblijven, wordt de gehele premie van de
particuliere ziektekostenverzekering vergoed. In de bijstandsnorm voor personen
in een inrichting is geen vergoeding van de nominale ziekenfondspremie
begrepen. Voor hen is de ziekenfondspremie namelijk gesteld op
een vast bedrag per dag. Het zou daarom niet juist zijn om voor hen
een nominale ziekenfondspremie in mindering te brengen op de vergoeding
van de premie van een particuliere ziektekostenverzekering. Er is
geen aanleiding om de nominale AWBZ-premie in mindering te brengen op
de vergoeding van een particuliere ziektekostenverzekering. Ongeacht de
verzekeringsvorm - ziekenfonds of particulier verzekerd - is de
betrokkene immers naast deze premie de nominale AWBZ-premie
verschuldigd. Dit geldt zowel voor personen die zelfstandig wonen als voor
degenen die in een inrichting verblijven.
Artikel 38
[-]
Zelfstandigen zijn verzekerd
op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, doch niet op
grond van de Ziektewet. Voor de financiële gevolgen gedurende het
eerste jaar van arbeidsongeschiktheid dienen zij derhalve zelf een
voorziening te treffen. Uit de normuitkering kunnen de kosten van een daartoe
strekkende verzekering niet worden bestreden, gezien de koppeling van de
normuitkering aan het nettominimumloon. Om zelfstandigen in staat te
stellen zo'n verzekering af te sluiten, wordt de bijstandsnorm
verhoogd
met de premie van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Gelet op het minimumbehoeftekarakter van de Abw dient zo'n
verzekering verantwoord te zijn in relatie tot de hoogte en duur van de
uitkering op grond daarvan, wil voor de premie rblz.|139
bijstand kunnen worden
verleend. Deze vergoeding is momenteel geregeld in het Bz (artikel
18, tweede lid).
Artikel 39
[-]
De woonkosten dienen uit de
bijstandsnorm te worden voldaan. Daarbij wordt ervan
uitgegaan dat de belanghebbende aanspraak kan maken op individuele huursubsidie, zodat de woonkosten die tot zijn last
komen op een zodanig niveau
blijven dat het sociaal minimum daarvoor toereikend is. Omdat de huursubsidie wordt berekend naar het inkomen
over het voorafgaande jaar,
kan ten gevolge van een inkomensdaling de belanghebbende worden
geconfronteerd met in verhouding tot zijn feitelijke inkomen te hoge
ten laste blijvende woonkosten. Ook kunnen andere omstandigheden van de
belanghebbende zijn gewijzigd, zonder dat een dergelijke wijziging
onmiddellijk leidt tot een aanpassing van de huursubsidie.
Hierbij kan bijvoorbeeld
worden gedacht aan het vertrek van een medebewoner of een
verandering in de gezinssamenstelling.
Uiteraard voorziet de
huursubsidie niet in de woonkosten van degenen met een eigen woning. Ook
voor hen kunnen de woonkosten daardoor boven een bedrag uitkomen
dat uit de bijstandsnorm kan worden bestreden. Waar in deze
gevallen voor de woonkosten geen of nog geen toereikende voorliggende
voorziening aanwezig is, is er aanleiding op grond van de Abw een
tegemoetkoming in deze kosten te verstrekken.
Ten opzichte van de huidige
regeling van de woonkostentoeslag in de artikelen 6b, 6c en
6d van
het Bln is de redactie van artikel 39 [-] aanzienlijk vereenvoudigd door een
directe verwijzing naar het bedrag aan huursubsidie dat in een
vergelijkbare situatie zou worden ontvangen. Als de woonkosten uitgaan boven de
grens van de huursubsidie, momenteel ƒ820,- per maand, kan ook op
grond van de bijstand in beginsel geen woonkostentoeslag worden
verstrekt. Wat onder woonkosten wordt verstaan, blijkt uit de
definitie van dat begrip in artikel 7 [-], tweede lid.
Voor de bewoners van een
eigen woning wordt daarbij mede rekening gehouden met de ontvangen
rijkspremie. Omdat de door de eigenaar genoten belastingvermindering of
-teruggave in het kader van de
woonkostentoeslag gelijk
wordt gesteld met de individuele huursubsidie, wordt deze niet in mindering
gebracht op de woonkosten voor de toetsing aan deze grens.
Bij huurwoningen is alleen
reden tot het verlenen van een woonkostentoeslag zolang de
belanghebbende geen aanspraak kan maken op huursubsidie die is afgestemd op de huidige inkomenssituatie. In
onderdeel b van het eerste
lid is dan ook bepaald dat voor huurders de woonkostentoeslag slechts
wordt verstrekt voor zolang de betrokkene niet in staat is deze
aanspraken te realiseren.
In het tweede lid wordt de
hoogte van de woonkostentoeslag gesteld op het bedrag aan
individuele huursubsidie dat in dezelfde omstandigheden voor de betreffende
woning volgens de daartoe strekkende tabel aan een persoon in de
laagste inkomenscategorie zou worden verstrekt. De Wet individuele huursubsidie gaat uit van belastbare inkomens. Voor
de toepassing van genoemde
tabel moeten de nettobijstandsuitkering en de bij de bijstand in
aanmerking genomen netto-inkomens derhalve worden herleid tot
belastbare inkomens. In voorkomende gevallen dient daarbij derhalve volgens het
systeem van de huursubsidie tevens rekening te worden gehouden
met de aanwezigheid van medebewoners. Waar de medebewoners
huisgenoten in de zin van de Wet individuele huursubsidie van de
belanghebbende zijn, wordt volgens die wet hun inkomen voor zover dat een
bepaald bedrag per jaar overschrijdt, opgeteld bij het inkomen van
de aanvrager. Bij andere medebewoners wordt alleen het aandeel in
de woonkosten in aanmerking genomen dat ten laste van de belanghebbende komt.
rblz.|140
Op de woonkostentoeslag komt
de over dezelfde periode feitelijk ontvangen individuele
huursubsidie in mindering. Dat geldt niet voor andere tegemoetkomingen in
woonkosten voor huurders, zoals bijvoorbeeld de
huurgewenningsbijdrage. Bij de vaststelling van de huursubsidie worden deze immers
ook niet
in aanmerking genomen. De vermindering of teruggave van
loonbelasting en volksverzekeringspremies op grond van de betaalde
hypotheekrente over een periode waarover een woonkostentoeslag is
toegekend, leidt eveneens tot lagere ten laste blijvende woonkosten. Deze
worden op dezelfde wijze in mindering gebracht op de
woonkostentoeslag als de huursubsidie bij huurders. Voor eigenaren geldt echter
ook dat zij belasting en premies zijn verschuldigd over het
zogeheten huurwaardeforfait. Het zou niet billijk zijn om met deze
eigenaarslasten geen rekening te houden. Hoewel het uit systematisch oogpunt
juister zou zijn deze lasten tot de woonkosten zelf te rekenen, heeft het
voor de uitvoering voordelen deze te verdisconteren bij de in aanmerking
te nemen vermindering of teruggave van belasting en premies. Voor
de eigenaar zonder andere kosten of inkomsten die de teruggave
beïnvloeden, kan zo de feitelijke vermindering of teruggave zonder
meer worden overgenomen. De teruggave of vermindering van belasting
en premies kan veelal eenvoudig worden vastgesteld en wel door het
saldo van de verschuldigde hypotheekrente en het huurwaardeforfait te
vermenigvuldigen met het percentage van de gecombineerde belasting- en premieheffing in de eerste schijf dat gold
in het jaar waarop de
teruggave betrekking heeft. In voorkomende gevallen zal er aanleiding
zijn aan de verlening van de woonkostentoeslag de verplichting te
verbinden dat de betrokkene gebruikmaakt van de mogelijkheid van zo'n
vermindering of teruggave, aangezien deze de bijstandbehoevendheid
vermindert. Op grond van artikel 88 [82] vindt verrekening van de
belastingteruggave plaats op het moment dat deze feitelijk wordt ontvangen.
In bijzondere gevallen komt
het voor dat degenen met een inkomen op bijstandsniveau woonkosten
hebben die uitgaan boven de genoemde grens van ƒ820,-. In die
situatie kan er op grond van een beoordeling van de noodzaak in het
individuele geval aanleiding zijn voor het verlenen van bijzondere bijstand. Bij
dergelijk hoge woonkosten is er, gelet op het minimumbehoeftekarakter van
de Abw, reden om aan deze bijstand verplichtingen te verbinden
die strekken tot beëindiging of vermindering van de woonkostentoeslag
door het betrekken van goedkopere woonruimte.
Artikel 40
[-]
Vanaf het moment dat het
jongste tot het gezin behorende kind 18 jaar wordt, is op de ouder
de norm voor een alleenstaande van toepassing. Niet in alle gevallen beschikt het kind bij het bereiken van de
18-jarige leeftijd echter
over een eigen inkomen, mede gelet op de leeftijdsgrens van 21 jaar
voor het zelfstandige recht op bijstand. De gewenste aansluiting met
andere socialezekerheidswetten voor de toekenning van de
alleenstaandeoudernorm laat onverlet dat de bijstand ook in deze gevallen een
toereikende bestaansvoorziening moet bieden.
Daarnaast kan zich de
situatie voordoen dat het kind door het verwerven van een eigen
inkomen weliswaar niet meer ten laste van de ouder komt, maar dat het inkomen niet zodanig hoog is dat dit compensatie geeft voor het
wegvallen van de kinderbijslag en het - voor de ouder - van toepassing zijn
van de lagere norm voor een alleenstaande. In beide situaties wordt
voorzien door de bijstandsnorm voor de ouder zo nodig aan te vullen tot de
bijstandsnorm die voor gehuwden geldt. Een vergelijkbare regeling is
momenteel, zij het met een beperktere werkingssfeer, rblz.|141
opgenomen in de
Beschikking toeslagen voormalige eenoudergezinnen (Stcrt. 1986, 170).
In overeenstemming met de
bestaande regeling wordt de toeslag verleend als het totale
inkomen van de ouder en het kind onder de bijstandsnorm ligt die in dezelfde omstandigheden voor gehuwden zou
gelden. Voor de toetsing
daarvan dient uiteraard ook rekening te worden gehouden met de algemene
bijstand die zonder toepassing van deze toeslagbepaling aan de
ouder zou zijn verstrekt. Dat geldt ook voor de eventuele bijstand die aan
het kind is verstrekt.
Omdat het gezamenlijke
inkomen van ouder en kind aanleiding vormt voor de verlening van zo'n
toeslag, dient daarvoor ook het inkomen van het kind in beschouwing te
worden genomen. De gebruikelijke inkomensbepalingen zijn, zoals in
het tweede lid bepaald, van toepassing op het inkomen van het kind. De ten
behoeve van het kind ontvangen kinderbijslag wordt derhalve door
toepassing van artikel 45 [43], eerste lid, mede tot diens inkomen gerekend.
Gelet op het karakter van de toeslag vindt hierbij ten aanzien van het
inkomen van het kind geen vrijlating van arbeidsinkomsten plaats.
Voor de vrijlatingsbepaling van artikel 52 [-] wordt derhalve een uitzondering
gemaakt bij het toepassen van de algemene inkomensbepalingen op de
inkomsten van het kind.
Om het gezamenlijke inkomen
inderdaad te kunnen aanvullen tot de gehuwdennorm, dient het kind
niet als een medebewoner te worden aangemerkt voor de toepassing van de woningdelersregeling. Hiertoe
strekt het derde lid.
Met deze regeling vervalt de
bestaande Beschikking toeslagen voormalige eenoudergezinnen.
Deze beschikking voorzag ook in de verstrekking van een overbruggingsuitkering
ingeval, ondanks de toeslag,
de belanghebbenden met een
inkomensachteruitgang worden geconfronteerd. Zo'n
inkomensachteruitgang kan zich ook in andere situaties van wijziging van de
toepasselijke bijstandsnorm voordoen. Om deze reden is afgezien van
regeling van een genormeerde overbruggingsuitkering. Burgemeester en
wethouders dienen bij wijziging van de bijstandsnorm van geval tot
geval na te gaan of er, gelet op het in artikel 13 verwoorde
afstemmingsbeginsel, aanleiding is tot tijdelijke verlening van bijzondere bijstand als
aanvulling op de nieuwe bijstandsnorm.
Artikelen 41 tot en met 43
[39-41]
Deze artikelen betreffen de
verlening van bijzondere bijstand. Gezien de structuur van dit
wetsvoorstel zijn de bepalingen ten aanzien van het inkomen en het vermogen van
hoofdstuk IV, afdeling 3 zowel van toepassing op de verlening
van algemene bijstand als van bijzondere bijstand. Zoals bepaald in
artikel 52 [-] is de vrijlating van arbeidsinkomsten echter niet van toepassing
op de verlening van bijzondere bijstand. Overigens wordt verwezen
naar de hiervoor in artikel 6, onderdeel a en b, opgenomen
begripsomschrijvingen.
Door bijzondere
omstandigheden kan zich de situatie voordoen dat in het individuele geval de
bijstandsnorm niet volledig toereikend is ter voorziening in bepaalde
noodzakelijke kosten.
Voor zover de belanghebbende
voor dergelijke bijzondere kosten geen beroep kan doen op een
voorliggende voorziening en deze uitgaven evenmin uit de eigen middelen kan voldoen, kan daarvoor bijzondere
bijstand worden verstrekt.
Of bepaalde kosten voor de verlening van bijzondere bijstand in
aanmerking komen, hangt af van de omstandigheden in het individuele
geval en kan dan ook slechts van geval tot geval worden beoordeeld. In dit
verband kan worden geconstateerd dat de bijzondere bijstand zich
minder goed leent voor een landelijke normering. Bij de Wet tot
decentralisatie van de bijzondere bijstand (Stb. 1991, 337) is op grond van dergelijke
overwegingen de verantwoordelijkheid voor dit rblz.|142
onderdeel van de bijstandverlening overgedragen aan burgemeester en wethouders. De artikelen 41
tot en met 43 [39-41] komen in belangrijke mate overeen met het op grond van
de genoemde wet in het Bln opgenomen hoofdstuk IV betreffende "Bijstand ter voorziening in bijzondere noodzakelijke kosten van het
bestaan" (artikel II, onderdeel M, van genoemde wet). Onderstaande toelichting sluit aan bij die op het betreffende
wetsvoorstel. In de loop van
1993 zal een evaluatie plaatsvinden van de bijzonderebijstandverlening in gedecentraliseerde vorm.
Artikel 41
[39]
Degene die als gevolg van
bijzondere, individuele omstandigheden wordt geconfronteerd met
noodzakelijke bestaanskosten waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te
boven gaan, heeft op grond
van artikel 8 [7], in combinatie met artikel 41
[39], recht op bijzondere
bijstand. Voor de verlening van bijzondere bijstand is het geen vereiste dat men
algemene bijstand ontvangt; ook degene die uit andere bron dan de Abw
beschikt over een inkomen dat naar het oordeel van burgemeester en
wethouders niet toereikend is ter voorziening in bepaalde
bijzondere noodzakelijke kosten kan een beroep op bijzondere bijstand doen.
Het kan hierbij om zeer
diverse kostensoorten gaan, te meer daar het recht op bijzondere bijstand
niet naar kostensoort is begrensd. Bepalend is dat sprake is van kosten
die uit bijzondere individuele omstandigheden voortkomen en die in het
concrete geval als noodzakelijk moeten worden aangemerkt. Het kan bijvoorbeeld gaan om:
- bijstand voor de
vervanging of aanschaf van duurzame gebruiksgoederen indien daarin niet op
andere wijze in kan worden voorzien;
- een tijdelijke
woonkostentoeslag bij woonkosten die uitgaan boven de maximumhuurgrens die
geldt voor de huursubsidie;
- situaties, die inmiddels
vrij uitzonderlijk zijn, waarin nog bijstand wordt verstrekt voor de
noodzakelijke kosten van medische en maatschappelijke dienstverlening;
- situaties waarin de
afstemming van de bijstand op de individuele omstandigheden aanleiding
geeft om meer bijstand te geven dan de toepasselijke bijstandsnorm.
In dat geval wordt het meerdere als bijzondere bijstand
aangemerkt.
Indien aan de algemene
bijstand verplichtingen worden verbonden tot het gebruikmaken van
bepaalde voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de zelfstandige voorziening
in het bestaan, kan er aanleiding zijn voor de bijzondere noodzakelijke
kosten die daaruit voortvloeien bijzondere bijstand te verlenen voor
zover andere regelingen daarin niet voorzien. Het drempelbedrag uit
artikel 43 [41], eerste lid, is dan niet van toepassing.
Verlening van bijzondere
bijstand kan, met name voor alleenstaande ouders, ook noodzakelijk
zijn voor kosten verbonden aan activiteiten die geen direct beroepsgericht
karakter hebben, maar wel een noodzakelijke voorbereiding vormen op de
toegeleiding naar de arbeidsmarkt. Voor zover het deelnemen aan dergelijke noodzakelijk geachte activiteiten,
bijvoorbeeld het volgen van
scholing of het opdoen van werkervaring, voor de belanghebbende
kosten van kinderopvang meebrengt waar geen andere regeling in voorziet,
kan hiervoor eveneens bijzondere bijstand worden verleend. Voor wat
betreft buitengewone verwervingskosten, zoals kosten van
kinderopvang, die zich voordoen indien de betrokkene gedeeltelijk of volledig
door middel van betaalde arbeid in het bestaan voorziet, wordt verwezen
naar de toelichting op artikel 49 [-].
rblz.|143
Artikel 42
[40]
Uit artikel 41
[39] blijkt dat
burgemeester en wethouders in het kader van de bijzonderebijstandverlening rekening dienen te houden met de draagkracht van de belanghebbende. Zij hebben daarbij de vrijheid zelf
te bepalen welk deel van het
vermogen, voor zover dit het "bescheiden vermogen" (artikel 59
[54],
eerste en tweede lid) en het vrijgelaten vermogen in het eigen huis (artikel
59 [54], derde lid) te boven gaat, en welk deel van het inkomen voor zover dit
uitgaat boven de relevante bijstandsnorm, bij de vaststelling van de
draagkracht in aanmerking wordt genomen. Overwegingen die bij deze
vaststelling een rol kunnen spelen, betreffen de aard van de kosten
waarvoor bijstand wordt gevraagd, eventuele buitengewone lasten van de
belanghebbende en overige persoonlijke omstandigheden.
Uit het eerste lid,
onderdeel a, volgt dat de vrijlating van het "bescheiden vermogen" en
de extra vrijlating van het in de zelfbewoonde eigen woning gebonden vermogen bij de
bijzonderebijstandverlening
evenzeer van toepassing zijn
als bij de verlening van algemene bijstand. Het meerdere vermogen nemen burgemeester en wethouders geheel of
gedeeltelijk in aanmerking.
Zoals eerder reeds vermeld, is de in artikel 52 [-] geregelde vrijlating van
arbeidsinkomsten niet van toepassing bij de verlening van bijzondere
bijstand. Burgemeester en wethouders kunnen zelf bepalen of zij met het
inkomen voor zover dit uitgaat boven de toepasselijke bijstandsnorm
geheel of gedeeltelijk rekening houden bij de vaststelling van de
draagkracht.
Met de verwijzing in het
eerste lid, onderdeel b, naar de toepasselijke bijstandsnorm wordt mede
bereikt dat de forfaitaire inkomensvaststelling in verband met het hebben
van een kostganger of onderhuurder, alsmede in verband met het
bewonen van een woning met één of meer anderen, eveneens van
toepassing is voor de vaststelling van de draagkracht.
In beginsel wordt de
draagkracht over een periode van één jaar in aanmerking genomen, dat wil
zeggen: de periode van twaalf maanden volgend op de aanvraag voor
de verlening van bijzondere bijstand. Indien het bij de bijzondere
bestaanskosten gaat om maandelijks terugkerende kosten, zoals woonkosten,
kan de draagkracht over een kortere periode dan één jaar worden
berekend. Indien de bedoelde kosten betrekking hebben op een voorziening
waarvan langer dan één jaar gebruik wordt gemaakt, kan uitgegaan
worden van de draagkracht over die langere periode.
Artikel 43
[41]
In aansluiting bij de
Wet
tot decentralisatie van de bijzondere bijstand (Stb. 1991, 337) geldt bij
de verlening van bijzondere bijstand een drempelbedrag. Dit sluit aan
op de draagkrachtperiode, waardoor wordt voorkomen dat het
drempelbedrag binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden meerdere
keren zou moeten worden ingezet. Indien de draagkracht niet over de
periode van één jaar wordt vastgesteld, wordt het drempelbedrag naar
evenredigheid aangepast.
Wanneer ten gevolge van het
nakomen van aan de bijstand verbonden verplichtingen gericht op
de zelfstandige bestaansvoorziening, door belanghebbende noodzakelijkerwijs bijzondere kosten moeten worden
gemaakt die naar het oordeel
van burgemeester en wethouders niet uit de algemene bijstand
bestreden kunnen worden, blijft toepassing van het drempelbedrag achterwege.
Hetzelfde geldt indien het kosten betreft waarvoor bijzondere bijstand
wordt verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht. Dit
is neergelegd in het derde lid.
rblz.|144
Het drempelbedrag blijft
eveneens buiten toepassing wanneer de belanghebbende kosten maakt
uit hoofde van een verplichting gericht op het verwerven of behouden
van inkomen anders dan door het verkrijgen van betaalde arbeid. Met
name kan hierbij worden gewezen op een verplichting als bedoeld in
artikel 115 [108] waaruit kosten kunnen voortvloeien van rechtskundige
vertegenwoordiging teneinde zich te kunnen verweren tegen een verzoek
om herziening van de alimentatie.
Artikel 44
[42]
In dit artikel wordt een
algemene omschrijving gegeven van de middelen die bij de
verlening van bijstand in aanmerking worden genomen. Hieruit blijkt dat
in beginsel alle inkomens- en vermogensbestanddelen tot de middelen
worden gerekend. Dit vloeit voort uit het complementaire karakter van
de Abw ten opzichte van hetgeen waarin men zelf kan voorzien. De
eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
brengt bovendien mee dat bij de beoordeling van de inkomenspositie niet
alleen het feitelijk ontvangen inkomen of het feitelijk aanwezige vermogen
in beschouwing wordt genomen, maar ook het inkomen en vermogen
waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken. Hierbij kan
bijvoorbeeld worden gedacht aan een uitkering waarop de belanghebbende aanspraak kan
maken of aan een
direct opeisbare schuld die
hij kan vorderen. Voor zover het aanspraken betreft die belanghebbende, hoewel hij bereid is zich daartoe in te
spannen, redelijkerwijs niet
geldend kan maken, bijvoorbeeld omdat het een aanspraak betreft die
pas onder stringente voorwaarden of op termijn tot uitbetaling
komt, zou het uiteraard onredelijk zijn indien deze aan het verlenen van
bijstand in de weg zouden staan. Mede met het oog hierop wordt in het artikel
dan ook gesproken van de middelen waarover de belanghebbende
redelijkerwijs kan beschikken. Uit deze bewoordingen blijkt dat tot
dergelijke middelen in het algemeen slechts worden gerekend de middelen waarop
in beginsel aanspraak bestaat, dus niet de middelen waarop de belanghebbende geen enkele aanspraak kan doen
gelden, maar die hij
eventueel zou kunnen verwerven. Bij de beoordeling of de belanghebbende een
aanspraak in redelijkheid te gelde kan maken, moet uiteraard rekening
worden gehouden met de omstandigheden in het individuele geval.
Evenals bij de toepassing van de middelentoets in de bestaande ABW kan
hiervoor ook in dit wetsvoorstel geen algemeen criterium worden gegeven. De
jurisprudentie kan bij de beoordeling van individuele gevallen tot
richtlijn dienen.
Artikel 45
[43]
Het kan voorkomen dat de
middelen die betrekking hebben op of zijn bedoeld voor de voorziening
in het levensonderhoud van de belanghebbende niet door deze zelf
worden ontvangen. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan
kinderalimentatie of kinderbijslag die ten behoeve van belanghebbende worden
ontvangen. Ook deze middelen dienen te worden betrokken bij de
vaststelling van diens bijstandbehoevendheid. Dit behoeft alleen
nadrukkelijk te worden bepaald voor zover degene die deze middelen ontvangt niet
in de bijstand begrepen is.
In het tweede lid wordt ten
aanzien van een aantal middelen bepaald dat deze buiten beschouwing
blijven. Onderdeel a betreft de situatie dat de belanghebbende zelf
inkomen ontvangt dat kennelijk bestemd is voor het levensonderhoud van een
derde, zoals een partnertoeslag op grond van de AOW
ten behoeve van
een echtgenoot die bijvoorbeeld door verblijf in het buitenland
geen recht op bijstand heeft. Het in aanmerking nemen van zo'n inkomen zou
inhouden dat door de verlening van bijstand rblz.|145
de bestaansvoorziening van
de niet-rechthebbende echtgenoot in gevaar zou worden gebracht.
In de onderdelen b en c is
bepaald dat kinderbijslag en huursubsidie buiten beschouwing blijven.
Beide inkomensoverdrachten voorzien in noodzakelijke bestaanskosten
en kunnen dan ook niet in mindering worden gebracht op de
bijstand. De toevoeging "in of buiten Nederland woonachtige" ten aanzien
van het kind waarvoor de kinderbijslag wordt ontvangen, houdt verband met
de omschrijving van het begrip kind. Ook de kinderbijslag voor buiten
Nederland woonachtige kinderen dient niet als inkomen in aanmerking te
worden genomen. Slechts als voor de woonkosten bijstand wordt
verleend, kan met de ontvangen huursubsidie rekening worden gehouden.
Dit geschiedt reeds op grond van artikel 39 [-].
Vergoedingen of
tegemoetkomingen die worden ontvangen met het specifieke doel om te
voorzien in kosten die niet kunnen worden geacht tot de algemene noodzakelijke bestaanskosten te behoren, worden
evenmin tot de middelen
gerekend. Hiertoe wordt ook gerekend de vermindering of teruggave
van loon- of inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen op grond
van dergelijke buitengewone uitgaven. Deze tegemoetkomingen tot de
middelen rekenen, zou immers betekenen dat de belanghebbende de
mogelijkheid wordt ontnomen dergelijke kosten te bestrijden, terwijl
anderen die niet bijstandsafhankelijk zijn, maar overigens in dezelfde
inkomenssituatie verkeren, daardoor wel de mogelijkheid hebben
dergelijke uitgaven te doen. Als in het kader van de bijstandverlening met deze
kosten rekening is gehouden, hetzij door deze in mindering te brengen
op het inkomen, hetzij door daarvoor specifiek bijstand te verlenen, dient zo'n teruggave uiteraard wel in
aanmerking te worden
genomen.
Een vergelijkbare benadering
geldt voor vergoedingen of tegemoetkomingen voor
verwervingskosten. Deze blijven eveneens buiten beschouwing, tenzij ze als
buitengewone verwervingskosten op het inkomen in mindering zijn
gebracht op grond van artikel 49 [-] of voor deze kosten - bijzondere -
bijstand is verleend. Ook hierbij geldt dat een belastingteruggave of -vermindering
in beginsel eveneens als zo'n niet in aanmerking te nemen
tegemoetkoming wordt beschouwd. De koppeling van de bijstandsnorm
aan het nettominimumloon maakt het daarbij echter nodig om hierbij een
beperking aan te brengen tot kosten die het algemene
verwervingskostenforfait - met name de procentsregeling voor inkomsten uit tegenwoordige
arbeid - te boven gaan. Met deze fiscale tegemoetkoming wordt de
betrokkene in staat gesteld zijn algemene verwervingskosten te
bestrijden. Deze belastingvermindering buiten beschouwing laten, zou
betekenen dat indirect voor deze kosten bijstand worden verleend. Zoals in de
toelichting op artikel 49 [-] is vermeld, maakt de koppeling van de bijstandsnorm aan het
nettominimumloon het juist
nodig om het rekening houden
met verwervingskosten te beperken tot de buitengewone
verwervingskosten. De algemeen gebruikelijke fiscale tegemoetkoming voor
verwervingskosten dient derhalve tot het netto-inkomen te worden gerekend.
Voor de uitvoeringspraktijk betekent dit dat over het algemeen van
het feitelijk ontvangen netto-inkomen kan worden uitgegaan.
Het uitgangspunt van de
gezinsbijstand brengt mee dat in beginsel alle middelen van de gezinsleden
in beschouwing worden genomen. Het is echter niet billijk te
vergen dat de arbeidsinkomsten van - ten laste komende - kinderen ook
worden ingezet voor de bestaansvoorziening van het gezin. Ingeval de
gevraagde bijstand specifiek betrekking heeft op de bestaanskosten van het
betreffende kind, is het echter redelijk dat mede de arbeidsinkomsten van
dat kind in beschouwing worden genomen om de noodzaak van
bijstandverlening te beoordelen. Aangezien niet ten laste
komende kinderen geen onderdeel uitmaken van het gezin zoals in deze
wet bedoeld, behoeft ten aanzien van hun rblz.|146
inkomen niet te worden
bepaald dat dit in beginsel buiten beschouwing blijft.
Waar een bescheiden vermogen
en het tijdens de bijstandsperiode opgebouwde spaargeld buiten
beschouwing blijven, ligt het in de rede de daarover ontvangen rente
evenmin in aanmerking te nemen (onderdeel g)
In onderdeel h is bepaald
dat een eenmalige premie die door derden aan de belanghebbende wordt
verstrekt voor het voltooien van een noodzakelijke scholing of
opleiding, buiten beschouwing blijft voor zover een bedrag van ƒ2100,- niet
wordt overschreden. In het algemeen deel van deze memorie is hierop
al ingegaan. De vrijlating kan, gezien het karakter daarvan, slechts
scholing of opleiding betreffen die op grond van artikel 121 [114]
noodzakelijk
wordt geacht voor de arbeidsinschakeling. De vrijlating heeft
betrekking op het gehele scholingstraject dat door de uitkeringsgerechtigde
gevolgd moet worden om zijn arbeidskansen te vergroten. Slechts voor
zover de premie hoger is, wordt deze, zoals bepaald in artikel 50 [47], als
inkomen aangemerkt.
Onderdeel i heeft betrekking
op smartegeld. Het is niet redelijk om een dergelijke uitkering voor
geleden immateriële schade geheel als middelen in aanmerking te nemen. Dat
zou immers betekenen dat de bijstandsontvanger daarvoor feitelijk
geen compensatie kan ontvangen. Bij zeer aanzienlijke uitkeringen kan
de belanghebbende echter in een zodanige financiële positie komen te
verkeren dat het onverkort buiten beschouwing laten daarvan
niet in overeenstemming is met het karakter van de bijstand. In
voorkomende gevallen zal derhalve moeten worden vastgesteld welk bedrag niet
in aanmerking wordt genomen. Naast de hoogte van de uitkering
dient daarbij ook de aard daarvan in aanmerking te worden genomen.
Artikel 46
[44]
Giften worden bij de
vaststelling van de bijstand in beginsel buiten beschouwing gelaten voor
zover dit uit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord kan worden geacht. Deze vrijlating is in de bestaande
wet geregeld in artikel 7 [-],
tweede lid. Er is geen aanleiding in de nieuwe
wet op dit punt voor een
andere benadering te kiezen.
Door giften niet in
aanmerking te nemen als middelen wordt voorkomen dat het bestaan
van de Abw
als algemene voorziening van overheidswege een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen.
Bovendien wordt zodoende de bijstandsgerechtigde het materiële en
immateriële voordeel van die vrijgevigheid gegund, zoals ook degenen die niet
op bijstand aangewezen zijn van een gift kunnen profiteren. Gezien
het minimumbehoeftekarakter van de bijstandswet
kan de
vrijlating niet onbeperkt zijn. Bij de beoordeling of een gift uit een oogpunt van
bijstandverlening verantwoord is, speelt zowel de hoogte als de
bestemming van de gift een rol. Als de gift een zodanige hoogte heeft dat
het zonder meer buiten beschouwing laten door cumulatie met de
bijstand tot een bestedingsniveau leidt dat niet verenigbaar is met hetgeen
op bijstandsniveau gebruikelijk is, ligt het in de rede de gift wel in
aanmerking te nemen. Wat betreft de bestemming is met name van belang de
vraag of de gift betrekking heeft op kosten die worden geacht in de
algemene bijstand te zijn begrepen. Is dit inderdaad het geval of
heeft de gift geen specifieke bestemming zodat deze ter vrije besteding
staat, dan kan dit aanleiding zijn de gift niet buiten beschouwing te laten.
Is de gift daarentegen bestemd voor specifieke kosten waarmee de
betrokkene wordt geconfronteerd en die niet kunnen worden geacht in de
algemene bijstand te zijn begrepen, dan zal er doorgaans geen bezwaar
zijn deze buiten beschouwing te laten.
Daarbij dient wel de grens
van het redelijke in acht te worden genomen.
rblz.|147
Bij de beoordeling of een
betaling als een gift kan worden beschouwd, is het niet van belang of
deze eenmalig is dan wel een zekere periodiciteit kent. Evenmin is het
van belang of de betaling door een natuurlijk persoon, door een
particuliere instelling of door een gemeentelijk fonds plaatsvindt. Doorslaggevend
is of de betaling een onverplicht karakter draagt. Verstrekkingen uit
steunfondsen voor de minima, al dan niet onder beheer van de lagere
overheden of door hen opgerichte stichtingen, kunnen dus alleen
als gift worden aangemerkt als hieraan geen betalingsverplichting ten
grondslag ligt.
Artikel 47
[45]
Voor de beoordeling van de
bijstandbehoevendheid dient te worden uitgegaan van de feitelijk
besteedbare middelen. De bepalingen van dit artikel dragen daarvoor,
tezamen met die van artikel 49 [-], zorg.
De middelen worden
allereerst in aanmerking genomen na aftrek van de daarover verschuldigde
belasting en premies. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting
reeds is vermeld, brengt het karakter van de Abw
als laatste
bestaansvoorziening mee dat het op het moment van bijstandverlening feitelijk
aanwezige netto-inkomen het uitgangspunt vormt voor de vaststelling
van het recht op en de hoogte van de bijstand. Net als bij de
inkomensvaststelling in het algemeen, kan hierbij niet worden uitgegaan van
eventuele toekomstige belasting en premieteruggaven of -naheffingen.
Deze worden slechts in beschouwing genomen op het moment dat de
belanghebbende deze feitelijk ontvangt of verschuldigd is. Bij
periodiek ontvangen inkomen zijn over het algemeen reeds in de sfeer van de
voorheffing loonbelasting en premies ingehouden. Het kan
voorkomen dat over de ontvangen middelen alsnog op aanslag
inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen dienen te worden afgedragen. Deze
worden met terugwerkende kracht in mindering gebracht op het
inkomen. Daardoor blijkt dat het inkomen netto lager is dan waarvan
aanvankelijk was uitgegaan. Voor een dergelijke aanslag kan derhalve
met terugwerkende kracht bijstand worden verleend in de mate dat de
bijstand op een hoger bedrag zou zijn vastgesteld indien de totale
verschuldigde belasting en premies reeds in het kader van de loonbelasting op
het inkomen waren ingehouden. Het is daarbij niet van belang of
de belanghebbende op het moment van de aanslag nog steeds een bijstandsuitkering ontvangt of niet.
Ingeval de
aanslag betrekking heeft op
een jaar waarin de betrokkene slechts gedurende een beperkte
periode bijstandsafhankelijk was, zal een toedeling dienen plaats te
vinden naar de periode waarover bijstand is ontvangen. Successierechten
en dergelijke heffingen worden voor de toepassing van deze bepaling
gelijkgesteld aan belasting. Omdat uit de bijstandsuitkering de
nominale premies op grond van de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten moet worden voldaan, worden deze premies niet als
minderingspost in aanmerking genomen.
Bij uitkeringen kan het
voorkomen dat daarop een aan werknemerspremies equivalente
inhouding - de vereveningsbijdrage - heeft plaatsgevonden. Ook deze dient
uiteraard te worden betrokken bij de vaststelling van de
inkomenspositie.
Op het inkomen kan ook een
pensioenpremie zijn ingehouden of een premie voor een regeling
voor vervroegde uittreding. Aangezien ook zo'n inhouding tot een lager
besteedbaar inkomen leidt, dient ook daarmee rekening te worden gehouden
voor zover deze een verplicht karakter draagt. Hetzelfde geldt voor
andere, voor de werknemer verplichte inhoudingen, zoals
bijvoorbeeld voor door het bedrijf beschikbaar gestelde werkkleding.
Voor het inkomen uit bedrijf
of zelfstandig beroep is er reden voor een afwijkende vaststelling van
het netto-inkomen. Voor dergelijk inkomen rblz.|148
gelden speciale fiscale
faciliteiten ten behoeve van de voortzetting van het bedrijf of beroep. Het
zou derhalve niet juist zijn om met de werkelijke, door de zelfstandige
te betalen belasting en premies rekening te houden.
Het bruto-inkomen uit
bedrijf of zelfstandig beroep dient dan ook met een forfaitair percentage te
worden verminderd om dit inkomen vergelijkbaar te laten zijn met
de
bijstandsnorm. Dit percentage komt overeen met de belasting en
volksverzekeringspremies die worden afgedragen voor bijstandsgerechtigden
jonger dan 65 jaar. Hierdoor wordt tevens voorkomen dat fiscale
invloeden van andere jaren, zoals verliescompensatie en middeling van
inkomens, de bijstandverlening zouden beïnvloeden. Door deze
forfaitaire vaststelling zijn voor zelfstandigen eventuele toekomstige
belasting- en premieteruggaven of naheffingen niet van belang. Daartoe is
in de aanhef van het eerste lid uitdrukkelijk bepaald dat de daar
opgenomen bepalingen voor de vaststelling van het netto-inkomen geen
betrekking hebben op inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep. In
artikel 50 [47], derde lid, is bepaald dat ten aanzien van degene die als zelfstandige
bijstand ontvangt de belasting- en premieteruggaven als inkomen buiten
beschouwing blijven.
Artikel 48
[46]
In het
algemeen deel van
deze memorie is reeds ingegaan op de voordelen van het kunnen
vaststellen van de vakantietoeslag over een inkomen zonder de feitelijke
uitbetaling daarvan te behoeven af te wachten. In dit artikel
wordt deze afwijkende inkomensvaststelling geregeld. Voor de feitelijke
berekeningswijze worden bij ministeriële regeling nadere bepalingen
gegeven. De hoofdzaak die een dergelijke regeling zal bevatten, is dat
voor de berekening van de nettovakantietoeslag wordt uitgegaan van
de belasting- en premiepercentages die gelden op het moment dat het
inkomen wordt ontvangen waarover de aanspraak op vakantietoeslag
bestaat.
Artikel 49
[-]
Voor de vaststelling van het
werkelijk beschikbaar inkomen dienen de daartoe eventueel gemaakte
verwervingskosten in mindering te worden gebracht. Daarvoor geeft het
eerste lid van dit artikel een algemene bepaling. Over het algemeen
zullen deze kosten worden gemaakt voor de verwerving van arbeidsinkomsten, maar ook voor de verwerving van
andere inkomsten of van
vermogen kan dit aan de orde zijn. Het spreekt vanzelf dat slechts de
kosten in aanmerking kunnen worden genomen die niet uit anderen hoofde
worden vergoed.
Uit het karakter van de Abw
vloeit voort dat de betrokkene van de mogelijkheden van een
vergoeding voor deze kosten gebruik dient te maken en dat dergelijke
verwervingskosten, om in aanmerking te kunnen worden genomen, noodzakelijk
dienen te zijn.
Bij inkomsten uit arbeid
kunnen slechts de buitengewone verwervingskosten in aanmerking worden
genomen. Op dergelijke inkomsten zijn fiscale faciliteiten van
toepassing die ertoe leiden dat dit inkomen toereikend moet worden
geacht om de gebruikelijke verwervingskosten te bestrijden. In het tweede
lid wordt dan ook bepaald dat op inkomsten uit arbeid slechts de
buitengewone verwervingskosten in mindering worden gebracht.
In de jurisprudentie geldt
momenteel als uitgangspunt dat de inkomsten uit een volledige
dienstbetrekking toereikend moeten worden geacht voor de voorziening
in het bestaan, ook als daaraan buitengewone verwervingskosten
zijn verbonden die ertoe leiden dat het besteedbaar inkomen onder de bijstandsnorm
komt te liggen. In zijn rblz.|149
algemeenheid dient dit
uitgangspunt te worden overgenomen. Daarmee wordt voorkomen dat in
voorkomende gevallen de bijstand gaat fungeren als een onkostenvergoeding.
Voor de toetsing van het recht op bijstand als zodanig vindt derhalve
geen aftrek van de - buitengewone - verwervingskosten plaats.
Voor de bijstandsontvanger
kunnen de eventueel aan arbeidsinkomsten verbonden buitengewone
verwervingskosten echter een financiële belemmering vormen om die
arbeid ook te aanvaarden. Met het oog op de bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening is het wenselijk hiervoor een voorziening te
treffen. Deze bestaat eruit dat voor bijstandsontvangers die op zich een
toereikend inkomen kunnen verwerven, gedurende een periode van één jaar de buitengewone verwervingskosten in mindering worden gebracht
op de arbeidsinkomsten.
Voor die buitengewone
verwervingskosten wordt dan feitelijk bijstand verleend voor zover het
netto-inkomen daardoor onder de bijstandsnorm uitkomt. Een beperking in de
tijd is geboden, aangezien de aftrek van verwervingskosten meebrengt
dat de betrokkene bijstandsafhankelijk blijft. Een blijvende aftrek
zou derhalve juist afbreuk doen aan het beoogde doel, namelijk
bevordering van bijstandsonafhankelijkheid.
Sinds de inwerkingtreding
per 1 augustus 1991 van de Wet tot decentralisatie van de bijzondere
bijstand (Stb. 1991, 337) worden de kosten van kinderopvang na
uitstroom gedurende maximaal één jaar als bijzondere verwervingskosten
aangemerkt, waarbij het drempelbedrag niet van toepassing is. Bij
deze termijn van één jaar is in dit wetsvoorstel aansluiting gezocht. Zoals
reeds is aangegeven, kunnen de kosten van kinderopvang na uitstroom
ingevolge dit artikel via de algemene bijstand worden vergoed. In geval van
deeltijdarbeid waarnaast nog bijstand voor algemene bestaanskosten
nodig is, geschiedt bijstandverlening voor de kosten van kinderopvang door
deze bij de middelentoets in mindering te brengen als buitengewone
verwervingskosten. Om te voorkomen dat de kinderopvang toch weer een
knelpunt gaat vormen bij de doorstroming van scholing of werkervaring
naar arbeid, kan voor noodzakelijk te achten kinderopvang ook bijstand
worden verleend nadat betrokkene bemiddeld is naar een baan. Voor zover
betrokkene dan als gevolg van deze kosten onder de bijstandsnorm komt,
kunnen deze met inachtneming van het derde lid als buitengewone
noodzakelijke verwervingskosten worden aangemerkt. Dit betekent dat
deze kosten gedurende maximaal één jaar na verwerving van een op
zich toereikend inkomen kunnen worden vergoed via de algemene
bijstand. Ten aanzien van het aanmerken van de kosten van kinderopvang
als buitengewone verwervingskosten voor arbeid in dienstbetrekking
bestaat dus ingevolge dit wetsvoorstel niet langer verschil tussen
situaties waarin men in deeltijd of voltijd arbeid verricht.
Omdat aan de aftrek van
buitengewone verwervingskosten dezelfde overwegingen ten grondslag
liggen als bij de vrijlating van arbeidsinkomsten, is overigens aansluiting gezocht bij de criteria die daarbij
gelden. De betrokkene dient
om voor de aftrek van buitengewone verwervingskosten in
aanmerking te komen, voorafgaand algemene bijstand te hebben
ontvangen. In het vierde lid is, eveneens in overeenstemming met de
vrijlatingsregeling, bepaald dat bij een korte onderbreking van de
inkomstenverwerving de oorspronkelijk gestelde termijn in stand blijft. Hiermee
wordt voorkomen dat met korte onderbrekingen van het werk, gedurende een
onbeperkte termijn een vergoeding van de verwervingskosten kan worden
verkregen.
Artikel 50
[47]
Voor de vaststelling van de
hoogte van de bijstand is van belang of de middelen die op grond van de
bepalingen van paragraaf 1 in hoofdstuk IV, afdeling
3, rblz.|150
in aanmerking worden genomen, als inkomen dan wel als
vermogen moeten worden
aangemerkt. Het vermogen speelt uitsluitend een rol bij de bepaling van
het recht op bijstand als zodanig, terwijl de inkomsten tevens van belang
zijn voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering. Het vermogen
wordt voor een deel buiten beschouwing gelaten; het inkomen wordt
in beginsel geheel in aanmerking genomen. In dit artikel wordt
aangegeven welke middelen als inkomen worden aangemerkt. Een eerste
criterium daarbij is gelegen in het karakter ervan: middelen die over het
algemeen periodiek worden ontvangen, zoals loon en uitkeringen, kunnen
worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud, waarop de
bijstand slechts behoeft aan te vullen. Het is niet mogelijk om van deze
in beginsel als inkomen in aanmerking te nemen middelen een
uitputtende opsomming te geven. Daarom is in het eerste lid volstaan met het
noemen van een aantal inkomensbronnen die als inkomen in beschouwing
worden genomen. Ook eenmalig ontvangen inkomens die naar hun aard
hiermee overeenkomen (bijvoorbeeld een zogeheten alimentatieafkoopsom), dienen als inkomen in aanmerking te worden
genomen. Een
teruggave van loonbelasting en premies volksverzekeringen wordt eveneens
als inkomen aangemerkt. Zo'n restitutie leidt immers naderhand tot een
hoger netto-inkomen dan waarvan aanvankelijk bij de bijstandverlening was uitgegaan. Gelet op het bepaalde in artikel 45 [43]
gaat het hierbij
alleen om een belastingteruggave die geen betrekking heeft op
specifieke aftrekposten. Vanwege het karakter daarvan wordt ook een
eventuele premie voor de voltooiing van een scholing of opleiding als
inkomen aangemerkt. Aangezien deze tot een bedrag van ƒ2100,- buiten
beschouwing wordt gelaten (artikel 45 [43], tweede lid, onderdeel h), gaat het
hierbij slechts om het gedeelte waarmee de premie dit bedrag te boven
gaat.
Een tweede criterium voor
het in aanmerking nemen van middelen als inkomen is de periode waarop
de inkomsten betrekking hebben. Daarbij is in dit wetsvoorstel het
uitgangspunt gehanteerd dat het inkomen dient te worden toegerekend aan de
periode waarop dit betrekking heeft. Hiermee wordt tevens een betere aansluiting bereikt met de
terugvorderingsbepalingen, waarin
immers ook voor het antwoord op de vraag of tot een te hoog bedrag
bijstand is ontvangen van belang is of over een periode waarover bijstand is
verleend inkomsten zijn ontvangen. Bovendien wordt zo voorkomen
dat de hoogte van de in totaal te verlenen bijstand afhangt
van het tijdstip waarop deze tot uitbetaling komt.
De periode waarop de
inkomsten betrekking hebben, betreft bij arbeidsinkomsten de periode
waarin deze zijn verworven, dat wil zeggen waarin de arbeid is verricht
waaruit deze inkomsten zijn verkregen. Bij uitkeringen (socialezekerheidsuitkeringen,
pensioenen, alimentatie, studiefinanciering en
dergelijke) is dat de periode waarvoor de uitkering bestemd is. Bij bedragen
ineens dient evenzeer te worden beoordeeld op welke periode deze kunnen
worden geacht betrekking te hebben.
Teneinde deze
transactiesystematiek praktisch uitvoerbaar te maken, zijn in dit wetsvoorstel
wijzigingen opgenomen ten aanzien van de verrekening van inkomsten. Zonder
deze verrekeningsmogelijkheid zou voor elk inkomen dat achteraf
blijkt te worden ontvangen een terugvorderingsprocedure moeten worden gevolgd.
Het niet als inkomen in
aanmerking nemen van inkomsten omdat zij geen betrekking hebben op
een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, betekent niet
op voorhand dat deze middelen buiten beschouwing blijven. Op
grond van artikel 56 [51], onderdeel b, worden de tijdens de bijstandsperiode
ontvangen middelen die niet als inkomen worden beschouwd immers als
vermogen aangemerkt.
Aangezien bij de bijstandsnormen
de aanspraak op vakantietoeslag is inbegrepen, dient voor een
goede toetsing van de inkomsten ook de rblz.|151
daarin begrepen aanspraak op
vakantietoeslag in beschouwing te worden genomen. Dit staat niet in
de weg aan een latere verrekening met de opgebouwde aanspraken op vakantietoeslag op grond van de bijstand.
De vakantietoeslag is loon
dat op een later tijdstip wordt uitbetaald. Ook andere betalingen kunnen dit
karakter van uitgesteld loon hebben. Te denken valt hierbij
bijvoorbeeld aan een dertiende maand of aan winstdelingsregelingen Gelet op
hun vergelijkbare karakter is het billijk ook deze betalingen toe te
rekenen aan de periode waarin de aanspraak daarop is verworven en, voor
zover deze aanspraak buiten de bijstandsperiode valt, de betreffende
betaling niet als inkomen aan te merken. Het tweede lid beoogt deze
handelwijze aan te geven.
In het inkomen kunnen ook
aanspraken begrepen zijn op een doorbetaling van het loon
gedurende de vakantieperiode. Dergelijke aanspraken dienen, gelet op het doel
ervan, als bestaansvoorziening tijdens die periode te worden aangemerkt
en niet te worden toegerekend aan de periode waarin de aanspraak
is verworven. Een andere benadering zou ongelijkheid betekenen ten
opzichte van degene van wie het loon tijdens de vakantieperiode wordt
doorbetaald.
Op grond van artikel 47 [45],
tweede lid, worden de over een inkomen uit bedrijf of zelfstandig
beroep verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen
op een forfaitair percentage vastgesteld. Zoals in de toelichting
op dat artikel [45]
is vermeld, dient een belasting en premieteruggave ten aanzien
van een zelfstandige dan ook buiten beschouwing te blijven
(derde lid). In voorkomende gevallen wordt een dergelijke teruggave wel als
vermogen van de zelfstandige in aanmerking genomen.
Artikel 51
[48]
Het is op het terrein van de
belastingen en de sociale verzekeringen gebruikelijk om inkomsten in
natura in aanmerking te nemen naar de waarde in het zakelijk
verkeer. Bij een voorziening op minimumniveau als de Abw is deze benadering
niet mogelijk. Bij inkomsten in natura met een waarde die uitgaat boven
hetgeen daarvoor op minimumniveau gebruikelijk is, zou een
dergelijke vertekening tot een zodanig lage uitkering kunnen leiden dat
daarmee niet in het bestaan kan worden voorzien. In het kader van
de bijstandverlening dienen inkomsten in natura, wanneer er naar het
oordeel van burgemeester en wethouders aanleiding is daarmee
rekening te houden, in aanmerking te worden genomen naar de daaruit
voortvloeiende lagere bestaanskosten. Met deze bepaling is overigens
geen afwijking beoogd van de in het algemeen bestaande
uitvoeringspraktijk.
Het tweede lid heeft tot
doel het inkomen uit studiefinanciering op een in het kader van de
bijstandverlening juiste wijze in aanmerking te nemen. Het inkomen uit
studiefinanciering kan van belang zijn bij de verlening van bijzondere
bijstand aan een studerende en bij de verlening van algemene bijstand aan de
partner van de studerende.
Door het inkomen uit
studiefinanciering te stellen op het normbedrag voor levensonderhoud
waarnaar deze is berekend, wordt bereikt dat de in de studiefinanciering
begrepen tegemoetkoming voor directe studiekosten en de eventuele forfaitaire vergoeding voor de ziektekostenverzekering buiten
beschouwing
blijven en dat rekening wordt gehouden met de eventuele rentedragende lening en de ouderlijke bijdrage. Omdat op deze wijze de ouderlijke bijdrage reeds is verdisconteerd in de wijze
waarop de ontvangen
studiefinanciering wordt gewaardeerd, spreekt het vanzelf dat deze verder als
inkomen van de studerende buiten beschouwing blijft. Om te
voorkomen dat dezelfde inkomsten tweemaal in mindering worden gebracht
- zowel bij de studiefinanciering als bij de bijstandverlening -, dient
het normbudget te worden verminderd met het rblz.|152
bedrag waarmee in het kader
van de studiefinanciering rekening is gehouden met de inkomsten
van de studerende, de zogeheten draagkracht.
De studerende ontvangt een
reiskostenvoorziening in de vorm van een OV-jaarkaart. Hierbij gaat
het om een vervanging van een deel van de studiefinanciering door een
vergoeding in natura. In het kader van de bijstandverlening dient
derhalve te worden uitgegaan van het budget zoals dat zou hebben
gegolden zonder deze reisvoorziening. Ook daarin voorziet deze
waarderingsregel. Voor eventuele toeslagen op het normbudget - de toeslag voor
de partner en de toeslag voor de alleenstaande studerende met één
of meer kinderen - dient te worden uitgegaan van de feitelijke
normbedragen. Deze zijn namelijk niet verlaagd op grond van de
reisvoorziening.
In het derde en vierde lid
wordt een normering gegeven van de inkomsten uit verhuur of
onderverhuur respectievelijk uit het hebben van een kostganger. Deze normering, die gelijkluidend is aan de momenteel
geldende regeling op grond
van het Bln, beperkt zich tot de situatie dat de belanghebbende een enkele
huurder, onderhuurder of kostganger heeft. Op grond van het
vijfde lid stelt de gemeente
in andere situaties van geval tot geval vast
welk bedrag als inkomsten wordt aangemerkt. Zoals in het algemeen deel
van de toelichting is vermeld, zal in het kader van het Project D'gemeenten
en D'provincies worden bezien of op dit punt grotere gemeentelijke
beleidsvrijheid gewenst is.
Artikel 52
[-]
De gedeeltelijke vrijlating
van inkomsten uit arbeid, die thans is geregeld in artikel 11 van
het Bln, betreft inkomsten uit arbeid die in dienstbetrekking worden verricht. Zelfstandigen komen slechts voor
periodieke bijstand in
aanmerking ter aanvulling op een tijdelijk ontoereikend bedrijfsinkomen.
Toepassing van de vrijlating op dergelijk inkomen zou niet in
overeenstemming zijn met het daarmee beoogde doel, namelijk de
bevordering van de deelname door bijstandsgerechtigden aan betaalde arbeid
teneinde zelfstandig in het levensonderhoud te voorzien. Derhalve is er
evenmin aanleiding om bijvoorbeeld een stagevergoeding of de
inkomsten uit een plaats in het leerlingwezen gedeeltelijk vrij te laten;
hoofddoel hierbij is immers niet om in het levensonderhoud te voorzien.
De vrijlating is dan ook beperkt tot de inkomsten uit arbeid die in
dienstbetrekking wordt verricht.
De vrijlatingsfaciliteit
wordt alleen toegepast voor de vaststelling van de hoogte van de algemene
bijstand. Voor de beoordeling van het recht op algemene bijstand als
zodanig wordt het volledige inkomen in aanmerking genomen. De
vrijlating strekt zich niet uit tot de draagkrachtvaststelling in het kader
van de bijzondere bijstand, zoals uit de aanhef van het eerste lid van dit
artikel blijkt. Ook als de belanghebbende daarnaast algemene bijstand
ontvangt, worden voor de verlening van bijzondere bijstand de
arbeidsinkomsten geheel in aanmerking genomen. Verder geldt, evenals in de
bestaande regelgeving, dat de vrijlatingsfaciliteit niet is bedoeld voor
situaties waarin iemand wel in staat is zelfstandig in het bestaan
te voorzien, maar bewust de arbeidstijd beperkt om daardoor voor
aanvullende bijstand met een vrijlating van de arbeidsinkomsten in
aanmerking te kunnen komen.
Op een aantal punten wijkt
de hier opgenomen regeling af van de huidige regeling in het Bln.
In het algemeen deel van
deze memorie is er reeds op gewezen dat eventuele buitengewone
verwervingskosten niet meer in aanmerking worden genomen voor de
beoordeling van de mogelijkheid van een vrijlating als zodanig,
namelijk door toetsing daarvan aan de voor de rblz.|153
belanghebbende geldende
bijstandsnorm, alsmede voor de hoogte van het vrij te laten bedrag.
De in dit wetsvoorstel
gekozen systematiek betekent tevens dat duidelijk is bepaald dat de
vrijlating mede betrekking heeft op de aanspraak op vakantiegeld over het arbeidsinkomen.
De huidige regelgeving is op
dit punt onvoldoende helder. In overeenstemming met de regeling die
in bijvoorbeeld de Ioaw bestaat, is de vrijlatingsfaciliteit tevens
van toepassing op een vorstverletregeling en andere
werkloosheidsuitkeringen die worden verstrekt bij voortduring van het dienstverband.
In het derde lid is
uitdrukkelijk vastgelegd in welke gevallen de vrijlating niet van
toepassing is. Uit onderdeel a van dat artikellid blijkt dat er geen vrijlating kan
plaatsvinden als het eigen arbeidsinkomen gelijk is aan of uitgaat
boven de bijstandsnorm en er alleen bijstand voor specifieke kosten wordt
verleend. Het is immers niet billijk dat degene die met dergelijke
bijzondere kosten wordt geconfronteerd daardoor uiteindelijk een hoger
inkomen zou verkrijgen dan degene met overigens eenzelfde inkomen die deze
kosten niet behoeft te maken. De premie van een
ziektekostenverzekering is geen aanleiding voor zo'n uitzondering. Bij degene die
ziekenfondsverzekerd is, wordt immers bij de vaststelling van het netto-inkomen ook rekening gehouden met de ziekenfondspremie.
Het kan voorkomen dat de
inkomsten uit een volledige werkkring onder de voor de betrokkene
geldende bijstandsnorm liggen. Daarbij kan worden gedacht aan een
jeugdig echtpaar dat een minimumjeugdloon als inkomen
heeft of aan de
jongere voor wie een volledige werkweek korter is dan de algemeen gebruikelijke, bijvoorbeeld 32 uur. In deze
situaties kan van de
vrijlating geen stimulans uitgaan om volledig in het bestaan te voorzien, zodat
er dus geen aanleiding is deze toe te passen.
Gelet op het karakter van de bijstandverlening aan
zelfstandigen dienen eventuele inkomsten
uit dienstbetrekking van de zelfstandige of diens meewerkende echtgenoot
volledig, dus zonder vrijlating, in aanmerking te worden
genomen. Zij zijn daardoor immers niet volledig beschikbaar voor de
arbeidsmarkt. Onderdeel c heeft hierop betrekking.
Om te vermijden dat de
18-jarige alleenstaande die in aanmerking komt voor de uitwonendennorm
door de vrijlating over een inkomen beschikt dat boven het minimumjeugdloon gelegen is, geldt voor hem,
zoals in onderdeel d
bepaald, geen vrijlating
De vrijlating kan evenmin
betrekking hebben op niet-opgegeven inkomsten. Het zou niet
terecht zijn om degene die ontvangen arbeidsinkomsten tegenover burgemeester en wethouders heeft verzwegen, na
ontdekking daarvan alsnog
het voordeel van de vrijlating te geven; bovendien zou een vrijlating
in die situatie het beoogde effect volledig ontberen.
Vierde lid
Voor de
toepassing van de vrijlating blijven de eventueel op de inkomsten drukkende
buitengewone verwervingskosten buiten beschouwing. Hiermee wordt
voorkomen dat degene met dergelijke kosten en een inkomen op
minimumniveau uitsluitend door die kosten op zijn inkomen in mindering te
brengen in aanmerking zou komen voor een vrijlating, terwijl deze
niet geldt voor degene met dezelfde inkomsten, maar zonder dergelijke
kosten. Het vierde lid heeft hierop betrekking.
Vijfde lid
In aansluiting
op de bestaande regeling is de vrijlatingsfaciliteit in duur beperkt tot
een periode van twee jaar. Nadat is besloten tot toepassing van een
vrijlating, dient bij gelegenheid van het heronderzoek als bedoeld in artikel
77 [66],
tweede lid, en in elk geval eveneens zodra de termijn van twee jaar
afloopt te worden bezien of er nog steeds in het betreffende individuele
geval factoren aanwezig zijn die een volledige arbeidsinschakeling
belemmeren. Is dit niet langer het geval, dan is er rblz.|154
geen aanleiding om de
vrijlatingsfaciliteit nog langer toe te passen. Uitsluitend indien de
individuele omstandigheden van persoon of gezin volledige
arbeidsinschakeling na twee jaar nog niet mogelijk maken, kunnen burgemeester en
wethouders de duur van de vrijlating verlengen. De in het vijfde lid
opgenomen bevoegdheid tot verlenging van de vrijlating strekt er dus
niet toe te besluiten tot verlenging louter vanwege algemene ongunstige arbeidsmarktomstandigheden.
Zesde lid
Het zesde lid kent voor de
duur van de vrijlating een soortgelijke regeling als ten aanzien van
de aftrek van verwervingskosten op grond van artikel 49 [-]. Geen nieuwe
vrijlatingsperiode is van toepassing als de bijstandverlening of de
arbeidsinkomsten voor een periode korter dan zes maanden zijn
onderbroken. Bij een dergelijke korte onderbreking is feitelijk sprake van een
voortzetting van de bijstand of van de arbeidsinkomsten, zodat geen
aanleiding bestaat om opnieuw een vrijlatingsperiode van twee jaar toe te
passen. Hiermee wordt voorkomen dat door korte onderbrekingen van de
bijstand of van de arbeid gedurende een onbeperkte periode de
vrijlating wordt toegepast. Bij een langere onderbreking wordt opnieuw een
periode van twee jaar in acht genomen.
Artikel 53
[-]
In het eerste lid van dit
artikel wordt de hoofdregel voor de bepaling van de hoogte van de
vrijlating van arbeidsinkomsten gegeven. Deze vrijlating bedraagt 25%. Voor de alleenstaande ouder worden de
inkomsten eerst tot een
bedrag gelijk aan 5% van de gehuwdennorm zonder de daarin
begrepen aanspraak op vakantietoeslag - momenteel ƒ85,71 per
kalendermaand - volledig vrijgelaten. Aan de mate waarin arbeidsinkomsten
kunnen worden vrijgelaten, dient een grens te worden gesteld.
Deze grens bedraagt 15% van het toepasselijke normbedrag.
Voor alleenstaande ouders geldt het maximum dat voor gehuwden
van toepassing is. In het vijfde lid wordt aangegeven dat voor deze
maxima wordt uitgegaan van de
bijstandsnorm
zonder de
daarin begrepen aanspraak op vakantietoeslag en zonder eventuele
verhogingen of verlagingen.
In het tweede lid worden,
voor zover nodig, de uitzonderingen op de genoemde hoofdregel gegeven
die gelden voor degenen jonger dan 21 jaar. Voor alleenstaanden
jonger dan 21 jaar geldt in beginsel als maximale vrijlating 15% van het normbedrag dat voor uitwonenden geldt. Gelet op de
verhouding tussen de
bijstandsnorm
en het nettominimumjeudloon geldt
daarbij voor de 19-jarigen voor wie de uitwonendennorm van
toepassing is een beperktere vrijlating. In overeenstemming met de wijze waarop
voor gehuwden van wie één of elk van de echtgenoten jonger dan 21
jaar is de bijstandsnorm wordt vastgesteld, bedraagt de maximale
vrijlating ten hoogste de som van de vrijlatingsbedragen die voor elk van hen
als een alleenstaande zou hebben gegolden. Als deze som niet lager is
dan de gebruikelijke maximale vrijlating, geldt de maximale vrijlating op
grond van het eerste lid. Voor alleenstaande ouders is de gebruikelijke
vrijlating van toepassing, zodat voor hen evenmin een uitzondering op
de hoofdregel van het eerste lid behoeft te worden gegeven.
Voor schoolverlaters van 21
tot 27 jaar, op wie het derde lid betrekking heeft, wordt de
vrijlating in beginsel slechts beperkt door de hoogte van het inkomen waarbij nog recht op een vrijlating kan bestaan.
Dat is 25% van de
bijstandsnorm. Bij echtparen kan dit echter meebrengen dat het totale
inkomen de grens overschrijdt tot waar bij niet-schoolverlaters een
vrijlating nog in overeenstemming wordt geacht met het minimumkarakter van
de Abw. De vrijlating is bij hen dan ook
rblz.|155
zodanig gemaximeerd dat het
totale inkomen dezelfde hoogte heeft als bij niet-schoolverlaters.
Deze uitzonderingen gelden slechts voor het maximaal vrij te laten
bedrag. De hoofdregel van het eerste lid blijft voor het overige van toepassing.
Voor alleenstaande ouders die schoolverlater zijn, geldt derhalve eveneens de eerste vrijlating ter hoogte van
5% van de
echtparennorm.
In het vierde lid is bepaald dat in geval van gehuwden van wie een echtgenoot geen recht op
bijstand heeft de vrijlating van arbeidsinkomsten gelijk is aan die voor een alleenstaande of een alleenstaande
ouder. Afhankelijk van de
omstandigheden van de rechthebbende echtgenoot is dat het
vrijlatingsbedrag op grond van het eerste, tweede of derde lid. Het vierde lid
is nieuw in vergelijking tot het betreffende artikel in het huidige Bln.
Artikel 54
[49]
Personen van 65 jaar of
ouder hebben in veel gevallen de beschikking over een particuliere
oudedagsvoorziening als aanvulling op het wettelijke AOW-pensioen. Deze
voorziening kan de vorm hebben van spaargeld, maar ook van een
periodieke uitkering. Ingeval de betrokkenen aangewezen zijn op bijstand, biedt de vrijlating van een
bescheiden vermogen degenen
die over spaargeld beschikken de faciliteit om de
bestedingsmogelijkheden enigszins te verruimen door dit spaargeld aan te spreken.
Aangezien de vrijlatingsfaciliteit ten aanzien van inkomen zich beperkt tot
de inkomsten uit arbeid, is een dergelijke bescheiden
bestedingsverruiming niet weggelegd voor degenen die een oudedagsvoorziening hebben
in de vorm van een periodieke uitkering. Zo'n verschil is niet
billijk, omdat door het bestaan ervan niet slechts de waarde van de
oudedagsvoorziening bepalend is voor de bestedingsmogelijkheden, maar eveneens
de vorm. Om een meer gelijke behandeling te bewerkstelligen, wordt,
overeenkomstig de regeling in het huidige Bln, een dergelijke particuliere
periodieke oudedagsvoorziening gedeeltelijk vrijgelaten, onder
evenredige vermindering van het bedrag tot waar het eventuele vermogen buiten
beschouwing blijft. Zoals in het algemeen deel van deze memorie
reeds is toegelicht, geldt bij deze vrijlatingsregeling niet meer de
voorwaarde dat de belanghebbenden in een inrichting zijn opgenomen.
Artikel 55
[50]
In de situatie dat slechts
voor één van de echtgenoten recht op bijstand bestaat, wordt op
grond van artikel 33 [32] de bijstandsnorm
zodanig vastgesteld dat niet indirect bijstand aan de niet-rechthebbende partner
wordt verstrekt. Omdat de
bijstand niet voorziet in de bestaanskosten van de echtgenoot van de rechthebbende, zou onverkorte toepassing van
de gezamenlijke
middelentoets zijn bestaansmogelijkheden in gevaar kunnen brengen. Als
hoofdregel geldt dat het inkomen van de niet-rechthebbende
echtgenoot in aanmerking wordt genomen voor zover het gezamenlijke
inkomen, met inbegrip van de aan de rechthebbende te verlenen bijstand,
meer zou bedragen dan de voor de gehuwden geldende
noodzakelijke bestaanskosten. Hiertoe strekt het eerste lid. Voor de
vaststelling of het gezamenlijke inkomen meer zou bedragen dan de relevante
gehuwdennorm dient uiteraard eerst de bijstandsuitkering te worden vastgesteld die zou worden verstrekt als
geen rekening wordt gehouden
met het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot. Als blijkt
dat het gezamenlijke inkomen de grens van de gehuwdennorm te boven
gaat, wordt de "definitieve" uitkering vastgesteld nadat rekening
is gehouden met het eventuele meerinkomen.
rblz.|156
Het derde lid bevat een
specifieke bepaling voor de situatie dat de niet-rechthebbende
echtgenoot een scholing of opleiding volgt. Het ligt voor de hand om de gezamenlijke gehuwdennorm in zo'n geval op het
niveau vast te stellen dat
voor schoolverlaters geldt. Daarmee wordt voorkomen dat in de periode
dat de echtgenoot studeert het gezamenlijke inkomen op een hoger
niveau kan liggen dan na beëindiging van de studie. Zolang de echtgenoot
als een schoolverlater wordt aangemerkt, geldt voor hen dan een
bijstandsnorm die lager ligt dan de gebruikelijke gehuwdennorm.
Als de gehuwden tijdelijk
gescheiden leven, kan het inkomen van de niet-rechthebbende
echtgenoot slechts in beschouwing worden genomen voor zover deze de
kosten van de door hem zelfstandig gevoerde huishouding te
boven gaat. Het tweede lid bevat een hiertoe strekkende
uitzonderingsbepaling op de hoofdregel van het eerste lid.
Aangezien in dit artikel
uitsluitend een afwijkende bepaling ten aanzien van het inkomen is
opgenomen, blijft derhalve de toets op het gezamenlijke vermogen onverkort van
toepassing.
Op eventuele
arbeidsinkomsten van de niet-rechthebbende echtgenoot is de vrijlating van artikel
52 [-] niet van toepassing.
Artikel 56
[51]
Voor de beoordeling van het
vermogen van de belanghebbende is zowel het vermogen van
belang waarover deze bij de aanvang van de bijstand beschikt als de vermogensbestanddelen die hij ontvangt tijdens
de periode van bijstandverlening.
De vermogenspositie bij de
aanvang van de bijstandverlening wordt gesteld op het saldo van de
waarde van de bezittingen en de schulden. De bezittingen kunnen zowel
uit geldswaarden bestaan als uit op geld waardeerbare goederen. Voor
de waardering van deze laatstgenoemde bezittingen in natura is in
artikel 58 [53] een nadere bepaling opgenomen. Ook in het kader van de
vermogensvaststelling kan niet worden volstaan met het in ogenschouw nemen
van de feitelijk aanwezige bezittingen. Er dient tevens te worden
nagegaan of er sprake is van bezittingen waarover de belanghebbende
redelijkerwijs kan beschikken. In beginsel worden alle bezittingen op
het moment van aanvang van de bijstand in aanmerking genomen, ongeacht
de herkomst daarvan. Door in dit onderdeel het begrip "bezittingen" te gebruiken in plaats van
"middelen" wordt bereikt
dat artikel 45 [43] hierop niet van toepassing is. Op grond van het laatstgenoemde
artikel worden bepaalde middelen buiten beschouwing gelaten.
Bij de beoordeling van de op
de bezittingen in mindering te brengen schulden is niet van belang
op welke termijn de belanghebbende verplicht is tot terugbetaling. Wel dient, wil van een feitelijk aanwezige
schuld sprake zijn, een
daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling te bestaan. De belanghebbende
dient dit aan te tonen. Het kan voorkomen dat op het moment van de
bijstandsaanvraag een betalingsverplichting nog niet onomstotelijk
vaststaat, bijvoorbeeld omdat betrokkene deze in rechte betwist. Dan kan
slechts met de betreffende schuld rekening worden gehouden wanneer is
komen vast te staan dat betrokkene ook daadwerkelijk tot die terugbetaling verplicht is.
Ook tijdens de
bijstandsperiode kan de belanghebbende middelen ontvangen die niet als
inkomen, maar als vermogen dienen te worden aangemerkt. Dit is aangegeven in onderdeel
b van het eerste lid. Deze
bepaling is het complement
van artikel 50 [47]. Tijdens de bijstand ontvangen middelen die op grond van
dat artikel niet als inkomen worden aangemerkt, worden als vermogen
beschouwd. Het gaat hierbij enerzijds om middelen die naar hun aard
niet als inkomen kunnen worden beschouwd (zoals de teruggave van
belasting en premies die de zelfstandige rblz.|157
eventueel ontvangt) en
anderzijds om middelen die weliswaar het karakter van inkomen hebben,
doch die geen betrekking hebben op de bijstandsperiode.
De bijstand ter voorziening
in de behoefte aan bedrijfskapitaal dient als financieringsbron voor het
gehele bedrijf of zelfstandig beroep. Ingeval het bedrijf of zelfstandig
beroep samen met één of meer anderen wordt uitgeoefend, dient voor de
beoordeling van de behoefte aan bijstand derhalve mede het vermogen
van de vennoten of leden in aanmerking te worden genomen. Hierin
voorziet het tweede lid.
Artikel 57
[52]
Eerste lid
Van enkele
vermogensbestanddelen is het ongewenst of onbillijk om deze als
vermogen in aanmerking te nemen en te vergen dat ze voor het levensonderhoud
worden ingezet als deze het vrijgelaten vermogen te boven gaan. Dit
geldt allereerst voor bezittingen in natura die wat hun aard en waarde
betreft algemeen gebruikelijk zijn: een
gebruikelijke
woninginrichting wordt niet als vermogen aangemerkt. Ook bezittingen in natura die
voor de belanghebbende, gelet op diens persoonlijke omstandigheden,
noodzakelijk zijn, dienen buiten beschouwing te blijven bij
de beoordeling van diens vermogenspositie. Hierbij kan bijvoorbeeld
worden gedacht aan - vaak kostbare - voorzieningen in verband met
invaliditeit.
Een bescheiden vermogen
staat niet in de weg aan de verlening van algemene bijstand. Dit vrij
te laten bescheiden vermogen is gedurende de hele bijstandsperiode van
toepassing, hetgeen impliceert dat een vermogen dat bij de eerste
bijstandverlening onder de grens van dat bescheiden vermogen lag, tot
die grens kan toenemen door tijdens de bijstandsperiode verkregen
middelen. Dergelijk vermogen wordt dus behandeld als ware het reeds
bij de eerste verlening van bijstand beschikbaar. Wanneer tijdens
de bijstandsperiode vermogen wordt ontvangen dat niet buiten
beschouwing kan blijven omdat bij de aanvang van de bijstand al tot de
daarvoor geldende grens een bescheiden vermogen was vrijgelaten,
dient de bijstand tijdelijk te worden onderbroken tot het moment waarop
het meerdere is aangewend voor het levensonderhoud. Eén en
ander is in de onderdelen b en c geregeld.
Het zou onbillijk zijn om
tijdens de bijstandsperiode opgebouwde spaargelden als vermogen in
aanmerking te nemen als daarmee de grens van het bescheiden vermogen
zou worden overschreden. Op grond van onderdeel d blijven deze
buiten beschouwing. In onderdeel e is bepaald dat een uitkering in verband
met geleden immateriële schade, voor zover uit een oogpunt van
bijstandverlening verantwoord, eveneens buiten beschouwing blijft. Deze
bepaling is van belang voor de beoordeling van de vermogenspositie van de
belanghebbende bij de aanvang van de bijstandverlening. Zoals
vermeld in de toelichting op artikel 56 [51]
wordt bij deze beoordeling geen
onderscheid gemaakt naar de herkomst van het vermogen. De bepalingen van
artikel 45 [43], op grond waarvan bepaalde middelen in het geheel niet
in aanmerking worden genomen, zijn derhalve niet van toepassing
op de beoordeling van het vermogen bij de aanvang van de bijstand. Ten aanzien van uitkeringen in verband met
geleden immateriële schade
is het onbillijk om deze als vermogen in aanmerking te nemen.
Gelet op de wijze waarop
dergelijke uitkeringen indien deze de vorm hebben van een bedrag ineens tot uitbetaling komen, is het bovendien zeer wel mogelijk om het
aanwezige vermogen te herleiden tot zo'n uitkering, voor zover deze
niet kan worden geacht te zijn besteed.
Er is geen aanleiding meer
om, zoals in het bestaande artikel 7 [-], eerste lid, onderdeel a, ook het
voor een opleiding bestemde vermogen buiten beschouwing te laten. Voor
het volgen van scholing of opleiding bestaan rblz.|158
momenteel zodanige
voorzieningen - zowel in het kader van de studiefinanciering, de arbeidsvoorziening, alsook van de bijzondere bijstand -
dat, anders dan vroeger, in
het algemeen niet langer de noodzaak bestaat daarvoor een deel
van het vermogen te bestemmen.
Tweede lid
Voor
zelfstandigen wordt in dit lid een afwijkende regeling van de vermogenstoets
gegeven. Van zelfstandigen die een beroep op bijstand doen, kan worden
gevergd dat zij ook het bescheiden vermogen inzetten voor de
bestaansvoorziening. Het vermogen dat voor de uitoefening van het bedrijf
of beroep noodzakelijk is, dient echter buiten beschouwing te blijven om te
voorkomen dat de zelfstandige bestaansvoorziening van de
betrokkene in gevaar komt. In het nieuw te treffen Besluit
bijstandverlening zelfstandigen zullen ook ten aanzien van het vermogen van zelfstandigen
nadere regels worden gesteld. Dit gelet op het specifieke karakter van
de hiermee verband houdende waardering van de afzonderlijke
vermogensbestanddelen. Bij de beoordeling van de vermogenspositie van de
zelfstandige kan niet goed onderscheid worden gemaakt tussen het
bedrijfsvermogen en het eventuele vermogen dat in de eigen woning is gebonden.
Met het oog hierop wordt dat vermogen mede tot het vermogen
gerekend dat benodigd is voor de uitoefening van het bedrijf of
zelfstandig beroep. Verder blijven uiteraard ook voor zelfstandigen de bezittingen
in natura buiten beschouwing die algemeen gebruikelijk zijn dan wel
die, door bijzondere omstandigheden van de belanghebbende, noodzakelijk
zijn. De redactie van onderdeel a is gelijk aan die van het eerste lid,
onderdeel a. Hiermee komt tot uiting dat voor de beoordeling in hoeverre
deze bezittingen buiten beschouwing blijven, voor zelfstandigen dezelfde
criteria worden gehanteerd als voor andere belanghebbenden en dat er
dus op dit punt geen aanleiding is rekening te houden met de specifieke
omstandigheden van de betrokkene als zelfstandige. Deze komen
immers reeds tot gelding in de vrijlating van het bedrijfsvermogen.
Artikel 58
[53]
Anders dan bij inkomsten in
natura, dienen de bezittingen waarvan de tegeldemaking wordt gevergd
in aanmerking te worden genomen naar de waarde in het economisch
verkeer.
Hierbij kan zich immers niet
de situatie voordoen dat een waardering naar de waarde in het
economisch verkeer ertoe kan leiden dat de belanghebbende over onvoldoende bestaansmiddelen komt te
beschikken.
Het tweede lid bevat een
delegatiebepaling voor de wijze van vaststelling van het
vermogen in de eigen woning. De hier bedoelde nadere regelgeving zal
worden opgenomen in de algemene maatregel van bestuur die zal worden
getroffen op grond van artikel 20, vijfde lid.
De onderhavige
vermogensvaststelling is momenteel opgenomen in het bestaande
Bijstandsbesluit krediethypotheek (Stb. 1983, 602).
Artikel 59
[54]
In dit artikel worden in het
eerste en tweede lid de bedragen genoemd tot waar het vermogen als
een buiten beschouwing te laten bescheiden vermogen wordt aangemerkt.
De lagere bedragen in het tweede lid houden verband met de
vrijlating van een particulier pensioen op grond van artikel 54 [49]. Als geen
oudedagsvoorziening is vrijgelaten op grond van die bepaling, gelden de
hogere bedragen, genoemd in het eerste lid.
Voor degenen met een
zelfbewoonde eigen woning wordt een deel van het in de woning gebonden
vermogen vrijgelaten op overeenkomstige wijze als in het bestaande
artikel 8a van het Bln. Bij gelegenheid van de rblz.|159
decentralisatie van de
bijzondere bijstand is deze vermogensvrijlating ook gaan gelden voor de verlening van bijzondere bijstand.
Overeenkomstig de bestaande
regeling wordt in het vierde lid bepaald dat het bescheiden vermogen
bij voorrang van toepassing is op het niet in de woning gebonden
vermogen. Als dit vrij beschikbare vermogen onder de algemene
vrijlatingsgrens van het eerste lid ligt, wordt het vrij te laten vermogen in de
eigen woning met het resterende deel verhoogd. Als het ongebonden vermogen
daarentegen boven de algemene vrijlatingsgrens ligt, dient dit -
alvorens van bijstandverlening sprake kan zijn - tot deze grens te worden
aangewend voor het levensonderhoud. Er is dan immers sprake van een
vermogen dat niet geheel buiten beschouwing kan worden
gelaten.
Artikelen 60 tot en met 70
[55-62]
In deze artikelen wordt
aangegeven op welke wijze de verschillende in hoofdstuk IV genoemde
bedragen worden aangepast. Zoals in het algemeen deel
van deze
memorie reeds werd aangegeven, is hierbij beoogd zo nauwkeurig
mogelijk het gevolgde aanpassingsmechanisme te beschrijven.
De in artikel 60 [55] gegeven
definitie van het nettominimumloon is inhoudelijk gelijk aan de
momenteel in artikel 1 van de bestaande ABW daarvoor gegeven omschrijving. De definitie van
nettominimumjeugdloon sluit daarop aan.
In artikel 61 [56] worden de
bedragen genoemd die zijn gekoppeld aan het nettominimumloon.
Dat betreft allereerst de bijstandsnormen
voor alleenstaanden van 23 jaar of ouder, alleenstaande
ouders en gehuwden. Deze koppeling aan het nettominimumloon is ook
van toepassing op de bijstandsnormen voor degenen jonger dan 21
jaar en voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar. Voor hen geldt het zogeheten
"vloerbedrag". De aftrek in verband
met woningdeling volgt ook
deze ontwikkeling, evenals de bedragen waarop het inkomen uit
(onder)verhuur en het hebben van een kostganger wordt gesteld.
Het percentage aan vakantietoeslag dat in de bijstandsnorm begrepen is,
wordt op grond van het tweede lid gesteld op de verhouding die bij het
nettominimumloon bestaat tussen de aanspraak op vakantietoeslag
en het totale
minimumloon.
In artikel 62 [-] wordt
aangegeven tot welk bedrag op grond van artikel 53 [-], derde lid, onderdeel
b,
voor gehuwden waarvan één of elk een schoolverlater jonger dan 27
jaar is de arbeidsinkomsten worden vrijgelaten. Dat is het verschil
tussen enerzijds de norm die in zo'n situatie voor de uitwonende gehuwden
geldt waarvan beiden schoolverlater zijn en anderzijds de som van de
algemeen voor gehuwden geldende bijstandsnorm, verhoogd met
de daarbij behorende maximale vrijlating.
De bijstandsnormen voor
alleenstaanden van 21 en 22 jaar zijn afgeleid van het minimumjeugdloon. Deze koppeling wordt in artikel 63 [-] gegeven.
De maximale vrijlating van
arbeidsinkomsten voor een 19-jarige alleenstaande voor wie de uitwonendennorm van toepassing is, wordt begrensd door het minimumjeugdloon
dat voor dezelfde leeftijdscategorie geldt. Omdat de maximale
vrijlating, behoudens voor schoolverlaters, wordt afgeleid van de bijstandsnorm zonder de daarin begrepen aanspraak op
vakantietoeslag, geldt
hierbij een vergelijking zonder de in de bijstandsnorm,
respectievelijk het minimumjeugdloon, begrepen aanspraken op
vakantietoeslag. In artikel 64 [-] wordt deze berekening gegeven.
De bijstandsnorm voor
personen in een inrichting is - uitgaande van gehuwden - bepaald op 34% van het nettominimumloon, dat is gecorrigeerd voor energiekosten en voor de nominale premie op grond
rblz.|160
van de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten [AWBZ, red.]. De laatste correctie houdt
verband met het gegeven dat voor hen een vaste premie per dag in rekening
wordt gebracht, waarnaast geen nominalepremieplicht
bestaat.
Zij zijn echter wel de
nominale premie op grond van de AWBZ verschuldigd. Om te bereiken
dat de bijstandsnorm toereikend is om aan deze laatste premieplicht te
voldoen, wordt de bijstandsnorm vervolgens verhoogd met de volledige
nominale premie die de betrokkene op grond van de AWBZ verschuldigd is.
Omdat de nominale premies kunnen verschillen naargelang de
zorgverzekeraar waarbij men is aangesloten, wordt uitgegaan van de
gemiddelde nominale premies zoals deze voor het lopende jaar worden
voorzien (de zogeheten "rekenpremie").
In artikel 51 [48], tweede lid,
wordt een waarderingsregel gegeven voor het op grond van de Wet
op de studiefinanciering ontvangen inkomen. De bedragen die daarvoor worden
gehanteerd, worden, zoals in artikel 66 [60] is bepaald, gesteld op de som
van de budgetten voor levensonderhoud, vermeerderd met de
vergoeding die studerenden ontvangen als zij ten onrechte geen
reisvoorziening (de OV-kaart) hebben ontvangen. Deze vergoeding is een goede
maatstaf voor de geldswaarde die de reisvoorziening vertegenwoordigt.
In artikel 67 [-] worden de
bedragen genoemd die afhankelijk zijn van de ontwikkeling op het vlak van
de individuele huursubsidie. Dat betreft de bedragen waarmee de
bijstandsnorm wordt verlaagd indien de belanghebbende geen woonkosten
verschuldigd is en het bedrag aan woonkosten tot waar een woonkostentoeslag kan worden verstrekt. Het
bedrag waarmee de
bijstandsnorm wordt verlaagd indien de woning met één of meer personen wordt
bewoond die geen huisgenoot zijn in de zin van de Wet op de individuele
huursubsidie, betreft alleen de schaalvoordelen voor zover deze geen
betrekking hebben op woonkosten in engere zin. Voor dit laatste
element, dat afhankelijk is van de individuele huursubsidie, dient de
algemene woonkostenaftrek derhalve te worden gecorrigeerd.
Het vrijgelaten bescheiden
vermogen wordt, zoals bepaald in artikel 68 [61], aangepast aan de
ontwikkeling van het prijsindexcijfer. Dat geldt ook voor het daarvan afgeleide
bedrag tot waar een particulier oudedagspensioen wordt vrijgelaten.
Het zogeheten drempelbedrag
voor bijzondere bestaanskosten is ontleend aan de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, alwaar het de ontwikkeling van het brutominimumloon
volgt.
Deze indexering is in
artikel 69 [58] overgenomen.
Voor zelfstandigen wordt het bruto-inkomen op een forfaitaire wijze verminderd met belasting en
premies. Dit percentage is gelijk aan het bedrag aan belasting en
premies dat voor een uitkeringsontvanger jonger dan 65 jaar over de
bijstandsuitkering wordt afgedragen, maar dan uitgedrukt als een percentage van
de brutobijstandsuitkering.
Artikel 71
[67]
Gewoonlijk kan slechts bijstand worden verleend op grond
van een schriftelijke aanvraag. Niet langer is bepaald, zoals in het bestaande artikel 22, tweede lid, dat een mondelinge aanvraag ten behoeve van de aanvrager
op schrift wordt gesteld. Gelet op de tegenwoordige
uitvoeringspraktijk, waarin het algemeen gebruikelijk is dat met vaste
aanvraagformulieren wordt gewerkt en dat invulling daarvan veelal geschiedt door
de aanvrager en een medewerker van de gemeente gezamenlijk, is er geen
aanleiding genoemd tweede lid ook in de nieuwe
Abw op te nemen. Bij
gebruik van een aanvraagformulier is er in feite altijd van een
schriftelijke aanvraag sprake.
rblz.|1 61
Onder meer met het oog op spoedgevallen waarin de wil
van de belanghebbende niet kenbaar kan worden gemaakt, is het
wenselijk dat in dergelijke, uitzonderlijke, gevallen de vaststelling
van het recht ook ambtshalve kan geschieden. Als ambtshalve vaststelling
heeft plaatsgevonden, kan een aanvraag van de belanghebbende
achterwege blijven.
Het tweede lid vloeit voort uit het feit dat het recht
op gezinsbijstand aan beide echtgenoten gezamenlijk toekomt, zoals is
bepaald in het derde lid van het voorgestelde artikel
13. Het verdient
de voorkeur de aanvraag door beide echtgenoten te laten ondertekenen,
zodat zeker is dat beiden op de hoogte zijn van de aanvraag. Bij
terugvordering van kosten van bijstand kan dit van belang zijn. In het
derde lid is de ambtshalve vaststelling van het recht op bijstand geregeld
voor het geval dat één van de echtgenoten uitdrukkelijk weigert in te
stemmen met het aanvragen van bijstand en daardoor het belang van de
overige gezinsleden in het gedrang komt. De hier aan de orde zijnde
situatie draagt een ander karakter dan de uitzondering, bedoeld in het eerste
lid, en vereist een geheel eigen beoordeling in vergelijking tot die
gevallen waarin iemand bijvoorbeeld niet in staat is om zijn wil kenbaar
te maken.
In verband met de wettelijke termijnen, onder meer
inzake bezwaar en beroep, is het noodzakelijk dat iedere aanvraag van een
ontvangstdatum wordt voorzien. Dit is geregeld in het vierde lid.
Artikel 72
[63]
Wat betreft de vaststelling van het domicilie wordt
aangesloten bij titel 3 (artikelen 10 tot en met 15) van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek. Aldaar wordt in artikel 10, eerste lid, bepaald
dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt te
zijner woonstede en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Voor
de invoering van genoemd artikel in het Burgerlijk
Wetboek werd in het daarmee overeenstemmende artikel 74, eerste lid, van
het Burgerlijk
Wetboek (oud) in plaats van woonstede gesproken over
hoofdverblijf. Voor de term woonstede is gekozen omdat deze beter tot
uitdrukking brengt dat een zekere bestendigheid in het verblijf
nodig is en dat niet is bedoeld de gemeente waarin men vertoeft, maar de woning.
In artikel 11 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek is
geregeld dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door
daden waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit betekent dat men niet
door enkele wilsuiting zijn woonstede kan veranderen. Een dergelijke
uiting zal wanneer zij niet door daden wordt gevolgd, geen effect
hebben. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook in de jurisprudentie
aan het wilselement betekenis wordt toegekend.
Uit het feit dat er sprake moet zijn van een (door daden
ondersteunde) wilsuiting kan worden afgeleid dat men bij tijdelijk
verblijf elders niet zijn woonstede opgeeft. Indien twee partners als een gezin
kunnen worden aangemerkt, is er sprake van het voeren van een duurzame
gezamenlijke huishouding. Betrokkenen moeten duurzaam gezamenlijk
voorzien in huisvesting en elkaar wederzijds verzorgen (artikel
3).
Uit de criteria voor het als gehuwd worden aangemerkt, volgt dat de partner
die met een andere partner in een andere plaats in huisvesting is
gaan voorzien zijn oorspronkelijke woonstede verliest. Zijn woonstede verplaatst zich dan
naar de plaats waar de woning van de andere partner is
gelegen.
Door in artikel 71 [67]
te verwijzen naar het
Burgerlijk
Wetboek is het overbodig geworden een afzonderlijk artikellid op te
nemen waarin het tijdelijk verblijf buiten de vaste woonplaats wordt
geregeld. Ook een afzonderlijke regeling inzake personen in inrichtingen
is niet meer nodig. Uit de wilsuiting die uit de daden voortvloeit, kan
worden afgeleid of de belanghebbende die zijn intrek neemt in een
inrichting
geacht moet worden al dan niet naar de plaats waar de inrichting
zich bevindt zijn rblz.|1 62
woonstede te hebben overgebracht. Te denken valt aan het
verkopen van de woning van degene die in de inrichting is opgenomen.
De aansluiting bij titel 3 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek impliceert dat de omtrent het daar geregelde begrip woonstede
bestaande jurisprudentie voor de toepassing van de Abw
van belang
wordt. Voor het overige wordt verwezen naar paragraaf 5.5 van het
algemeen
deel van deze memorie.
Artikelen 73 [64] en
74 [-]
De doorzending van geschriften tot behandeling waarvan
kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, wordt reeds geregeld in
artikel 2.1.3 [2:3] van de voorgestelde Algemene wet bestuursrecht, zodat
een afzonderlijke regeling als bedoeld in artikel 25 van de
bestaande ABW niet meer nodig is. De Algemene wet bestuursrecht biedt echter
geen afdoende regeling voor domiciliegeschillen. Derhalve dient in de nieuwe
Abw nog geregeld te worden welke gemeente
uiteindelijk bij het
ontbreken van een minnelijke regeling ervoor dient te zorgen dat de
zaak aanhangig wordt gemaakt. Domiciliegeschillen zijn horizontale bestuursgeschillen.
Uit de memorie van toelichting bij het voorstel
van Wet voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie (Kamerstukken
II 1991-1992, 22 495) blijkt dat een algemene regeling voor
horizontale bestuursgeschillen die de administratieve rechter bevoegd zou
maken, door de regering nog niet aangewezen wordt geacht. Een
dergelijke regeling behoeft nadere studie.
Tot die tijd bestaat voor het bestuursorgaan in die
gevallen een keuzemogelijkheid. De gemeente die de doorgezonden aanvraag
heeft ontvangen, heeft de keuze tussen een gang naar de
burgerlijke rechter of naar de Kroon op grond van artikel 136 van de
Grondwet.
Voor dit laatste wordt, door middel van het voorstel van Wet voltooiing eerste fase
herziening rechterlijke organisatie, een processuele
voorziening in de Wet
op de Raad van State opgenomen. Hier is dus geen
sprake van beroep op de Kroon, maar van een vorm van
(publiekrechtelijke) arbitrage door de Kroon.
Het eerste lid van artikel 74 [-] legt de gemeente waar
de belanghebbende werkelijk verblijft de verplichting op om,
hangende een domiciliegeschil, de bijstandsaanvraag te beoordelen.
Hierdoor wordt voorkomen dat een dergelijk geschil ertoe
leidt dat vertraging optreedt in de bijstandverlening en de
belanghebbende buiten zijn eigen toedoen onnodig in financiële
problemen geraakt.
Artikel 75
[68+70]
In het eerste lid van dit artikel is een termijn van
vier weken opgenomen voor het nemen van een beslissing op een
aanvraag. Het verstrijken van deze termijn, zonder dat een beslissing
is genomen, heeft tot gevolg dat de belanghebbende een bezwaarschrift kan
indienen.
Verlenging van de beslistermijn met vier weken is
mogelijk indien burgemeester en wethouders niet over de gegevens
beschikken die noodzakelijk zijn voor het nemen van een beslissing op de
aanvraag. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien burgemeester en
wethouders bij derden inlichtingen dienen in te winnen en deze
inlichtingen niet binnen één maand worden verstrekt. Indien de aanvrager zelf in
gebreke blijft bij het verstrekken van voldoende gegevens, kunnen burgemeester en
wethouders besluiten de aanvraag niet te behandelen. In
dat geval neemt de beslistermijn geen aanvang. Een vereiste is wel dat
burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid hebben gesteld
binnen een door hen bepaalde termijn de aanvraag aan te vullen.
In het bestaande Bijstandsbesluit krediethypotheek
(Stb.
1983, 602) is rblz.|1 63
aangegeven dat de taxatie en vestiging van de hypotheek
plaats heeft binnen drie maanden, te rekenen vanaf de aanvang van de
bijstandverlening. In het nieuw te treffen Besluit krediethypotheek
is deze termijn niet meer opgenomen. Ook voor de krediethypotheek kan
namelijk worden aangesloten bij de termijnen in artikel 75 [68+70]
(vier
weken), met de mogelijkheid van verlenging tot acht weken indien burgemeester en
wethouders nog wachten op externe informatie.
Binnen die termijn dient taxatie plaats te vinden en te
worden bepaald of de bijstand in de vorm van een krediethypotheek wordt
verleend. De formele vestiging van de hypotheek kan na genoemde
termijn geschieden. Er is geen aanleiding deze formele handeling
eveneens aan een termijn te binden. Soms kan er aanleiding zijn de
vestiging enige tijd uit te stellen, zoals in de situatie dat het beroep op
bijstand vermoedelijk tijdelijk zal zijn vanwege de vooruitzichten op korte
termijn op het vinden van een werkkring.
In het derde lid is met betrekking tot de aanvraag van
een zelfstandige een beslistermijn van dertien weken opgenomen. Uit de
praktijk is immers bekend dat met het nemen van een besluit op deze
aanvragen meer tijd is gemoeid, vooral als gevolg van de noodzaak
van bedrijfskundig onderzoek. Hoewel in het algemeen een termijn van
dertien weken voldoende zal zijn, kan het zich in bijzondere
gevallen ten aanzien van zelfstandigen voordoen dat een langere termijn noodzakelijk is. In
verband hiermee is in het vierde lid opgenomen dat
burgemeester en wethouders in zo'n geval de aanvrager mededelen dat zij
niet in staat zijn binnen dertien weken te beslissen. Zij dienen daarbij
een redelijke termijn te noemen waarop het besluit wel tegemoet kan worden
gezien; de termijn kan ten hoogste 26 weken belopen.
Het vijfde lid regelt de beslistermijn ingeval een
aanvraag door burgemeester en wethouders die hem hebben ontvangen, is
doorgezonden naar burgemeester en wethouders van een andere gemeente,
dan wel ingeval vanwege een domiciliegeschil een beslissing door
de Kroon is genomen. In deze gevallen vangen de in het eerste tot en
met het vierde lid genoemde termijnen aan op de datum van de mededeling
van de doorzending of beslissing.
In het zesde lid is met het oog op de rechtszekerheid
voor de belanghebbende bepaald dat in de schriftelijke mededeling van
het besluit tot toekenning van bijstand ten minste mededeling wordt
gedaan van aan de bijstand verbonden verplichtingen, gelet op de gevolgen
die het niet nakomen van deze verplichtingen met zich kan brengen.
Deze betreffen zowel de algemene mededelingenplicht ten aanzien van
wijzigingen in de omstandigheden die van belang zijn voor het recht op
bijstand als de specifieke verplichtingen die de gemeente op grond van
hoofdstuk VIII aan de bijstand verbindt. Ten aanzien van de
laatstgenoemde verplichtingen staat voor de belanghebbende overigens ook
bezwaar en beroep open.
Het zevende lid sluit aan bij artikel
4.1.3.3 [4:15] van de voorgestelde Algemene wet bestuursrecht, zij het dat nadrukkelijk een
termijn wordt genoemd waarmee de termijn voor het nemen van een
besluit kan worden verlengd. De belanghebbende dient zo spoedig
mogelijk te weten waar hij aan toe is.
Artikel 76
[65+69]
Sedert 1972 is in het bestaande artikel
30, tweede lid,
de informatieverplichting opgenomen van de persoon te wiens behoeve
bijstand is gevraagd of wordt verleend. Burgemeester en wethouders
kunnen deze wet slechts uitvoeren wanneer zij kunnen beschikken over
voldoende informatie met betrekking tot onder andere de personen,
de gezinssituatie, het inkomen en de woonomstandigheden. Deze
gegevens zullen rblz.|1 64
steeds een actueel beeld moeten geven. Een duidelijke
verplichting van de belanghebbende tot informatieverschaffing kan
derhalve niet worden gemist. De belanghebbende heeft op grond van het voorgestelde artikel
76 [65+69] de rechtsplicht om desgevraagd of uit eigen beweging
aan burgemeester en wethouders alle relevante informatie te
verschaffen waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze voor het
recht op bijstand van belang is. In het algemeen mag worden verwacht dat
aangetoond wordt dat de verstrekte informatie juist en volledig is.
Dit zal als regel in een schriftelijke vorm geschieden.
Voor de zelfstandige is nog bepaald dat hij op verzoek
van burgemeester en wethouders inzage dient te verlenen in zijn
administratie. Burgemeester en wethouders kunnen op grond van deze
bepaling bijvoorbeeld verlangen dat de zelfstandige
boekhoudverslagen overlegt.
Overeenkomstig het voorgestelde artikel 119 [112], tweede lid,
is de zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend verplicht
naar behoren een administratie te voeren.
In het tweede lid wordt het gebruik van een
inlichtingenformulier verplicht gesteld. Het gebruik van formulieren waarop
periodiek de inkomsten moeten worden vermeld, is reeds bij veel
gemeenten gebruikelijk, doch uit een oogpunt van handhavingsbeleid wordt
het wenselijk geacht de in dit verband op de belanghebbende berustende
verplichting om burgemeester en wethouders adequaat in te lichten
aangaande alle zaken die voor de verlening van bijstand van belang zijn
in de wet te expliciteren. Aan de hand van het over elke
kalendermaand waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, door de
belanghebbende in te vullen inlichtingenformulier dienen burgemeester en
wethouders vast te stellen of nog steeds recht op bijstand bestaat. Met de
termijnaanduiding "kalendermaand" wordt aangesloten bij de in artikel 26
[27] genoemde termijn waarover de hoogte van de algemene bijstand
wordt vastgesteld en de daarmee samenhangende verreken- en betaalperiode
zoals deze in dit wetsvoorstel wordt gehanteerd. Teneinde
zo nodig een
zekere uniformering in de uitvoeringspraktijk mogelijk te maken en te
kunnen waarborgen dat de door burgemeester en wethouders te
hanteren formulieren aan bepaalde minimumeisen voldoen, is
bepaald dat bij ministeriële regeling kan worden aangegeven aan welke
vereisten het formulier dient te voldoen.
Indien de belanghebbende het inlichtingenformulier niet,
niet tijdig of onvolledig heeft ingeleverd, kunnen burgemeester en
wethouders niet vaststellen of het recht op bijstand voortbestaat. In de
praktijk wordt in zo'n situatie thans reeds de bijstandsuitkering van de
betrokkene opgeschort of "geblokkeerd". Teneinde de onzekerheid
over het voortduren van het recht op bijstand niet te lang te laten
bestaan, is geregeld dat de opschorting van de bijstand ten hoogste acht
weken kan duren. Indien binnen deze termijn de ontbrekende gegevens door
de belanghebbende worden aangevuld, kan een nabetaling plaatsvinden
over de periode dat betrokkene verwijtbaar in verzuim is
geweest. Op grond van artikel 14 zal op de voortgezette bijstand bij wijze van
sanctie wel een verlaging moeten worden toegepast. Indien de
opschorttermijn van acht weken wordt overschreden, wordt een besluit
[lees: dient een besluit, red.] tot
beëindiging van de bijstand te worden getroffen. De belanghebbende kan dan
eerst weer voor bijstand in aanmerking komen door indiening van een
nieuwe aanvraag. Aangenomen in principe [lees: Aangezien in principe, red.]
geen bijstand wordt verleend met
terugwerkende kracht, kan dan geen bijstand worden
verleend over de periode voorafgaand aan de nieuwe aanvraag.
Met het oog op de gevolgen die een niet-tijdige
inlevering van het inlichtingenformulier kan hebben, is in het vierde lid
bepaald dat de dag van ontvangst op het formulier wordt aangetekend.
rblz.|1 65
Artikel 77
[66]
Eerste lid
Een beslissing op een aanvraag moet steeds
gebaseerd zijn op een daartoe ingesteld onderzoek. Uiteraard is het van
belang dat burgemeester en wethouders voordat zij een beslissing
nemen, beschikken over de juiste en volledige gegevens die
voor de beoordeling van de aanvraag van belang zijn. Vandaar dat is bepaald
dat de verkregen inlichtingen worden onderzocht op hun
juistheid en volledigheid. Verder is geregeld dat zo nodig een onderzoek
wordt ingesteld naar andere van belang zijnde gegevens. Te denken valt
aan het inwinnen van medisch advies (bijvoorbeeld in verband met
een aanvraag voor bijstand in de kosten van deelname aan het
maatschappelijk verkeer) of aan het inwinnen van inlichtingen bij
derden, zoals bij de werkgever voor looninformatie.
Tweede en zesde lid
Als eenmaal bijstand is toegekend,
is het in verband met de rechtmatigheid en doelmatigheid van de
uitkering van belang dat periodiek heronderzoeken plaatsvinden. Ten
aanzien van de termijn waarbinnen en de wijze waarop de genoemde
heronderzoeken dienen plaats te vinden, kunnen op grond van het zesde
lid bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld, zoals
thans reeds is geschied in het Bvvu. Dergelijke nadere regelgeving
blijft onverkort noodzakelijk. Onder de verplichtingen, bedoeld in het
tweede lid, worden alle verplichtingen verstaan die op grond van deze
wet in het betreffende geval aan de bijstand zijn verbonden, zoals
aflossingsverplichtingen en verplichtingen in verband met de arbeidsinschakeling.
Het onderzoek dient te worden afgesloten met een besluit van
burgemeester en wethouders omtrent de voortzetting van de bijstand,
zoals in het tweede lid is bepaald; momenteel is dit voorschrift opgenomen
in het Bvvu.
Derde lid
Bij het beëindigen van een
bijstandsuitkering dienen burgemeester en wethouders door middel van onderzoek vast te
stellen dat de bijstand op het juiste tijdstip werd beëindigd en dat
de bijstandsgerechtigde in de totale bijstandsperiode heeft ontvangen
waarop hij over die periode recht kon doen gelden. Voor zover wordt
vastgesteld dat er verplichtingen resteren, nemen burgemeester en wethouders
binnen de gestelde termijn een beslissing omtrent de afwikkeling
daarvan. Dit lid is inhoudelijk vergelijkbaar met het bestaande artikel 4
uit het Bvvu, met dien verstande dat in de formulering is gekozen voor een
duidelijker termijnaanduiding. Daartoe wordt in het lid gesproken
van "de maand volgend op de maand waarin geen betaling van bijstand
heeft plaatsgevonden". Indien bijvoorbeeld in de maand april geen
inkomstenformulier is ingeleverd, dient de bijstandverlening in de maand
mei te worden stopgezet. Belanghebbende krijgt hiervan bericht en
vervolgens dient onderzoek plaats te vinden aan de hand waarvan
burgemeester en wethouders in de maand juni een besluit nemen met betrekking tot de
wederzijds tussen de gemeente en de belanghebbende
resterende verplichtingen en de afwikkeling daarvan.
Vierde lid
In het vierde lid, dat overeenkomt met het bestaande
artikel 5 van het Bvvu, is de minimale heronderzoeksfrequentie opgenomen
voor wat betreft de opgelegde betalings- en
aflossingsverplichtingen. Dit lid is mede van toepassing op de aflossing van bijstand die is
verstrekt als geldlening onder verband van krediethypotheek, alsmede
op de daarbij eventueel verschuldigde rente. Voor de periode van tien
jaar na beëindiging van de bijstand waarin de geldlening renteloos
kan worden afgelost, worden in het op grond van artikel 20
nieuw te
treffen Bijstandsbesluit krediethypotheek [zie Besluit
krediethypotheek bijstand, red.] nadere voorwaarden
gesteld aangaande de financiële verplichtingen en de
afwikkeling daarvan.
rblz.|1 66
Vijfde lid
Het derde en vierde lid zijn niet van
toepassing ten aanzien van aan de zelfstandige verstrekte bijstand ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. In dit geval kan een beoordeling
omtrent de resterende verplichtingen eerst na afloop van het boekjaar
plaatsvinden. De afwikkeling van een op grond van artikel
23, eerste lid,
aan een zelfstandige verstrekte lening vindt plaats
overeenkomstig het tweede en derde lid van dat artikel.
Artikel 78
[72]
In de slotzin van het bestaande artikel 5, vijfde lid,
van de ABW is bepaald dat op verzoek van de echtelieden of één van hen de bijstand aan ieder voor de helft wordt uitbetaald. In dit
wetsvoorstel is ervoor gekozen deze gesplitste uitbetaling voor wat de algemene
bijstand betreft regel te doen zijn, hetgeen impliceert dat daar
niet eerst een expliciet verzoek van betrokkenen aan vooraf behoeft te
gaan. Indien de uitbetaling van de gehele gezinsuitkering geschiedt aan
één van de echtgenoten, dient evenwel, blijkens een gezamenlijk
verzoek daartoe, duidelijk te zijn dat de andere echtgenoot hiermee
instemt. Op deze wijze wordt consequent inhoud gegeven aan het
uitgangspunt dat beide echtgenoten in gelijke mate aanspraak op de
gezinsbijstand hebben. Uit de redactie van het artikel volgt dat indien één der
echtgenoten geen recht op bijstand heeft, met name vanwege een
uitsluitingsgrond, de uitbetaling geschiedt aan de rechthebbende echtgenoot.
Er is geen aanleiding het voorschrift tot gesplitste
uitbetaling mede betrekking te doen hebben op bijzondere bijstand. Gezien
het karakter van de bijzondere bijstand als voorziening in bepaalde
specifieke kosten ligt het voor de hand dat deze wordt uitbetaald aan de
persoon voor wie hij is bestemd, dat wil zeggen de persoon op wie de betreffende
bijzondere kosten betrekking hebben.
Artikel 79
[73]
Met dit artikel wordt beoogd ten aanzien van het
tijdstip van de betaling van de algemene bijstand tot landelijke
uniformering te komen. Daarbij is aangesloten bij de betaalwijze die, zowel bij
lonen als uitkeringen, het meest gebruikelijk is, namelijk betaling aan
het einde van de kalendermaand. Met de aanduiding "aan het einde van de
kalendermaand" wordt niet gedoeld op de allerlaatste dag van de
maand; het ontmoet geen bezwaar wanneer de betalingshandeling uit praktisch
oogpunt wordt gespreid over enkele dagen aan het einde
van elke maand, zulks ter nadere bepaling door burgemeester en
wethouders.
Hoewel de voorgestelde betaalwijze ook in het kader van
de bijstandverlening inmiddels de meest gebruikte is, komen er in
bepaalde
gemeenten nog afwijkende systemen voor, zoals
vooruitbetaling en betaling per week. Invoering van deze uniforme regeling,
waarmee de Commissie Sociale Voorzieningen van de SER
in haar
slotadvies instemming heeft betuigd, heeft naast stroomlijning van
de uitvoeringspraktijk met name het voordeel dat bij betaling aan het
eind van de maand rekening kan worden gehouden met eventuele overige
inkomsten die in diezelfde maand worden ontvangen. Dit leidt tot
een zuivere toepassing van het complementariteitsbeginsel van de Abw, doordat de aanvulling van de bijstand op andere inkomsten zo
rechtstreeks in de betaalwijze tot uiting komt.
In individuele gevallen kan, om verschillende
redenen,
een maandelijks betalingsritme onwenselijk zijn. De belanghebbende kan
bijvoorbeeld gewend zijn aan een wekelijks ontvangen inkomen en het
bestedingspatroon daarop hebben afgestemd. Een maandelijkse
uitbetaling brengt de rblz.|1 67
noodzaak mee de in één keer ontvangen inkomsten te
spreiden over een langere periode. Als dat voor de belanghebbende
problematisch is, bijvoorbeeld omdat hij onvoldoende overzicht heeft over
zijn inkomsten en uitgaven, kan een maandelijks betalingsritme tot
financiële moeilijkheden leiden. Het is inherent aan de Abw dat dan ook ten
aanzien van de betaalwijze maatwerk kan worden geleverd door een
afwijkende betaling van de bijstand. Het tweede lid biedt daartoe
de bevoegdheid aan burgemeester en wethouders. Het moge duidelijk zijn
dat als de gemeente op grond van individuele omstandigheden afwijkt
van het maandelijkse betalingsritme, zij vrij is in het kiezen
van een ander ritme. Het tweede lid biedt ook de mogelijkheid om, ter
voorkoming dat iemand in financiële moeilijkheden geraakt, bijvoorbeeld
wekelijks een bedrag voor de dagelijkse levensbehoeften uit te betalen en
eens per maand voor vaste lasten. Uiteraard dient daarbij wel bij de
van toepassing zijnde bijstandsnorm te worden aangesloten. In voorkomende
gevallen waarin zich bestedingsmoeilijkheden voordoen, kan er aanleiding
zijn een stap verder te gaan, doordat de gemeente in naam van de
belanghebbende uit diens bijstandsuitkering bepaalde noodzakelijke betalingen, zoals de huur en de energierekening, verricht. Met name ter
verbetering van de mogelijkheden tot schuldpreventie is hieromtrent in
artikel 116 [109] een afzonderlijke bepaling opgenomen.
Wat betreft de vakantietoeslag blijft uitbetaling in de
maand juni het uitgangspunt (derde lid).
Eerdere uitbetaling zal plaatsvinden indien de algemene
bijstand tussentijds wordt beëindigd, bijvoorbeeld wegens
aanvaarding van arbeid in loondienst. De tussenvoeging "voor zover niet reeds
eerder betaald" ziet mede op de bijzondere gevallen waarin, gelet op de
omstandigheden van persoon en gezin, is besloten de opgebouwde
vakantie-uitkering eerder dan in de maand juni geheel of gedeeltelijk uit
te betalen. Op die wijze kan aan een uitdrukkelijk verzoek van de
betrokkene voor een eerdere uitbetaling, bijvoorbeeld in verband met een
bepaalde aanschaffing, zo nodig worden voldaan.
Artikel 80
[74]
De bestaande wet voorziet niet in een algemene
mogelijkheid tot voorschotverlening. In de uitvoeringspraktijk evenwel is
het vrij algemeen gebruikelijk geworden dat
gemeenten uit eigen middelen
voorschotten op de naar verwachting toe te kennen bijstand
verstrekken.
Teneinde aan de in de praktijk kennelijk bestaande
behoefte aan een voorschotmogelijkheid tegemoet te komen, is in dit
artikel aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om, zonder
voorafgaand onderzoek, gedurende ten hoogste één maand
algemene bijstand bij wijze van voorschot te verlenen wanneer dit
noodzakelijk is. Met name kan hiermee worden voorzien in situaties waarin sprake
is van een zodanig financiële nood dat de beslissing op de
aanvraag in redelijkheid niet kan worden afgewacht. Beoogd is dus dat van de
voorschotmogelijkheid slechts gebruikt wordt gemaakt indien de
individuele omstandigheden in een concreet geval daartoe aanleiding geven.
Uiteraard is voorschotverlening niet op zijn plaats indien reeds
aanstonds kan worden vastgesteld dat de betrokkene geen recht op bijstand
heeft. Tegen het geen toepassing geven door burgemeester en wethouders
aan dit artikel staat voor de belanghebbende geen
administratiefrechtelijke voorziening open. Het artikel is namelijk geplaatst op de bij
artikel 8.1.1.6 [8:5] van de voorgestelde Algemene wet bestuursrecht
(Kamerstukken I 1991-1992, 21
221, nr. 174) behorende negatieve lijst. Wel kan de
belanghebbende zich tot de voorzitter van gedeputeerde staten wenden met
het
verzoek tot onverwijlde bijstandverlening. Dit is geregeld in artikel 149
[140].
rblz.|1 68
De geboden mogelijkheid tot voorschotverlening kent een
beperking in duur die zoveel mogelijk aansluit bij de in artikel 75 [68+70]
opgenomen termijnen waarbinnen door burgemeester en wethouders een
beslissing op de aanvraag dient te worden genomen. Als regel
betekent dit een voorschot gedurende ten hoogste één maand. Indien
burgemeester en wethouders op grond van het ontbreken van voldoende
gegevens zich genoodzaakt zien de beslistermijn te verlengen, kan ingevolge het
tweede lid over die langere periode van ten hoogste twee
maanden een voorschot worden verleend. Voor wat de zelfstandige
betreft, kan de voorschottermijn, in aansluiting bij artikel 75 [68+70], derde
lid, ten hoogste drie maanden belopen en geldt dat deze uitsluitend in
combinatie met artikel 23 kan worden toegepast, dat wil zeggen: het voorschot
heeft dan voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in
maandelijkse termijnen wordt uitbetaald en het kan geen betrekking
hebben op bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal.
Uit het voorschotkarakter volgt dat deze voorlopige
bijstandverlening tot een korte periode beperkt dient te blijven. Er is
immers nog geen volledige zekerheid omtrent het recht op en de hoogte
van de bijstand. Dit betekent dat wanneer met toepassing van het vierde
of zevende lid van artikel 75 [68+70]
de termijn waarbinnen als regel een
beslissing dient te zijn genomen, wordt verlengd, de voorschotverstrekking zich
niet over die langere periode kan uitstrekken. Het ligt voor de hand dat burgemeester
en wethouders voor de gevallen van acute geldnood
waarvoor de voorschotmogelijkheid bedoeld is de behandeltermijn
zodanig bekorten dat de toepasselijke voorschottermijn niet wordt
overschreden. Wanneer niettemin in een situatie van overmacht, met name
wanneer een calamiteit tot een opeenhoping van aanvragen leidt, het
onderzoek naar bepaalde aanvragen niet binnen de voorschottermijn kan
zijn afgerond, ligt het voor de hand dat de betrokken gemeente contact
opneemt met de rijksconsulent sociale zekerheid teneinde in overleg
met hem een oplossing te zoeken.
Artikel 10 [9], eerste lid, van de bestaande wet, dat
bepaalt dat zo nodig zonder voorafgaand onderzoek terstond bijstand wordt
verleend voor de kosten van verblijf in een psychiatrische inrichting of
een andere inrichting ter voorkoming van een schadelijke
onderbreking van het verblijf aldaar of een onverantwoord uitstel van de opneming, is
niet opnieuw opgenomen.
Het voorontwerp bevatte in artikel 78 [72], derde lid, nog
wel een dergelijke bepaling. Naar aanleiding van het voorontwerp is uit
signalen uit de uitvoeringspraktijk duidelijk geworden dat een
dergelijke bepaling thans geen reële betekenis meer heeft; indien in dergelijke
gevallen bijstand wordt verleend, hetgeen slechts sporadisch het geval is,
geschiedt dit achteraf aan de hand van een door de inrichting
verstrekte kostenopgave.
De op grond van het eerste, tweede en derde lid bij
wijze van voorschot verleende algemene bijstand kan door de
gemeenten bij het Rijk worden gedeclareerd; dit geldt ook als dergelijke
voorschotten niet gevolgd worden door een toewijzende beslissing op de
aanvraag. Is een voorschot verleend op bijzondere bijstandverlening, dan
zijn de kosten van dat voorschot overeenkomstig de financieringswijze
van de bijzondere bijstand uiteraard voor rekening van de gemeente.
In artikel 86 [80] is ten aanzien van de op grond van artikel
80 [74] verleende voorschotten een terugvorderingsbepaling opgenomen.
Terugvordering is aan de orde voor zover burgemeester en wethouders na
onderzoek vaststellen dat over de betrokken periode geen recht op
bijstand bestond.
rblz.|1 69
Artikel 81
[75]
Dit artikel komt overeen met artikel
84g van de
bestaande ABW. Voor zover met betrekking tot de periode waarover de
bedrijfsvereniging een op grond van de Werkloosheidswet of de
Toeslagenwet
onverschuldigd verleend voorschot terugvordert bijstand wordt
verleend, kan deze krachtens dit artikel ter verrekening met dat voorschot
worden betaald aan de bedrijfsvereniging. In overeenstemming met
soortgelijke verrekeningsbepalingen in de Werkloosheidswet en de Toeslagenwet kan op
grond van dit artikel betaling aan de bedrijfsvereniging
van de te verrekenen bijstand plaatsvinden zonder machtiging van de bijstandsgerechtigde.
Artikel 82
[76]
In dit artikel is de doorbetaling van de algemene
bijstand in geval van overlijden geregeld. In navolging van andere wetten op
het terrein van de sociale zekerheid is de nu nog ontbrekende situatie
geregeld van uitbetaling van de bijstand bij overlijden van de
alleenstaande ouder aan het kind of de kinderen in de zin van deze
wet. Tevens is de
aanbeveling uit het afrondend advies van de Commissie Sociale
Voorzieningen van de SER overgenomen om een overlijdensuitkering toe te
kennen aan de alleenstaande ouder van wie het laatste tot zijn last
komende kind komt te overlijden. Ook deze alleenstaande ouder, die als
gevolg van het overlijden van dat kind terugvalt naar de bijstandsnorm
voor een alleenstaande, bevindt zich in een situatie waarvoor de
overlijdensuitkering bestemd is; een situatie namelijk waarin het van belang
is dat een zekere geleidelijkheid in acht wordt genomen bij de aanpassing
aan de veranderde omstandigheden.
Het artikel houdt overigens niet in dat de ten tijde van
het overlijden door de belanghebbende daadwerkelijk ontvangen
bijstandsuitkering ongewijzigd wordt voortgezet. Bepaald is immers dat de
op dat tijdstip van toepassing zijnde bijstandsnorm blijft gehandhaafd.
Dit impliceert dat eventuele inkomsten aan die bijstandsnorm worden
getoetst en dus niet aan de bijstandsnorm die zou hebben gegolden indien
artikel 82 [76] niet van toepassing zou zijn geweest.
Artikel 83
[77]
In dit artikel is aangesloten bij de Wet houdende een
algemene regeling van beslag op loon, sociale uitkeringen en
andere periodieke betalingen (Stb. 1990, 605), waardoor in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering de mogelijkheid is geopend om binnen
bepaalde grenzen beslag te leggen op algemene bijstand. Beslag op
bijstand is slechts geldig voor zover de betrokkene ten minste
blijft beschikken over 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm
(de beslagvrije voet). Daarbij is een beslagverbod gehandhaafd voor
bijzondere bijstand. Vrij van beslag zijn ook het bedrag van de eventueel ten
laste van betrokkene blijvende ziektekostenverzekering en, tot een
bepaald maximum, de woonkosten voor zover deze na vermindering
met ontvangen huursubsidie of woonkostentoeslag meer
bedragen dan het maximumbedrag van de huur dat in de laagste
inkomenscategorie overeenkomstig de Wet individuele huursubsidie voor
eigen rekening komt.
Aangezien verstrekte bijstand dient ter voorziening in
de noodzakelijke kosten van het bestaan, dient deze niet vatbaar te zijn
voor vervreemding of verpanding. Dit is reeds geregeld in het bestaande
artikel 84b. Waar het voorgestelde artikel overigens redactioneel van
artikel 84b afwijkt, is daarmee geen inhoudelijke wijziging beoogd.
rblz.|1 70
Artikelen 84 tot en met 112
[78-105]
Deze artikelen sluiten aan bij het voorstel van wet
houdende een nieuwe regeling voor terugvordering en verhaal van
kosten van bijstand (Kamerstukken I 1990-1991, 20 598, nr. 79). Inpassing
in de nieuwe Abw heeft enkele aanpassingen van ondergeschikt belang
noodzakelijk gemaakt. Nieuw is artikel 86 [80] inzake de terugvordering
van voorschotten, dat verband houdt met de in artikel 80 [74]
geopende
mogelijkheid van voorschotverlening. Artikel 87 [81]
is, vanwege de samenhang
met artikel 14, in vergelijking tot genoemd voorstel opnieuw
geformuleerd.
Naar verwachting zal wetsvoorstel 20 598 in 1992 in
werking treden. De regeling zal twee jaar na inwerkingtreding
worden geëvalueerd, waarbij de werking en de gevolgen voor de
uitvoering (waaronder de werklast voor de
gemeenten) nader worden
bezien.
Inmiddels is op dat wetsvoorstel een novelle ingediend.
Deze novelle (Kamerstukken I 1991-1992, 22 379) bevat bij wijze van
overgangsrecht voor wat betreft de onderhoudsplicht een
verhaalsduurbeperking tot uiterlijk twaalf jaar voor die gevallen waarin de
echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed is uitgesproken vóór de datum waarop het
wetsvoorstel tot limitering van de alimentatieduur na scheiding (Kamerstukken
I 1988-1989, nr. 70c) in werking treedt. Voor de gevallen die onder deze
overgangsregel vallen, eindigt dus de verhaalsplicht van de gemeente na
uiterlijk twaalf jaar, ondanks dat er op grond van het burgerlijk recht nog wel
een onderhoudsplicht kan bestaan. Voor de nieuwe gevallen blijft
nadrukkelijk de aansluiting bestaan op de inhoud van het genoemde
limiteringsvoorstel. De verhaalsnovelle zal gelijktijdig in werking treden
met wetsvoorstel 20 598.
Artikel 84
[78]
In het eerste lid is de algemene verplichting tot
terugvordering opgenomen. Deze verplichting geldt voor alle in deze
paragraaf genoemde gevallen.
Teneinde de algemeen gebruikelijke wijze van vertekening
van inkomsten niet te laten doorkruisen door de
terugvorderingsbepalingen, is in het tweede lid opgenomen dat het in aanmerking
nemen van over de voorafgaande maand opgegeven middelen niet als
terugvordering wordt beschouwd.
Het derde lid maakt een uitzondering mogelijk op de in
het eerste lid omschreven verplichting. Gezien de omstandigheden van
persoon en gezin kunnen er dringende redenen zijn om geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Indien terugvordering te
ernstige gevolgen voor de betrokkene of de gezinssituatie zou kunnen hebben,
dient toepassing van dit artikellid te worden overwogen. De vraag wat
dringende redenen in de zin van deze wet zijn om van terugvordering af te
zien, kan moeilijk in zijn algemeenheid worden beantwoord. Bij dringende
redenen is niet primair of uitsluitend gedacht aan financiële redenen.
De redactie van het derde lid laat ruimte voor het meewegen van zowel
financiële als niet-financiële omstandigheden. Nadrukkelijk geldt dat
steeds van geval tot geval aan de hand van alle omstandigheden de
situatie van de betrokkene moet worden beoordeeld. Dit artikellid strekt
er dus niet toe om een algemene of categoriale mogelijkheid te bieden om
van terugvordering af te zien. Ingevolge het vierde lid blijft
terugvordering beperkt tot de gevallen in deze paragraaf aangegeven. Voor
terugvordering dient van de voorgeschreven procedure gebruik te worden gemaakt.
Deze bepaling voorkomt onder meer dat kosten van bijstand die
hangende een rblz.|1 71
beroepsprocedure is verleend alsnog moeten worden
teruggevorderd indien in beroep geen of lagere bijstand wordt
toegekend.
Artikel 85
[79]
Dit artikel sluit aan bij het beginsel van de
gezinsbijstand. Indien ingevolge artikel 13, vierde lid, aan een gezinslid
afzonderlijk bijstand wordt verleend, kan de inzet van de middelen van de
overige leden van het gezin pas naderhand aan de orde komen. Het verschil
tussen de werkelijk verleende bijstand en de bijstand die zonder
die toepassing als gezinsbijstand zou zijn verleend, wordt dan
teruggevorderd naar de mate waarin met de middelen van die gezinsleden bij de
verlening van gezinsbijstand rekening zou zijn gehouden. Uit de tekst van
het artikel blijkt dat de toepassing ervan beperkt is tot gevallen waarin de
betrokken persoon tot het gezinsverband behoort en blijft behoren. Bij de
toepassing van dit artikel gaat het niet om gevallen waarin sprake is van
een verbroken gezinsverband. Is geen gezinsverband (meer) aanwezig,
dan gelden de regels voor verhaal, voor zover de wettelijke
onderhoudsplicht niet wordt nagekomen. De terugontvangst van verstrekte
voorschotten of een gedeelte daarvan dient door burgemeester en wethouders
te worden verantwoord in de voorlopige kostenopgave van het
kwartaal waarin de terugontvangst heeft plaatsgevonden.
Artikel 86
[80]
Dit artikel regelt de terugvordering indien bijstand is
verleend op grond van artikel 80 [74] van de
wet. Een drietal situaties laat
zich onderscheiden. De eerste situatie betreft het geval waarin na onderzoek
blijkt dat over de periode waarover een voorschot is verleend inderdaad
recht op bijstand bestaat. In de toekenningsbeschikking zal dit tot
uitdrukking worden gebracht, waarmee aan de reeds verleende bijstand het
voorschotkarakter wordt ontnomen. Het is ook mogelijk dat na
onderzoek blijkt dat alleen over de aansluitende periode recht op bijstand
bestaat. Ingevolge dit artikel dient dan terugvordering plaats te vinden.
Op deze terugvordering zijn in dat geval ook de overige artikelen van
deze afdeling van toepassing. Verrekening met de te verlenen bijstand is dan mogelijk.
De derde situatie betreft het geval waarin na onderzoek in het
geheel geen recht op bijstand blijkt te bestaan, noch over de betrokken
periode, noch over de aansluitende periode. Burgemeester en wethouders
dienen dan het verleende voorschot terug te vorderen met inachtneming
van de regels in de terugvorderingsparagraaf. Verrekening met een
bijstandsuitkering is dan evenwel niet mogelijk. Ingeval de belanghebbende
weigert terug te betalen, zal de gemeente een verzoekschrift tot nakoming
van een beschikking tot terugvordering moeten indienen bij de kantonrechter.
Artikel 87
[81]
Dit artikel betreft situaties waarin degene die
bijstand ontvangt op enigerlei wijze tekort is geschoten in hetgeen van hem
mag worden verwacht. Terugvordering van de bijstand is dan
verantwoord voor zover door de handelwijze of gedragingen van de betrokkene ten
onrechte of te veel bijstand is uitgekeerd.
Ook indien een gemeente zonder dat sprake is van
één
van de in het eerste lid genoemde situaties bijstand ten onrechte of
tot een te hoog bedrag heeft verleend en de betrokkene dit
redelijkerwijs had kunnen begrijpen, wordt terugvordering van hetgeen onnodig of
te veel is uitgekeerd verantwoord geacht. Dit is geregeld in het tweede
lid. Het gaat hierbij vooral om administratieve vergissingen die bij
de toekenning of uitbetaling van de bijstand zijn begaan.
rblz.|1 72
Artikel 88
[82]
Dit artikel geeft een terugvorderingsgrond indien
bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk
nog niet of niet volledig kan worden beschikt, bijvoorbeeld vanwege een
met terugwerkende kracht toegekende uitkering of een aandeel in een
onverdeelde boedel. Dan kan gedurende enige tijd bijstand nodig
zijn. Zodra over die middelen kan worden beschikt - in dit verband kan
eventueel ook een verplichting aan de bijstand worden verbonden -, dient
uiteraard tot terugvordering te worden overgegaan. Indien met een
bepaalde bestemming bijstand is verleend en over de
bijstandsperiode achteraf gelden worden ontvangen met het oog op die bestemming,
is dit evenzeer reden om naderhand tot terugvordering over te
gaan. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om een belastingteruggave op
grond van kosten waarvoor bijstand is verleend.
Artikel 89
[83]
In hoofdstuk III betreffende de vorm van de bijstand is
geregeld dat de bijstand in bepaalde gevallen kan worden verleend in de
vorm van een geldlening of borgtocht. Uitgangspunt is dat de bijstand
die verstrekt is als geldlening of die is verleend als gevolg van
borgtocht dient te worden terugbetaald. Dat ligt in deze vormen van bijstand
besloten. Is de bijstand als geldlening verstrekt, dan is er aanleiding
voor directe terugvordering indien blijkt dat de betrokkene zijn verplichtingen niet of niet
behoorlijk nakomt. Hiervoor geldt dezelfde procedure als
voor andere gevallen van terugvordering.
Welke verplichtingen de betrokkene precies heeft, hangt
af van de condities waaronder de lening is verstrekt. Normaliter
zal in de bijstandsbeschikking zijn bepaald met welke bedragen de lening
dient te worden terugbetaald. Bij het verstrekken van bedrijfskapitaal
is een rentebeding gebruikelijk en ligt het bovendien voor de hand dat een
schriftelijke schuldbetekenis wordt opgesteld waarin de voorwaarden
en de wijze van terugbetaling worden vermeld.
In verband met de toepassing van dit artikel is van
belang dat, overeenkomstig artikel 77 [66], regelmatig wordt nagegaan of
de betrokkene zijn verplichtingen nakomt, c.q. of wijzigingen in diens
omstandigheden tot uitstel of herziening van de terugbetaling
aanleiding kunnen geven. Indien de gemeente uitstel van betaling verleent, is dat
uiteraard mede van invloed op het tijdstip van de hier bedoelde
terugvordering.
Artikel 90
[84]
Ten aanzien van gehuwden, degenen die een gezamenlijke huishouding voeren daaronder begrepen, wordt de bijstand
overeenkomstig artikel 13, tweede lid, als gezinsbijstand
verleend en derhalve als één geheel vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden
met de middelen van de tot het gezin behorende personen. Dit laatste dient op
overeenkomstige wijze te geschieden indien met
betrekking tot verleende gezinsbijstand terugvordering aan de orde is. De
terugvordering is dan niet alleen gericht op de persoon aan wie de bijstand is
betaald, maar tevens op de personen die in de gezinsbijstand zijn
begrepen.
Het tweede lid biedt de mogelijkheid om, indien het
voeren van een gezamenlijke huishouding niet of niet tijdig aan de gemeente
is gemeld, kosten van bijstand mede terug te vorderen van de
partner van de betrokkene. Het betreft gevallen waarin bijstand is
verleend, maar geen of onvoldoende inlichtingen omtrent het voeren van een
gezamenlijke huishouding zijn verschaft, c.q. de wettelijke
informatieplicht niet of niet rblz.|1 73
behoorlijk is nagekomen, met als gevolg dat bij de bijstandverlening geen rekening kon worden gehouden met de middelen van
deze partner, waardoor de bijstand geheel of gedeeltelijk ten onrechte
verleend kan zijn.
Terugvordering van de betrokkene die de bijstand heeft
ontvangen, geschiedt ingevolge artikel 87 [81]. Daarnaast wordt het
verantwoord geacht dat de terugvordering zich mede uitstrekt tot de persoon
met wie een gezamenlijke huishouding wordt of werd gevoerd. Diens
middelen zouden immers bij een juiste toepassing van de
wet in
aanmerking zijn genomen.
Bovendien kan deze persoon geacht worden mede profijt te
hebben gehad van de bijstand welke als gevolg van onjuiste of
onvoldoende inlichtingen omtrent de feitelijke leefsituatie werd
verleend.
Door de verwijzing naar artikel 13 is tevens geregeld
dat schijnverlatingen, waarbij het huwelijk in stand blijft, onder de
werkingssfeer van dit terugvorderingsartikel vallen.
Teneinde het financiële nadeel voor de gemeente zo
beperkt mogelijk te houden, is in het derde lid geregeld dat de in dit
artikel bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de
terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.
Artikel 91
[85]
In dit artikel is bepaald wie over terugvordering van
gemaakte kosten van bijstand beslist. De beslissing berust bij
burgemeester en wethouders van de gemeente die de desbetreffende bijstand heeft
verleend. In artikel 126 [120] is geregeld dat de gemeenteraad burgemeester en
wethouders kan machtigen het nemen van besluiten inzake de verlening
van bijstand op te dragen aan gemeenteambtenaren. Deze machtiging kan
zich ook uitstrekken tot het nemen van besluiten inzake
terugvordering en verhaal.
Het tweede lid regelt dat de terugvordering, indien de
bijstandskosten door een andere gemeente worden vergoed, zo nodig door
die gemeente geschiedt of wordt voortgezet.
Artikel 92
[86]
Het eerste lid bepaalt dat het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen teruggevorderd wordt, alsmede de termijnen
waarbinnen betaling wordt verlangd. In artikel 3.5.2
[3:41] van de voorgestelde Algemene wet bestuursrecht
is reeds opgenomen dat de bekendmaking
van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn
gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Het is dus niet
meer nodig om in de Abw te regelen dat het besluit schriftelijk wordt medegedeeld. Dat
geldt ook als tot verrekening wordt overgegaan,
aangezien dit een bepaalde wijze van terugvorderen is. Het feit dat ter
zake geen expliciete bepaling meer is opgenomen, brengt geen verandering in
het uitgangspunt dat de betrokkene behoort te weten op welke
gronden de gemeente tot terugvordering overgaat en welke
mogelijkheden hem ten dienste staan indien hij het niet eens is met de
beslissing.
Uitgangspunt voor de terugvordering is dat de kosten
volledig worden terugbetaald. Is terugbetaling ineens, bijvoorbeeld uit
vermogen, niet mogelijk, dan zal betaling in maandelijkse termijnen
kunnen geschieden. Indien de omstandigheden van de betrokkene zich
naderhand wijzigen, dient herziening van het besluit mogelijk te zijn,
bijvoorbeeld door het herzien van de termijnen van terugbetaling. De
betrokkene kan een verzoek daartoe bij de gemeente indienen.
Op grond van het derde lid is de betrokkene verplicht de
inlichtingen te verstrekken die met het oog op de terugvordering van
belang zijn.
rblz.|1 74
Artikel 93
[-]
Indien de betrokkene bijstand ontvangt, zal betaling van
de terug te vorderen bedragen veelal niet ineens kunnen
plaatsvinden. De gemeente is dan aangewezen op verrekening daarvan met nog te
verstrekken bijstandsuitkeringen. Deze verrekening kan niet verder
strekken dan de grenzen die in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering worden gesteld voor het beslag op uitkeringen. Door aan te
sluiten bij de beslagvrije voet in genoemd wetboek van
90% van de van
toepassing zijnde bijstandsnorm wordt bereikt dat de betrokkene de
beschikking blijft houden over een in de gegeven omstandigheden
nog aanvaardbaar te achten inkomen. Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 83 [77].
Overigens is verrekening niet in tijdsduur beperkt. Bij
een eventuele samenloop met verplichte aflossingsbedragen in verband
met leenbijstand kan de verrekening over die periode zo nodig
tijdelijk minder dan 10% van het normbedrag bedragen. Aangezien
verrekening een effectuering van de terugvordering is, dient ter zake
overeenkomstig artikel 92 [86] een beschikking te worden genomen waarin de
te verrekenen bedragen worden vermeld.
Het wordt met het oog op de rechtszekerheid wenselijk
geacht dat niet tot feitelijke verrekening wordt overgegaan gedurende de
termijn waarbinnen de betrokkene een bezwaarschrift kan indienen
tegen het besluit tot terugvordering.
In het derde lid is de mogelijkheid geregeld van
verrekening door de bijstandverlenende gemeente ten behoeve van de
terugvorderende gemeente.
Artikel 94
[87]
De bestaande termijn van vijf
jaar waarbinnen thans
verhaal moet worden uitgeoefend, is in dit artikel overgenomen. Deze
termijn geldt ten aanzien van de terugvordering als de kosten van bijstand
meer dan vijf jaar geleden zijn gemaakt. De termijn geldt niet voor de
gevallen, genoemd in artikel 88 [82], omdat met het realiseren van
aanspraken op middelen in die gevallen, bijvoorbeeld bij het
deelgerechtigd zijn in een onverdeelde boedel, soms lange tijd gemoeid kan zijn. In
dat geval is er onvoldoende reden de genoemde vervaltermijn te hanteren.
Ook bij terugvordering van bijstand die verleend is in de vorm
van een geldlening of borgtocht (artikel 89 [83]) kan, gezien de veelal lange
looptijd van leningen, geen vervaltermijn gelden.
Het tweede lid bevat een termijn van twee jaar voor het
geval de gemeente te veel bijstand of ten onrechte bijstand heeft
verleend en de betrokkene dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
In deze gevallen wordt een kortere vervaltermijn van
twee jaar redelijk geacht.
De termijnen gelden niet ten aanzien van de
tenuitvoerlegging van de terugvorderingsbesluiten. Een termijn waarbinnen de
tenuitvoerlegging, zo nodig na rechterlijke tussenkomst, moet hebben
plaatsgevonden, is niet wenselijk.
Artikel 95
[88]
Besluiten tot terugvordering dienen ten uitvoer gelegd
te kunnen worden als de betrokkene weigert aan terugbetaling mee
te werken. Daartoe is rechterlijke tussenkomst nodig. Het wordt
wenselijk geacht dat hiervoor in alle gevallen gebruik wordt gemaakt van
een eenvoudige gerechtelijke procedure. Ongeacht de hoogte van de
vordering is in alle gevallen de kantonrechter bevoegd.
rblz.|1 75
Artikel 97
[90]
Gemaakte kosten van bijstand omvatten mede de daarover
verschuldigde loonbelasting en premies ingevolge de socialezekerheidswetten. In het bestaande artikel 47b, tweede lid, is dit
vastgesteld in het kader van de vergoeding van kosten van bijstand. Een
soortgelijke bepaling in deze paragraaf is nodig om duidelijk aan te geven op
welke kosten de terugvordering betrekking heeft. Aangezien de gemeente
ook loonbelasting en premies heeft afgedragen over de ontvangen
alimentatie, dienen ook deze te worden teruggevorderd als blijkt dat
de betrokkene ten onrechte bijstand heeft ontvangen.
Terugvordering van over de bijstand afgedragen belasting
en premies blijft achterwege voor zover deze belasting en premies
door de gemeente verrekend kunnen worden met de belastingdienst
en de bedrijfsvereniging.
Artikel 98
[91]
Dit artikel regelt het executoriaal beslag op loon,
sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen. Aan de gemeente
komt voor
beslag onder derden een gelijke positie toe als aan de raad voor de
kinderbescherming bij de tenuitvoerlegging van een alimentatiebeslissing.
Artikel 99
[92]
Dit artikel bevat voor het verhaal dezelfde bepalingen
als in artikel 84 [78] zijn opgenomen met betrekking tot de verplichting tot
terugvordering en de bevoegdheid daarvan af te wijken wegens dringende
redenen. De strekking van de leden van het artikel is gelijk aan de
leden van artikel 84 [78]. De verhaalsverplichting voor de
gemeente gaat
ingevolge het tweede lid niet zover dat onder alle omstandigheden en tot de
uiterste grens moet worden verhaald. Heeft de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsplicht soortgelijke bijzondere omstandigheden als
bedoeld in het tweede lid reeds meegewogen, dan zal er in het algemeen
voor de gemeente geen grond zijn dat lid toe te passen.
Artikel 100
[93]
In dit artikel wordt het verhaal op onderhoudsplichtigen
geregeld. Beslissend is of een burgerrechtelijke onderhoudsplicht
niet of niet behoorlijk wordt nagekomen. Het te verhalen bedrag mag
de grens van de wettelijke onderhoudsplicht als aangegeven in Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek niet overschrijden. Die grens wordt
bepaald door de maatstaven die in artikel 397 van dat boek worden
genoemd.
Onderdeel a heeft het oog op situaties waarin het
gezinsverband niet of niet meer aanwezig is tussen echtgenoten onderling,
dan wel tussen ouders en hun minderjarige kinderen. Van verbreking van
het gezinsverband is bijvoorbeeld sprake als een gehuwde man zijn
gezin (vrouw en/of minderjarige kinderen) heeft verlaten en het
achtergebleven gezin op bijstand is aangewezen. Of indien het een
minderjarige betreft die wegens een ernstige conflictsituatie het ouderlijk
huis
heeft verlaten en voor wie bijstand noodzakelijk is. In de hier bedoelde
gevallen komt de onderhoudsplicht via verhaal tot uiting. Komt de
betrokkene zijn onderhoudsplicht in voldoende mate na, dan is er geen reden
voor verhaal.
Onderdeel b betreft verhaal op de gewezen echtgenoot na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed. Bij verhaal dient met mogelijke
onderhoudsaanspraken naar burgerlijk recht rekening te worden gehouden. Met
betrekking tot de rblz.|1 76
alimentatie na echtscheiding wordt in veel gevallen geen
regeling getroffen. Dit betekent niet dat de onderhoudsplicht in
de zin van het Burgerlijk
Wetboek dan ontbreekt en dat verhaal
achterwege zou moeten blijven.
Wellicht ten overvloede zij nog opgemerkt dat de
bepaling in artikel 3, tweede lid, dat de ongehuwd samenwonende mede als gehuwd
of als echtgenoot wordt aangemerkt geen toepassing vindt voor
de artikelen inzake het verhaal van bijstand in hoofdstuk
VII.
Ingevolge het Burgerlijk Wetboek geldt immers geen
onderhoudsverplichting tussen ongehuwd samenwonenden.
Artikel 102
[95]
Niet altijd is met betrekking tot de
onderhoudsverplichtingen door de rechter een uitspraak gedaan. Wordt in die gevallen een
bestaande onderhoudsplicht in de zin van het Burgerlijk
Wetboek niet nagekomen, dan zal de gemeente
verhaal moeten uitoefenen en onder
meer van de (gewezen) echtgenoot een bijdrage naar draagkracht
verlangen.
Voor de berekening van het te verhalen bedrag zal de
gemeente zich richten naar de criteria die de rechter hierbij
hanteert. Voor de praktijk zijn in dit verband van belang de zogenoemde
Trema-normen [TREMA: Tijdschrift voor de Rechterlijke Macht, red.], die rechters tot leidraad dienen bij het vaststellen van
bedragen die voor levensonderhoud zijn verschuldigd. Daarbij kunnen ook
andere financiële factoren een rol spelen, met name de wijze waarop de
boedelscheiding wordt geregeld. Ook niet-financiële factoren kunnen van
belang zijn, met name maatstaven en omstandigheden voor de beoordeling
van de aanspraak op een voorziening in het onderhoud en de duur
daarvan.
Artikel 103
[96]
Dit artikel regelt het verhaal bij aanwezigheid van een
rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud als bedoeld in Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek. Hieronder valt ook de voorziening in
de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen,
waaronder stiefkinderen. Voorts is geen uitzondering gemaakt voor het
geval tijdens de echtscheidingsprocedure een voorlopige voorziening tot
levensonderhoud is toegekend.
Indien de rechter na de (echt)scheiding een uitkering
tot levensonderhoud heeft toegekend en hieraan niet wordt voldaan,
is de gemeente bij het verhaal in beginsel aan deze uitspraak gebonden,
zowel wat de hoogte als de duur van de onderhoudsbedragen betreft. In
deze zin oordeelde de Hoge Raad reeds in zijn uitspraken van 10
mei 1974, NJ 1975, 3 en 30 november 1979, NJ 1980, 134. Er is dan
geen reden om de gemeente te verplichten aan de rechter vaststelling van het verhaalsbedrag te verzoeken. De gemeente moet op basis van de
geldende rechterlijke uitspraak ook tot tenuitvoerlegging daarvan
kunnen overgaan. Dat is eveneens in dit artikel geregeld. Eerst dient de
gemeente de betrokkene een aanmaning te zenden. De betrokkene heeft
de mogelijkheid hiertegen in verzet te komen. Dit verzet
kan er niet op gericht zijn de onderhoudsplicht als zodanig opnieuw
door de rechter te laten vaststellen. Daarvoor zal een afzonderlijk verzoek
om herziening bij de rechter moeten worden ingediend. Wel is verzet
mogelijk als het vastgestelde alimentatiebedrag door de gemeente niet
juist in de beschikking is overgenomen, als bepaalde termijnen reeds
zijn betaald e.d. Vervolgens kan, indien niet aan de wettelijke
verplichting wordt voldaan, door de gemeente tot tenuitvoerlegging worden
overgegaan.
Het overnemen door de gemeente van de tenuitvoerlegging
van de oorspronkelijke alimentatie-uitspraak zou tot gevolg
kunnen hebben dat zowel de verhalende gemeente als de
onderhoudsgerechtigde tot rblz.|1 77
executie overgaan. Om dat te voorkomen, is bepaald dat de
gemeente bij uitsluiting van de onderhoudsgerechtigde tot de
invordering bevoegd is.
Voorwaarde voor overneming van de invordering is dat er
een uitvoerbare rechterlijke uitspraak omtrent
levensonderhoud is. Voldoet de onderhoudsplichtige aan de uitspraak en komt hij aldus
zijn onderhoudsplicht na, dan heeft de gemeente geen recht van verhaal.
Artikel 104
[97]
Alimentaties worden in het algemeen jaarlijks van
rechtswege met een bepaald percentage aangepast. Artikel 402a van
Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek geeft de regeling. Om te voorkomen
dat de gemeente ieder jaar na een wijziging van de alimentaties
nieuwe vaststelling van de verhaalsbedragen moet verzoeken,
geldt die regeling ook voor verhaal
Het tweede lid maakt het overeenkomstig artikel
402a,
vijfde lid, van genoemd wetboek mogelijk indexering uit te sluiten, niet
alleen bij de alimentatie-uitspraak, maar ook bij de vaststelling van
het verhaalsbedrag.
Artikel 105
[98]
Het eerste lid geeft de mogelijkheid om wijziging van de
verhaalsuitspraak van de rechter te verzoeken in geval van
gewijzigde omstandigheden.
Het tweede lid betreft de gevallen waarin het mogelijk
is om bij het verhaal af te wijken van een rechterlijke
alimentatie-uitspraak. De gemeente die meent dat daarvoor voldoende grond is, zal
zich tot de rechter moeten wenden en verzoeken het verhaalsbedrag
vast te stellen in afwijking van de oorspronkelijke alimentatie-uitspraak. Wijziging op
verzoek van de gemeente is mogelijk indien de in artikel
401, eerste en tweede lid, van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek genoemde
voorwaarden zijn vervuld. Op grond van dat artikel is
wijziging mogelijk indien de rechterlijke uitspraak door wijziging van
omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen of
indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft
beantwoord doordat van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Dat
de gemeente zich op deze omstandigheden kan beroepen, heeft de Hoge Raad
reeds in de eerdergenoemde uitspraken van 10 mei 1974, NJ 1975, 3, en
30 november 1979, NJ 1980, 134, beslist.
De mogelijkheid voor het verhalend lichaam om zich te
beroepen op voornoemd artikel 401 biedt geen oplossing voor het geval
partijen in onderling overleg een uitspraak hebben uitgelokt die
duidelijk niet voldoet aan de wettelijke maatstaven, terwijl overigens
wel aan de rechter de gegevens zijn verstrekt die voor beoordeling
van de onderhoudsplicht van belang zijn. Omdat de gemeente aan een
rechterlijke alimentatie-uitspraak gebonden is, zouden partijen aldus
door de in de procedure ingenomen positie het verhaalsrecht van de
gemeente kunnen frustreren. De rechter kan immers niet méér toewijzen
dan verzocht is. Daarom is het wenselijk dat de gemeente ook kan
verzoeken het verhaalsbedrag in afwijking van de oorspronkelijke
uitspraak vast te stellen indien de rechter daarbij geen rekening heeft
kunnen houden met de voor de betrokken beslissing in aanmerking komende
gegevens en omstandigheden betreffende beide partijen. Verwacht mag
worden dat het tweede lid mede een preventieve werking zal hebben,
in die zin dat partijen door de rechter of hun raadslieden erop zullen
worden gewezen dat indien het verzochte alimentatiebedrag kennelijk
niet voldoet aan de wettelijke maatstaven, een rechterlijke uitspraak hen
niet vrijwaart van een verhaalsactie.
rblz.|1 78
Artikel 106
[99]
Verhaal van kosten van bijstand in verband met gedane
schenkingen is in de ABW geregeld sinds 1 juli 1971 door invoering van
een toenmalig artikel 59a, welk artikel, behoudens de omzetting van de
verhaalsbevoegdheid in een verhaalsplicht, inhoudelijk
overeenstemt met het nu voorgestelde artikel. Hoewel het begrip schenking niet
nader is omschreven, blijkt uit de geschiedenis van de
totstandkoming van artikel 59a dat aan dit begrip een materiële betekenis moet
worden toegekend, dat wil zeggen iedere bevoordeling uit vrijgevigheid
waardoor de eigen vermogenspositie van de schenker vermindert. Niet
essentieel voor verhaal is derhalve in welke vorm de schenking
plaatsvond. Voor de voorzienbaarheid ten tijde van de schenking van de
noodzaak tot bijstandverlening wordt evenmin als in de
huidige wet
een vaste termijn, bijvoorbeeld van vijf jaar, aangehouden. Die zou ertoe
leiden dat schenkingen, mits vóór de gestelde termijn gedaan, nimmer aanleiding zouden
kunnen geven voor verhaal. Dit verdient geen
aanbeveling. leder is en blijft in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de
voorziening in het bestaan. Het afschuiven van kosten naar de overheid door
het doen van schenkingen wordt ten principale niet aanvaardbaar
geacht. Het eventueel achterwege laten van verhaal behoort in de
hier bedoelde gevallen zorgvuldig te worden overwogen.
Artikel 107
[100]
Ingevolge het eerste lid is ten aanzien van het verhaal
op de nalatenschap een beperking gegeven door het buiten aanmerking
laten van de bedragen die bij leven van de betrokkene werden
vrijgelaten. Dit betreft allereerst het vermogen dat op grond van artikel
57 [52],
eerste lid, niet in aanmerking is genomen; daarbij wordt ervan uitgegaan dat
men vrij is bij leven over het bedrag van dit vermogen te beschikken,
zodat het ook aan de erfgenamen kan worden gelaten. Naast genoemd vermogen
wordt het wenselijk geacht ook het op grond van artikel 59 [54], derde
lid, vrijgelaten vermogen dat is gebonden in de eigen woning van verhaal
op de nalatenschap uit te sluiten. Dit uiteraard voor zover is
voldaan aan de eventuele verplichtingen voortvloeiende uit een krediethypotheek.
Het vorenstaande impliceert dat wel verhaal op de nalatenschap
zal plaatsvinden als het gaat om andere dan voornoemde vrijgelaten
bedragen. Verhaal op de nalatenschap is eveneens wenselijk indien de
betreffende kosten ook bij leven van de betrokkene terugvorderbaar zouden
zijn geweest ingevolge de artikelen 85 [79], 87
[81] en 88 [82], bijvoorbeeld
wanneer eerst na het overlijden blijkt dat onjuiste of onvolledige
inlichtingen werden verstrekt. In een dergelijk geval dient alsnog verhaal plaats te
vinden. Dit is geregeld in het tweede lid.
Bijstand die als geldlening is verstrekt of als gevolg
van borgtocht is verleend, dient steeds op de nalatenschap te worden
verhaald, één en ander voor zover terugbetaling bij leven van de
betrokkene niet is geschied (derde lid). Dit zal zich onder meer kunnen
voordoen als bedrijfskapitaal in de vorm van een geldlening is
verstrekt.
In voorkomende gevallen van kennelijke hardheid kan op
grond van artikel 99 [92], tweede lid, van verhaal op de nalatenschap
worden afgezien.
Artikel 108
[101]
Op grond van de Vreemdelingenwet kunnen aan de
vergunning tot verblijf van een vreemdeling voorschriften worden
verbonden ter meerdere zekerheid voor de kosten die voor de staat en
andere openbare lichamen kunnen voortvloeien uit het verblijf
van de rblz.|1 79
vreemdeling hier te lande. Veelal wordt een dergelijke zekerheidstelling, de
zogenaamde garantverklaring, van een vreemdeling
gevraagd in verband met verblijf bij familieleden of andere bekenden. Is een
garantverklaring afgegeven en blijkt de vreemdeling naderhand niet in
zijn eigen onderhoud te kunnen voorzien, dan behoren de hieruit
voortvloeiende aanspraken in principe door de overheid te worden
geëffectueerd. De aanwezigheid van een garantverklaring in de huidige vorm
heeft blijkens bestaande jurisprudentie niet tot gevolg dat de garant
een rechtstreekse onderhoudsplicht ten aanzien van de vreemdeling heeft,
noch dat de vreemdeling zich in geval van financiële nood steeds
tot de garant dient te wenden. Uit zo'n verklaring blijkt dat de garant zich
verbonden heeft de overheid schadeloos te stellen voor de kosten die
voortvloeien uit het verblijf van de vreemdeling hier te lande. Een actie van
de overheid tegen de garant is gewoonlijk alleen mogelijk door het voeren
van een civiele procedure. In geval van bijstandverlening is de
verhaalsprocedure hiervoor het meest aangewezen.
Artikelen 109
[102] en 110 [103]
Ingevolge artikel 3.5.2
[3:41] van het voorstel voor een
Algemene wet bestuursrecht geschiedt de bekendmaking van besluiten
die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of
uitreiking aan hen; in de artikelen 4.1.4.1 tot en met 4.1.4.6 [3:46-3:50]
van
genoemd wetsvoorstel is de motiveringsplicht bij het nemen van besluiten
geregeld. Deze bepalingen maken het overbodig om in artikel 109 [102], eerste lid, nog langer te regelen dat het besluit tot verhaal
schriftelijk wordt genomen en met redenen omkleed moet zijn.
De betrokkene kan uit eigen beweging besluiten om te
betalen wat de gemeente van hem verlangt. Rechterlijke tussenkomst is
dan niet nodig. Dit is evenmin het geval als in overleg met de gemeente
bij wijziging van omstandigheden nadere afspraken met betrekking tot de
betaling van verhaalsbedragen worden gemaakt, waaraan door de
betrokkene wordt voldaan.
Is een regeling van het verhaal op basis van
vrijwilligheid echter niet mogelijk of stagneert de betaling, dan zal de rechter
moeten worden ingeschakeld. Daartoe dient een verzoekschrift bij de
rechtbank te worden ingediend. Tussenkomst van een procureur is
hierbij niet voorgeschreven. Dit naar analogie met de positie van de raad
voor de kinderbescherming in onderhoudszaken.
Voor de procedure gelden de artikelen 828a en volgende
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, waarin ook de
mogelijkheden van hoger beroep en cassatie zijn aangegeven. De
verhaalsprocedure is niet alleen van toepassing als het verhaal in verband
met onderhoudsverplichtingen betreft, maar eveneens als verhaald wordt op
grond van de artikelen 106 tot en met 108 [99-101].
Artikel 111
[104]
Evenals bij terugvordering is bij verhaal een algemene
vervaltermijn van vijf jaar van kracht.
Artikel 112
[105]
In dit artikel worden de bepalingen uit de
terugvorderingsafdeling met betrekking tot wettelijke voorrang, de
kostendefiniëring en het executoriaal beslag eveneens van toepassing verklaard voor het
verhaal.
rblz.|1 80
Artikel 113
[106]
Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de
bevoegdheid om naast de verplichtingen die op grond van wettelijke
bepalingen aan het recht op bijstand verbonden zijn of daaraan verbonden
dienen te worden, bepaalde verplichtingen op te leggen gericht op
arbeidsinschakeling of vermindering dan wel beëindiging van de bijstand. Door
van deze bevoegdheid gebruik te maken, kunnen burgemeester en
wethouders de feitelijk op te leggen verplichtingen afstemmen op de lokale en regionale
omstandigheden en op de persoonlijke omstandigheden van
de belanghebbende. Hierbij werd reeds stilgestaan in paragraaf
5.7 van
het algemeen deel van deze memorie. Verder biedt dit artikel de
mogelijkheid om behalve de verplichtingen gericht op inschakeling in de
arbeid
ook andere verplichtingen aan de bijstand te verbinden die ertoe
strekken de bijstand te verminderen of beëindigen, zulks in aansluiting bij
het bestaande artikel 3, tweede lid. Een doeltreffend gebruik van deze
mogelijkheid door de gemeente kan een belangrijke bijdrage leveren
tot herstel van de zelfstandige bestaansvoorziening. Met name is dit aan de
orde wanneer bepaalde in de persoon gelegen problemen hieraan in de
weg staan, zoals bij psychische moeilijkheden of verslavingsproblemen. Een actieve,
zo nodig bemiddelende, opstelling van de gemeente om
dergelijke factoren, indien mogelijk, door inschakeling van professionele hulp weg
te nemen, is zeer gewenst. In dit verband biedt het
artikel de mogelijkheid dat burgemeester en wethouders indien zij
dit noodzakelijk achten voor een herstel van de zelfstandige
bestaansvoorziening van de belanghebbende, aan de bijstand de verplichting
verbinden dat de belanghebbende een medische behandeling ondergaat; onder
een medische behandeling wordt in dit verband mede verstaan
enigerlei vorm van professionele hulp die naar zijn aard met een
medische behandeling kan worden vergeleken.
De zorgvuldigheid vergt dat burgemeester en wethouders,
alvorens een dergelijke verplichting op te leggen, het deskundig
advies inwinnen van een arts.
Indien de belanghebbende de inschakeling in de arbeid
vormgeeft door uitoefening van een eigen bedrijf of zelfstandig
beroep, kunnen de bijstand en de daaraan te verbinden verplichtingen
hierop worden afgestemd wanneer langs deze weg inderdaad sprake is
van een reëel perspectief op herstel van de zelfstandige
bestaansvoorziening. Het dient derhalve te gaan om een naar verwachting levensvatbaar
bedrijf of beroep. In alle overige gevallen wordt ervan uitgegaan
dat herstel van de zelfstandige bestaansvoorziening uiteindelijk alleen
mogelijk is door middel van arbeid in dienstbetrekking.
Uit de tekst van het artikel vloeit voort dat naast de
verplichtingen die ingevolge de wet aan de bijstand zijn verbonden of
daaraan door burgemeester en wethouders dienen te worden verbonden, alleen
verplichtingen die zijn gericht op arbeidsinschakeling of die
verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die
tot de vermindering of beëindiging van de bijstand strekken,
geoorloofd zijn.
Artikel 114
[107]
Eerste lid
Op grond van dit artikellid hebben
burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in het individuele geval
één of meer verplichtingen niet aan de bijstand te verbinden of
daarvan tijdelijk ontheffing te verlenen wanneer daartoe naar hun oordeel
aanleiding bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel
om redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand. Een
bewust beleid inzake de aan de bijstand te verbinden verplichtingen vormt een
onmisbaar rblz.|1 81
onderdeel van het beleid gericht op bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening.
Voor sommige groepen moet helaas worden geconstateerd
dat vanwege een tekortschietend opleidings- of scholingsniveau, een gebrek aan arbeidsmarktrelevante beroepservaring, een
gevorderde leeftijd, gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid of een combinatie
van dergelijke factoren de kans op arbeidsinschakeling of op een
bestaan als zelfstandige uiterst gering is.
De heroriënteringsgesprekken met langdurig werklozen
hebben duidelijk gemaakt dat er een groep langdurig werklozen
is die met de huidige arbeidsvoorzieningsinstrumenten - inclusief de
toeleiding daarheen die de
gemeenten kunnen bieden - geen kans meer
heeft op een regulier betaalde baan. Als de belanghebbende
evenmin in aanmerking kan worden gebracht voor een alternatieve,
vervangende arbeidsplaats, al dan niet via een banenpool, bestaat er geen grond om
aan het recht op bijstand verplichtingen te verbinden
die strekken tot inschakeling in de arbeid. Wel kan het, ook in situaties
die op kortere termijn weinig uitzicht lijken te bieden, gewenst zijn
niettemin initiatieven te nemen die betrokkene in staat stellen zijn (grote)
achterstand ten opzichte van de eisen die arbeidsinschakeling stelt
zoveel mogelijk te verkleinen. Het is aan burgemeester en wethouders en aan
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie om te beoordelen wat in een
dergelijke situatie nog zinvol en mogelijk is.
Bij de heronderzoeken zal steeds bekeken dienen te
worden of wijzigingen in de arbeidsmarktsituatie nieuwe mogelijkheden
voor de belanghebbende met zich brengen. Is dit het geval, dan dienen
de nodige begeleiding en faciliteiten te worden aangeboden om deze
mogelijkheden te benutten; er is dan tevens aanleiding hiertoe
strekkende verplichtingen aan de bijstand te verbinden.
Tweede lid
Dit lid bepaalt dat de verplichtingen voor
gehuwden en de alleenstaande ouder met een verzorgende taak voor
kinderen tot 12 jaar mede op die taak worden afgestemd. In het algemeen deel
van deze memorie (paragraaf 5.7.4) werd hierbij reeds uitvoerig
stilgestaan. Daar is onder meer aangegeven dat de leeftijdsgrens van 12 jaar een
duidelijk omslagpunt vormt.
Uitgangspunt is dat het bezwaarlijk kan zijn alle of
bepaalde arbeidsverplichtingen op te leggen aan de verzorgende ouder met
één of meer kinderen jonger dan 12 jaar; als er adequate
mogelijkheden voor kinderopvang zijn of als de zorgtaak met de partner kan
worden gedeeld, doet dit bezwaar zich evenwel niet voor en kan
beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt in principe worden gevergd. Ook wanneer
zo'n beschikbaarstelling nog niet mogelijk is, kan het niettemin redelijk zijn van
belanghebbende te verlangen dat deze medewerking
verleent aan activiteiten die gericht zijn op toeleiding naar de
arbeidsmarkt. Eén en ander is afhankelijk van de individuele omstandigheden en
mogelijkheden. Indien het (jongste) kind 12 jaar of ouder is, dienen de
arbeidsverplichtingen in beginsel te gelden en kan slechts vanwege individuele
redenen, op grond van het eerste lid, hiervan worden afgeweken.
Artikel 115
[108]
De verplichting tot het doen van een verzoek aan de
rechter om toekenning van een uitkering tot levensonderhoud kan
alleen onder de in dit artikel opgenomen restrictie aan de bijstand worden
verbonden. Hiermee wordt voorkomen dat de gemeente
door het
opleggen van een verplichting (nieuwe) rechterlijke procedures uitlokt.
Het verwezenlijken van eigen aanspraken op levensonderhoud wordt echter
bevorderd, hetgeen overeenstemt met de eigen verantwoordelijkheid
voor de bestaansvoorziening en het primaat van de
onderhoudsplicht.
rblz.|1 82
Artikel 116
[109]
De afgelopen jaren is in een aantal
gemeenten de
praktijk ontstaan dat de gemeentelijke sociale dienst een deel van de
maandelijkse bijstandsuitkering niet aan de bijstandsgerechtigde uitbetaalt,
doch dit in diens naam rechtstreeks overmaakt aan bijvoorbeeld een
woningbouwcorporatie voor de betaling van huur of aan het
energiebedrijf voor de betaling van gas en licht. In bepaalde gevallen kan dit een
wenselijke handelwijze zijn, met name wanneer zodoende kan worden tegengegaan
dat de belanghebbende in (verdere) financiële moeilijkheden
geraakt. Van de in het artikel genoemde gegronde redenen kan slechts sprake
zijn in geval van het bestaan of dreigen van een problematische
schuldsituatie. Overigens wordt verwezen naar paragraaf
5.7.1 uit het algemeen
deel van deze memorie.
Artikel 117
[110]
Indien de bijstand in de vorm van een geldlening wordt
verleend, kan het in verband met het risico dat de belanghebbende
niet voldoet aan de rente- en aflossingsverplichtingen gewenst zijn zo
mogelijk zekerheden te bedingen. In geval van een krediethypotheek is de
eigen woning uiteraard onderpand.
Bij bijstandverlening van beperkte omvang is het
mogelijk dat de kosten in verband met het vestigen van zekerheden
onevenredig hoog zijn ten opzichte van het reële belang dat door
zekerheidstelling wordt gediend. In dat geval ligt het voor de hand dat van het
stellen van zekerheden wordt afgezien. De kosten in verband met het
stellen van zekerheden komen voor rekening van de belanghebbende. Zo
nodig kunnen deze kosten in de betreffende bijstand worden verwerkt.
Artikel 118
[111]
Bij de totstandkoming van de
ABW werd in de wet naast
de financiële hulpverlening ook een doelstelling van immateriële
aard neergelegd, namelijk de gerichtheid van de bijstand op (het herstel
van) de zelfstandige bestaansvoorziening. Dit uitgangspunt wordt
in het eerste lid wederom tot uitdrukking gebracht. Op de
achtergronden van deze doelstelling werd in het algemeen deel van deze memorie
reeds uitvoerig ingegaan (paragraaf 4.3). Bij het voorkomen en bestrijden van (langdurige)
bijstandsafhankelijkheid vormt de wederzijdse
inspanningsverplichting van de overheid en de individuele bijstandsgerechtigde
een kernpunt. Deze wederzijdse verplichting met betrekking tot de
bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening wordt in dit artikel en
in de artikelen 119 tot en met 122 [112-115] tot uitdrukking gebracht.
Het tweede lid vormt de wettelijke basis voor een
structurele samenwerking tussen burgemeester en wethouders en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Het derde lid geeft de verantwoordelijkheid van
burgemeester en wethouders aan om te bevorderen dat de
bijstandsgerechtigde gebruikmaakt van voorzieningen die direct dan wel indirect
bijdragen aan zijn zelfstandige bestaansvoorziening. Het past bij een
actieve opstelling van burgemeester en wethouders op dit punt dat zij zorg
dragen voor de nodige voorlichtende en bemiddelende activiteiten
aangaande dergelijke voorzieningen, zodat de toegankelijkheid daarvan wordt
geoptimaliseerd.
rblz.|1 83
Artikel 119
[112]
Bij de verlening van bijstand aan zelfstandigen is een
belangrijk criterium de levensvatbaarheid van het bedrijf of
zelfstandig beroep; dit wil zeggen dat van het bedrijf of beroep redelijkerwijs
verwacht mag worden dat het na een periode van bijstandverlening
weer voldoende inkomen oplevert voor de verdere exploitatie en voor de
voorziening in de kosten van het bestaan. In het kader van de aan de
uitkering te verbinden verplichtingen worden, zoals is bepaald in het
eerste lid, aan deze bijstandsgerechtigde zelfstandigen specifieke
verplichtingen opgelegd, gericht op een doelmatige bedrijfs- of
beroepsuitoefening. Het stellen van deze verplichtingen is aan de orde wanneer
er sprake is van gebreken in de bedrijfsvoering en wanneer zonder
aanpassing hiervan de voortzetting van het bedrijf of beroep in gevaar
komt.
Bij bijstandverlening aan zelfstandigen is een correcte
administratie onmisbaar voor het verkrijgen van inzicht in de
financiële resultaten en in de bedrijfsvoering. Zeker wanneer een (adequate)
administratie tot dusver heeft ontbroken, is het tweede lid van belang. In
artikel 76 [65+69], tweede lid, is bepaald dat belanghebbende desgevraagd
aan burgemeester en wethouders inzage dient te verschaffen in
zijn administratie.
Door de integratie in dit wetsvoorstel van de artikelen
uit het bestaande Bz, die handelen over de aan de bijstand
verbonden verplichtingen, is een nauwere aansluiting mogelijk bij de
verplichtingen die gelden voor degenen die zijn aangewezen op arbeid in
dienstbetrekking.
Indien zich de situatie voordoet dat een bedrijf of
beroep tijdelijk (dat wil zeggen gedurende ten minste een halfjaar) niet kan
worden uitgeoefend, dient de zelfstandige te proberen in het bestaan te
voorzien door naar arbeid in dienstbetrekking uit te zien. In het derde lid
is aangegeven dat in die situaties artikel 120 [113]
van toepassing is.
Artikel 120
[113]
Eerste lid
Indien de belanghebbende alleen door middel
van arbeid in dienstbetrekking de zelfstandige bestaansvoorziening kan
herstellen, zijn de artikelen 120 [113] en 121
[114] van toepassing.
De algemene verplichtingen, genoemd in het eerste lid van
artikel 120 [113], die overeenkomen met de voorwaarden uit artikel 9 van de
Rww, gelden in beginsel voor iedere bijstandsgerechtigde die is
aangewezen op arbeid in dienstbetrekking. Artikel 114 [107]
biedt de mogelijkheid
om in het eerste lid genoemde verplichtingen niet aan de bijstand te
verbinden of daarvan tijdelijk ontheffing te verlenen indien het om redenen
van medische of sociale aard niet verantwoord kan worden geacht deze
verplichtingen op te leggen. Ook kunnen er in de aard en het doel van de
bijstand redenen zijn gelegen waardoor er geen aanleiding is bepaalde verplichtingen op
te leggen, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een
eenmalige bijzonderebijstandverlening.
Afhankelijk van de situatie van de belanghebbende kan
het gaan om één of meer verplichtingen die niet worden opgelegd.
In geval van een alleenstaande ouder met een kind dat het basisonderwijs
volgt, kan bijvoorbeeld wél de verplichting worden opgelegd om
deel te nemen aan een bepaalde opleiding die noodzakelijk wordt geacht
voor de inschakeling in de arbeid, terwijl niet de verplichting wordt
opgelegd om te proberen een dienstbetrekking te verkrijgen. Ook kunnen verplichtingen
worden aangepast indien medische of sociale redenen of
redenen gelegen in aard en doel van de bijstand dit noodzakelijk
maken. Bijvoorbeeld kan het zoeken van een deeltijdbetrekking om die
reden worden geaccepteerd als een voldoende invulling van de
verplichting uit het eerste lid, onderdeel a. Aldus kan inhoud worden gegeven
aan een rblz.|1 84
uitdrukkelijk individuele benadering bij het opleggen
van verplichtingen. In het licht van deze benadering zijn expliciete
bepalingen inzake deeltijdwerk, zoals de bestaande artikelen 10 en 11 van
de Rww, thans niet meer opgenomen.
Van belang is dat na de toekenning van de bijstand bij
vervolgcontacten met de bijstandsgerechtigde, doch ten minste bij
het heronderzoek, wordt onderzocht of de redenen die het
noodzakelijk maakten om bepaalde verplichtingen niet of in beperkte mate op
te leggen nog steeds aanwezig zijn. In geval van wijzigingen in de
omstandigheden van de belanghebbende worden de aan de uitkering verbonden
verplichtingen op de nieuwe situatie afgestemd. Dit alles steeds
met het doel de zelfstandige bestaansvoorziening zo effectief mogelijk
te bevorderen.
Indien in de persoonlijke omstandigheden van de
belanghebbende factoren gelegen zijn die vooralsnog in de weg staan aan
activiteiten gericht op inschakeling in de arbeid, kan verwijzing
plaatsvinden naar een hulpverlenende instantie. Artikel 113 [106]
biedt, zoals
daar reeds werd uiteengezet, de mogelijkheid om verplichtingen in deze
zin aan de bijstandverlening te verbinden.
Uit de gebleken noodzaak van een individuele benadering
bij het voorkomen en bestrijden van langdurige
bijstandsafhankelijkheid vloeit voort dat de gestelde verplichtingen zo concreet
mogelijk afgestemd dienen te worden op de individuele situatie. Het
verdient sterk aanbeveling dat de concrete, op het individuele geval
toegesneden verplichtingen in de beschikking op de bijstandsaanvraag worden
gespecificeerd. Aldus wordt in concrete termen duidelijk gemaakt wat van
de belanghebbende wordt verwacht.
Naast de deelname aan scholing of opleiding kunnen ook
andere activiteiten die zijn gericht op de zelfstandige
voorziening in het bestaan aangewezen zijn. Onderdeel g van het eerste lid voorziet
erin dat dergelijke activiteiten een verplichtend karakter hebben. In
het algemeen deel van deze memorie zijn als voorbeeld reeds
genoemd de
deelname aan sollicitatietrainingen, werkervaring in het kader van de
Wet ter bevordering van de werkgelegenheid voor werkzoekenden die
zeer langdurig werkloos zijn (Stb. 1986, 483; 1989, 286) en tijdelijke
WSW-werkzaamheden als onderdeel van een toeleidingstraject gericht
op (her)inschakeling in de reguliere arbeid. Verder kan worden gedacht aan
deelname aan leerarbeidsplaatsen in het kader van het
leerlingwezen. Ook het verrichten van onbeloonde arbeid kan aangewezen zijn ter
bevordering van de kansen op de arbeidsmarkt en kan als verplichting
aan de bijstand worden verbonden. De rol van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie is, evenals bij scholingsactiviteiten, cruciaal voor de
beoordeling welke activiteiten noodzakelijk zijn in het kader van de
bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening.
Tweede lid
Dit lid bevat een omschrijving van het
begrip passende arbeid. In de jurisprudentie zijn aangaande dit begrip
nadere criteria ontwikkeld. Voor het beleid kunnen hieruit slechts
algemene criteria worden afgeleid, daar individuele omstandigheden bepalen
of arbeid in een concrete situatie als passend aan te merken is. Uit
de jurisprudentie blijkt dat afhankelijk van de werkloosheidsduur een
verschuiving van het begrip passende arbeid plaatsvindt. Naarmate de werkloosheid langer
duurt, kan andere arbeid dan die welke de belanghebbende
gewoonlijk verrichtte eerder als passend worden gekwalificeerd.
Indien de mogelijkheden die door de betrokkene in de eerste periode van de
werkloosheid zijn beproefd geen werkkring hebben opgeleverd, ligt
het immers in de rede vervolgens de in beschouwing te nemen mogelijkheden
enigszins te verruimen, waardoor ruimte kan ontstaan voor nieuwe
initiatieven. Ook het opleidingsniveau, de beloningshoogte, het
arbeidsverleden en de mate van beschikbaarstelling voor werkzaamheden spelen
bij de beoordeling een rol.
rblz.|1 85
Zo overweegt de Kroon in haar besluit van 20 maart 1985,
nr. 60, dat onder het weigeren aangeboden passende arbeid te
aanvaarden mede moet worden verstaan het zich niet beschikbaar stellen
voor de arbeidsmarkt en het in onvoldoende mate solliciteren naar een
passende werkkring. Arbeid in tijdelijk dienstverband, alsmede
arbeid in deeltijd, kunnen als passend worden aangemerkt zolang geen
duurzaam respectievelijk geen volledig werk beschikbaar is.
Derde lid
In geval van bijstand aan gehuwden (ongehuwd
samenwonenden hieronder mede begrepen) gelden op grond van dit
lid de verplichtingen uit het eerste lid in beginsel voor beide
echtgenoten. Daarbij dienen uiteraard de overige bepalingen uit dit
hoofdstuk in acht te worden genomen. Indien er redenen van medische of
sociale aard zijn die daartoe aanleiding geven, kunnen burgemeester en
wethouders op grond van artikel 114 [107] besluiten de bedoelde
verplichtingen of een deel daarvan, niet te stellen of daarvan tijdelijk ontheffing
te verlenen.
Bij redenen van sociale aard kan worden gedacht aan de
al wat oudere partner die vanwege het langdurig verrichten van
verzorgende huishoudelijke taken niet of nauwelijks over enige
arbeidservaring beschikt en als gevolg van die rolverdeling in het geheel niet op
de arbeidsmarkt is georiënteerd. Ook de afstemming van de verplichtingen
op gehuwden met een verzorgende taak voor kinderen tot 12 jaar is
hierbij van belang, zoals blijkt uit het tweede lid van artikel 114 [107].
Het vierde lid biedt de minister de mogelijkheid regels
te stellen aangaande het toepassen of niet toepassen van één of
meer verplichtingen, genoemd in het eerste lid, ten aanzien van één
of meer categorieën belanghebbenden. Een bestaand voorbeeld daarvan
is de Ministeriële Regeling van 25 januari 1985, Stcrt. 1985,
20, waarin
aan werkloze werknemers van 57,5 jaar of ouder vrijstelling wordt
verleend van de in artikel 9, eerste lid, van de Rww genoemde
verplichtingen. Het voornemen is de reeds geldende vrijstelling voor deze
categorie te continueren. De onderhavige delegatiebepaling is, mede gelet
op het advies van de Commissie voor de toetsing van
wetgevingsprojecten, verbreed in vergelijking tot artikel 9, derde lid, van de
Rww.
Daartoe is de beperking in die Rww-bepaling dat de gedelegeerde regelgeving
uitsluitend kan betreffen het niet van toepassing verklaren van bepaalde
verplichtingen op een groep van werkloze werknemers, komen te
vervallen.
Artikel 121
[114]
Indien wordt deelgenomen aan een noodzakelijk geachte
scholing of opleiding, wordt de bijstandverlening voortgezet en ligt
het in de rede dat de verplichtingen uit artikel 120 [113], eerste lid,
onderdeel a en c, voor de duur van de opleiding niet aan de bijstand worden
verbonden.
In de Rww geldt een algemene beperking voor het volgen
van scholing met behoud van uitkering; bijstandverlening kan niet
aan de orde zijn indien sprake is van het deelnemen aan een scholingsvorm
die onder het bereik van de Wet
op de studiefinanciering (WSF) valt.
In dit wetsvoorstel is dit tot uitdrukking gebracht in de
uitsluitingsgrond in het voorgestelde artikel 10 [9], tweede lid. Dit houdt tevens
in dat bij het vaststellen of het volgen van een opleiding met behoud van uitkering
toegestaan kan worden, eerst moet worden gezocht naar
een gelijkwaardig alternatief waarbij voor de kosten van
levensonderhoud een beroep op de WSF kan worden gedaan. Indien een
studerende, bijvoorbeeld omdat hij geen aanspraak meer heeft op
studiefinanciering wegens het volledig verbruikt hebben van de maximale
inschrijvingsduur, overschakelt van een dagopleiding naar een opleiding
buiten de gebruikelijke arbeidsuren of zich als extraneus (examenstudent) laat
inschrijven, kan zo'n verandering blijkens de
jurisprudentie in beginsel worden uitgelegd als een voornemen om de studie voort te
zetten en af rblz.|1 86
te ronden. Dit betekent dat dan geen aanspraak op
bijstand kan ontstaan.
Artikel 122
[115]
Ter bevordering van de kansen op arbeidsinschakeling,
dan wel ter voorkoming van een negatieve invloed van het niet actief
zijn op het maatschappelijk functioneren van de belanghebbende, is
het van belang de mogelijkheid te bieden om met behoud van uitkering
onbeloonde arbeid te verrichten. Zoals uiteengezet bij artikel 120 [113]
kan het verrichten van onbeloonde arbeid als verplichting aan de bijstand
worden verbonden wanneer dit bevorderlijk wordt geacht voor de
zelfstandige bestaansvoorziening. Indien voor de belanghebbende geen
perspectief bestaat op inschakeling in reguliere arbeid, kan
onbeloonde arbeid een functie vervullen bij het voorkomen of doorbreken van
maatschappelijk isolement.
In het kader van de Rww was de mogelijkheid om
ontheffing van voorwaarden te verlenen beperkt tot een periode van
één jaar en tot de voorwaarde om naar vermogen te trachten arbeid in
dienstbetrekking te verkrijgen. In dit wetsvoorstel is ervoor gekozen het
toestaan van onbetaalde arbeid uitdrukkelijk ter beoordeling van
burgemeester en wethouders te laten en derhalve niet een vaste
ontheffingstermijn in de wet op te nemen. Wel wordt het noodzakelijk geacht in
de
wet te bepalen dat de belanghebbende indien hij onbeloonde
arbeid gaat verrichten, verplicht is dit zo spoedig mogelijk aan
burgemeester en wethouders te melden, zodat de genoemde beoordeling
plaats kan vinden. Burgemeester en wethouders dienen in het
individuele geval na te gaan of bepaalde onbeloonde activiteiten de
arbeidsmarktkansen van de belanghebbende bevorderen of zijn maatschappelijk
functioneren positief beïnvloeden. Burgemeester en wethouders dienen
de aan de bijstand te verbinden verplichtingen op hun bevindingen
hieromtrent af te stemmen. Bij het heronderzoek dient de
toelaatbaarheid van onbeloonde activiteiten opnieuw te worden bezien.
De Commissie Sociale Voorzieningen van de SER
is van
mening dat het werken met behoud van uitkering in de landelijke
regelgeving aan voorwaarden moet worden gebonden, waarbij afstemming zou
dienen plaats te vinden op de afspraken die in CBA-verband
worden gemaakt. In afwachting van de implementatie van de afspraken met het
CBA ter zake is het niet opportuun om nadere bepalingen in dit
wetsvoorstel op te nemen. Anders dan de Commissie acht de regering geen
aanleiding aanwezig de meldingsplicht te beperken tot degenen op
wie verplichtingen tot arbeidsinschakeling rusten. Ook voor degenen
aan wie dergelijke verplichtingen (vooralsnog) niet zijn opgelegd, is
een meldingsplicht vereist om burgemeester en wethouders in staat te
stellen na te gaan of al dan niet sprake is van verdringing van reguliere
arbeid of van budget- of concurrentievervalsing. Bovendien kan de deelname aan
onbeloonde arbeid een indicatie zijn voor de mogelijkheden tot
arbeidsinschakeling.
Artikel 123
[116]
Dit artikel brengt tot uitdrukking dat, in algemene zin,
burgemeester en wethouders de verantwoordelijkheid dragen voor de
uitvoering van de Abw in medebewind. Gelet op het maatschappelijk belang
van de bijstandswet en de mate waarin dit wetsvoorstel
discretionaire bevoegdheden aan burgemeester en wethouders geeft, kan worden
gesproken van een uitvoerende verantwoordelijkheid in brede zin,
die mede een belangrijke beleidsverantwoordelijkheid inhoudt. In het
algemeen deel van deze memorie werd daarbij reeds uitgebreid
stilgestaan (paragraaf 5.8.1).
rblz.|1 87
Artikel 124
[117]
Voor een correcte wetsuitvoering is het onontbeerlijk
dat burgemeester en wethouders ten aanzien van de
bijstandverlening een toereikende administratie voeren. Deze administratie dient
zodanig te zijn ingericht dat een juiste, tijdige en volledige
vastlegging van alle beslissingen en de daarbij behorende bescheiden met betrekking
tot aanvragen, onderzoek, uitkeringen, vorderingen en
verplichtingen, alsmede de hieruit voortvloeiende betalingen en
ontvangsten, is gewaarborgd.
In het tweede lid is aan de minister de bevoegdheid
gegeven nadere regels te stellen ten aanzien van de administratie der
gemeenten op het terrein van de bijstandverlening. Dergelijke nadere
regels, die momenteel zijn opgenomen in het Bvvu, zijn noodzakelijk
teneinde op hoofdlijnen enige uniformiteit in bedoelde administratie
te bereiken en zodoende de gemeentelijke uitvoering en het
rijkstoezicht zo doelmatig mogelijk te doen zijn. In bedoelde regels zal worden
aangegeven welke gegevens minimaal dienen te worden vastgelegd.
Hierbij blijft onverlet dat het voeren van de
administratie een eigen gemeentelijke verantwoordelijkheid is.
Artikel 125
[119]
Aangezien de Abw de laatste bestaansvoorziening is
waarop een beroep kan worden gedaan, is het van groot belang dat
iedereen zoveel mogelijk op de hoogte is van de mogelijkheden die deze
wet biedt. Daartoe is het nodig dat burgemeester en wethouders
voorlichting over de verlening van bijstand geven, zowel wat de landelijke
regels betreft alsook aangaande het lokale bijstandsbeleid, al dan niet
vastgelegd in gemeentelijke richtlijnen.
Artikel 126
[120]
De mogelijkheid tot machtiging van burgemeester en
wethouders om het nemen van besluiten in het kader van de ABW op te
dragen aan gemeenteambtenaren was in artikel 29a van de ABW beperkt
tot
gemeenten met meer dan 50 000 inwoners. In de Wet tot wijziging van diverse
wetten in verband met vereenvoudiging van
regelgeving en vergroting van gemeentelijke en provinciale
beleidsvrijheid is genoemd artikel inmiddels zodanig aangepast dat deze
beperking is
vervallen, zodat de betreffende mandatering in alle gemeenten
desgewenst plaats kan vinden.
Artikel 126 [120] laat onverlet dat burgemeester en wethouders
verantwoordelijk zijn voor de besluiten inzake de bijstandverlening. Hiermee hangt samen dat de opdracht als bedoeld in het eerste lid niet
geldt voor beslissingen tot het instellen van beroep en
beslissingen op bezwaarschriften; het belang van de te beslissen zaken vereist
hier dat wordt beslist door het bestuurlijk college dat voor het
bestreden besluit verantwoordelijk is.
Artikelen 127 tot en met 133
[121-127]
Deze artikelen komen overeen met het
voorstel van Wet invoering sociaal-fiscaal nummer gemeenten (Kamerstukken
I
1991-1992, 22 148, nr. 229). Ze worden hierna, in overeenstemming
met genoemd wetsvoorstel, kort toegelicht.
rblz.|1 88
Artikel 127
[121]
In dit artikel is bepaald dat (ex-)werkgevers en
(ex-)opdrachtgevers tot het verrichten van bepaalde werkzaamheden de gevraagde
inlichtingen verstrekken. Voorts is de wijze waarop de gevraagde
inlichtingen moeten worden verstrekt, geregeld.
De vorm waarin dit dient te geschieden, is in het tweede
lid niet beperkt tot de schriftelijke, mede vanwege de noodzaak
aan te sluiten bij moderne technieken van gegevensverstrekking.
In dit wetsvoorstel wordt de term inlichtingen in een
ruime betekenis gehanteerd, aangezien voor de uitvoering van de Abw
informatie vereist is met betrekking tot de persoon, de gezinssituatie, de
woonsituatie en het inkomen. Daarom zuilen de genoemde personen en
instanties opgaven en inlichtingen dienen te verstrekken die
betrekking hebben op feiten en omstandigheden die noodzakelijkerwijs een
breder terrein beslaan dan alleen de inkomsten van belanghebbende.
Onverkort geldt evenwel het uitgangspunt dat het uitsluitend gegevens
betreft die noodzakelijk zijn voor de uitvoering door de
gemeenten
van deze wet.
Artikel 128
[122]
In dit artikel worden alle personen en instellingen
genoemd die verplicht zijn aan burgemeester en wethouders op hun
verzoek informatie te verschaffen. In het kader van de
informatieverstrekking door de vreemdelingendienst wordt met het hoofd van plaatselijke
politie bedoeld de lokale vreemdelingendienst. In de uitvoeringspraktijk
zullen gemeentelijke sociale diensten in hoofdzaak op de lokale
vreemdelingendienst zijn aangewezen voor hun informatie. Bij dit hoofd van
plaatselijke politie ligt de bevoegdheid tot het verlenen en intrekken van
vergunningen tot verblijf, alsmede tot het verlengen van de
geldigheidsduur daarvan. Tevens is dit hoofd belast met het toezicht op
vreemdelingen.
Artikel 129
[123]
Degenen die betrokken zijn bij de uitvoering van
deze wet dragen kennis van persoonlijke informatie van degenen die
bijstand vragen of ontvangen. Dit artikel legt hun ten aanzien van
dergelijke informatie een geclausuleerde geheimhoudingsplicht op. Slechts
toegelaten zijn die bekendmakingen die hetzij noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van deze wet, hetzij op grond van deze wet zijn voorgeschreven of
toegelaten.
Bij de behandeling van het voorstel van Wet invoering
sociaal-fiscaaal nummer gemeenten in de Tweede Kamer is bij amendement van de
leden Schoots en Bijleveld-Schouten (Kamerstukken II 1990-1991, 22 148, nr. 12) een nieuwe bepaling toegevoegd; deze is hier
opgenomen in het vierde lid. Beoogd is met deze bepaling om informatieverzoeken door
onbevoegden, bijvoorbeeld per telefoon, te voorkomen.
Aan een zorgvuldige verificatie ten aanzien van de
informatievrager zal in de praktijk vorm moeten worden gegeven. Elke gemeente
zal daarop moeten toezien, bijvoorbeeld door er in haar
werkinstructies aandacht aan te schenken. Hoofdzaak is dat een kritische houding
ten opzichte van een informatievrager dient te blijken uit de wijze
waarop de verstrekker van informatie omgaat met informatieverzoeken. Dit vergt
met name bij telefonische verzoeken grote zorgvuldigheid. Het zou
evenwel onwerkbaar zijn indien volledig van dergelijke verzoeken
zou moeten worden afgezien.
rblz.|1 89
Artikel 130
[124]
Dit artikel hangt samen met de geheimhoudingsplicht uit
artikel 129 [123]. Bij het ontbreken van een verplichting als neergelegd in
artikel 130 [124] tot het in kennis stellen van een andere instantie van een
gepleegd of vermoed misdrijf ten nadele van die instantie, zouden
burgemeester en wethouders, gegeven de geheimhoudingsplicht, het
benadeelde orgaan niet of alleen met toestemming van de betrokkene hiervan
in kennis kunnen stellen. De mogelijkheid om effectief op te
treden, zou daardoor zeer worden ingeperkt. Vandaar de behoefte aan dit
artikel. Wel is een tweetal beperkingen ingevoegd: het betreft alleen zaken
waarvoor een delictsomschrijving tot misdrijf geldt en het informeren
beperkt zich tot uitvoeringsorganen van de socialeverzekeringswetten en
overheidsorganen die uitkeringen verrichten, verstrekkingen doen
of bijdragen heffen.
Artikel 131
[125]
In dit artikel worden de instanties genoemd aan wie
burgemeester en wethouders eigener beweging gegevens mogen verstrekken
of desgevraagd gegevens dienen te verstrekken, voor zover het de
uitvoering van deze wet betreft.
De gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de
persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor onevenredig wordt
geschaad. Dit is expliciet bepaald in het tweede lid. Hierbij gaat het om een belangenafweging. Dit geldt
zowel bij het verstrekken van gegevens op eigen initiatief als in de
situatie dat daar om wordt gevraagd. De structurele regeling van deze
belangenafweging blijkt uit de privacyreglementen van de
gemeenten die
zijn gebaseerd op de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665).
Daarnaast evenwel kan door nadere regelgeving op grond van het derde lid de
informatiestroom naar inhoud en wijze van verstrekken voor alle gemeenten
op eenzelfde wijze worden aangegeven.
Artikel 132
[126]
Dit artikel bepaalt dat het sociaal-fiscaal nummer in de
gemeentelijke administratie met betrekking tot de uitvoering van deze
wet wordt gebruikt als registratienummer. Hierdoor is het mogelijk
met andere instanties die ook dit nummer voor identificatie ten
behoeve van gegevensuitwisseling mogen gebruiken, via dit
sociaal-fiscaal nummer te communiceren.
Artikel 134
[128]
Dit artikel legt de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de
verplichting op tot het spontaan verstrekken van inlichtingen over
gedragingen van belanghebbenden welke aanleiding kunnen zijn tot het bij wijze
van sanctie lager vaststellen van de bijstand of, bij herhaalde of
zeer ernstige gedragingen, tot een volledige weigering van bijstand. Een
melding dient tevens de gronden te bevatten waarop het oordeel of
vermoeden van die organisatie berust.
Voor een doeltreffende uitvoering van de Abw, zowel wat
betreft het recht op bijstand als de daaraan verbonden
verplichtingen, is een efficiënte informatieverstrekking tussen de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en burgemeester en wethouders van groot belang.
Een vergelijkbare informatieverplichting is reeds opgenomen in
artikel 15 van de Rww.
rblz.|1 90
Artikel 135
[133]
Voor een adequate beleidsontwikkeling op het terrein van
de bijstand is systematische informatie met betrekking tot de
werking van de wet in de praktijk een onmisbaar hulpmiddel. Ten behoeve van de
beleidsvorming van zowel de rijksoverheid als de
gemeentebesturen dient een zo actueel en zo zuiver mogelijk beeld voorhanden te
zijn, naar aard en omvang, van de personen en groepen die een beroep op de
Abw doen, van de aard van de behoeften waarin door middel van
bijstand wordt voorzien, van het verloop van de kosten die daarmee
gemoeid zijn e.d.
De in dit artikel bedoelde door de
minister te stellen
regels zijn onontbeerlijk om aan te geven welke gegevens relevant zijn en
voorts om de verzameling van deze gegevens doelmatig en
gesystematiseerd te laten plaatsvinden. Bij het Centraal
bureau voor de statistiek
(CBS) zal, evenals thans reeds het geval is, de uitvoerende
verantwoordelijkheid berusten voor de periodieke oplevering van de
overeenkomstig door de minister gegeven regels op te stellen bijstandsstatistieken. De betreffende publikaties hebben een zodanige
vorm dat de
daarin opgenomen gegevens niet zijn te herleiden tot natuurlijke
personen.
Artikel 136
[129]
Als commissie in de zin van dit artikel, dat overeenkomt
met het bestaande artikel 72 [63], fungeert de Commissie Sociale
Voorzieningen van de SER. Deze Commissie is op 1
april 1988 ingesteld. Haar ontstaansgrond vindt de Commissie mede
in een amendement-Doelman-Pel (Kamerstukken II 1987-1988, 19
821, nr. 11). De Commissie is bevoegd de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid gevraagd en eigener beweging van advies te
dienen omtrent onderwerpen die de Abw betreffen. Daartoe worden
gerekend alle vraagstukken die de uitgangspunten van de
bijstandverlening betreffen, met name beleidsvragen aangaande de plaats en functie
van de Abw in het stelsel van sociale zekerheid, aangaande de inhoud
van beleid en regelgeving, alsmede beleidsvragen aangaande de
financiering. Kwesties die overwegend technisch van aard zijn, dan wel die een
uitwerking zijn van reeds genomen besluiten, worden, in aansluiting bij
de reeds bestaande praktijk, niet aan de Commissie voorgelegd. De Commissie adviseert op overeenkomstige wijze tevens omtrent
onderwerpen die de Ioaw en de Ioaz
betreffen.
Artikelen 137
[-] en 138 [-]
Op de taak en samenstelling van de gemeentelijke
adviescommissie werd reeds uitvoerig ingegaan in paragraaf
5.8 van het algemeen
deel van deze memorie. Zoals daar reeds werd opgemerkt, zijn de
voorschriften aangaande de samenstelling van de commissie tot een
minimum beperkt. Wat betreft de in artikel 138 [-], onderdeel d,
genoemde regionale vertegenwoordiger van het midden- en kleinbedrijf
wordt gedacht aan een vertegenwoordiger van het Instituut voor het Midden-
en Kleinbedrijf.
Ook andere groeperingen dan de in artikel 138
[-] genoemde
kunnen in de commissie worden opgenomen, zodat in principe per gemeente
aan de samenstelling van de commissie ten dele een eigen
invulling kan worden gegeven. Ook de zetelverdeling wordt aan
burgemeester en wethouders overgelaten.
rblz.|1 91
Artikel 139
[130]
Bij de betekenis en de aard van het toezicht in het
kader van de Abw werd uitgebreid stilgestaan in paragraaf
5.8.2 van het algemeen
deel van deze memorie.
Gezien de algehele verantwoordelijkheid van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het bijstandsbeleid is het
een vereiste dat op burgemeester en wethouders de verplichting rust
tot het verstrekken van inlichtingen aan door de minister
aangewezen ambtenaren. Doorgaans zal dit de rijksconsulent sociale
zekerheid of diens vertegenwoordiger zijn. Zonder een dergelijke
informatieverplichting kan niet worden verzekerd dat de minister voldoende
overzicht behoudt ten aanzien van het totale bijstandsbeleid (tweede lid).
Door zijn deelname aan de gedachtenwisseling in de
commissie kan de rijksconsulent het landelijk beleid ten behoeve van de
commissie toelichten en kan hij verder eventuele problemen met
betrekking tot de bijstandverlening die zich bij de gemeentelijke
beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering voordoen, bij het ministerie
signaleren. Met deze wisselwerking is de uitvoerbaarheid van de
wet gediend.
De toegang van de rijksconsulent tot de commissie impliceert dat hij, evenals de commissieleden, tijdig op de hoogte wordt gesteld van hetgeen
in de commissie aan de orde is.
Artikel 140
[131]
De mogelijkheid tot het geven van een aanwijzing is in
de bestaande wet opgenomen in artikel 81d. In het algemeen deel van
deze memorie (paragraaf 5.8.2) is reeds betoogd
dat, ook in het kader van
een terughoudend toezicht, deze bevoegdheid niet kan worden gemist, met
name omdat bij de verlening van bijstand sprake kan zijn van een
beleidstendentie of van een passieve opstelling die niet in een gemeentelijk
besluit van algemene strekking is neergelegd, zodat schorsing en vernietiging als
bedoeld in artikel 265 e.v. van de Gemeentewet
niet of
niet goed toepasbaar zijn. Indien evenmin een correctie kan
plaatsvinden door een lagere vaststelling van de rijksvergoeding, bijvoorbeeld
ten aanzien van bijzondere bijstand of van een onjuist gemeentelijk
handelen waarvan niet goed kan worden gekwantificeerd in welke mate het
doorwerkt in een te hoge rijksvergoeding, kan er aanleiding zijn een
aanwijzing te geven.
Uitdrukkelijk wordt nu bepaald dat de minister bij het
geven van een aanwijzing niet in de besluitvorming inzake individuele
gevallen treedt. Dit betekent dat de aanwijzing niet het herzien van een
beschikking in het kader van de individuele gevalsbehandeling kan
inhouden.
Het laat evenwel onverlet dat de aanwijzing betrekking
kan hebben op een uit één of meer individuele beschikkingen sprekende beleidstendentie. Een aanwijzing zal niet worden gegeven dan nadat
burgemeester en wethouders gedurende acht weken gelegenheid hebben
gehad het gevoerde gemeentelijk beleid mondeling of schriftelijk
toe te lichten.
Artikel 141
[134]
Dit artikel regelt de hoogte van de rijksvergoeding.
Vergoed wordt 90% van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten
van algemene bijstand, zoals omschreven in artikel
6, onderdeel a,
alsmede van de kosten van bijstand betreffende bedrijfskapitaal. Onder
ten laste van de gemeente gebleven kosten wordt verstaan het totaal van
de bijstandsuitgaven, verminderd met (terug)ontvangsten, bijvoorbeeld
wegens verhaal of terugvordering.
Met de kostenopgave verklaren burgemeester en wethouders
zonder rblz.|1 92
voorbehoud dat alle voor rijksvergoeding in aanmerking
komende kosten van bijstand die in dat kalenderjaar ten laste van de
gemeente zijn gebleven, zijn gedeclareerd. Teneinde de juistheid van
de gedeclareerde bedragen aan te tonen, dienen burgemeester en wethouders
een accountantsverklaring over te leggen. Hierbij zal, voor zover
mogelijk, convergentie worden nagestreefd tussen dit voorschrift en de
voorschriften die gelden voor de gemeenterekening, zodat
controleactiviteiten zoveel mogelijk in het kader van de gemeenterekening plaats
kunnen vinden.
Voorwaarde is dat geen afbreuk wordt gedaan aan de
materiële waarde van de bedoelde verklaring. Deze verklaring van
de deskundige belast met de in artikel 215 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle maakt een geïntegreerd onderdeel uit van de
kostenopgave.
Met betrekking tot het vierde lid wordt het volgende
opgemerkt. Het is wenselijk dat de in het artikel bedoelde vergoeding op
eenvormige en bestendige wijze wordt gedeclareerd en verantwoord;
enerzijds ten behoeve van de administratieve verwerking bij het Rijk,
anderzijds omdat de gedeclareerde bedragen en de overige daarbij te
verstrekken kwantitatieve gegevens van belang zijn voor raming en
verantwoording van de overheidsuitgaven ten behoeve van deze
wet. Voor het
vaststellen van de rijksvergoeding is het essentieel dat bekend is welke
onderdelen van de administratieve organisatie wel en niet zijn onderzocht
en wat de bevindingen zijn van het onderzoek met betrekking tot die
onderdelen. Om dit te bereiken, zal, door middel van de op grond van het
vierde lid te stellen regels, het model van de accountantsverklaring hiertoe
worden ingericht.
Artikel 142
[135]
De verlening van voorschotten aan de
gemeenten op de
rijksvergoeding van bijstandsuitgaven is een bestaande praktijk,
waaraan thans in dit wetsvoorstel een wettelijke basis wordt gegeven.
In het algemeen deel van deze memorie werd hierop reeds ingegaan (paragraaf
5.9). Artikel 8.3.1
[8:81] van de voorgestelde Algemene wet bestuursrecht
biedt
voor de gemeente de mogelijkheid om in voorkomende gevallen,
hangende bezwaar of beroep, een voorlopige voorziening te vragen
bij de president van de rechtbank.
Artikel 143
[136]
De rijksvergoeding wordt vastgesteld binnen
één jaar
nadat de definitieve kostenopgave op het ministerie is ontvangen. Als
ontvangstdatum geldt de datum waarop alle voorgeschreven stukken,
volledig en ondertekend, door het ministerie zijn ontvangen.
In het derde lid is geregeld dat de rijksvergoeding niet
overeenkomstig de verantwoording op de kostenopgave wordt vastgesteld
indien het uitgaven betreft welke in strijd met het bij en
krachtens deze wet bepaalde zijn gedaan. Tevens wordt alleen volledige
vergoeding toegekend indien geen sprake is van het gestelde onder b
tot en met d. Een adequate administratie is onontbeerlijk voor een
tijdige, volledige en juiste uitvoering van het proces van
bijstandverlening.
Op grond van artikel 124 [117], tweede lid, zullen voor zover noodzakelijk
regels inzake de administratie worden gesteld. Voorts zal uit de
actualiteit van de gegevens moeten blijken of de voorgeschreven
heronderzoeken tijdig en volledig zijn uitgevoerd. Ook moet worden vastgesteld of
gemeenten tijdig tot terugvordering en verhaal overgaan indien
daartoe aanleiding bestaat.
Uitgangspunt is dat burgemeester en wethouders zodanige
administratief-organisatorische maatregelen hebben getroffen
dat de deskundige bij de definitieve kostenopgave een
goedkeurende verklaring kan verstrekken. In die gevallen waarbij de deskundige
zich in zijn rblz.|1 93
verklaring bij de kostenopgave van een oordeel omtrent
de juistheid van die opgave onthoudt of een voorbehoud met betrekking
tot de werking van onderdelen van het uitvoeringsproces maakt, zal van rijkswege
worden nagegaan in hoeverre de door de deskundige
gesignaleerde gebreken van invloed zijn op de hoogte van de
rijksvergoeding.
Artikel 144
[137]
De kosten verbonden aan de uitvoering van
deze wet en de
daarop berustende nadere regelgeving zijn voor rekening van de gemeente. Op een tweetal onderdelen, met betrekking tot bijzondere
controle- en onderzoekswerkzaamheden die de gangbare activiteiten van
onderzoek en heronderzoek te buiten gaan, kan er aanleiding zijn
voor een afzonderlijke rijksbijdrage. In de eerste plaats betreft dit de
bijzondere controle ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik.
Hiertoe is op 4 maart 1988 een bijdrageregeling ingevoerd; de werkingsduur van
deze regeling, die op 1 januari 1991 afliep, is inmiddels,
door invoering van een herzien besluit, uitgebreid tot 1 januari 1994
(Besluit bijdrageregeling bijzondere controle (Stb. 1991, 179)). Het thans
voorgestelde artikel legt een basis in de wet voor een voortzetting
van een bijdrage van rijkszijde voor dit doel nadat de werkingsduur van
genoemd besluit is verstreken.
In de tweede plaats is er aanleiding voor een
rijksbijdrage in de onderzoeks- en rapportagekosten betreffende de verlening
van bijstand aan zelfstandigen. Het betreft hier extern onderzoek van
bedrijfskundige aard naar de levensvatbaarheid van een bedrijf of
bedrijfsplan, dat een noodzakelijke basis vormt voor het door burgemeester en
wethouders te nemen bijstandsbesluit. Deze vergoedingsmogelijkheid
berust momenteel op artikel 32 van het Bz.
Beide vormen van onderzoek vergen op gemeentelijk niveau
bijzondere aandacht en deskundigheid en worden voor een doelmatige
uitvoering van de wet onmisbaar geacht. Door verstrekking van een
rijksbijdrage wordt de uitvoering van dergelijke bijzondere controle-
en onderzoeksactiviteiten bevorderd.
Artikel 146
[138]
Op grond van de in dit artikel geregelde
gelijkstellingsbepaling bestaat de mogelijkheid een bezwaarschrift in te dienen tegen
het verrichten of nalaten van een handeling die verband houdt met een
besluit inzake de verlening of terugvordering van bijstand. De
omschrijving van de handelingen is ruimer dan die in artikel 36 [35]
van de bestaande
wet en brengt tot uitdrukking dat de mogelijkheid van het indienen van een
bezwaarschrift zich ook uitstrekt tot handelingen die afwijken van een
besluit inzake de verlening of terugvordering van bijstand.
Blijkens jurisprudentie van de Kroon met betrekking tot
artikel 36 van de bestaande ABW kan het bijvoorbeeld gaan om een
uitkering die wordt beëindigd in afwachting van een nader te nemen
beslissing of om een uitkering die wordt verminderd zonder dat hieraan een
beslissing ten grondslag ligt of zonder dat een ter zake genomen
beslissing aan de belanghebbende is medegedeeld. Een verdergaande
verruiming is niet beoogd, zodat bijvoorbeeld een oproeping om bij de gemeente
te
verschijnen niet onder de werking van het artikel valt.
Artikel 147
[139]
Ingevolge dit artikel geldt de bezwaarschriftprocedure
niet voor illegale vreemdelingen. Ook thans is het voor deze vreemdelingen
niet mogelijk om, alvorens beroep op de Afdeling voor de geschillen
van bestuur van rblz.|1 94
de Raad van State in te stellen, een bezwaarschrift in
te dienen.
Hieraan ligt de volgende overweging ten grondslag. Aan
deze vreemdelingen kan in beginsel geen bijstand worden verleend;
slechts in acute noodsituaties is op grond van artikel 11
bijstandverlening mogelijk. Dit vereist een korte rechtsgang, waarbij op zo kort
mogelijke termijn een definitieve beslissing wordt genomen. In verband hiermee
hebben deze vreemdelingen niet de mogelijkheid van het indienen van
een bezwaarschrift. Zij kunnen van besluiten van burgemeester en wethouders rechtstreeks in beroep komen bij de
Centrale Raad van Beroep.
Artikel 148
[139a]
Een soortgelijke bepaling als hier voorgesteld, is vanaf
1987 bij gelegenheid van de herziening van het stelsel van
sociale zekerheid ook in andere socialezekerheidswetten opgenomen. Nu de
nieuwe Abw een met die wetten vergelijkbare rechtsgang kent, dient
eveneens in de betreffende mogelijkheid van cassatie te worden
voorzien.
Artikel 149
[140]
In afwijking van het voorontwerp van wet (artikelen 151
[142] en 152 [143]) is
er naar aanleiding van het slotadvies van de Commissie
Sociale Voorzieningen van de SER en het advies van de Commissie voor de
toetsing van wetgevingsprojecten voor gekozen de bestaande regeling
uit artikel 45 van de ABW inzake onverwijlde
bijstandverlening door de
voorzitter van gedeputeerde staten te handhaven, voor zover
burgemeester en wethouders geen of ontoereikend toepassing hebben gegeven aan de
mogelijkheid in artikel 80 [74] tot het geven van een
voorschot.
Niet is overgenomen de bepaling dat een toegewezen
verzoek dient te worden behandeld als een bezwaarschrift. Na indiening
van een verzoek om onverwijlde bijstand ontvangt de verzoeker van de
voorzitter standaard een brief waarin wordt gewezen op het belang
van het indienen van een bezwaarschrift tegen een afwijzende
beschikking. Bovendien wordt in de voorgestelde Algemene wet bestuursrecht
(Awb) [zie artikel 3.5.5 [3:45],
red.] reeds bepaald dat de belanghebbende door burgemeester en
wethouders dient te worden gewezen op de mogelijkheid om
een bezwaarschrift in te dienen tegen hun besluit naar
aanleiding van de aanvraag.
Tegen de beslissing van de voorzitter van gedeputeerde
staten staat geen administratiefrechtelijke voorziening open. Ook
tegen een besluit inzake het al dan niet toekennen van een voorschot als
bedoeld in artikel 80 [74] is geen voorziening mogelijk. Hiervoor is gekozen
vanwege het feit dat het gaat om een overbruggingsperiode in de
bestuurlijke voorfase. Deze fase dient niet te worden verlengd, omdat de
belanghebbende na die fase gebruik kan maken van de reguliere
rechtsbescherming. In dit verband is verder nog van belang dat burgemeester en
wethouders in principe binnen vier weken een beschikking op de aanvraag dienen af te
geven (artikel 4.1.3.1 [4:13]
Awb en artikel 75 [68+70]
van dit wetsvoorstel). De belanghebbende kan tegen deze
beschikking of tegen het niet
tijdig beslissen op de aanvraag een bezwaarschrift indienen bij
burgemeester en wethouders. Ingevolge artikel 8.3.1 [8:81]
Awb
kan de indiener
van het bezwaarschrift de president van de rechtbank verzoeken
een voorlopige voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening wordt
getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Artikel 150
[141]
In dit artikel wordt strafbaar gesteld degene die in
strijd met de feiten een onjuiste opgave doet, dan wel enig gegeven
verzwijgt, ten einde rblz.|1 95
daardoor bijstand of hogere bijstand te verkrijgen of te
behouden. Het artikel richt zich niet alleen tot de betrokkene, maar
ook tot degene die namens hem optreedt, zoals een familielid. Het in dit
artikel strafbaar gestelde feit is een misdrijf. Op dit misdrijf is een
gevangenisstraf gesteld van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste
ƒ25 000,-. Deze strafbepaling komt overeen met het
bestaande artikel 84e.
Artikelen 151
[142] en 152 [143]
Artikel 151 [142]
komt inhoudelijk overeen met het bestaande
artikel 84f en heeft betrekking op nalatigheid van de betrokkene om op
verzoek, dan wel uit eigen beweging, de voor een juiste toepassing
van de wet vereiste informatie te verstrekken. Het hier strafbaar
gestelde feit is een overtreding. Op deze overtreding is een hechtenis
gesteld van ten hoogste zes maanden of een geldboete van ten hoogste ƒ10
000,-.
De strafsanctie in artikel 152 [143]
betreft het niet voldoen
van de werkgever of gewezen werkgever aan de hem in artikel 127 [121]
opgelegde verplichting tot het verschaffen van gegevens welke
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze
wet. In navolging van
artikel 52 van de Organisatiewet Sociale Verzekering is in dit artikel de
strafmaat gesteld op hechtenis van ten hoogste één maand of een geldboete
van ten hoogste ƒ5000,-.
Artikel 153
[145]
Gelet op de plaats en functie van de Abw als laatste
voorziening dient steeds een nauwgezette afstemming plaats te vinden op
ontwikkelingen die zich op andere, voorliggende, terreinen voordoen.
Ook anderszins kunnen zich, blijkens signalen uit de
uitvoeringspraktijk, onvoorziene ontwikkelingen voordoen waarop, mede in het belang van
bijstandsgerechtigden, slagvaardig moet kunnen worden gereageerd.
Het is derhalve noodzakelijk dat ter verzekering van een
goede uitvoering van hetgeen bij deze wet is bepaald, bij
algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld.
Waar het onvoorziene situaties betreft die een snel en
adequaat antwoord vergen, wordt de mogelijkheid geopend om,
vooruitlopend op een algemene maatregel van bestuur, bij ministeriële
regeling regels te stellen. Ter waarborging van een zorgvuldige procedure
is de geldigheid van een dergelijke regeling in het derde lid beperkt tot
twaalf maanden.
Met het artikel is niet beoogd een delegatiebepaling van
algemene, brede, strekking in de wet op te nemen naar analogie van
het bestaande artikel 11. Mede gezien het streven naar deregulering
zal van het voorgestelde artikel slechts gebruik worden gemaakt indien de
omstandigheden daartoe dwingen, vooral in situaties waarin een goede
uitvoering van de wet en de daarop berustende bepalingen niet op andere
wijze kan worden gewaarborgd.
Artikel 154
[148]
Ten aanzien van de invoering van deze
wet zullen in een
afzonderlijke Invoeringswet regels worden gesteld. De Invoeringswet en
deze wet zullen gelijktijdig in werking treden. Het tijdstip van
inwerkingtreding wordt bij koninklijk besluit bepaald, waarbij dat
tijdstip voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden gesteld. Beoogd wordt dat de nieuwe Abw
in werking treedt per 1
juli 1993. In overeenstemming met het Bestuursakkoord dat in 1990 tussen het
Rijk
en de VNG is gesloten,
zal een uitvoeringstermijn van drie maanden worden aangehouden.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
E. ter Veld
|
|