|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1991-1992, 22 614
Invoering van een nieuwe
Algemene Bijstandswet (Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Algemene uitgangspunten |
| 2.1 |
De systematiek in hoofdlijnen |
| 2.2 |
Onderscheiding van lopende en nieuwe
gevallen |
| 2.3 |
Overbrugging |
| 2.4 |
Uitvoeringsaspecten |
| 3 |
Financiële gevolgen |
| 3.1 |
Overgangsperiode en overbruggingstoeslag |
| 3.2 |
Invoeringskosten |
| 4 |
Enkele bijzondere aspecten |
| 4.1 |
Eenvoud en noodzaak van regelgeving |
| 4.2 |
Gevolgen voor vrouwen |
| 4.3 |
Informatievoorziening en evaluatie |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 54 |
rblz.|2|
Algemeen
1.
Inleiding
Het
voorstel van wet herinrichting van de
Algemene Bijstandswet (Kamerstukken
II 1991-1992, 22 545), dat bij
koninklijke boodschap van 12
maart 1992 bij de Tweede Kamer der
Staten-Generaal is ingediend, strekt
ter vervanging van de Algemene
Bijstandswet (Stb. 1973, 395). De
intrekking van die wet met de daarop berustende nadere regelgeving
en
de invoering van een nieuwe bijstandswet
vergen invoerings- en overgangsbepalingen
en leiden tot een aanzienlijk aantal wijzigingen in
andere wetten. Al deze bepalingen zijn in
dit
voorstel van wet samengebracht.
Wijzigingen die als gevolg van de
herinrichting optreden in niet op
de Abw [Algemene
bijstandswet, red.] berustende algemene maatregelen
van bestuur worden samengebracht
in een afzonderlijk invoeringsbesluit.
In
de eerste plaats regelt dit voorstel van
wet de intrekking van de huidige
Algemene Bijstandswet [ABW, red.]
en de bepalingen
die erop berusten, alsmede
de inwerkingtreding van de nieuwe
Algemene bijstandswet. Naast
deze bepalingen die betrekking hebben op
het invoeringsrecht in formele
zin, bevat dit wetsvoorstel overgangsbepalingen inzake het recht
op bijstand, welke in het bijzonder van
betekenis zijn voor degenen die op
het moment van de inwerkingtreding van
de nieuwe Abw
reeds een bijstandsuitkering ontvangen
of die daartoe een aanvraag
hebben ingediend, terwijl burgemeester
en wethouders dienaangaande nog geen besluit hebben genomen.
Vooral
voor deze twee
situaties vormt de thans voorgestelde
Invoeringswet de verbindende
schakel tussen de rechten en plichten op
grond van de oude en de nieuwe
bijstandswet.
De
voorstellen tot wijziging van diverse
andere wetten, die zijn bijeengebracht
in hoofdstuk III van
dit wetsvoorstel,
hebben zowel betrekking op
het terrein van de sociale zekerheid
als op andere beleidsterreinen. Het
meest ingrijpend is de wijziging van de
Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw)
en
de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz). Deze beide
wetten zijn in een aantal
opzichten verwant aan de Abw: ze worden, evenals
de bijstandswet, in medebewind door
burgemeester en wethouders
uitgevoerd. Bij de totstandkoming van de
Ioaw en Ioaz is er
dan ook voor gekozen om met name de
bepalingen uit deze wetten die de
uitvoering en de procedure betreffen op
de Abw
af
te stemmen. Er is aanleiding deze
afstemming te handhaven, hetgeen impliceert
dat de herinrichting van de bijstandswet
op diverse plaatsen in de Ioaw
en Ioaz dient door te werken.
Genoemde afstemming heeft mede
betrekking op de rechtsgang; het ligt
voor de hand dat de Ioaw
en Ioaz, evenals thans het geval is, ook in
de toekomst dezelfde rechtsgang
houden als de bijstandswet. In dit
voorstel van wet zijn derhalve
tevens de wijzigingen opgenomen die
ertoe strekken de herziene
rechtsgang, zoals deze voor de
bijstandswet wordt voorgesteld, ook
in de Ioaw
en de Ioaz op te nemen. Deze rechtsgang ziet er als
volgt
uit: bezwaar bij het college van
burgemeester en wethouders - beroep
bij de (administratieve kamers van de)
rechtbanken - hoger beroep
bij de Centrale Raad van
Beroep.
Eveneens opgenomen zijn enkele
technische wijzigingen in de Ioaw
en Ioaz die verband houden met
het voorstel voor een Algemene wet
bestuursrecht (Kamerstukken I 1991-1992,
21 221, nr. 174) . Het specifieke
karakter van de Ioaw
en de Ioaz is aanleiding om, zoals in de bestaande situatie ook reeds het
geval
is, op een aantal onderdelen in die
wetten voor een invulling van rblz.|3|
bepalingen
te kiezen die van de bijstandswet
afwijkt. Dit hangt ten dele samen
met de kenmerken van de doelgroep van
beide regelingen, ten dele
met het feit dat deze regelingen een
andere plaats in het stelsel van sociale
zekerheid innemen dan de Abw, die als
laatste voorziening in het stelsel
een algemeen vangnet is; voor de Ioaw
speelt in het bijzonder nog
een rol dat deze regeling aansluit op de
Werkloosheidswet. Alle voorgestelde
aanpassingen in de Ioaw
en Ioaz zijn van
zodanige aard dat
geen wijziging optreedt in de rechtscheppende bepalingen, noch in
de
bepalingen aangaande de
uitkeringshoogte. Wat de overige wetten betreft,
zijn de voorgestelde wijzigingen van
formele aard.
Met
de intrekking van de ABW komen ook de overgangsbepalingen
te vervallen die deze wet bevat [lees:
welke die wet bevat, red.].
Genoemde overgangsbepalingen
hebben betrekking op de voormalige
Armenwet en zijn
thans feitelijk niet meer van betekenis.
Derhalve ontbreekt de noodzaak
deze bepalingen te handhaven.
De
herinrichting van de ABW heeft ingrijpende gevolgen
voor de nadere regelgeving, niet in de
laatste plaats omdat bij deze
operatie een vermindering van het aantal
nadere regels wordt voorgesteld.
Een aanmerkelijk deel van de huidige
nadere regelgeving zal niet
opnieuw worden ingevoerd, zoals blijkt
uit de bijlage bij deze memorie.
Ten aanzien van een tweetal op de ABW
berustende algemene maatregelen
van bestuur wordt herinvoering in elk
geval noodzakelijk geacht, namelijk het Bijstandsbesluit
zelfstandigen (Stb. 1986, 544} en het
Bijstandsbesluit krediethypotheek (Stb.
1983, 602). Invoerings- en overgangsbepalingen
betreffende deze nieuwe besluiten zullen
in het genoemde invoeringsbesluit worden opgenomen.
Een
voorontwerp van dit wetsvoorstel is voor
advies voorgelegd aan de Commissie
Sociale Voorzieningen van de
Sociaal-Economische Raad (SER)
en aan de Raad voor de
gemeentefinanciën (Rgf). Op de ontvangen
adviezen wordt op verschillende plaatsen
in deze memorie ingegaan.
Het advies van de SER d.d. 13 september
1991 komt aan de orde
in de paragrafen 2.1 en 2.4; aan het advies dat de Rgf
op 6 september 1991 uitbracht,
is aandacht besteed in hoofdstuk
3.
2.
Algemene uitgangspunten
2.1.
De systematiek in hoofdlijnen
Aan
dit voorstel voor een
Invoeringswet liggen, met name wat het overgangsrecht
betreft, enkele uitgangspunten van meer
algemene aard ten
grondslag. Als vertrekpunt is gekozen
dat de nieuwe
Abw zo spoedig en zo volledig als
redelijkerwijs mogelijk is toepassing
zal gaan vinden. Dit impliceert dat overgangsregels, zowel
naar
werkingssfeer als werkingsduur, beperkt
dienen te blijven. Zij vormen
immers een afwijking van het nieuwe
wettelijke regime. Dat de nieuwe
wet als regel aanstonds kan worden
toegepast ten aanzien van nieuwe
aanvragen, dat wil zeggen aanvragen die
na de peildag (de dag voorafgaand
aan de inwerkingtreding) worden ingediend, spreekt voor zich.
De invoeringstermijn na afkondiging van
de nieuwe wet in het Staatsblad
biedt gemeenten de gelegenheid
zodanige
voorbereidingen te
treffen dat de nieuwe bijstandsregels
voor wat de genoemde nieuwe aanvragen
betreft onmiddellijk kunnen worden
toegepast. Overeenkomstig
het Bestuursakkoord dat in 1990 tussen
het Rijk en de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten is gesloten,
zal een invoeringstermijn
van drie maanden worden aangehouden.
rblz.|4|
Ten
aanzien van degenen die op het moment
van inwerkingtreding van de nieuwe
wet reeds een bijstandsuitkering
ontvangen, is het niet mogelijk
dat de nieuwe
Abw aanstonds wordt
toegepast. Het zeer aanzienlijke
aantal personen dat op bijstand is
aangewezen en de verwachting
dat toepassing van de nieuwe wet niet zelden tot een
aanpassing
in de sfeer van rechten en plichten zal
dienen te leiden, sluiten
de onmiddellijke toepassing op "lopende
gevallen" uit. Een dergelijke massale omschakeling naar de nieuwe
situatie zou in het bijzonder de
grotere gemeenten voor onoverkomelijke
uitvoeringsproblemen plaatsen
en zou ook bij de arbeidsbureaus tot een
opeenhoping van nieuwe
inschrijvingen kunnen leiden. Gekozen is
derhalve voor een geleidelijke
herbeoordeling van degenen die reeds op basis van de bestaande
wet
bijstand ontvangen. De doserende werking
die hiervan uitgaat, kan de zorgvuldigheid
bij de wetstoepassing alleen maar ten
goede komen. Dit voordeel
weegt naar mijn mening zwaarder dan het
nadeel dat gedurende
enige tijd na invoering van de nieuwe
wet een deel van de lopende
gevallen nog bijstand ontvangt die is
vastgesteld conform de oude
wet.
Teneinde
de voorgestelde geleidelijke
herbeoordeling van lopende gevallen
mogelijk te maken, was in het voorontwerp
van wet voor de volgende
benadering gekozen:
a.
Naast de gebruikelijke invoeringstermijn
van drie maanden (voorafgaand
aan de datum van inwerkingtreding) wordt
de gemeenten vanaf de inwerkingtreding
een overgangstermijn van negen maanden
geboden waarin
lopende gevallen opnieuw worden
beoordeeld aan de hand van de nieuwe
wet. Een dergelijke overgangstermijn stelt de gemeenten in
staat
de herbeoordeling te laten plaatsvinden
bij gelegenheid van de reguliere
heronderzoeken die op grond van de bestaande wet reeds zijn
voorgeschreven.
De totale termijn voor de omschakeling
van toepassing van
de oude naar toepassing van de nieuwe
wet bedraagt dus twaalf maanden.
b.
Door middel van de genoemde
herbeoordelingsonderzoeken wordt per
geval vastgesteld tot welke
rechtsgevolgen toepassing van de nieuwe
Abw leidt. Zodra in een concreet geval deze
herbeoordeling heeft plaatsgevonden,
stellen burgemeester en wethouders de
belanghebbende van
de resultaten daarvan schriftelijk in kennis. Het betreft hier een
kennisgeving
die slechts een informerende functie
vervult, bij wijze van vooraankondiging
van het nadien door burgemeester en wethouders in
het
betrokken geval te treffen besluit. Aan
de kennisgeving zijn dus geen rechtsgevolgen
verbonden. Gedurende de overgangstermijn
van negen maanden worden mutatis
mutandis de oude
rechten gecontinueerd.
c. De individuele toekenningsbesluiten, waarin per geval wordt aangegeven
tot welke rechtsgevolgen de toepassing van de nieuwe Abw leidt, worden
door burgemeester en wethouders
getroffen zodra de genoemde termijn
van negen maanden sinds de
inwerkingtreding van de nieuwe wet is
verlopen. Op die wijze wordt verzekerd
dat deze rechtsgevolgen voor alle
lopende gevallen op hetzelfde tijdstip
ingaan . De belanghebbende kan
tegen de individuele
toekenningsbesluiten desgewenst bezwaar
en beroep
aantekenen. Tegen de onder b genoemde
kennisgevingen, die niet
direkt tot rechtsgevolgen leiden, staat
geen rechterlijke voorziening open.
De
Commissie Sociale Voorzieningen van de
SER stemde blijkens zijn advies
van 13 september 1991 gedeeltelijk met
deze in het voorontwerp gevolgde benaderingswijze in: de
Commissie deelde
de opvatting van het rblz.|5|
kabinet
dat enerzijds de nieuwe
Abw, nadat deze
formeel in werking is getreden,
zo spoedig en zo volledig als
redelijkerwijs mogelijk is, moet worden
toegepast, doch dat het anderzijds voor
het grote aantal lopende gevallen
noodzakelijk is de herbeoordeling op grond van
de nieuwe
wet
geleidelijk
te doen plaatsvinden. De Commissie kon
zich ermee verenigen dat
voor de herbeoordeling van lopende
gevallen aan de gemeenten vanaf
de inwerkingtreding een overgangstermijn
van negen maanden wordt geboden waarbinnen burgemeester en
wethouders per geval vast dienen
te stellen of, en zo ja, welke
rechtsgevolgen aan toepassing van de nieuwe
Abw dienen te worden verbonden.
De Commissie stelde zich evenwel,
in afwijking van het hiervoor onder b en
c beschreven voorstel uit
het voorontwerp, op het standpunt dat
genoemde rechtsgevolgen onmiddellijk
in aansluiting op het
herbeoordelingsonderzoek dienen in te
gaan,
hetgeen naar de mening van de Commissie duidelijke voordelen voor
de uitvoerbaarheid heeft; er behoeft dan
niet zowél een informatieve
kennisgeving aan de belanghebbenden te
worden gestuurd als een toekenningsbesluit
na afloop van de overgangstermijn. Zo'n
procedure achtte
de Commissie bovendien niet inzichtelijk
voor de belanghebbenden,
terwijl er verder het risico aan kleeft
van een opeenstapeling van bezwaarschriften
na afloop van de overgangsfase.
Aangezien de herinrichting
van de ABW in het algemeen niet leidt
tot een verslechtering van uitkeringsrechten,
was de Commissie van mening dat op het
waarborgen van
de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid
in de overgangsfase niet zo'n zwaar
accent behoeft te worden gelegd als in
het voorontwerp is geschied.
De Commissie gaf er daarentegen de
voorkeur aan het verschil in
behandeling tussen lopende gevallen en
nieuwe gevallen zo klein mogelijk
te houden, aangezien de realisatie van
de doeleinden van de herinrichting
voor beide categorieën van even groot
belang zijn. Een deel van
de werknemersleden van de
Commissie was
van mening dat er op de door
de Commissie bepleite hoofdregel een
uitzondering moet worden gemaakt
ten aanzien van de lopende gevallen die
als gevolg van de toepassing
van de nieuwe Abw in inkomen
achteruitgaan. Deze rechtsgevolgen
zouden volgens dit deel pas dienen in te
gaan na afloop van de overgangstermijn
van negen maanden. Deze benadering zou
ook moeten worden
gevolgd ten aanzien van de lopende
gevallen (alleenstaande ouders
en partners) waaraan door toepassing van
de nieuwe Abw voor het
eerst de verplichting tot
arbeidsinschakeling wordt opgelegd.
Het
advies van de Commissie Sociale
Voorzieningen is aanleiding geweest
de procedure voor de herbeoordeling van
lopende gevallen opnieuw
te bezien. De regering heeft daarbij
getracht aan door de Commissie genoemde bezwaren tegemoet te komen, met
behoud evenwel
van voldoende waarborgen aangaande de rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid.
Het zonder meer overnemen van de door de
Commissie voorgestelde
hoofdregel heeft namelijk het nadeel dat
de belanghebbenden
dan niet uit de
Invoeringswet kunnen
aflezen wanneer de rechtsgevolgen
van de nieuwe
Abw op hen van toepassing
worden, terwijl bovendien deze rechtsgevolgen voor de
één eerder
ingaan dan voor de ander,
afhankelijk van het tijdstip waarop men
voor een heronderzoek aan
de beurt komt. Dat de rechtsgevolgen
slechts in een relatief gering aantal
gevallen een verlaging van de bijstand
inhouden, doet niet af aan de
aan wetgeving te stellen eisen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.
Aangezien het wetgevingsbeleid echter
mede gericht is op het zoveel
mogelijk beperken van bestuurslasten, is
er aanleiding gevonden tot
zodanige bijstelling van het in het
voorontwerp neergelegde systeem dat
de uitvoerbaarheid wordt vergemakkelijkt.
rblz.|6|
Eén
en ander heeft ertoe geleid dat voor de
herbeoordeling van lopende
gevallen in het voorstel van wet de
volgende systematiek is gekozen:
a.
Voor de herbeoordeling van lopende
gevallen wordt de gemeenten in
aansluiting op de gebruikelijke
invoeringstermijn van drie maanden vanaf
de inwerkingtreding van de nieuwe
Abw een overgangstermijn van negen
maanden geboden waarin lopende gevallen
opnieuw worden beoordeeld
aan de hand van
de nieuwe
wet. Deze
overgangstermijn stelt de
gemeenten in staat de herbeoordeling te
laten plaatsvinden bij gelegenheid
van de reguliere heronderzoeken die op
grond van de bestaande
wet reeds zijn voorgeschreven. Dit is
overeenkomstig het voorstel
uit het voorontwerp.
b. Onmiddellijk in aansluiting op de herbeoordeling van een lopend geval
treffen burgemeester en wethouders een
nieuw toekenningsbesluit dat
is gebaseerd op de nieuwe Abw. Dit
betekent dat, in overeenstemming
met de door de
SER-commissie
geadviseerde hoofdregel, de rechtsgevolgen
van de nieuwe wet direct in aansluiting
aan de herbeoordeling
ingaan. Het betreft hier zowel de
rechtsgevolgen die op de rechten
als die welke op de verplichtingen
betrekking hebben.
c.
In het nieuwe toekenningsbesluit
specificeren burgemeester en wethouders
tot welke rechtsgevolgen de toepassing
van de nieuwe Abw in
het betreffende geval leidt. Voor het
relatief beperkte aantal gevallen waarin
die toepassing rechtstreeks leidt tot
wijziging van de hoogte van de bijstand wordt in het besluit vermeld
dat die wijziging pas ingaat zodra
negen maanden sinds de inwerkingtreding
van de nieuwe wet zijn verstreken.
Dit betekent dus dat alle wijzigingen in
het uitkeringsniveau van
lopende gevallen (verlagingen zowel als
verhogingen) die een rechtstreeks
gevolg zijn van de toepassing van de nieuwe
Abw op hetzelfde, uit de
Invoeringswet afleesbare, tijdstip
ingaan. Deze benadering geeft de
lopende gevallen de zekerheid dat bij
gelijkblijvende omstandigheden
bestaande rechten voorshands worden
gecontinueerd en beperkt de
bestuurslasten voor de gemeenten tot een
aanvaardbaar niveau. Hoewel
toepassing van de nieuwe Abw, zoals reeds werd aangegeven,
slechts
in een beperkt aantal lopende gevallen
tot een wijziging van het uitkeringsniveau
zal leiden, zijn aan het eventueel met terugwerkende
kracht
(tot aan de dag van inwerkingtreding van
de nieuwe wet) doorvoeren
van niveauwijzigingen overwegende
nadelen verbonden; voor verlagingen is dit geen begaanbare weg, terwijl bij
een eventuele verhoging
met terugwerkende kracht zich het
probleem voordoet dat over
een reeds verstreken periode alsnog moet
worden vastgesteld in welke
mate betrokkene aanspraak op die
verhoging kan doen gelden. Dit soort
complicaties wordt door de gekozen
systematiek voorkomen. In de overgrote
meerderheid van de lopende gevallen
waarin een wijziging van de
uitkeringshoogte niet aan de orde is,
zal de nieuwe Abw onmiddellijk in
aansluiting op de herbeoordeling
volledig van toepassing zijn. Dit betreft
mede de gevallen waarin die toepassing
er voor het eerst toe leidt dat
verplichtingen in verband met
arbeidsinschakeling aan de bijstand worden
verbonden. Er is geen aanleiding te
bepalen dat dergelijke verplichtingen
pas na afloop van de overgangstermijn
van negen maanden
ingaan. In de nieuwe Abw wordt immers
reeds bepaald dat bij het
opleggen van dergelijke verplichtingen
afstemming dient plaats te vinden
op de omstandigheden in het individuele
geval en dat burgemeester
en wethouders bevoegd zijn om bepaalde
verplichtingen niet op te leggen of daarvan tijdelijk ontheffing
te verlenen indien hiertoe naar hun
oordeel aanleiding bestaat vanwege
redenen van medische of sociale aard of vanwege redenen die zijn
gelegen in aard en doel van de bijstand.
In samenhang met het opleggen van
verplichtingen tot arbeidsinschakeling
komen bovendien vormen van dienstverlening of voorzieningen
voor de betrokken persoon beschikbaar
die hem of haar rblz.|7|
ondersteunen
om de afhankelijkheid van een
bijstandsuitkering te beëindigen; het
dient geen doel om daarmee onnodig te
wachten. Ten slotte wordt door,
in de gevallen waarin daartoe aanleiding
is, de verplichtingen te stellen
in aansluiting op de herbeoordeling, een
zekere spreiding bereikt, hetgeen
met name ook van betekenis is in verband
met de doorverwijzing
van de belanghebbenden naar de
dienstverlening van het arbeidsbureau.
d.
Zodra de aanpassing van het
uitkeringsniveau ingaat, dat wil zeggen negen maanden
na de inwerkingtreding van de nieuwe Abw, hebben de lopende
gevallen waarvoor de bijstand lager
wordt, gedurende drie maanden
recht op een overbruggingsuitkering,
zoals ook reeds in het voorontwerp
was voorgesteld.
De
voorgestelde geleidelijke herbeoordeling
leidt ertoe dat degenen die
op de peildag reeds recht op algemene
bijstand hebben niet onmiddellijk
met de overgang van bestaande naar nieuwe
wet worden geconfronteerd.
Uit een oogpunt van rechtszekerheid is
het van belang dat de intrekking
van de bestaande ABW en de invoering van de
nieuwe wet als zodanig geen inbreuk
maken op reeds bestaande rechten.
Besluiten van burgemeester en wethouders
die op grond van de bestaande
wet zijn getroffen, blijven van kracht
tot het moment waarop een
nieuw besluit wordt genomen. Eén en
ander komt er samengevat op
neer dat degene die in de peilmaand een
algemene bijstandsuitkering ontving
en wiens recht op de peildag niet is
geëindigd, dit recht niet verliest
of verminderd ziet worden louter vanwege
de invoering van de nieuwe
wet; steeds zal er ten aanzien van
lopende gevallen eerst een herbeoordeling
door burgemeester en wethouders dienen
plaats te vinden
alvorens mutaties aan de hand van de
nieuwe wet plaatsvinden.
2.2.
Onderscheiding van lopende en nieuwe
gevallen
Vanzelfsprekend
is de nieuwe
wet meteen van toepassing
op degenen die
na de inwerkingtreding ervan een
aanvraag indienen, de zogenaamde nieuwe gevallen.
In enkele situaties zal niet aanstonds
duidelijk zijn of sprake is van
een nieuw dan wel een lopend geval:
a.
Allereerst betreft dit degenen die korte
tijd vóór de inwerkingtreding van
de nieuwe wet een aanvraag hebben
ingediend waaromtrent burgemeester
en wethouders echter op het tijdstip van
inwerkingtreding nog geen
besluit hebben genomen. Bepalend is hier
het moment waarop het recht
op bijstand ingaat. Heeft betrokkene
reeds vanaf het moment van aanvragen
recht op bijstand, dan is het recht nog
vóór de inwerkingtreding
van de nieuwe wet, dus nog onder de
vigeur van de oude wet, ontstaan.
Betrokkene dient dan te worden
aangemerkt als een lopend geval,
waarop de overgangstermijn van negen
maanden van toepassing is
en ten aanzien waarvan gedurende die termijn een herbeoordeling aan de
hand van de nieuwe wet zal moeten
plaatsvinden. Ontstaat in de geschetste
situatie het recht echter na de
inwerkingtreding van de nieuwe
Abw, dan is sprake van een nieuw geval
waarop de nieuwe wet aanstonds
van toepassing is.
b.
Ten aanzien van degenen die in de
peilmaand reeds algemene bijstand
ontvingen en die dus worden aangemerkt
als een lopend geval, kan
het zich voordoen dat gedurende de
overgangstermijn van negen maanden
de noodzaak van bijstandverlening
tijdelijk wordt onderbroken, bijvoorbeeld
doordat men gedurende korte tijd betaalde arbeid verricht.
Indien
men na een dergelijke korte onderbreking
opnieuw een beroep op bijstand
doet, is de vraag aan de orde of sprake
is van een lopend of een nieuw
geval. In het wetsvoorstel is ervoor
gekozen bij een onderbreking gedurende
een volledige kalendermaand of langer de
betrokkene als een rblz.|8|
nieuw
geval aan te merken. Duurt de
onderbreking daarentegen korter dan
een kalendermaand, dan wordt betrokkene
nog steeds aangemerkt als
een lopend geval, waarvoor de
rechtsgevolgen van de nieuwe wet niet
eerder ingaan dan nadat een
herbeoordelingsonderzoek heeft plaatsgevonden.
Door in deze situatie de grens te leggen
bij een kalendermaand,
wordt aangesloten bij de
maandsystematiek die de nieuwe Abw hanteert
op het punt van de verrekening van
inkomsten op maandbasis en de hoofdregel dat algemene bijstand
maandelijks aan het einde van de
kalendermaand wordt betaald.
c.
Afgezien van de hiervoor onder b
genoemde onderbreking van de bijstandverlening
kan het zich ten aanzien van lopende
gevallen voordoen dat
gedurende de overgangstermijn van negen
maanden en nog voordat het
herbeoordelingsonderzoek heeft
plaatsgevonden, een zodanige wijziging
in de omstandigheden van persoon of
gezin optreedt dat burgemeester
en wethouders daarin aanleiding zien
voor het treffen van een nieuw
besluit inzake de verlening van algemene
bijstand. Een dergelijk nieuw
besluit vindt zijn wettelijke basis in
de nieuwe wet; na de intrekking
van de oude wet kunnen daarop immers
geen nieuwe besluiten
meer worden gebaseerd. Uiteraard vergt
niet iedere wijziging in de
omstandigheden van belanghebbenden die
leidt tot een aanpassing van
de uitkering of van de verplichtingen
een nieuw toekenningsbesluit van
burgemeester en wethouders. Of er in een
bepaalde concrete situatie
aanleiding is tot het treffen van een
nieuw besluit inzake de verlening
van algemene bijstand, is ter
beoordeling van burgemeester en wethouders.
2.3.
Overbrugging
De nieuwe
Abw brengt geen
verandering in het niveau
van de bijstandsnormen. Niettemin zal de
toepassing van de nieuwe
wet in een beperkt aantal lopende
gevallen voor betrokkenen tot een
lagere uitkering kunnen leiden dan men
op grond van de bestaande wet
ontving. Dit effect kan optreden ten aanzien van situaties die de
bestaande
wet openlaat (en dus overlaat aan het
oordeel van burgemeester
en wethouders), doch die in de nieuwe
wet zijn gecodificeerd, in aansluiting
bij de in de loop der jaren ontstane
jurisprudentie. Indien een gemeente
ten aanzien van die gevallen tot nu toe
een eigen beleid hanteerde
dat tot een ruimere bijstandverlening
leidt dan de codificatie in
de nieuwe wet voorschrijft, treedt een
inkomensteruggang op. Als voorbeeld
kan dienen het zogenaamde co-ouderschap.
Hoewel de jurisprudentie hier
de aangewezen geachte berekening van de
bijstand gedetailleerd aangeeft,
behoeft die jurisprudentielijn burgemeester en wethouders er
niet
van te weerhouden ruimere criteria te
hanteren. Noch de bestaande wet,
noch de bestaande nadere regelgeving,
bevatten immers een voorschrift
aangaande het bij co-ouderschap te
hanteren bijstandsniveau.
In het voorstel voor een nieuwe Abw is een dergelijk voorschrift wél gegeven, waarbij
aansluiting bij genoemde jurisprudentie
is gezocht. Toepassing daarvan kan in
gemeenten die tot nu toe
op dit punt een ruimer beleid hebben
gevoerd dus tot minder bijstand
leiden. Voor deze en soortgelijke
gevallen voorziet de voorgestelde
Invoeringswet in een
overbruggingstoeslag gedurende een
periode van
drie maanden. In die periode wordt het
verschil tussen de uitkering die
men had en de nieuwe uitkering in drie
stappen overbrugd . Deze overbrugging
zal plaatsvinden ongeacht de omvang van
het verschil tussen
oude en nieuwe uitkering. De
overbruggingstoeslag wordt ambtshalve
toegekend, zodat de belanghebbende
daartoe geen afzonderlijke aanvraag
behoeft in te dienen.
rblz.|9|
Samengevat
is de overbruggingstoeslag van
toepassing op:
-
de lopende gevallen van wie, zodra negen
maanden na de inwerkingtreding
van de nieuwe
Abw zijn verstreken, de
algemene bijstand door toepassing
van de nieuwe Abw op een lager niveau
wordt vastgesteld. De
toeslag wordt dan aansluitend verleend.
Op dezelfde wijze worden behandeld
de lopende gevallen die in een
vergelijkbare positie verkeren, maar
van wie de algemene bijstand tijdens de
overgangstermijn van negen
maanden korter dan een kalendermaand
onderbroken is geweest;
-
de lopende gevallen ten aanzien waarvan
zich nog voordat het herbeoordelingsonderzoek
heeft plaatsgevonden een zodanige
wijziging in
de omstandigheden voordoet dat
burgemeester en wethouders daarin aanleiding
vinden voor het treffen van een nieuw
besluit. Indien in dit nieuwe
besluit de algemene bijstand lager dan
voorheen wordt vastgesteld,
is er vanaf dat moment aanleiding voor
het verstrekken van een overbruggingstoeslag
voor zover die verlaging een direct
gevolg is van de
toepassing van de nieuwe Abw en dus niet
louter voortvloeit uit de gewijzigde
omstandigheden van persoon en gezin.
De
lopende gevallen ten aanzien waarvan de
verlening van algemene bijstand
gedurende de overgangstermijn van negen
maanden gedurende een
kalendermaand of langer onderbroken is
geweest, dienen bij hernieuwde
verlening van algemene bijstand
hetzelfde te worden behandeld
als andere nieuwe gevallen, zodat er
voor hen geen aanleiding is
voor een overbruggingsuitkering.
2.4.
Uitvoeringsaspecten
In
de voorgaande paragrafen werd reeds
aangegeven dat, mede ter bevordering
van de uitvoerbaarheid van de overgang
van de oude naar de nieuwe
wet, is gekozen voor een
geleidelijke herbeoordeling van lopende
gevallen gedurende een overgangstermijn
van negen maanden na
de inwerkingtreding van de nieuwe
Abw.
Deze termijn wordt voldoende
ruim geacht om kleine en grote gemeenten
in staat te stellen het
lopende bestand te onderzoeken, teneinde
vast te stellen of toepassing van de nieuwe wet voor de betrokkenen
tot een aanpassing in de
sfeer van rechten of plichten dient te
leiden.
De
wijze waarop aan deze herbeoordeling
praktisch uitvoering wordt gegeven,
kan het beste door burgemeester en
wethouders, afhankelijk van
de lokale situatie, worden bepaald. De
genoemde overgangstermijn maakt
het mogelijk deze herbeoordeling
gelijktijdig te doen plaatsvinden met
het reguliere heronderzoek zoals voorgeschreven in artikel 3 van het
Besluit
verantwoording en vergoeding
uitkeringskosten ABW, Ioaw
en Ioaz (Bvvu, Stcrt. 1987, 188). Naar
aanleiding van het herbeoordelingsonderzoek
dienen burgemeester en wethouders in
aansluiting daarop een nieuw
toekenningsbesluit te treffen.
Aansluiting bij het reguliere heronderzoek
kan betekenen dat bedoelde
herbeoordelingen gespreid in de overgangstermijn
van negen maanden zullen plaatsvinden.
Indien burgemeester
en wethouders er de voorkeur aan geven
deze herbeoordelingen in
een korter tijdsbestek gebundeld te doen
plaatsvinden, staat hen dit vrij.
Een zo spoedig mogelijke toepassing van
de nieuwe Abw op lopende
gevallen verdient daarbij de voorkeur,
teneinde de overgangssituatie
zo kort mogelijk te laten duren.
In
het wetsvoorstel voor een nieuwe
bijstandswet is bepaald dat de algemene
bijstand als regel maandelijks aan het
einde van de kalendermaand
wordt betaald. Aldus wordt gekozen voor
een landelijke uniformering
van het gebruikelijke betaaltijdstip. In
een aantal gemeenten worden
momenteel nog andere betaaltijdstippen gehanteerd. Voor
nieuwe
gevallen kan ook in deze gemeenten
zonder bezwaar worden overgestapt
naar de nieuwe betaalwijze; ten aanzien
van lopende rblz.|10|
gevallen evenwel dient uitdrukkelijk acht te
worden geslagen op de gevolgen
voor de liquiditeit van de betrokken
bijstandsgerechtigden. Zo zou
een plotselinge omschakeling van een
systeem van voorafbetaling naar
achterafbetaling voor lopende gevallen
betekenen dat men met één maanduitkering
een periode van twee maanden dient te
overbruggen. Dit zou
een onaanvaardbaar gevolg zijn. Een
geleidelijke omschakeling in dit soort
gevallen is dan ook geboden. Artikel 13 verklaart burgemeester en wethouders
bevoegd om voor deze situaties ten
aanzien van lopende gevallen
de periode waarover en het tijdstip
waarop algemene bijstand wordt
verleend te continueren. Het staat de
gemeenten vrij om ook voor de
lopende uitkering en het op grond van de
nieuwe Abw voorgeschreven
betaalsysteem te hanteren. Met artikel
13 [12] wordt alleen beoogd de
nieuwe regeling op dit punt niet
dwingend voor te schrijven. Ook volgens
jurisprudentie die zich de laatste jaren
heeft ontwikkeld, heeft de gemeente
de bevoegdheid over te gaan tot een
nieuwe betaalsystematiek,
mits de belangen van de
bijstandsgerechtigden daarbij niet worden
geschaad. Hierbij dienen burgemeester en
wethouders met name door
toekenning van een
overbruggingsuitkering te voorkomen dat
de belanghebbende
in liquiditeitsproblemen geraakt als
gevolg van de verstoring
van de periodiciteit van de betaling (zie hiervoor
RvS, Afdeling
geschillen van bestuur, 7 juni 1988,
JABW 1988/279). De toekenning
van een dergelijke
overbruggingsuitkering dient er echter
niet toe
te leiden dat over de gehele
bijstandsperiode bezien bijstand tot een
hoger bedrag wordt verstrekt dan zonder
een dergelijke wijziging zou zijn
verstrekt (zie bijvoorbeeld KB
[kroonberoep, red.] van 7
februari 1991, JABW 1991/96). De
verleende overbruggingsuitkering dient
derhalve hetzij te worden verrekend
met toekomstige bijstandsuitkeringen,
hetzij aan het einde van de
bijstandsperiode met het daarna ontvangen inkomen. Ook een geleidelijke
verschuiving van het betaaltijdstip
wordt in de jurisprudentie aanvaardbaar
geacht als de gemeente voldoende
waarborgen biedt dat de
betrokkenen daardoor niet in
liquiditeitsproblemen raken (zie RvS, Afdeling
geschillen van bestuur, 1 december 1989,
JABW 1990/73). Indien gedurende een kalendermaand of langer
geen recht op algemene bijstand
heeft bestaan, is het niet bezwaarlijk
de betrokken persoon bij hervatting
van de bijstandverlening wat de
betaalwijze betreft als een nieuw
geval te behandelen. De Commissie
Sociale Voorzieningen van de
SER
heeft geadviseerd de nieuwe betaal- en
verrekenwijze, die zij een verbetering
acht ten opzichte van de bestaande
situatie, om die reden ook
voor lopende gevallen wettelijk voor te
schrijven. De regering is hiervan evenwel geen voorstander. Een dergelijk
voorschrift zou alle gemeenten
die nu nog een afwijkende systematiek
hanteren, verplichten tot
een - vaak ingrijpend -
omschakelingsproces; de gevolgen van die
omschakeling
kunnen per gemeente zeer verschillend
zijn, gelet op de bestaande
diversiteit in betaal- en
verrekensystemen. Het treffen van een landelijke
uniforme regeling voor deze omschakeling
is dan ook niet goed mogelijk.
Het verdient in deze omstandigheden duidelijk de voorkeur de
gemeenten
de gelegenheid te bieden om, al naargelang de eigen
situatie,
zelf te bepalen of, wanneer en op welke
wijze men voor de lopende
gevallen zal omschakelen naar de nieuwe
systematiek. De gemeente
heeft zo tevens de mogelijkheid om
bijvoorbeeld na verloop van
enige tijd, wanneer het aantal lopende
gevallen als gevolg van de uitstroom
is verminderd, tot omschakeling te
besluiten, waardoor de bestuurlijke
lasten en de kosten van de omschakeling
minder zullen zijn. Navolging
van het advies van de SER-commissie zou
tot aanzienlijke extra
uitgaven ten laste van de rijksbegroting
leiden, enerzijds omdat een wettelijk
voorgeschreven omschakeling gepaard zou
moeten gaan met compensatie
door het Rijk van de daaraan voor de
gemeenten verbonden apparaatskosten,
anderzijds vanwege de dan optredende
opeenhoping van
gevallen waarin ter voorkoming van een
tijdelijk gebrek aan liquide middelen een overbruggingsuitkering zou moeten
worden verstrekt. rblz.|11|
Door
genoemde compensatie van apparaatskosten
zou bovendien de merkwaardige
situatie ontstaan dat de gemeenten die
thans nog een afwijkende
systematiek volgen (een minderheid) de
kosten van omschakeling
vergoed krijgen, terwijl de gemeenten
die de afgelopen jaren uit eigen
beweging reeds tot die omschakeling
hebben besloten de daaraan verbonden
apparaatskosten zelf hebben moeten
dragen. Een dergelijk verschil
in behandeling wordt niet juist geacht.
De
in dit voorstel van wet opgenomen
bepalingen worden ter uitvoering
in medebewind opgedragen aan
burgemeester en wethouders der gemeenten. Dat is als regel de gemeente
die wordt aangewezen door artikel
14 en volgende van de bestaande
ABW, namelijk
de gemeente waar de betrokken persoon zich bevindt. Het
overgangsrecht
houdt immers voor de lopende gevallen
een tijdelijke voortzetting
in van de op grond van de bestaande wet
geldende rechten, tot aan het moment waarop gedurende de
overgangstermijn van negen maanden de nieuwe
wet wordt toegepast. Op het
betreffende tijdstip zal eveneens
moeten worden beoordeeld of de gemeente
die tot op dat moment
de bijstand verstrekt, ook op grond van
artikel 72 [63]
van de nieuwe
Abw de bevoegde gemeente is.
Artikel 72 [63] wijst immers
niet langer de bevindgemeente aan als de
gemeente van bijstand,
doch de gemeente waar de belanghebbende
woonplaats heeft als
bedoeld in titel 3 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek. Indien er aanleiding
is tot het verstrekken van een
overbruggingstoeslag als bedoeld
in artikel 6 [-] van deze
Invoeringswet,
zijn burgemeester en wethouders
als bedoeld in artikel 72 [63]
van de
nieuwe Abw daartoe de aangewezen instantie.
Het
toezicht op de uitvoering van deze
Invoeringswet berust bij de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Hij wordt hierin bijgestaan
door de rijksconsulenten sociale
zekerheid. Dit toezicht zal zich vooral
richten op de vraag of het
overgangsrecht op correcte wijze wordt toegepast,
alsmede op een globale beoordeling van
de doelmatigheid van
het invoeringsproces. Inherent aan deze
toezichtsfunctie is dat de rijksconsulenten
de gemeenten zo
nodig over de juiste
toepassing van de Invoeringswet
zullen informeren en dat zij beschikbaar
zijn voor overleg met
gemeenten.
3.
Financiële gevolgen
Zoals
is aangegeven in hoofdstuk 6 van de
memorie van toelichting bij het
wetsvoorstel tot herinrichting van de
ABW verloopt deze operatie, afgezien
van de inmiddels gerealiseerde
decentralisatie van de bijzondere
bijstand, budgettair neutraal. Wel zal
op termijn de doorwerking
van de beoogde effectievere uitstroombevordering naar
verwachting
een gunstige invloed op het
uitgavenniveau hebben.
In
de overgangssituatie van de bestaande
naar de nieuwe
wet zullen zich
tijdelijke financiële effecten
voordoen. Hierop wordt onderstaand nader
ingegaan. Genoemde tijdelijke
financiële effecten zullen zich voordoen
in het invoeringsjaar en hangen samen
met het hanteren van een
overgangsperiode, het bieden van de mogelijkheid van een overbruggingstoeslag
voor lopende gevallen en de kosten die
gepaard gaan met de
technische invoering van de nieuwe wet.
3.1.
Overgangsperiode en overbruggingstoeslag
De
herinrichtingsoperatie wordt mede
opgezet met het oog op het leveren
van meer maatwerk door een zuiverder
afstemming van de rblz.|12|
bijstand
op de omstandigheden en mogelijkheden in
het individuele geval.
Deze afstemming kan in individuele
gevallen leiden tot de verlening
van meer of minder bijstand dan onder de
bestaande wet het geval
is. Dit zal zich per saldo vertalen in
het verloop van de bijstandslasten.
De verwachting is dat de meer- en
minderuitgaven per saldo in evenwicht
zullen zijn.
In
dit wetsvoorstel voor een
Invoeringswet wordt een overgangsperiode
van negen maanden gehanteerd. Gedurende
deze periode zullen lopende
gevallen worden herbeoordeeld in het
licht van de nieuwe
wetgeving.
Overeenkomstig de voorgestelde
systematiek gaan eventuele aanpassingen
in de hoogte van de bijstand die het
gevolg zijn van toepassing
van de nieuwe
Abw pas in zodra de
overgangstermijn van negen
maanden is verstreken. Zoals eerder werd
aangegeven, betreft het hier
een relatief beperkt aantal gevallen.
Nieuwe gevallen ontvangen uiteraard
direct een uitkering overeenkomstig de nieuwe
wet. Er kunnen zich
als gevolg van de nieuwe regelgeving, in
vergelijking met de oude situatie,
zowel meer als minder lasten voordoen.
Naar verwachting zal de Abw-populatie
naar samenstelling in de nieuwe situatie
niet significant afwijken
van die in de thans bestaande situatie.
Dientengevolge mag worden
aangenomen dat de "plussen en
minnen"
in het uitgavenverloop elkaar
grosso modo in evenwicht houden.
De
conclusie lijkt daarom gerechtvaardigd
dat, behoudens enkele verschuivingen
binnen de totale Abw-lasten, de
overgangsperiode geen extra
bijstandslasten met zich brengt.
Zoals
in paragraaf 2.3 reeds werd aangegeven, kan er in
bepaalde specifieke gevallen
aanleiding zijn voor het verstrekken
gedurende drie maanden van
een overbruggingstoeslag voor degenen
die reeds op grond van de bestaande
wet algemene bijstand ontvangen en die
als gevolg van de toepassing
van de nieuwe
Abw een lagere
bijstandsuitkering gaan ontvangen.
Dit kan zich met name voordoen in enkele
situaties waarvoor momenteel
nog geen regels zijn gegeven en waarin
de gemeenten op grond
van eigen criteria de bijstand
vaststellen. In gemeenten die op grond
van dergelijke eigen criteria een hogere
algemene bijstandsuitkering
verleenden dan de nieuwe Abw voorschrijft, kan zich voor belanghebbenden
dus een verlaging van de uitkering
voordoen. Aangezien gemeenten in dergelijke situaties thans reeds als
regel aansluiten bij de bestaande
jurisprudentie en deze jurisprudentie
ook uitgangspunt is geweest
voor de in de nieuwe Abw op te nemen
regels, zullen dergelijke effecten
zich naar verwachting slechts in een
betrekkelijk gering aantal gevallen
voordoen.
De
kosten van de voor deze gevallen
gedurende drie maanden te verstrekken
overbruggingstoeslag worden geraamd op ƒ5
mln. Van dit bedrag
dient 90% ter dekking van de aan de
toeslag verbonden uitgaven voor
de rijksbegroting; 10% is bestemd voor
toevoeging aan de algemene
uitkering van het gemeentefonds in verband met het gemeentelijk
aandeel.
3.2.
Invoeringskosten
De
herinrichtingsoperatie zal gedurende de
overgang van de bestaande
naar de nieuwe situatie van gemeenten
een aantal werkzaamheden
vragen. Het gaat daarbij met name om:
-
het herbeoordelen van de lopende
gevallen;
-
het opstellen en verzenden van nieuwe
beschikkingen voor de lopende
gevallen;
rblz.|13|
-
deskundigheidsbevordering van
uitvoerende ambtenaren, zodat zij in staat
zijn de nieuwe regelgeving adequaat uit
te voeren;
-
technische aanpassingen
(computerprogrammatuur, nieuwe formulieren
e.d.).
Niet
al deze activiteiten leiden tot extra
kosten voor de gemeenten. Zo kan
de herbeoordeling van lopende gevallen
worden gecombineerd met het
reguliere heronderzoek. Wel leidt het
feit dat er vanwege het intrekken
van de bestaande wet, voor alle lopende
gevallen door burgemeester
en wethouders nieuwe beschikkingen
moeten worden afgegeven,
tot kosten voor de gemeenten. Het gaat
hierbij naar verwachting
in totaal om ruim 500 000 beschikkingen,
waarbij evenwel moet
worden aangetekend dat het reguliere
heronderzoek doorgaans ook reeds
leidt tot het afgeven van óf een
schriftelijke kennisgeving aan de belanghebbende
indien het heronderzoek niet tot een
wijziging leidt, óf van
een aangepaste beschikking indien de
uitkering of de daaraan verbonden
verplichtingen wel wijziging ondergaan.
Niettemin
zullen zich als gevolg van de invoering
van de nieuwe
Abw bij
de lopende gevallen meer mutaties
voordoen dan er in een vergelijkbaar
tijdsbestek van negen maanden doorgaans
optreden als gevolg van
de reguliere heronderzoeken,
bijvoorbeeld doordat bij gehuwden verplichtingen
tot arbeidsinschakeling mede aan de
partner worden opgelegd.
Genoemde extra mutaties zullen worden
gecompenseerd. Verder
zijn er voor de gemeenten tijdelijk
extra kosten verbonden aan de instructie
en omscholing van personeel. Het is
immers noodzakelijk dat medewerkers
van gemeentelijke sociale diensten en
afdelingen sociale zaken
tijdig afdoende in de nieuwe regelgeving
zijn ingevoerd. Dat geldt eveneens
voor de leden van gemeentelijke
adviescommissies. Voor de tijdelijke
extra kosten die aan bedoelde om
scholingsactiviteiten zijn verbonden,
zullen de gemeenten eveneens moeten
worden gecompenseerd.
Door toevoeging in het jaar van
invoering van een eenmalig bedrag
van ƒ20 mln aan het gemeentefonds zullen
de gemeenten worden
gecompenseerd voor de tijdelijke extra
kosten voortvloeiend uit alle
bijkomende werkzaamheden die het gevolg
zijn van de invoering van de nieuwe Abw.
De
Raad voor de gemeentefinanciën heeft
over de aan de nieuwe
Abw verbonden invoeringskosten geadviseerd.
De Raad stelt zich in zijn advies
van 6 september 1991 op het standpunt
dat het genoemde compensatiebedrag
van ƒ20 mln niet toereikend is en wijst
er hierbij ter vergelijking
op dat de totale apparaatskosten die zijn verbonden aan de
reguliere
uitvoering van de bestaande ABW op
jaarbasis ƒ500 mln bedragen.
Verder is de Raad van mening dat voor de
bepaling van de compensatie
op ƒ20 mln onvoldoende onderbouwing is
gegeven. Geconstateerd
moet worden dat de Rgf in zijn advies
niet aannemelijk heeft gemaakt
dat de door het kabinet voorgestelde
compensatie ontoereikend is.
De Raad noemt geen kostenposten waarin
het voorgestelde compensatiebedrag
niet voorziet en draagt ook anderszins
geen concrete gegevens
aan waaruit zou kunnen blijken dat
genoemd bedrag te gering is.
Aangezien het compensatiebedrag van ƒ20
mln uitsluitend betrekking heeft
op de tijdelijke extra apparaatskosten
die zijn verbonden aan de invoering
van de nieuwe Abw, gaat de door de Raad
gemaakte vergelijking
met de totale apparaatskosten van het
reguliere uitvoeringsproces naar
de mening van de regering niet op. Nu
het Rgf-advies geen nieuwe inzichten
bevat die tot een betere raming zouden
kunnen leiden, vormt het
geen aanleiding de compensatie op een
ander bedrag te bepalen.
Overigens
is de systematiek voor de herbeoordeling
van lopende gevallen
waarvoor uiteindelijk in dit
wetsvoorstel is gekozen minder belastend
voor de uitvoering dan de systematiek
die, als voorontwerp, rblz.|14|
aan
de Raad ter advisering was voorgelegd:
het verzenden van schriftelijke
kennisgevingen aan en het aanhouden van
een tijdelijk schaduwbestand van de herbeoordeelde lopende gevallen
zijn als gevolg van de nu gekozen
systematiek komen te vervallen. Wat
betreft de structurele situatie
is het uitgangspunt dat de nieuwe Abw niet tot hogere uitvoeringskosten
voor gemeenten leidt. Tegenover de
intensivering van inspanningen
die de nieuwe
wet
op enkele onderdelen
vraagt, staat een verlichting
voor de uitvoering op andere punten als
gevolg van een aanzienlijke
deregulering. Indien de Raad door
middel van een eigener beweging
uit te brengen advies haar opmerkingen
aangaande de structurele
uitvoeringskosten tijdig onderbouwt, zal
worden beoordeeld of dat advies
aanleiding geeft de uitvoeringskosten
van de nieuwe wet opnieuw te
bezien.
4.
Enkele bijzondere aspecten
4.1.
Eenvoud en noodzaak van regelgeving
Met
de herinrichting van de ABW wordt een vereenvoudiging
en betere systematisering van de
regelgeving nagestreefd. Er is
sprake van een operatie die het
bestaande complex van regelgeving ingrijpend
wijzigt. Enerzijds werken de wijzigingen
door naar de individuele
gevalsbehandeling, anderzijds naar diverse andere wetten en
nadere regelingen. Daaruit vloeit de noodzaak
voort regels te stellen ten aanzien
van het overgangsrecht, alsmede van het invoeringsproces en de
wijzigingen
in andere regelingen. Hiertoe strekt
deze
Invoeringswet. Er is naar
gestreefd de bepalingen in deze
Invoeringswet tot het noodzakelijke te
beperken. Van het stellen van regels
aangaande de wijze waarop de omschakeling
van de bestaande ABW naar de nieuwe
wet
dient plaats te vinden, kan niet worden
afgezien; deze omschakeling dient
immers in een betrekkelijk kort
tijdsbestek in alle gemeenten en ten aanzien
van honderdduizenden
bijstandsgerechtigden vorm te krijgen. Door
de hoofdlijnen van het invoeringsproces
in enkele wettelijke bepalingen
vast te leggen, wordt dit proces in vaste
banen geleid. Tevens wordt
de individuele bijstandsgerechtigde zo de
noodzakelijke duidelijkheid
verschaft, hetgeen van wezenlijk belang
is uit een oogpunt van rechtszekerheid
en rechtsgelijkheid. Beide
laatstgenoemde aspecten maken
het bovendien noodzakelijk dat de
continuïteit ten aanzien van bestaande rechten in voldoende mate is
gewaarborgd. De zorgvuldigheid vraagt
dat ook ten aanzien van aanvragen en
bezwaar en beroepschriften
waarop bij de inwerkingtreding nog niet
is beslist buiten twijfel wordt
gesteld op grond van welk wettelijk
regime deze zullen worden afgehandeld.
In de memorie van toelichting bij het
voorstel van wet
herinrichting
van de Algemene Bijstandswet is
uitvoerig aan het aspect vereenvoudiging
van regelgeving aandacht besteed;
daarnaar wordt verwezen (paragraaf
4.2.2).
De
omschakeling van de bestaande naar de
nieuwe bijstandswet zal onvermijdelijk
gedurende enige tijd tot extra
werkzaamheden bij de gemeenten
- met name bij de gemeentelijke sociale
diensten en de afdelingen
sociale zaken - leiden. Deze bijkomende
werkzaamheden zullen
zich concentreren in de periode van drie
maanden na de publicatie van
de nieuwe bijstandswet en van deze wet
in het Staatsblad en de periode
van negen maanden daarna, wanneer de
nieuwe bijstandsregels mede
hun toepassing moeten gaan vinden op de
lopende gevallen. Er is getracht
deze bijkomende werkzaamheden zoveel
mogelijk te beperken door
mogelijk te maken dat de herbeoordeling
van lopende gevallen kan plaatsvinden
bij gelegenheid van de zogenaamde
heronderzoeken die op grond van
de bestaande ABW toch al moesten worden
ingesteld. Overigens rblz.|15|
wordt
wat de uitvoeringsaspecten en de
financiële gevolgen betreft, verwezen
naar paragraaf 2.4 en
hoofdstuk 3 van deze memorie.
Niet
te verwachten valt dat deze
Invoeringswet zal leiden tot een aanmerkelijke
verzwaring van de werklast van het
justitiële apparaat. Op bezwaar-
en beroepschriften die vóór de
inwerkingtreding van de nieuwe
Abw zijn ingediend en waarop
nog niet is beslist, blijven
de bepalingen van de bestaande wet van
toepassing (zie artikel 14 [13]).
De rechtsgevolgen van de nieuwe
Abw ontstaan voor
de lopende gevallen gespreid in de tijd gedurende de overgangstermijn
van negen maanden; alleen wijzigingen in
de hoogte van de bijstandsuitkering
(die zich, zoals eerder werd aangegeven,
slechts in enkele
specifieke situaties kunnen voor doen)
gaan voor de lopende gevallen
gelijktijdig na afloop van de periode
van negen maanden in. Ook wanneer
geen sprake is van een aanpassing van de
hoogte van de uitkering,
is het uiteraard mogelijk dat de
belanghebbende tegen het nieuwe
besluit als zodanig een bezwaar- of beroepschrift indient, bijvoorbeeld
tegen een opgelegde verplichting gericht
op inschakeling in het arbeidsproces.
Naar verwachting zullen dergelijke
bezwaar- en beroepschriften
zich wel in enige mate voordoen, maar
niet talrijk zijn, aangezien
aan het opleggen van bedoelde
verplichtingen overleg met de belanghebbende
voorafgaat, waarbij steeds een
afstemming zal moeten plaatsvinden
op diens omstandigheden en
mogelijkheden. Dit verkleint de
kans aanzienlijk dat de belanghebbende
tegen een dergelijke beslissing
van burgemeester en wethouders verzet
[lees: bezwaar, red.] zal aantekenen. Aangezien
ook het aantal gevallen waarin de nieuwe
Abw tot een lagere uitkering
leidt, beperkt is, zal zich naar
verwachting ten tijde van het invoeringsproces
geen sterke toename voordoen van het
aantal bezwaar- en
beroepschriften.
4.2.
Gevolgen voor vrouwen
In
het
voorstel van wet herinrichting van de
Algemene Bijstandswet [lees: memorie van toelichting bij het
voorstel van wet
herinrichting
van de Algemene Bijstandswet, red.]
is nader
ingegaan op de gevolgen van deze
operatie voor vrouwen (paragraaf
7.2). Daar
is gewezen op de noodzaak van een
gerichte aandacht voor vrouwen
met een bijstandsuitkering; met name de
mogelijkheden voor vrouwen
in de bijstand tot (her)intreding op de arbeidsmarkt vragen
bijzondere
aandacht. Deze
Invoeringswet bevat op
dit punt geen regelgeving.
De afstemming op de omstandigheden en
mogelijkheden in het individuele
geval die dient plaats te vinden bij het
al dan niet opleggen van
op arbeidsinschakeling gerichte
verplichtingen maakt reeds deel uit van
de voorgestelde nieuwe
Abw. Het is derhalve niet noodzakelijk
hieromtrent een overgangsbepaling op te
nemen. Ten aanzien
van de categorie alleenstaande ouders -
doorgaans vrouwen - leidt
de herinrichtingsoperatie tot een
tweetal wijzigingen.
Allereerst
wordt in de omschrijving van het begrip
alleenstaande ouder bepaald
dat de betrokken ouder de volledige zorg
dient te hebben voor één
of meer ten laste komende kinderen. Het
criterium "volledige zorg" is
een noodzakelijke toevoeging ter
onderscheiding van de situatie van co-ouderschap;
in de voorgestelde nieuwe Abw wordt ten
aanzien van co-ouderschap geregeld hoe
de hoogte van de algemene bijstand
dient te worden vastgesteld (artikel
30 [29+30], derde lid). Indien een
gemeente aan een co-ouder voorheen een hogere
bijstandsuitkering verstrekte
dan genoemd artikel voorschrijft, is er
aanleiding voor een overbruggingstoeslag
als bedoeld in artikel
6 [-]. Dit zal zich
overigens naar verwachting
niet vaak voordoen, aangezien de in de
nieuwe Abw opgenomen
bepaling aansluit bij de bestaande
jurisprudentie aangaande de
bijstandverlening bij co-ouderschap.
rblz.|16|
Een
tweede wijziging betreft de bepaling van
de leeftijdsgrens van het ten
laste komende kind op 18 jaar, mede in
relatie tot het recht op de bijstandsnorm
voor een eenoudergezin (90% van het nettominimumloon).
Invoering van genoemde leeftijdsgrens
betekent dat de alleenstaande
ouder met uitsluitend één of meer ten
laste komende kinderen
in de leeftijdscategorie van 18 tot 21
jaar niet langer in aanmerking
komt voor genoemde bijstandsnorm. In
deze situatie zal een beroep
kunnen worden gedaan op de
garantietoeslag uit artikel 40 [-] van de
voorgestelde nieuwe
bijstandswet.
Voor
alleenstaande ouders die de zorg hebben
voor uitsluitend één of meer
ten laste komende kinderen van 18, 19 of
20 jaar en die in de peilmaand
reeds bijstand ontvingen naar de norm
voor een eenoudergezin
overeenkomstig het Bln, blijft de
90%-norm van toepassing, zoals blijkt
uit de voorgestelde overgangsbepaling in
artikel 7 [-].
4.3.
Informatievoorziening en evaluatie
Aan
dit voorstel van wet zijn geen
structurele aspecten van informatievoorziening
verbonden. Uit het specifieke karakter
als
Invoeringswet volgt
reeds dat het een wet betreft waarvan de
werking zich concentreert op
een overzienbaar tijdsbestek. Niettemin
is het proces van invoering van
een nieuwe Abw
van zodanig belang dat voor het
landelijk
bijstandsbeleid over relevante informatie daaromtrent moet kunnen
worden beschikt. Door de inzet van de
rijksconsulenten sociale zekerheid,
die de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid bijstaan
bij de uitoefening van het toezicht op
de gemeentelijke uitvoering
van deze wet, kan naar verwachting in
voldoende mate actuele informatie
over het verloop van het
invoeringsproces worden vergaard. De
rijksconsulenten zullen belangrijke signalen aangaande de uitvoeringspraktijk
doorgeven aan het centrale niveau;
omgekeerd zullen zij ook voor
de gemeenten als informatiekanaal
fungeren. Voor het geval bij de uitvoering
van deze wet onvoorziene vragen mochten
rijzen, is het de taak
van de rijksconsulenten te fungeren als
aanspreekpunt voor de gemeenten
en als verbindende schakel met de
centrale overheid. Naast de
informatie over het lopende proces van
invoering die door tussenkomst
van de rijksconsulenten kan worden
verkregen, acht ik het gewenst
dat de gang van zaken en de gevolgen van
de invoering van de nieuwe Abw na enige tijd
worden geëvalueerd. Ik ben voornemens
daartoe door externe onderzoekers een
evaluatieonderzoek te
laten verrichten. Het ligt voor de hand
dat in dit onderzoek zal worden nagegaan
in hoeverre de doelstellingen van de
herinrichtingsoperatie (met name de effectievere bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening,
de versterking van de maatwerkbenadering
en een betere afstemming
van de bijstandverlening op andere
voorzieningen) worden gerealiseerd.
Verder zouden enkele nieuwe onderdelen
van de herziene ABW
op hun effect kunnen worden onderzocht,
terwijl in algemene zin ook
de uitvoeringsaspecten aandacht
verdienen.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1
Uit
onderdeel b blijkt dat in dit voorstel
van wet onder "Algemene
Bijstandswet"
zowel de bestaande ABW wordt verstaan
alsook de daarop
berustende algemene maatregelen van
bestuur en ministeriële regelingen.
Waar derhalve in dit wetsvoorstel wordt
gesproken over intrekking
van de ABW (artikel
3) of het van toepassing
blijven van de ABW (bijvoorbeeld artikel
4, rblz.|17|
eerste
lid), wordt mede gedoeld op de nadere
regelgeving die op de bestaande
wet berust.
Artikel
2
Hoofdstuk
II van dit voorstel van wet bevat
bepalingen aangaande de bijstandverlening
in de overgangssituatie. Deze bepalingen
regelen het gewenst
geachte invoeringsproces. Op de correcte
en doelmatige toepassing
van die bepalingen, leidend tot een
zorgvuldig invoeringsproces,
dient van rijkswege te worden toegezien
op vergelijkbare wijze als
waarop toezicht wordt gehouden aangaande
de reguliere bijstandverlening.
Daarenboven brengt de overgangssituatie
van de bestaande naar de
nieuwe bijstandswet specifieke
vraagstukken mee waarbij de rijksconsulenten
een rol dienen te vervullen als
intermediair tussen centrale en lokale overheid.
Artikelen
4 en 5
Deze
artikelen regelen de
invoeringssystematiek voor wat de
lopende gevallen
betreft. Genoemde systematiek is reeds
uitvoerig toegelicht in paragraaf
2.1
van het algemene deel van deze memorie.
Uit het eerste lid van artikel
4 blijkt dat de overgangsperiode van
negen maanden slechts van toepassing
is ten aanzien van de lopende gevallen
die algemene bijstand ontvangen,
al dan niet in combinatie met bijzondere
bijstand. Voor degenen
die (op periodieke basis) uitsluitend
bijzondere bijstand ontvangen,
is er geen aanleiding een dergelijke
overgangstermijn te hanteren;
aangezien de nieuwe
Abw voor wat betreft
de (periodieke) bijzondere
bijstand niet afwijkt van de bestaande
regelgeving, behoeft voor
die gevallen bij de inwerkingtreding van
de nieuwe wet slechts pro forma
een nieuw besluit te worden getroffen, daar de wettelijke
grondslag
aan de oude besluiten komt te ontvallen.
De voorbereiding van deze
nieuwe besluiten kan geschieden
gedurende de invoeringstermijn van
drie maanden voorafgaand aan de
inwerkingtreding. Voor de gevallen
die zowel algemene als bijzondere
bijstand ontvangen, is de overgangsperiode
van negen maanden van toepassing. De
herbeoordeling
en het treffen van een nieuw besluit
kunnen zo voor beide soorten bijstand
gelijktijdig plaatsvinden. Soms zal het voordelen voor de
uitvoering
bieden om het moment waarop ten aanzien
van de bijzondere bijstand
de draagkracht voor een nieuwe periode
moet worden vastgesteld
tevens aan te grijpen voor de
herbeoordeling van de algemene bijstand
aan de hand van de nieuwe wet. De
overgangsperiode biedt daartoe
de mogelijkheid.
Artikel 4, tweede lid, onderdeel b, heeft
betrekking op een zodanige verandering
in de omstandigheden van de betrokken
persoon of het gezin
dat het geldende besluit (gebaseerd op
de bestaande ABW)
niet kan worden gehandhaafd; een
wijziging in de feitelijke omstandigheden
van de betrokkene dwingt dan als het
ware tot het treffen
van een nieuw besluit. Dit nieuwe
besluit kan slechts, gelet op de intrekking
van de bestaande wet, op de nieuwe wet
worden gebaseerd. Met
ingang van dit nieuwe besluit dient de
toepassing van de bestaande wet
op grond van het eerste lid dan ook te
eindigen. In artikel
5, derde lid,
is uitdrukkelijk bepaald dat wanneer na
de herbeoordeling van een lopend
geval aan de hand van de nieuwe wet door
burgemeester en wethouders
een nieuw besluit wordt genomen, in dit
besluit melding dient
te worden gemaakt van de rechtsgevolgen
waartoe de toepassing van
de nieuwe Abw in dat geval leidt. Hoewel
er ook zonder zo'n voorschrift
geen twijfel is dat een besluit van een
deugdelijke motivering moet
zijn voorzien, is er gezien de
bijzondere omstandigheid van een overgang
naar een geheel herziene wet voor
gekozen de vermelding van de rblz.|18|
rechtsgevolgen in het toekenningsbesluit
uitdrukkelijk voor te schrijven.
Uiteraard behoeven slechts die
rechtsgevolgen te worden vermeld
die in het betreffende geval een
afwijking opleveren ten opzichte van
hetgeen op belanghebbende van toepassing
was. Een wijziging in de hoogte
van de algemene bijstand als gevolg van
toepassing van de nieuwe
wet gaat in negen maanden na de peildag
(vierde lid). In het besluit dient het vanaf dat tijdstip geldende
normbedrag te worden vermeld,
naast het tot dat tijdstip geldende
bedrag. Het vierde lid van artikel
5 heeft uiteraard geen betrekking op
wijzigingen in de hoogte van de
bijstand waartoe weliswaar naar
aanleiding van het in het eerste lid bedoelde
onderzoek wordt besloten, maar die geen
rechtstreeks gevolg zijn
van van toepassing van de nieuwe wet,
doch die uit een wijziging in de
omstandigheden van betrokkene of uit een
algemene aanpassing van de
normbedragen voortvloeien. Dergelijke
niveauwijzigingen dienen onmiddellijk
te worden doorgevoerd.
Met
betrekking tot het vijfde en zesde lid
wordt nog het volgende opgemerkt.
Het in de nieuwe
Abw geïntroduceerde woonplaatscriterium
kan ertoe leiden dat een andere gemeente
de bijstand
moet verlenen dan voorheen. Dit kan
vooral het geval zijn met betrekking
tot de bijstandverlening aan personen in
een inrichting. De voorgestelde
regeling in artikel 72 [63]
van de nieuwe wet
brengt mee dat de verlening
van bijstand overgaat van de
vertrekgerneente naar de gemeente
waar de inrichting is gevestigd (ingeval het verblijf in de inrichting
geen vooropgezet tijdelijk karakter
heeft). Zodra burgemeester en
wethouders na de inwerkingtreding van de
nieuwe wet constateren dat
een andere gemeente aangewezene is om de
bijstand te verlenen, dienen
zij ervoor te zorgen dat het betreffende
geval wordt aangemeld en
overgedragen aan burgemeester en
wethouders van de gemeente die het
genoemde artikel 72 [63]
daartoe aanwijst.
Een dergelijke aanmelding en overdracht
dienen plaats te vinden onder
gelijktijdige mededeling daarvan
aan de belanghebbende en toezending van
de op het geval betrekking
hebbende stukken aan de aangewezen
gemeente. Burgemeester
en wethouders van die (ontvangende)
gemeente nemen de bijstandstaak
onverwijld over en dienen uitvoering te
geven aan het eerste
tot en met het vierde lid. Zolang er in
de overdrachtssituatie echter
nog geen beslissing is genomen, blijft
het recht op bijstand bestaan
tegenover de gemeente die het geval
heeft aangemeld. De procedurele
voorschriften en de geschillenregeling
uit artikel 73 [64]
en 74 [-] van de nieuwe Abw
zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel
6 [-]
Ten
aanzien van de lopende gevallen kan het
zich in een beperkt aantal situaties
voordoen dat toepassing van de nieuwe
Abw tot een lagere uitkering
leidt dan op grond van de bestaande wet
werd verleend, met name
in die gevallen waarin gemeenten, in
situaties waarin de bestaande regelgeving
niet of slechts ten dele voorziet, in
ruimere mate bijstand verleenden
dan
de nieuwe wet voorschrijft. Dit
artikel regelt dat in dergelijke
gevallen ambtshalve gedurende drie
maanden een overbruggingstoeslag
wordt verleend. Een afzonderlijke
aanvraag van de belanghebbende
om voor een overbruggingstoeslag in
aanmerking te komen, is derhalve niet nodig. Er is slechts reden om een
overbruggingstoeslag te verstrekken
voor zover de verlaging van de bijstand
een rechtstreeks gevolg
is van de toepassing van de nieuwe Abw;
een verlaging die het gevolg
is van een verandering in de
omstandigheden van persoon of gezin
of die voortvloeit uit een
sanctiemaatregel, geeft geen recht op een
overbruggingstoeslag. De toeslag strekt
er dus toe om voor de lopende
gevallen die louter doordat op hen voor
het eerst de nieuwe wet wordt toegepast een verlaging van hun
uitkering ondervinden, een rblz.|19|
overbrugging
naar het lagere uitkeringsniveau te
bieden. De omvang van de
verlaging is geen criterium. De
overbruggingstoeslag wordt verstrekt vanaf
het moment waarop de genoemde verlaging
van de bijstand voor de
betrokkene ingaat. In paragraaf
2.3 van het
algemene deel van deze memorie is nader
aangegeven in welke situaties de
overbruggingstoeslag van toepassing
is. Bij personen die op grond van de
bestaande wet als gevolg van een administratieve sanctie een
verlaagde uitkering ontvangen,
vraagt de beoordeling of en in welke
mate er aanleiding is een
overbruggingstoeslag te verlenen bijzondere aandacht. Het ligt voor
de
hand daarbij uit te gaan van de
volledige (ongekorte) uitkering waarop op
grond van de bestaande wet recht
bestond. Een sanctie die gedurende
de toeslagperiode ingaat, dient
uiteraard niet te leiden tot een verhoging
van de toeslag, aangezien de toeslag dan
de oneigenlijke functie zou vervullen van het (ten dele)
tenietdoen van de sanctie.
Voor
een aantal aanwijsbare situaties waarin,
zonder dat de omstandigheden
van belanghebbenden zijn gewijzigd,
toepassing van de nieuwe Abw zou leiden tot beëindiging van het
recht op bijstand of tot de overgang
naar een andere, lagere bijstandsnorm,
dan wel waarin zonder nadere
maatregel bestaand overgangsrecht zou
vervallen, is in de artikelen
7 [-], 8, 9 en 10
[-] een specifieke
overgangsbepaling opgenomen.
Artikel
7 [-]
Als
criterium voor de aanmerking als een
alleenstaande ouder geldt in de nieuwe
Abw dat de
alleenstaande één of meer ten laste
komende kinderen jonger dan 18 jaar
heeft. Momenteel geldt hiervoor
een leeftijdsgrens van 21 jaar. Voor de
alleenstaande met kinderen
in de leeftijdscategorie van 18 tot 21 jaar die onmiddellijk
voorafgaand
aan de inwerkingtreding van
de nieuwe wet reeds algemene bijstand
ontvangt, zou de nieuwe voorwaarde
derhalve betekenen dat het normbedrag
voor een alleenstaande gaat gelden in
plaats van het normbedrag
voor een alleenstaande ouder. Op grond
van artikel 40 [-] van de
nieuwe Abw
wordt dit
weliswaar aangevuld tot de bijstandsnorm
die voor gehuwden geldt, maar in
voorkomende gevallen zou
ook met deze aanvulling een inkomensachteruitgang kunnen
optreden.
Het zou niet billijk zijn om voor deze
groep, die onder de bestaande
regelgeving uitzicht had op voortgezette bijstandverlening overeenkomstig
de norm voor een alleenstaande ouder,
met ingang van de
nieuwe wet een ander normbedrag te gaan
toepassen, zonder dat de omstandigheden
van de betrokkenen zijn gewijzigd.
Derhalve wordt het wenselijk
geacht om voor deze categorie niet te
volstaan met de overbruggingsregeling
uit artikel 6 [-], maar een specifieke
overgangsbepaling
op te nemen. Daartoe wordt voorgesteld
om het normbedrag voor een
alleenstaande ouder te handhaven. De periode waarin dit overgangsrecht
feitelijk geldt, is beperkt tot een
periode van drie jaar. Na drie jaar is
het jongste kind namelijk ten minste 21
jaar oud, waarbij ook op grond van
de oude wet voor de betrokkene de
alleenstaandeoudernorm niet meer
van toepassing zou kunnen zijn.
Artikel
8
In
de nieuwe Abw
is de
bevoegdheid om bijstand te verlenen
aan in het buitenland gevestigde
Nederlanders niet meer opgenomen.
In paragraaf 5.2 van de memorie van toelichting
bij het voorstel van Wet
herinrichting
van de Algemene Bijstandswet
(Kamerstukken II 1991-1992,
22 545) is uiteengezet waarom deze bevoegdheid is komen
te
vervallen. Dit artikel voorziet in het
overgangsrecht.
In
het artikel wordt bepaald dat lopende
uitkeringen ingevolge artikel 82
van de ABW bij
ongewijzigde omstandigheden rblz.|20|
kunnen
worden voortgezet indien men niet over
voldoende financiële middelen
beschikt om in de noodzakelijke kosten
van het bestaan te voorzien.
De bijstand wordt afgestemd op het
niveau van de bestaanskosten
ter plaatse. Indien de bijstand kort vóór of na inwerkingtreding van
deze wet voor korte tijd is onderbroken,
kan de bijstand worden hervat
indien men opnieuw onverhoopt in de
financiële problemen is geraakt.
In dat geval is in feite sprake van een
nieuwe toekenning, waarvoor
een aanvraag moet worden ingediend.
Hierbij gelden de voorwaarden
die ook nu bij de toepassing van artikel
82 van de ABW van kracht
zijn: uitsluitend Nederlanders die niet
(mede) in het bezit zijn van de
nationaliteit van het woonland en wier
verblijf aldaar is gelegaliseerd, kunnen
voor bijstand in aanmerking komen.
Voorts geldt dat de bijstand uitsluitend
op aanvraag hervat kan worden indien de
periode van onderbreking
niet langer is dan zes maanden. De
termijn van zes maanden biedt
een ruime aanloopfase om na
werkaanvaarding opnieuw een zelfstandig
bestaan op te bouwen. Na een langere
onderbreking is geen bijstand
meer mogelijk. Behoudens deze beperking
is geen begrenzing in de
duur van het overgangsrecht opgenomen.
Gelet op de samenstelling van
het huidige bestand van 800 personen is
een algemene afbakening niet
mogelijk. Dit betekent niet dat eenmaal
toegekende bijstand zonder meer
onbeperkt wordt voortgezet. Veelal is de
toegekende bijstand van tijdelijke
aard, waardoor Nederlanders in staat
worden gesteld een tijdelijk
gemis aan inkomen op te vangen. Veel
bijstandsontvangers zullen
echter in verband met een hoge leeftijd
niet snel meer een zelfstandige
bestaansvoorziening kunnen opbouwen,
terwijl na een jarenlange
vestiging in het buitenland ook een
terugkeer naar Nederland geen reële
mogelijkheid is. Per geval zal afgewogen
moeten worden welke perspectieven
bij voortzetting van het verblijf, dan
wel bij terugkeer naar Nederland,
aanwezig zijn. Met name voor jongeren
zal terugkeer naar Nederland
een reële mogelijkheid kunnen zijn,
voor gevallen waarin een voortzetting
van het verblijf in het buitenland op
termijn geen perspectief biedt.
Behalve de leeftijd zullen bij deze
beoordeling ook andere factoren,
zoals de duur van het verblijf in het
woonland, de binding met Nederland
en de arbeidsmarktkansen in Nederland,
betrokken moeten worden.
Deze beoordeling geschiedt ook binnen de
huidige systematiek van
bijstandverlening, waarbij aan de hand
van de individuele omstandigheden
jaarlijks wordt bezien of de bijstand
verlengd kan worden. Deze systematiek
blijft gehandhaafd voor de uitkeringen
die op grond van het overgangsrecht
worden voortgezet. Ook de procedure van
de aanvraag, hercontrole
en uitbetaling van de bijstand blijft
ongewijzigd. Dit geschiedt
door tussenkomst van de Nederlandse
vertegenwoordiging ter plaatse.
Ook de bijstand die op grond van artikel
95 van de bestaande wet
wordt verleend, zal na inwerkingtreding
van deze wet voortgezet worden.
Het gaat hier om een achttal Nederlanders in verpleeginrichtingen
in België, voor wie de kosten van
permanente verpleging en verzorging
rechtstreeks betaald worden.
Artikel
9
Artikel
VI, tweede lid, van het Besluit houdende
wijziging van het Bijstandsbesluit
landelijke normering met betrekking tot
de hoogte van de
uitkering voor schoolverlaters van 21
tot 27 jaar en het stellen van nadere
voorwaarden voor de hoogte van de
uitkering op grond van dat besluit
voor personen van 18 tot 21 jaar bepaalt
dat voor het eenoudergezin
waarvan het hoofd jonger is dan 21 jaar
en dat in de periode
van zes maanden vóór de inwerkingtreding
van genoemd besluit algemene
bijstand naar de norm voor een
eenoudergezin ontving en voor
wie die bijstand niet langer dan zes
maanden is onderbroken, artikel 3,
eerste lid, onderdeel b, en artikel
11a,
eerste lid, onderdeel b, van het rblz.|21|
Bln
van toepassing blijven en artikel 10a,
tweede lid, van dat besluit buiten
toepassing blijft. Het derde lid van
artikel VI bepaalt dat voor het echtpaar
waarvan één of elk der echtgenoten
jonger dan 21 jaar is en dat
in de periode van zes maanden vóór de inwerkingtreding van het
eerstgenoemde
besluit algemene bijstand ontving naar
de norm voor een echtpaar
en voor wie die bijstand niet langer dan
zes maanden is onderbroken,
artikel 3, eerste lid, onderdeel a,
artikel 6, tweede lid, onderdeel b,
en artikel 11a, eerste lid, onderdeel
a,
van het Bln van toepassing zijn en
artikel 10a, tweede lid, van dat besluit
buiten toepassing blijft. Voor degenen
die bij de invoering van deze beide
overgangsbepalingen 18 jaar
waren, dient de werking van die
bepalingen te worden gecontinueerd.
Artikel
10 [-]
Deze
bepaling houdt verband met de intrekking
van de Overgangsregeling
voor gerepatrieerden en Ambonezen.
Ingevolge artikel II, tweede lid,
van die regeling wordt een toeslag
verleend op het inkomen indien de
intrekking van de rijksgroepsregelingen
voor respectievelijk gerepatrieerden
en Ambonezen tot een inkomensachteruitgang zou leiden. De
toeslag
bedraagt het verschil tussen de
bijstandsnorm op grond van het Bijstandsbesluit
landelijke normering en de uitkering die
ingevolge de twee
eerdergenoemde rijksgroepsregelingen
werd verstrekt. Teneinde te voorkomen
dat door de intrekking van de
Overgangsregeling voor gerepatrieerden
en Ambonezen die garantietoeslag vervalt
en de betrokkenen
derhalve in inkomen achteruitgaan,
blijft artikel II, tweede lid, van die
regeling van overeenkomstige toepassing.
Daar het Bijstandsbesluit landelijke
normering ook wordt ingetrokken, dienen
de toeslagen te worden
getoetst aan de bijstandsnormen zoals
die gelden in de nieuwe
Abw.
Artikel
11 [10]
Op
grond van de nieuwe
Abw wordt voor de beoordeling
van het recht op en de hoogte van de
bijstand over een bepaalde periode
het inkomen in aanmerking genomen dat is
ontvangen in of dat betrekking
heeft op diezelfde periode. In het
verleden werd over het algemeen
een andere benadering gevolgd. Vanuit de
visie dat de kosten van
levensonderhoud worden bestreden vanuit
het daaraan voorafgaand ontvangen
inkomen werd het recht op bijstand over
een bepaalde periode
beoordeeld naar het inkomen dat
voorafgaand aan deze periode werd
ontvangen. In een dergelijke benadering
werd de bijstandsuitkering dan
ook altijd bij vooruitbetaling
beschikbaar gesteld. De periode waarover
recht op bijstand voor het eerst
ontstond, sloot dan ook niet aan
op de periode waarover het daaraan
voorafgaande inkomen voor het laatst
werd ontvangen. Hiermee in
overeenstemming liep het recht op bijstand
dan ook pas af op het moment waarop een nieuw inkomen ook
feitelijk
werd ontvangen. Bij beëindiging was er
dus sprake van een overlap
van het recht op bijstand en de periode
waarover het nieuwe inkomen
werd genoten.
De
indruk bestaat dat nog slechts enkele gemeenten voor de beoordeling
van het recht op bijstand een dergelijke
kassystematiek volgen. Toepassing
van de transactiesystematiek van de nieuwe
Abw zou betekenen dat er geen overlap meer
bestaat van de periode
waarop de laatste bijstandsuitkering betrekking heeft en het
daarna
ontvangen inkomen. Over de gehele
bijstandsperiode bezien zou de
betrokkene dan minder bijstand hebben
ontvangen dan wanneer de beoordeling
op kasbasis zou zijn voortgezet. Om te
voorkomen dat op deze
wijze de belanghebbende tekort wordt
gedaan in zijn bijstandsrechten, rblz.|22|
wordt met dit artikel de
transactiesystematiek van de nieuwe Abw niet van toepassing
verklaard voor degenen voor wie
de bijstandsuitkering op de peildatum volgens het kassysteem werd
vastgesteld.
De transactiesystematiek komt in de nieuwe
Abw tot uitdrukking in artikel 50 [47], eerste
lid, onderdeel b, waar wordt
bepaald dat ontvangen middelen als
inkomen worden aangemerkt als
deze betrekking hebben op een periode
waarover beroep op bijstand wordt gedaan. De genoemde effecten kunnen zich
niet voordoen als de betrokkene
ten minste gedurende een kalendermaand
geen bijstand heeft
ontvangen. In het tweede lid wordt dan
ook bepaald dat het overgangsrecht
bij een dergelijke onderbreking niet
meer van toepassing is.
Bij hervatting van de bijstandverlening
wordt het recht op en de hoogte
van de bijstand derhalve op
transactiebasis beoordeeld. Het buiten
toepassing verklaren van de genoemde
bepaling van de nieuwe Abw op bestaande gevallen
betekent niet dat het de betreffende
gemeenten niet zou zijn toegestaan om
ook voor hen over te gaan
op de voor de overige
bijstandsontvangers geldende
transactiesystematiek.
Overeenkomstig de jurisprudentie die
zich heeft ontwikkeld ten aanzien
van wijziging van de betalingssystematiek van de
bijstandsuitkering
dient de gemeente bij een dergelijke
wijziging ervoor zorg te dragen
dat de betrokkene - over de gehele bijstandsperiode bezien -
noch
meer, noch minder bijstand zal ontvangen
dan zonder zo'n wijziging het
geval zou zijn geweest.
Artikel
12 [11]
Op
grond van de nieuwe
Abw wordt bij de vaststelling
van de vermogenspositie geen
uitzondering meer gemaakt voor
het voor opleiding bestemde vermogen. In
individuele gevallen kan het
voorkomen dat bij de beoordeling van de
bijstandsbehoevendheid zo'n
vermogen aanwezig was. Op grond van de nieuwe
Abw zou dan - afhankelijk
van de hoogte van dat vermogen - de
bijstandverlening gedurende
kortere of langere tijd dienen te worden
stopgezet totdat dit vermogen
is "ingeteerd". Dat zou een minder
gewenste consequentie van
het nieuwe vermogensbegrip zijn. Om dit
te voorkomen, is hier bepaald
dat voor degenen die in de peilmaand
reeds bijstand ontvingen onder
vrijlating van het voor opleiding
bestemde vermogen, dit vermogen buiten
beschouwing blijft. De redactie sluit aan op die van artikel 7,
eerste
lid, onderdeel a, van de bestaande wet,
zodat verzekerd is dat een dergelijk
vermogen dat destijds buiten beschouwing
is gelaten ook op grond
van deze overgangsbepaling niet tot het
vermogen zal worden gerekend.
Artikel
13 [12]
De
aanvragen ingediend vóór of op de peildag waarop ten tijde van de
peildag nog geen besluit is genomen door
burgemeester en wethouders
worden behandeld als aanvragen in de zin
van de nieuwe
Abw indien het recht op
bijstand ingaat na de peildag.
Indien het recht evenwel ingaat vóór of
op de peildag, is de oude wet
nog van toepassing tot het moment waarop
op grond van de artikelen
4 en 5 de
nieuwe wet van toepassing is.
Onderdeel a van het eerste
lid impliceert onder meer dat op de daar
bedoelde aanvragen de beslistermijn
uit artikel 75 [68+70]
van de
nieuwe Abw nog
niet van toepassing is.
Indien het besluit op de aanvraag langer
dan één maand uitblijft, blijft voor
die gevallen de bestaande
bezwaarmogelijkheid uit artikel 35 van
de ABW gelden. Het bepaalde in
onderdeel b betekent onder
meer dat op die aanvragen artikel
71 [67],
tweede lid, van de nieuwe
Abw van toepassing is aangaande de
aanvraagprocedure.
rblz.|23|
Artikel
14 [13]
Eén
van de wijzigingen ten opzichte van de
huidige regelgeving betreft het
voorschrift op grond van artikel 79 [73],
eerste lid, om de bijstand aan het eind
van de maand uit te betalen. Voor een
groot deel van de bijstandsontvangers
betekent dit geen wijziging ten opzichte
van het nu reeds gehanteerde
betalingssysteem, aangezien de uitkering
reeds aan het eind van
de maand werd uitbetaald. In een beperkt
aantal gemeenten wordt de
uitkering echter nog wekelijks of
tweewekelijks uitbetaald. Een uitbetaling
aan het eind van de maand zou hen in
liquiditeitsproblemen kunnen
brengen. Vergelijkbare
liquiditeitsproblemen kunnen ook ontstaan
als de gemeente die overigens wel
eenmaal in de maand de uitkering
uitbetaalde, dat op een eerder tijdstip
deed dan aan het eind van
de maand. In verband hiermee geeft dit
artikel burgemeester en wethouders
de bevoegdheid om, in afwijking van
artikel 79 [73],
eerste lid, ten
aanzien van lopende gevallen de oude betaalwijze te handhaven.
Als
de verlening van algemene bijstand voor
een periode van ten minste
een kalendermaand is onderbroken, kunnen
genoemde liquiditeitsproblemen
zich niet voordoen. In het tweede lid is
dan ook bepaald dat
het overgangsrecht in het eerste lid in
zulke gevallen niet van toepassing
is, zodat dan artikel 79 [73], eerste lid,
van de nieuwe
Abw dient te worden toegepast. Voor het
overige wordt verwezen
naar paragraaf 2.4 van het algemene deel van deze
memorie, waar ook is ingegaan
op het advies van de Commissie Sociale
Voorzieningen van de
SER op dit punt.
Artikel
15 [14]
Op
de vóór of op de peildag ingediende
bezwaar- en beroepschriften waarop
ten tijde van de peildag nog geen
besluit is genomen, wordt beslist
met toepassing van de bestaande ABW. Hetzelfde
geldt voor de bezwaar- en
beroepschriften ingediend na de peildag
die betrekking hebben op de bijstandverlening die na de inwerkingtreding
van de nieuwe
Abw nog is verleend onder
toepassing van de bestaande
ABW. De bestaande wet blijft in deze situaties eveneens van
toepassing
op verzoeken om onverwijlde
bijstandverlening die aan de voorzitter
van gedeputeerde staten zijn gedaan en
op de verzoeken om schorsing
en voorlopige voorziening als bedoeld in
de Wet
op de Raad van State. Een toegewezen verzoek om
onverwijlde bijstandverlening moet
ingevolge artikel 45, tweede lid, van de
bestaande ABW
als bezwaarschrift worden behandeld door
burgemeester en
wethouders. Het derde lid van artikel 15
[14] bepaalt dat een dergelijk bezwaarschrift
wordt aangemerkt als bezwaarschrift als
bedoeld in het eerste
en tweede lid.
Artikel
16 [15]
Definitieve
kostenopgaven over het aan de peildag
voorafgaande dienstjaar
die na die dag worden ontvangen, zullen
met betrekking tot het
eventueel niet aanvaardbaar verklaren
van kosten van bijstand wat betreft
de beslistermijn op voet van de oude wet
worden afgehandeld. Dit
geldt eveneens indien de in artikel 47a
van de bestaande ABW genoemde
beslistermijn op de peildag nog niet is
verstreken. De in dat artikel
genoemde termijn van zes maanden blijft
in de hiervoor genoemde
gevallen gehandhaafd. De rechtsmiddelen
en de termijnen voor gemeenten zoals deze met betrekking tot
beslissingen op grond van
de artikelen 47a en 50 van de ABW
golden, blijven voor
dergelijke - na de peildatum genomen -
beslissingen eveneens gehandhaafd.
Kosten met betrekking tot bijstand voor
persoonlijke rblz.|24|
uitgaven
aan personen zonder gemeente van
thuisbehoren die in een inrichting
verblijven en kosten van bijstand op
grond van het Aanwijzingsbesluit
ondernemers in de binnenvaart (Stb.
1979, 60) worden ingevolge
de artikelen 48 en 49 van de ABW voor
100% door het Rijk vergoed. De nieuwe
Abw kent geen afzonderlijk
vergoedingspercentage voor gemaakte
kosten ten behoeve van bepaalde
categorieën van personen. Het
is echter denkbaar dat vóór of op de
peildag een beslissing is genomen
omtrent het toekennen van bijstand
betrekking hebbend op een
periode vóór die dag, terwijl die
bijstand eerst nadien tot uitbetaling komt.
Dit artikel voorziet in deze situatie.
Artikelen
17 en 18 [19]
Deze
artikelen betreffen de wijzigingen in de
Ioaw en de Ioaz die voortvloeien
uit de herinrichting van de ABW.
Eveneens opgenomen zijn enkele
technische wijzigingen die verband
houden met het voorstel voor een
Algemene wet bestuursrecht en de
wijzigingen die voortkomen uit de
voorgestelde aanpassing van de rechtsgang in de
Abw. Het ligt
immers
voor de hand dat de Ioaw en Ioaz,
evenals thans het geval is, ook
in de toekomst dezelfde rechtsgang
houden als de bijstandswet. Met eerder
bij het parlement ingediende voorstellen
tot wijziging van de Ioaw en Ioaz is in beide artikelen reeds
rekening gehouden. Enkele onderdelen
van de artikelen 17 en 18
[19] worden hierna
kort toegelicht. Uit de
aard van de voorgestelde wijzigingen in
de Ioaw en Ioaz volgt dat daaraan
geen terugwerkende kracht toekomt. Zo is
bijvoorbeeld het voorgestelde
artikel 11, tweede lid, alleen van
toepassing op nieuwe aanvragen.
De voorgestelde wijzigingen hebben
hoofdzakelijk het karakter
van een wetstechnische harmonisatie met
het
voorstel van wet herinrichting van de
Algemene Bijstandswet. De wijzigingen leiden niet
tot een wijziging in uitkeringsniveau
van de betrokkenen. Ook in de regeling
van rechten en plichten
wordt geen wijziging gebracht. Eén en
ander betekent dat de wijzigingen
niet van dien aard zijn dat zij
doorwerken in de individuele uitkeringen,
zodat er geen aanleiding is voor het
hanteren van een overgangsperiode
of een overbruggingsregeling, noch voor
enigerlei vorm
van overgangsrecht.
Artikel
17 ¹
Onderdeel
D: afstemming op de voorgestelde
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) impliceert dat er geen aanleiding
meer is voor het opnemen van
een afzonderlijke termijn in de Ioaw
waarbinnen burgemeester en wethouders
een besluit dienen te hebben genomen. De
termijn van zes weken
die de Awb stelt, zal daarmee tevens
voor de Ioaw van toepassing
worden. Gelet op het andere karakter van
de Ioaw is er geen aanleiding
de voor de nieuwe
Abw voorgestelde
kortere termijn van vier weken
op te nemen. Wat betreft het tweede lid
van het voorgestelde artikel
11 is aangesloten bij artikel 71 [67], tweede
lid, van de nieuwe
Abw.
Onderdeel G: dit correspondeert met artikel 73 [64]
van
de nieuwe Abw.
Onderdeel I: de in de nieuwe Abw
voorgestelde
verplichting voor de belanghebbende
tot maandelijkse opgave van ontvangen of
te ontvangen inkomen (artikel 76 [65+69], tweede en derde lid) wordt
hiermee eveneens in de Ioaw opgenomen. Ook voor de uitvoering van de
Ioaw is het immers, gelet
op de inkomenstoets van die regeling,
noodzakelijk dat burgemeester
en wethouders periodiek over een opgave
van betrokkenen kunnen
beschikken. Bij de praktische toepassing
van deze verplichting zal
er rekening mee worden gehouden dat de
inkomenstoets van de Ioaw in een aantal opzichten afwijkt van die
in de Abw.
rblz.|25|
Onderdeel N: het voorgestelde artikel 27 is
afgestemd op artikel 121 [114]
van
de nieuwe
Abw. Het is, mede gelet op de
samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
doelmatig wanneer de Ioaw op dit punt zoveel
mogelijk is afgestemd op de bijstandswet.
Onderdeel P: het bestaande artikel 39 van de
Ioaw schrijft reeds voor dat
de inrichting van de administratie van
de uitkeringen dient te voldoen aan
te stellen nadere regels. Gezien de
beoogde afstemming met de nieuwe Abw
wordt voorgesteld artikel 39 te
laten vervallen (zie onderdeel
W) en daarvoor in de plaats een nieuw
artikel 31 in te voegen, dat
correspondeert met artikel 124 [117]
van de nieuwe Abw.
Onderdeel Q: De wijziging van artikel 32 strekt
ertoe dit artikel in overeenstemming
te brengen met artikel 126 [120]
van het
voorstel van wet herinrichting van de
Algemene Bijstandswet, dat van gelijke strekking
is. In het eerste lid van artikel
32 is aangegeven dat het opdragen door
burgemeester en wethouders
van het nemen van besluiten aan gemeenteambtenaren
geschiedt
met behoud van de verantwoordelijkheid
van burgemeester en wethouders.
Hieruit vloeit voort dat de bevoegdheid
van de Kroon tot schorsing
en vernietiging van gemeentelijke
besluiten, geregeld in de Gemeentewet,
onverminderd van toepassing is indien het
besluiten betreft
die aan gemeenteambtenaren zijn
opgedragen. Het bestaande derde
lid, dat dit nog eens expliciet
aangeeft, kan derhalve worden gemist.
Onderdeel X, IJ en Z: ten aanzien van de
rechtsbescherming blijft het bestaande
uitgangspunt gelden dat de Ioaw is
afgestemd op de ABW. De
in deze onderdelen voorgestelde
bepalingen zijn eveneens opgenomen
in hoofdstuk XI (Rechtsbescherming) van
de nieuwe Abw. Een
soortgelijke bepaling als het voorgestelde artikel 43 is vanaf 1987
bij gelegenheid
van de stelselherziening in de sociale
zekerheid ook in andere socialezekerheidswetten opgenomen. Nu
de Abw, Ioaw en Ioaz
een met die wetten vergelijkbare
rechtsgang krijgen, dienen zij eveneens
de betreffende cassatiemogelijkheid te
bevatten.
1. Redactie: vanwege
de verlettering van de onderdelen van artikel
17 alsmede de vernummering van de artikelen van de Ioaw
tijdens de parlementaire behandeling zijn die onderdelen en artikelen
niet gelinkt.
Artikel
18 [19] ¹
Onderdeel
C: het eerste lid van artikel 11 van de
Ioaz ondergaat geen wijziging.
De toepassing van de Ioaz
vergt
zorgvuldig onderzoek in verband
met de toelatingsvoorwaarden. Voor dit
onderzoek is, aangezien de
doelgroep bestaat uit gewezen
zelfstandigen die hun bedrijf hebben beëindigd,
een ruimere beslistermijn nodig. De
bestaande beslistermijn van
uiterlijk zes maanden blijft
gehandhaafd. Het tweede lid correspondeert
met artikel 71 [67], tweede lid, van de
nieuwe Abw. De onderdelen F,
H,
M, O, W, X en IJ zijn hiervoor onder
artikel 17 reeds toegelicht (respectievelijk bij
onderdeel G, I, N, P, X, IJ en Z).
1. Redactie: vanwege
de verlettering van de onderdelen van artikel
19 alsmede de vernummering van de artikelen van de Ioaz
tijdens de parlementaire behandeling zijn die onderdelen en artikelen
niet gelinkt.
Artikel
28 [30]
Deze
bepaling heeft betrekking op de situatie
nadat het wetsvoorstel Algemene
nabestaandenwet (Kamerstukken II
1990-1991, 22 013) kracht
van wet heeft gekregen en daarmee de
Algemene Weduwen- en Wezenwet
zal zijn ingetrokken.
Artikel
32 [35]
De
verwijzing naar de ABW in de Wet
arbeidsvoorwaardenontwikkeling gepremieerde
en gesubsidieerde sector (WAGGS) kan
vervallen in verband
met de inmiddels gewijzigde financiering
van de bejaardenoorden.
rblz.|26|
Artikel
46 [49]
Artikel
2 van de Rompwet instellingen van
weldadigheid bevat in onderdelen
a en d een verwijzing naar de
burgerlijke instellingen van weldadigheid
als bedoeld in de artikelen 88, zesde
lid, en 89, zevende lid,
van de bestaande ABW. Beide
laatstgenoemde artikelen komen evenwel
te vervallen. Er is geen aanleiding de genoemde onderdelen van
de
Rompwet te handhaven, aangezien deze in
de huidige situatie geen feitelijke
betekenis meer hebben. De regering is
voornemens binnen afzienbare
termijn te komen tot algehele intrekking
van de Rompwet. De Rompwet
is het restant van de Wet van 1912 tot
regeling van het Armbestuur (S.165). Een belangrijk deel van die wet
is in 1963, als gevolg
van de totstandkoming van de ABW,
vervallen. Nadien heeft de
Invoeringswet van
Boek 2 van het
nieuw Burgerlijk Wetboek (Stb. 1976, 229)
tot het vervallen van diverse bepalingen
uit de Rompwet geleid. De thans
nog resterende bepalingen van de Rompwet
zijn slechts procedureel
van aard en hebben, mede door het sterk
verouderde karakter, hun
praktische betekenis verloren.
Intrekking van de wet ligt daarom in de rede. In overleg met
gemeenten worden de
gevolgen van intrekking nader
bezien, alvorens tot meer definitieve
besluitvorming te komen.
Artikel
50 [53]
Dit
artikel regelt dat aan onderdeel G van
de bijlage
bij de voorgestelde
Algemene wet bestuursrecht de artikelen
80 [74] en 149
[140] van de nieuwe
Abw worden toegevoegd. De plaatsing op
deze zogenaamde negatieve
lijst betekent dat geen
administratiefrechtelijke voorziening openstaat
tegen besluiten van burgemeester en
wethouders inzake voorschotverlening,
noch tegen besluiten van de voorzitter
van gedeputeerde
staten inzake verzoeken om onverwijlde
bijstandverlening.
Artikel
51 [-]
In
dit artikel wordt de Beroepswet op een
aantal onderdelen gewijzigd. De
aanpassing van artikel 19 van
die wet
leidt ertoe dat het beroep op de
Centrale Raad van Beroep schorsende
werking heeft in geval van een Ioaw-
en Ioaz-geschil. Dit is thans reeds
bepaald in artikel 45 van de
Ioaw en de Ioaz. De wijziging van
artikel 22
van de Beroepswet heeft tot
gevolg dat in geval van een geschil
inzake de Ioaw, Ioaz
en ABW voor
de burger die hoger beroep heeft
ingesteld een verlaagd griffierecht geldt
van ƒ100,- in plaats van ƒ300,-. Ten
slotte
betekent de toevoeging van de Ioaw, Ioaz
en Abw aan bijlage C bij de
Beroepswet dat de Centrale Raad
van Beroep bevoegd wordt verklaard, in
plaats van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State.
Artikel
54 [58]
De
herinrichting van de ABW gaat gepaard
met een aantal technische wijzigingen
in diverse algemene maatregelen van
bestuur. Deze wijzigingen
zullen worden opgenomen in een
afzonderlijk invoeringsbesluit. Het
proces van invoering van de nieuwe
Abw en het overgangsrecht
dat daarbij aan de orde is, kunnen tot
thans nog niet voorziene,
niet beoogde situaties leiden die
vergen dat op zeer korte termijn
door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid nadere regels
worden gesteld. Het tweede lid geeft de
minister de bevoegdheid daartoe.
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
E.
ter Veld
|
|