|
MEMORIE VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Beleidsregels
financieel maatregelenbeleid Abw, Ioaw en Ioaz (vervallen)
- Beleidsregels verbetertraject en
zelfstandig beroep (vervallen)
- Besluit
uitkering gemeenten Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz voor
het jaar 2001 (vervallen)
- Besluit
uitkering gemeenten Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz voor
het jaar 2002 (vervallen)
-
Besluit uitkering gemeenten Wet financiering Abw,
Ioaw en Ioaz voor het jaar 2003
(vervallen)
- Regeling
financiering en verantwoording Ioaw, Ioaz en Bbz 2004
Relevante overige regelgeving:
- Algemene bijstandswet
(vervallen)
- Invoeringswet
Wet werk en bijstand (vervallen)
- Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
- Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
- Wet werk en
bijstand
Inhoudsopgave
WFA
|
Hoofdstuk
I
|
Algemeen |
artt.
1 - 2 |
|
Hoofdstuk
II
|
Tegemoetkoming
in de uitkeringslasten |
artt.
3 - 11 |
| §
1x |
Vergoeding
uitkeringslasten gemeenten |
artt.
3 - 4 |
| §
2x |
Uitkering
voor uitkeringslasten |
artt.
5 - 9 |
| §
3x |
Vaststelling
kosten, vergoeding, terugvordering en aanvullende uitkering |
artt.
10 - 11 |
|
Hoofdstuk
III
|
Tegemoetkoming
in de uitvoeringskosten |
artt.
12 - 15 |
| §
1x |
Vergoeding
uitvoeringskosten gemeenten |
artt.
12 - 13 |
| §
2x |
Vaststelling
vergoeding |
artt.
14 - 15 |
|
Hoofdstuk
IV
|
Wijziging
andere wetten |
artt.
16 - 20 |
|
Hoofdstuk
V
|
Overgangs-
en slotbepalingen |
artt.
21 - 26 |
| xxxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxx |
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 1999-2000, 27 081.
Handelingen II 1999-2000, blz. 5919-5938, 6021-6028, 6077-6082, 6100.
Kamerstukken I 1999-2000, 27 081 (303, 303a, 303b).
Handelingen I 2000-2001, zie vergadering 26 september 2000.
Geschiedenis:
Staatsblad
2000, 383; Staatsblad 2001,
481; Staatsblad 2001, 625;
Staatsblad 2003, 376.
WET van 27 september 2000, Stb. 2000, 383,
houdende nieuwe regels voor de financiering van de Algemene bijstandswet,
de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz). Inwerkingtreding: 1 januari 2001 (Stb.
2000, 384). Vervallen met ingang van 1 januari 2004 (artikel
2, eerste lid, IWwb).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is om nieuwe regels te stellen met betrekking tot de
financiering van de Algemene
bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, teneinde aan gemeenten
een verdere stimulans te bieden het beroep op deze regelingen te
verminderen;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
HOOFDSTUK
I
Algemeen
Art.
1. Begripsbepalingen [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.
Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b.
Abw: Algemene bijstandswet;
c.
Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers;
d.
Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen;
e.
algemene bijstand: bijstand als bedoeld in artikel
6, onderdeel a,
van de Abw;
f.
bijzondere bijstand: bijstand als bedoeld in artikel
6, onderdeel b,
van de Abw;
g.
bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal: bijstand
als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Abw;
h.
bijstand ter voorziening in met de voorbereiding van een bedrijf of
zelfstandig beroep samenhangende kosten: bijstand als bedoeld in artikel
8, zesde lid, onderdeel c, van de Abw.
Art.
2. Uitgaven
ten laste van gemeenten [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
De door burgemeester en wethouders van een
gemeente
toegekende algemene
bijstand, bijzondere bijstand, bijstand ter voorziening in de behoefte
aan bedrijfskapitaal, bijstand ter voorziening in met de voorbereiding
van een bedrijf of zelfstandig beroep samenhangende kosten, uitkeringen
op grond van de Ioaw en de Ioaz en de hiermee verband houdende
uitvoeringskosten komen ten laste van die gemeente, voor zover in deze wet
niet anders is bepaald.
HOOFDSTUK
II
Tegemoetkoming
in de uitkeringslasten
§
1. Vergoeding uitkeringslasten gemeenten
Art.
3. Vergoeding
ten laste gebleven kosten [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
-1.
Onze Minister vergoedt, ten laste van 's Rijks kas, 75% van de in een
kalenderjaar ten laste van de gemeente
gebleven kosten van:
a.
algemene bijstand, waaronder begrepen de loonbelasting, premies
volksverzekeringen en de ziekenfondspremie die daarover verschuldigd
zijn, voor zover de algemene bijstand niet bij wijze van voorschot op
grond van artikel 74 van de Abw is verleend;
b.
bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal;
c.
bijstand ter voorziening in met de voorbereiding van een bedrijf of
zelfstandig beroep samenhangende kosten;
d.
uitkeringen op grond van de Ioaw, waaronder begrepen de premies
volksverzekeringen en de ziekenfondspremie die daarover verschuldigd
zijn;
e.
uitkeringen op grond van de Ioaz, waaronder begrepen de premies
volksverzekeringen en de ziekenfondspremie die daarover verschuldigd
zijn.
-2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, b en c,
is de vergoeding 100% indien de bijstand is verleend met toepassing van
artikel 63, tweede lid, van de Abw.
-3.
Onder ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in het eerste
lid, wordt verstaan de in een kalenderjaar door de gemeente verleende
bijstand en uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot
en met e, verminderd met alle ontvangsten van de gemeente in dat
jaar in verband met de verlening van bijstand en uitkering, waaronder
begrepen de bedragen die de gemeente ontvangt door toepassing van de
artikelen 14a van de Abw,
20a van de
Ioaw en 20a
van de Ioaz.
Art.
4. Voorschot op de
vergoeding [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
-1.
Onze Minister
stelt regels met betrekking tot het verlenen van
voorschotten op de vergoeding, bedoeld in artikel 3. [RfvIIB]
-2.
Indien de uitvoering van de Abw, de Ioaw
of de
Ioaz door burgemeester en wethouders, of de
administratie, bedoeld in respectievelijk de artikelen
117 van de Abw, 41
van de Ioaw of
41 van de
Ioaz, ernstige tekortkomingen vertoont, kan
Onze Minister besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan uit de
op grond van het eerste lid gestelde regels voortvloeit.
§
2. Uitkering voor uitkeringslasten
Art.
5. Uitkering ten laste gebleven
kosten [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
-1.
Voor de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel 3, die op grond
van het eerste lid van dat artikel niet voor vergoeding in aanmerking
komen, verstrekt
Onze Minister jaarlijks ten laste van 's Rijks kas aan de gemeente
een uitkering, met dien verstande dat geen uitkering wordt verstrekt
voor op grond van artikel 74 van de
Abw
verleende algemene bijstand. De uitkering wordt ten minste drie maanden
voorafgaande aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze
Minister vastgesteld.
-2.
Het bedrag van de uitkering wordt volgens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels berekend aan de hand van het
voor ieder jaar bij wet vast te stellen totale bedrag dat beschikbaar is
voor de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid. Bij of krachtens deze
maatregel kunnen regels worden gesteld omtrent het verzamelen en
vaststellen van gegevens noodzakelijk voor de berekening van het bedrag
van de uitkering. [BugW01] [BugW02]
[BugW03]
-3.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Art.
6. Verhoging
uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
-1.
Het totale bedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid, kan in het jaar
waarop het bedrag betrekking heeft en in het daaropvolgende jaar bij wet
worden verhoogd indien de ontwikkeling van de uitkeringslasten daartoe
aanleiding geeft.
-2.
Indien het totale bedrag wordt herzien, wordt het bedrag waarmee de
uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt verhoogd binnen een
periode van vier weken na de herziening door
Onze Minister
vastgesteld.
-3.
Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, wordt voor de
toepassing van de artikelen 7 en 8
onder het bedrag van de uitkering verstaan: het bedrag van de uitkering
inclusief de verhoging, bedoeld in het tweede lid.
Art.
7. Terugvordering
uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
-1.
Indien bij de vaststelling van de ten laste van de gemeente
gebleven
kosten, bedoeld in artikel 10, blijkt dat de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, minder bedragen dan
de volgens opgave van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel
11,
ten laste gebleven kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, en minder
bedragen dan het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel
5, wordt
van de uitkering een bedrag teruggevorderd.
-2.
Het terug te vorderen bedrag is:
a.
gelijk aan het verschil tussen de volgens opgave van burgemeester en
wethouders ten laste gebleven kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid,
en het op grond van artikel 10 vastgestelde bedrag van de ten laste van
de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid; of,
indien de volgens opgave van burgemeester en wethouders ten laste
gebleven kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, gelijk is aan of
hoger is dan het bedrag van de uitkering,
b.
gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de uitkering en het op
grond van artikel 10 vastgestelde bedrag van de ten
laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 5,
eerste lid.
Art.
8. Uitkeringstekort
[Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb. 2001,
481; Stb.
2003, 376]
-1. Indien bij de vaststelling van de ten laste van de
gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel 10, blijkt dat de
ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel
5, eerste lid, in
een kalenderjaar meer bedragen dan 115% van het bedrag van de uitkering,
bedoeld in artikel
5, of meer dan
het totaal van het bedrag van de uitkering en het bedrag dat wordt
verkregen door een bedrag van €|6,81
te vermenigvuldigen met het aantal inwoners in die gemeente op 1 januari
van het desbetreffende kalenderjaar, wordt door
Onze Minister
ten laste
van 's Rijks kas aan de gemeente een aanvullende uitkering toegekend.
-2. De hoogte van de aanvullende uitkering is:
a.
gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de ten laste van de
gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel
5, eerste lid, en 115%
van het bedrag van de uitkering; of, indien dit groter is,
b. gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de ten laste van
de gemeente gebleven kosten, bedoeld in
artikel
5, eerste lid, en het in
het eerste lid bedoelde totaalbedrag.
-3. Het percentage en het met het aantal inwoners te vermenigvuldigen
bedrag, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij algemene
maatregel van bestuur worden verhoogd of verlaagd. De voordracht voor
een maatregel als bedoeld in de eerste zin wordt niet eerder gedaan
dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
-4. Het aantal inwoners, bedoeld in het
eerste lid, wordt ontleend aan de statistiek "Bevolking der
gemeenten in Nederland op 1 januari" van het Centraal Bureau voor de
Statistiek.
Art.
9. Betaling uitkering,
verhoging en aanvullende uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
Onze Minister
stelt regels inzake de betaling van: [RfvIIB]
a. de uitkering, bedoeld in
artikel
5, eerste lid;
b. het bedrag waarmee de uitkering op grond van
artikel 6 wordt
verhoogd;
c.
de aanvullende uitkering, bedoeld in
artikel 8.
§
3. Vaststelling kosten, vergoeding,
terugvordering en aanvullende uitkering
Art.
10. Vaststelling [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2001, 625; Stb.
2003, 376]
-1.
Onze Minister stelt de ten laste
van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in de artikelen 3 en 5,
de vergoeding, bedoeld in
artikel 3, het terug te vorderen bedrag, bedoeld in artikel 7,
en de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 8,
vast binnen één jaar na ontvangst van het verslag, bedoeld in de
artikelen 130, derde lid, van de Abw,
52, derde lid, van de
Ioaw en 52, derde
lid, van de Ioaz, en daarop betrekking
hebbende verklaring, bedoeld in de artikelen 130,
vijfde lid, van de Abw,
52, vijfde lid, van de
Ioaw en 52, vijfde
lid, van de Ioaz.
-2. Indien het verslag niet is ontvangen binnen achttien maanden na
het kalenderjaar waarop het betrekking heeft of niet is voorzien van een
daarop betrekking hebbende verklaring, worden de ten laste van de
gemeente gebleven kosten ambtshalve vastgesteld.
Art.
11. Niet in aanmerking te nemen
kosten
[BfmAII] [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376] •
[Jurisprudentie: LJN
AA1086; AA4446; AE4538]
-1. De
volgens opgave van burgemeester en wethouders ten laste gebleven kosten
worden bij de vaststelling, bedoeld in artikel 10, eerste
lid, buiten aanmerking gelaten, indien:
a. het bijstand betreft die is verleend in strijd met de bij
of krachtens de Abw gestelde regels of die
niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk VI
en VII van de
Abw is of wordt teruggevorderd of verhaald;
b. het uitkering betreft die is verleend in strijd met de bij
of krachtens de Ioaw of de Ioaz
gestelde regels of die niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk II, paragraaf 5,
van de Ioaw, respectievelijk hoofdstuk II, paragraaf 5,
van de Ioaz, is of wordt teruggevorderd;
c. niet is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 14
of
14a van de Abw, 20
of
20a van de Ioaw
of
20 of 20a
van de
Ioaz
gestelde regels, voor een bedrag gelijk aan het bedrag waarmee de kosten
zouden zijn verlaagd indien burgemeester en wethouders op een juiste wijze
toepassing zouden hebben gegeven aan deze artikelen.
-2. Indien als gevolg van het niet hebben voldaan door burgemeester
en wethouders aan de bij of krachtens de artikelen 65 tot en met 71
en
117 van de Abw, 13 tot en met 19
en
41 van de Ioaw of 13 tot en met 19
en
41 van de
Ioaz gestelde regels niet kan worden vastgesteld of en voor welk bedrag
de ten laste van de gemeenten
gebleven kosten buiten aanmerking moeten worden gelaten, wordt volgens door
Onze Minister te stellen regels hiervoor een
bedrag vastgesteld.
[RfvIIB]
-3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover
naar het oordeel van Onze Minister:
a. de tekortkomingen van bijzondere aard of geringe betekenis
zijn;
b. burgemeester en wethouders zich voldoende hebben
ingespannen om de tekortkomingen op te heffen. [Bijlage
bij RfvIIB]
HOOFDSTUK
III
Tegemoetkoming
in de uitvoeringskosten
§
1. Vergoeding uitvoeringskosten gemeenten
Art.
12. Vergoeding uitvoeringskosten [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
-1.
Onze Minister vergoedt ten laste
van 's Rijks kas:
a. aan
gemeenten,
bedoeld in
artikel 63, tweede lid, van de
Abw, een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per besluit op een
aanvraag van ondernemers in de binnenvaart om verlening van algemene
bijstand, bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal en
bijstand ter voorziening in met de voorbereiding van een bedrijf of
zelfstandig beroep samenhangende kosten;
[RfvIIB]
b. 90% van de kosten van aan derden opgedragen onderzoek
inzake verlening van algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal aan zelfstandigen als bedoeld in artikel 8
van de
Abw;
c. 90% van de kosten van aan derden opgedragen begeleiding
van personen aan wie algemene bijstand wordt verstrekt als bedoeld in artikel
8, tweede en zesde lid, van de
Abw;
d. 90% van de kosten van bij de toepassing van artikel
14, derde lid, van de Ioaz aan derden
opgedragen onderzoek.
-2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b en c,
is de vergoeding 100% indien het onderzoek of de begeleiding betrekking
heeft op ondernemers of gewezen ondernemers in de binnenvaart als bedoeld
in artikel
63, tweede lid, van de
Abw.
-3. Onder onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
verstaan een bedrijfseconomisch of bedrijfstechnisch onderzoek, waaronder
begrepen de taxatie van vermogensbestanddelen, afgerond met een
schriftelijke rapportage, voor zover dit onderzoek noodzakelijk is voor de
uitvoering van de bij of krachtens artikel 8
van de
Abw of artikel 14, derde lid, van de
Ioaz gestelde regels.
Art. 13. Voorschot op de vergoeding
[Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
-1.
Onze Minister stelt regels met betrekking tot het verlenen van
voorschotten op de vergoeding, bedoeld in artikel 12.
[RfvIIB]
-2. Indien de uitvoering van de Abw, de
Ioaw of de Ioaz door
burgemeester en wethouders, of de administratie, bedoeld in
respectievelijk de artikelen 117 van de Abw,
41 van de
Ioaw of 41 van de
Ioaz, ernstige tekortkomingen vertoont, kan Onze Minister besluiten de
voorschotten lager vast te stellen dan uit de op grond van het eerste
lid gestelde regels voortvloeit.
§
2. Vaststelling vergoeding
Art.
14. Vaststelling [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2001, 625; Stb.
2003, 376]
-1.
Onze Minister stelt de
vergoeding, bedoeld in
artikel 12, vast binnen één jaar na ontvangst van
het verslag, bedoeld in de artikelen 130, derde
lid, van de
Abw, 52, derde lid, van de Ioaw
en
52, derde lid, van de Ioaz
en daarop betrekking hebbende verklaring, bedoeld in de artikelen 130,
vijfde lid, van de
Abw, 52, vijfde lid, van de
Ioaw en 52,
vijfde lid, van de Ioaz.
-2. Indien het verslag niet is ontvangen binnen achttien maanden
na het kalenderjaar waarop het betrekking heeft of niet is voorzien van
een daarop betrekking hebbende verklaring, wordt de vergoeding
ambtshalve vastgesteld.
Art.
15. Niet voor vergoeding in
aanmerking komende kosten [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
De kosten, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, c
en d, en tweede lid, worden niet vergoed:
a. indien het onderzoek of de begeleiding is opgedragen aan een
deskundige derde die onder verantwoordelijkheid van burgemeester en
wethouders werkzaam is;
b. voor zover zij hoger zijn dan de door
Onze Minister vast te stellen maximaal voor
vergoeding in aanmerking komende kosten voor onderzoek of begeleiding. [RfvIIB]
HOOFDSTUK
IV
Wijziging
andere wetten
Art.
16. Algemene
bijstandswet [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
De Algemene bijstandswet
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Aan artikel 63 wordt een lid toegevoegd,
luidende:
-4. Onder een ondernemer in de binnenvaart als bedoeld in het tweede lid
wordt verstaan de zelfstandige die arbeid verricht door:
a. het vervoeren of opslaan van goederen met behulp van een schip
dat bestemd is of gebruikt wordt voor vervoer van goederen op de
Nederlandse binnenwateren, stromen en riviermonden, alsmede op de
Dollard, de Waddenzee en het IJsselmeer;
b. het slepen of duwen van de in onder a bedoelde schepen
met een boot die blijkens zijn bouw daarvoor is bestemd en niet tevens
is ingericht voor het vervoer van goederen.
B. [MvT]
In artikel 66, zevende lid, wordt de zinsnede
"met betrekking tot de verleende bijstand als bedoeld in artikel 134,
eerste lid, onderdeel a" vervangen door: met betrekking tot
de verleende algemene bijstand.
C. [MvT]
Artikel 130 wordt als volgt gewijzigd:
1. het tweede lid komt als volgt te luiden:
-2. ten behoeve van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, dienen
burgemeester en wethouders jaarlijks bij
Onze Minister een verslag in
over de uitvoering van deze wet, verstrekken zij hem desgevraagd nadere
of andere informatie en verlenen zij hem inzage in de administratie,
bedoeld in artikel 117. Het verslag en de
overige informatie worden kosteloos verstrekt.
2. Aan het artikel worden drie leden
toegevoegd, luidende:
-3. Het verslag omvat mede een opgave van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid,
onderdeel a,
b en c, en 12, eerste lid, onderdeel a, b
en
c, van de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz.
-4. Het verslag is voorzien van een verklaring van een deskundige,
belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent de juistheid en volledigheid van
verstrekte gegevens.
-5. Onze Minister stelt regels inzake het verslag en over de verklaring
en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
D. [MvT]
Hoofdstuk X vervalt.
Art.
17. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt als volgt te luiden:
-2. Ten behoeve van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, dienen
burgemeester en wethouders jaarlijks bij
Onze Minister een verslag in
over de uitvoering van deze wet, verstrekken zij hem desgevraagd nadere
of andere informatie en verlenen zij hem inzage in de administratie,
bedoeld in artikel 41. Het verslag en de
overige informatie worden kosteloos verstrekt.
2. Aan het artikel worden drie leden
toegevoegd, luidende:
-3. Het verslag omvat mede een opgave van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel d, van de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz.
-4. Het verslag is voorzien van een verklaring van een deskundige,
belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent de juistheid en volledigheid van
verstrekte gegevens.
-5. Onze Minister stelt regels inzake het verslag en over de verklaring
en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
B. [MvT]
Hoofdstuk V vervalt.
Art.
18. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt als volgt te luiden:
-2. Ten behoeve van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, dienen
burgemeester en wethouders jaarlijks bij
Onze Minister een verslag in
over de uitvoering van deze wet, verstrekken zij hem desgevraagd nadere
of andere informatie en verlenen zij hem inzage in de administratie,
bedoeld in artikel 41. Het verslag en de
overige informatie worden kosteloos verstrekt.
2. Aan het artikel worden drie leden
toegevoegd, luidende:
-3. Het verslag omvat mede een opgave van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in de artikelen 3, eerste
lid, onderdeel e, en 12, eerste lid, onderdeel d,
van de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz.
-4. Het verslag is voorzien van een verklaring van een deskundige,
belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent de juistheid en volledigheid van
verstrekte gegevens.
-5. Onze Minister stelt regels inzake het verslag en over de verklaring
en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
B. [MvT]
Hoofdstuk V vervalt.
Art.
19. Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
De invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt de zinsnede ", met dien
verstande dat ter zake van terugvordering en verhaal van die kosten artikel 134a
van de nieuwe Algemene bijstandswet van
overeenkomstige toepassing is".
2. In het tweede lid wordt na "nieuwe Algemene bijstandswet"
ingevoegd: , zoals deze wet luidde vóór de inwerkingtreding van de Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz,.
B. [MvT]
Artikel 16 vervalt.
Art.
20. Wijziging
Beroepswet [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
In de bijlage bij de Beroepswet, onderdeel C,
wordt het tweede onderdeel 24a vernummerd tot 24b en wordt
een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:
24c. Wet financiering
Abw, Ioaw en Ioaz.
HOOFDSTUK
V
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
21. Overgangsbepaling artikel
5 [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
Voor het eerste kalenderjaar waarop deze wet betrekking heeft, wordt
de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid, vastgesteld binnen vier
weken na inwerkingtreding van deze wet.
Art.
22. Overgangsbepaling Abw [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
-1.
De bij of krachtens de artikelen 134 en
136 van de
Abw gestelde regels, zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van
deze wet, blijven van toepassing op de vergoeding van vóór de
inwerkingtreding van deze wet ten laste van de gemeente
gebleven kosten van algemene bijstand, bijstand ter voorziening in de
kosten van bedrijfskapitaal en bijstand ter voorziening in met de
voorbereiding van een bedrijf of zelfstandig beroep samenhangende
kosten. [MvT]
-2. Artikel 134a
van de
Abw, zoals dit artikel luidde vóór de inwerkingtreding van deze wet,
blijft van toepassing op vóór de inwerkingtreding van deze wet door de
gemeente ontvangen inkomsten uit hoofde van terugvordering en verhaal
als bedoeld in hoofdstuk
VI,
paragraaf 2, respectievelijk hoofdstuk VII
van de
Abw. [MvT]
-3. De bij of krachtens artikel 137
van de
Abw gestelde regels, zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van
deze wet, blijven van toepassing op vóór de inwerkingtreding van deze
wet gemaakte kosten verband houdende met aan derden opgedragen onderzoek
en rapportage inzake de verlening van bijstand aan zelfstandigen als
bedoeld in
artikel 8 van de
Abw, met aan derden opgedragen begeleiding van personen aan wie algemene
bijstand wordt verstrekt als bedoeld in artikel
8, tweede en zesde lid, van de
Abw en met de verlening van bijstand met toepassing van artikel 63,
tweede lid, van de
Abw. [MvT]
Art.
23. Overgangsbepaling
Ioaw en Ioaz [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
De bij of krachtens de artikelen 57
en 59 van de Ioaw
en
57 en 59
van de Ioaz gestelde regels, zoals deze
luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing
op de vergoeding van vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste
van de gemeente
gebleven kosten van uitkeringen op grond van de Ioaw
respectievelijk de Ioaz en op de vergoeding
van vóór de inwerkingtreding van deze wet gemaakte kosten verband
houdende met aan derden opgedragen onderzoek als bedoeld in artikel
14, derde lid, van de Ioaz.
Art.
24. Overgangsbepaling
Invoeringswet herinrichting ABW [Geschiedenis:
MvT; versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
De artikelen 15,
eerste lid, en 16 van de Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet, zoals deze artikelen luidden
vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de
vóór de inwerkingtreding van deze wet door de gemeente
ontvangen bedragen uit hoofde van terugvordering en verhaal,
respectievelijk op de vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste
van de gemeente gebleven kosten van toeslagen.
Art.
25. Inwerkingtreding [Geschiedenis:
versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.¹
1. Bij Besluit van
27 september 2000, Stb. 2000, 384, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2001, red.
Art.
26. Citeertitel [Geschiedenis:
versie
27 september 2000; Stb.
2003, 376]
De wet wordt aangehaald als: Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 27 september
2000
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
Uitgegeven de achtentwintigste
september 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
MEMORIE VAN TOELICHTING
|
|