|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1999-2000,
27 081
Nieuwe regels voor de financiering
van de Algemene bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen
|
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Achtergrond vorming van een FWI |
| 3 |
Het FWI |
| 3.1 |
Aanleiding om te komen tot een Fonds
werk en inkomen |
| 3.2 |
Achterliggende visie |
| 3.3 |
Fasering |
| 3.4 |
De relatie tussen inkomensdeel en
werkdeel binnen het Fonds werk en inkomen |
| 3.5 |
Financieringssystematiek inkomensdeel |
| 3.6 |
Het werkdeel |
| 4 |
Toezicht en verantwoording |
| 5 |
Uitvoeringsaspecten |
| 6 |
Informatievoorziening |
| 7 |
Financiële aspecten |
| 7.1 |
Betrokken geldstromen |
| 7.2 |
Meerjarige omvang van het FWI en het rijksdeel in de uitkeringen |
| 7.3 |
Overige financiële effecten |
|
xArtikelsgewijs |
| xHoofdstuk
I.
Begripsbepalingen |
| xxx |
Artikelen
1 en 2 |
| xHoofdstuk
II.
Tegemoetkoming in de uitkeringslasten |
| x |
Artikelen
3 t/m 12 |
| xHoofdstuk
III.
Tegemoetkoming in uitvoeringskosten |
| x |
Artikelen
13 t/m 16 |
| xHoofdstuk
IV.
Wijziging andere wetten |
| x |
Artikelen
17 t/m 21 |
| xHoofdstuk
V. Overgangs- en slotbepalingen |
| x |
Artikelen
22 t/m 25 |
Algemeen
1. Inleiding
Het voorliggende wetsvoorstel heeft als
onderwerp de financiering van de Algemene bijstandswet
(Abw), de
Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz). Dit wetsvoorstel hangt
samen met het voornemen uit het Regeerakkoord 1998 om te komen
tot een Fonds werk en inkomen (FWI) (Kamerstukken II 1997-1998, 26
024, nr. 10, blz. 36). In het regeerakkoord is afgesproken dat de middelen
voor de Abw en de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) worden
gebundeld in een fonds en dat het gemeentelijk aandeel in de financiering
wordt vergroot. Daarbij zou gebruik gemaakt moeten worden van elementen
uit het rapport van de Projectgroep Objectief Verdeelmodel (Kamerstukken II
1997-1998, 26 024, nr. 10).
In het onderhavige wetsvoorstel wordt dit
voornemen voor wat betreft het onderdeel vergroting van het gemeentelijk aandeel in de financiering van
de uitkeringslasten Abw, Ioaw en
Ioaz (het
uitkeringsbudget) nader uitgewerkt. Hieronder wordt dit voorstel
nader toegelicht (zie paragraaf 3.5). Het voorstel wordt, vanwege de nauwe samenhang, geplaatst
in de bredere context van de voornemens ten
aanzien van het FWI. Ook deze voornemens worden onderstaand
toegelicht (zie hoofdstuk 3).
De vorming van het FWI is een majeure
operatie met aanzienlijke financiële consequenties. Er is daarom voor gekozen het
FWI fasegewijs te implementeren. In deze toelichting wordt met
name ingegaan op de voornemens voor de eerste fase van het FWI, zoals die
per 1 januari 2001 beoogd wordt van start te gaan. Met de gemeenten
is afgesproken dat na een eerste evaluatie in 2002 een volgende
stap kan worden gezet in de uitbouw van het FWI, waarbij verdergaande
budgettering en een uitbreiding van het werkdeel van het FWI in samenhang worden bekeken. Er zal
een gezamenlijke werkgroep met de gemeenten
worden gevormd om zowel de evaluatie als de invulling van de
vervolgstappen nader uit te rblz.|2|
werken. Vervolgstappen dienen zorgvuldig
afgewogen te worden, mede op basis van de opgedane ervaringen met het FWI. In dit stadium zijn daarom concrete voorstellen voor de invulling van een vervolgfase nog
niet aan de orde.
De "bundeling van
geldstromen" waarover in
het regeerakkoord is gesproken, wordt in de eerste fase van het
FWI als volgt ingevuld. Op basis van dit wetsvoorstel zal het in de toekomst mogelijk
zijn dat gemeenten
besparingen die zij realiseren op
het gebudgetteerde deel van de Abw, de Ioaw en de
Ioaz kunnen inzetten
voor de financiering van reïntegratietrajecten. Ten aanzien van de met de Wiw gemoeide gelden
bestaat het voornemen te komen tot een
grotere mate van stroomlijning en ontschotting binnen die geldstromen. Dit
voornemen, waarop in het vervolg van deze memorie zal worden teruggekomen, kan worden
gerealiseerd
door wijziging van het Besluit uitvoering en
financiering Wet inschakeling werkzoekenden.
Met de in het FWI te ontwikkelen
financieringssystematiek wordt beoogd om een bijdrage te leveren aan het vergroten
van de kansen op werk en reïntegratie van uitkeringsgerechtigden en
om daarmee een daling van de uitkeringslasten te bewerkstelligen. Gemeenten
zullen besparingen op hun uitkeringsbudget kunnen realiseren door
het voeren van een effectief beleid. Activering en uitstroom van
bijstandsgerechtigden staan daarbij centraal. Dat geldt eveneens voor de
activering en uitstroom van Ioaw- en Ioaz-gerechtigden. Door daarbij eveneens een
bundeling van geldstromen te realiseren, waarbij bestaande geldstromen
geleidelijk worden gestroomlijnd en ontschot, krijgen gemeenten
meer beleidsruimte om de reïntegratie voortvarend ter hand te nemen.
In het vervolg van deze memorie zal worden
ingegaan op:
• de achtergrond en de aanleiding voor de
vorming van een FWI;
• de hoofdlijnen van het FWI, waaronder
een beschrijving van de fasering, van het financieringssysteem voor het inkomensdeel, de
besteding
van overschotten en de invulling van het
werkdeel;
• het toezicht;
• uitvoeringsaspecten;
• de informatievoorziening;
• financiële aspecten.
De laatste vier onderwerpen hebben met name
betrekking op de genoemde vergroting van het gemeentelijk
financieel belang en hebben dus niet, tenzij anders vermeld, betrekking
op het FWI in den brede.
2. Achtergrond vorming van een FWI
Al langere tijd is er discussie gaande over
de vraag of de huidige financieringssystematiek van de Abw wel voldoende bijdraagt aan de
realisering van één van de belangrijkste
doelstellingen van de Abw, namelijk de activering van bijstandsgerechtigden
gericht op het kunnen voorzien in een zelfstandige bestaansvoorziening. Het
feit dat gemeenten
uitkeringslasten bijstand voor 90% bij het Rijk kunnen declareren, heeft geen stimulerend effect op het gemeentelijk
uitstroombeleid. Daar komt bij dat conform de gemeentefondssystematiek
de algemene uitkering die gemeenten krijgen uit het gemeentefonds ook
mede bepaald wordt door het aantal bijstandsgerechtigden, waardoor
een daling van het aantal bijstandsgerechtigden leidt tot een
vermindering van deze uitkering. Inmiddels wordt deze desincentive deels tenietgedaan doordat de uitvoeringskosten zijn bevroren op het gemiddelde van het Abw-volume
ultimo 1995, 1996 en 1997.
rblz.|3|
Met de invoering van de nieuwe
Abw in 1996
is aan gemeenten
een grotere verantwoordelijkheid en beleidsvrijheid toebedeeld op het gebied
van inkomensondersteuning (de nieuwe
normensystematiek, waaronder de bevoegdheid tot het verhogen c.q.
verlagen van de normbijstand met een toeslag) en activering. In dit kader
werd in het Bijstandsakkoord van september 1993 tussen Rijk en de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten (VNG) afgesproken de financiële
verantwoordelijkheid voor de toeslagen bij de gemeenten te leggen.
De Abw beoogt de instroom eveneens te
beperken door het versterken van de poortwachtersfunctie (met de "poortwachtersfunctie" wordt het
bewaken van de toegangspoort bedoeld,
namelijk al die werkzaamheden van gemeenten
die waarborgen dat uitsluitend
bijstand wordt toegekend aan hen die op de bijstand zijn aangewezen).
Kortom: door middel van een strengere
toegang aan de poort van de bijstand, een op maat gesneden inkomensondersteuning en een
activeringsinstrumentarium (onder andere de arbeidsverplichting,
trajectplannen)
kunnen gemeenten een beleid voeren om de
uitkeringslasten omlaag te brengen.
De discussie over de
financieringssystematiek als zodanig, in combinatie met de grotere beleidsverantwoordelijkheid
van gemeenten
die werd vastgelegd in de nieuwe bijstandswet per
1996, heeft het vorige kabinet doen besluiten tot het laten verrichten van
een interdepartementaal beleidsonderzoek door de Werkgroep Financieringssysteem van de
Algemene
bijstandswet (de zogenoemde werkgroep-Etty)
met als opdracht onderzoek te doen naar een
financieringsstructuur die stimuleert tot een doelmatige en doeltreffende uitvoering van
de Abw.
De werkgroep heeft een grondige analyse
gemaakt van de huidige wijze van financiering van de bijstand en van de effecten daarvan.
Geconstateerd
werd dat de huidige bekostigingswijze van de
Abw uit het oogpunt van prikkelwerking en
verantwoordelijkheidsverdeling niet voldoet en daarom niet bijdraagt aan een uit
maatschappelijk oogpunt optimale uitvoering van de Abw. Een onbedoeld effect
van de huidige financieringswijze is dat gemeenten voor hun inspanningen om de
bijstandsuitgaven te beheersen eerder gestraft worden dan
beloond. Een wijziging van de financiering zou gemeenten kunnen
aanzetten tot een vanuit bijstandsoptiek betere inzet van middelen.
De werkgroep zag aanknopingspunten om budgettering in de financieringssystematiek te
overwegen
waarbij rekening wordt gehouden met
individuele, niet door gemeenten zelf te beïnvloeden
omstandigheden die van invloed zijn op de omvang van de bijstandsuitgaven. Naar
aanleiding hiervan heeft een interdepartementale Projectgroep Objectief Verdeelmodel
(POV) nader
onderzocht of het mogelijk was om een
objectief verdeelmodel voor de bijstand in te richten. De Projectgroep
concludeerde in haar rapport van februari 1998 dat zo’n model mogelijk was.
Het was mogelijk gebleken om een wetenschappelijk verantwoord econometrisch model te
ontwikkelen
waarmee op verantwoorde wijze budgetten voor
de financiering van de uitkeringslasten bijstand op basis van
objectieve factoren over gemeenten verdeeld konden worden.
De rapporten van de werkgroep-Etty en van de Projectgroep
Objectief Verdeelmodel zijn op 27 januari 1997 (Kamerstukken II 1996-1997, 25 201, nr.
1) respectievelijk 1 september 1998
(Soza-98-606) aan de Kamer aangeboden.
Toen het Regeerakkoord 1998 werd gesloten
lag het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene bijstandswet in verband met
de financiering van gemeentelijke toeslagen als bedoeld in
artikel 33 van de Algemene bijstandswet (Kamerstukken
II 1997-1998, nr. 25 761) al bij de Tweede Kamer. Hierbij werd voorzien in een
regeling waarbij de gemeenten
de rblz.|4|
beschikking kregen over een budget voor de
financiering van toeslagen als bedoeld in de Abw. De beoogde
invoeringsdatum was 1 januari 1999. In verband met verwachte problemen in het
kader van het millennium bij gemeenten en de veelheid aan
beleidsvoorstellen waarmee gemeenten werden geconfronteerd, is door het vorige
kabinet besloten de invoering uit te stellen tot 1 januari 2000 (Kamerstukken
II 1997-1998, 25 674, nr. 5).
Gelet op het gevoerde overleg met
gemeenten
over de contouren van een Fonds werk en inkomen is besloten om het
wetsvoorstel toeslagen in te trekken. Er is overeenstemming bereikt met
gemeenten om met ingang van 1 januari 2001 te starten met een Fonds werk en inkomen, waarbij in de eerste fase de mate van budgettering van
de uitkeringslasten Abw (25%) materieel overeenkomt met wat bereikt
zou zijn na overheveling van de financiële verantwoordelijkheid voor
de toeslagen naar de gemeenten conform het toeslagen-wetsvoorstel. Het onderhavige wetsvoorstel beperkt zich echter niet tot de
financiering
van toeslagen. Zij heeft betrekking op kosten gemoeid met de
verstrekking van algemene bijstand, bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal en bijstand ter voorziening in met de
voorbereiding van een bedrijf of zelfstandig beroep samenhangende kosten. Ook gaat het om
de kosten gemoeid met de verstrekking van Ioaw-uitkeringen en de verstrekking van
Ioaz-uitkeringen. Toevoeging van de Ioaw
en de Ioaz ligt voor de hand gelet op het feit dat ook bij deze
wetten, evenals dat bij de Abw het geval is, een financiële verhouding van 90%
van de kosten via declaratie en 10% via het gemeentefonds geldt. Door
deze verhouding ook voor de financiering van de Ioaw en Ioaz te wijzigen
in 75/25 ontstaat ook voor deze regelingen een financiële stimulans
voor gemeenten om uitstroom te bevorderen.
Naast de ontwikkelingen in de bijstand zijn
in de vorige kabinetsperiode majeure stappen gezet om te komen tot een
meer integrale aanpak van het gemeentelijk arbeidsmarktbeleid gericht
op reïntegratie en uitstroom. Dit heeft geleid tot de Wiw, waarbij een
aantal reeds bestaande regelingen werden opgenomen in één samenhangende
wettelijke regeling. Ook is de Wet sociale werkvoorziening
(Wsw) geheel
vernieuwd en hebben de gemeenten
een belangrijke taak gekregen bij
het realiseren van additionele werkgelegenheid in de collectieve sector, de
zogenoemde instroom-/doorstroombanen.
3. Het FWI
3.1. Aanleiding om te komen tot een Fonds werk en
inkomen
Zowel de hiervoor genoemde ontwikkelingen in
de bijstand als de beoogde gemeentelijke regie op de integrale
inzet van het gemeentelijk arbeidsmarktinstrumentarium hebben de vraag
opgeworpen of het niet wenselijk is te komen tot een bundeling van
geldstromen op het terrein van gemeentelijke uitkerings- en
reïntegratieregelingen in combinatie met een vorm van budgettering van de bijstand.
Een dergelijke wijze van bekostiging van de bijstand zou voor gemeenten
een optimale stimulans moeten bieden voor een zo effectief
mogelijke uitvoering van uitkeringsverstrekking en reïntegratie. Randvoorwaarde is daarbij
dat er steeds sprake moet zijn van verantwoorde en te
beheersen financiële risico’s voor de gemeenten.
Alvorens te komen tot
dit voorstel zijn
diverse alternatieve mogelijkheden overwogen. Zo heeft de werkgroep-Etty ook bezien of een financiering van
de bijstand via het gemeentefonds een
haalbare optie zou kunnen zijn. De werkgroep heeft geconstateerd dat
financiering via het gemeentefonds weliswaar technisch realiseerbaar was, maar
zou leiden tot een onevenwichtige opbouw rblz.|5|
van het gemeentefonds
vanwege het grote aandeel van bijstandsgelden, waardoor het algemene
karakter van dit fonds in het gedrang zou komen. In aanvulling op dit argument geldt dat een
specifieke
uitkering meer mogelijkheden biedt voor
(landelijke) sturing, met name waar het gaat om het vaststellen van de
omvang van de beschikbare middelen, de verdeelmethodiek en de limitering van het gemeentelijk
financieel risico.
Daarom is ervoor gekozen om de budgettering
vorm te geven via een specifieke uitkering op de begroting van het ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid.
Een tweede alternatief, namelijk het
budgetteren van de bijstandslasten zonder over te gaan tot fondsvorming, is eveneens overwogen. Een
dergelijke
financieringsconstructie zou echter
onvoldoende recht doen aan de samenhang tussen enerzijds de inkomensvoorziening die de bijstand
vormt en anderzijds de instrumenten en
middelen voor de reïntegratie van in de gemeenten
ingezeten werklozen. Het
benutten van die samenhang ligt te meer voor de hand omdat zowel de uitvoering van de bijstand
als van de reïntegratie van bijstandsgerechtigden bij één uitvoerder ligt, zijnde de
gemeente. Op het niveau van de rijksbegroting is reeds sprake van een financiële samenhang tussen deze voorzieningen.
Door de financiële samenhang ook op
gemeentelijk niveau aan te brengen, ontstaan er betere voorwaarden om het gemeentelijk reïntegratiebeleid
vorm te geven. In dit wetsvoorstel wordt dit
bereikt door het aanbrengen van een sluis tussen het uitkeringsbudget en
het werkdeel van het FWI; gemeentelijke overschotten op het bijstandsbudget komen beschikbaar
voor reïntegratie.
Met het oog op de vergroting van het
gemeentelijk financieel bij de uitvoering van de Abw,
Ioaw en Ioaz [betrokken
belang, red.] is bezien of het de gemeenten
ter
beschikking staande instrumentarium op het
terrein van reïntegratie aanpassing behoeft, teneinde gemeenten
beter in staat te stellen hun financiële verantwoordelijkheid waar te
kunnen maken.
Dit heeft ertoe geleid dat, in combinatie
met de 25% budgettering, de mogelijkheden voor gemeenten om zelf te kunnen kiezen welke
activeringsinstrumenten
zij willen inzetten om hun
bijstandscliënten zo snel mogelijk uit de uitkering te helpen, zullen
worden vergroot. In paragraaf 3.6 wordt nader op dit voornemen ingegaan.
3.2. Achterliggende visie
De visie die ten grondslag ligt aan het FWI
is gebaseerd op de medebewindsrelatie van de Abw. In de vernieuwing van de Abw die
op 1 januari 1996 van kracht is geworden, staat een vergroting van de gemeentelijke bestuurlijke
verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de wet centraal. De
gemeente
is bij uitstek de
aangewezen overheid om het laatste vangnet aan haar burgers te bieden.
Uiteraard geschiedt deze verantwoordelijkheid binnen de rijkskaders
die de rechtszekerheid voor alle burgers moeten garanderen.
De gemeente is het democratisch
gelegitimeerd orgaan waartoe de burger zich direct kan wenden. Met andere woorden: de gemeente is
zichtbaar en aanspreekbaar, de raad [de gemeenteraad, red.] is het
democratisch gekozen orgaan dat het gemeentelijk beleid vaststelt.
Cliënten kunnen de raad aanspreken op haar keuzen, hetgeen in de vorm van cliëntenparticipatie ook
daadwerkelijk
gebeurt. De verplichting tot het opstellen
van een beleidsplan en -verslag en de verplichting tot
cliëntenparticipatie hebben in belangrijke mate bijgedragen aan een toename van de
gemeentelijke bestuurlijke betrokkenheid bij de uitvoering van de Abw.
De gemeentelijke bestuurlijke
verantwoordelijkheid op het gebied van de rblz.|6|
bijstand is verder noodzakelijk teneinde op
lokaal niveau te komen tot een op de lokale situatie toegesneden
bijstandsbeleid dat is ingebed in de gemeentelijke beleidsverantwoordelijkheden
op de terreinen werkgelegenheid, zorg, onderwijs en welzijn. Niet alleen de
integrale beleidsaanpak is hierbij van belang, waardoor er een
geïntegreerde aanpak van de verschillende beleidsterreinen mogelijk
wordt, maar ook het rekening houden met de specifiek lokale situatie. De arbeidsmarktsituatie is immers
voor een deel weliswaar landelijk bepaald,
maar hangt daarnaast ook af van regiospecifieke factoren. De gemeente is
in de gelegenheid om daarop adequaat in te spelen.
Ten slotte is de Abw naar haar aard een wet
die het bieden van maatwerk noodzakelijk maakt, de bijstand vereist immers altijd een individuele
afweging
van het individuele geval.
Het FWI sluit aan op de hierboven aangegeven
visie. Met het FWI zullen gemeenten
beter in staat zijn om een integrale en op de lokale situatie
toegesneden aanpak vorm te geven, waarbij
sprake is van een evenwichtige financiële verhouding tussen Rijk en
gemeenten. In de plaats van een meer passieve declaratieverhouding tussen gemeenten en
Rijk ontstaat op
het terrein van de bijstand een meer
dynamische en actieve budgetteringsrelatie tussen beide partijen. Eigen gemeentelijke
beleidskeuzes richting activering worden gestimuleerd, nu
er meer vrijheden ontstaan in de Wiw/reïntegratiemiddelen in combinatie
met een grotere uitdaging om te komen tot een beheerste
uitgavenontwikkeling.
Gemeenten die erin slagen om een effectief
bijstandsbeleid te voeren, waarbij goede uitstroomresultaten worden geboekt, zullen winst boeken
in de nieuwe situatie.
Het FWI draagt bij aan zowel een vergrote
inzet voor activering als aan een effectievere uitvoering van de Abw, de
Ioaw en de Ioaz. Door de vergroting van het gemeentelijk financieel
aandeel in de uitkeringslasten van de Abw, Ioaw en Ioaz krijgen gemeenten,
anders dan bij de huidige financieringswijze, een financieel belang
bij een effectieve en efficiënte inzet van de ter beschikking staande
reïntegratiemiddelen. Gemeenten die erin slagen te komen tot een doeltreffend
en doelmatig reïntegratiebeleid en als gevolg daarvan een relatief hoge uitstroom realiseren, zullen
overhouden
aan hun uitkeringsbudget. Hierdoor ontstaat
een vliegwieleffect: gemeenten krijgen extra financiële ruimte
voor reïntegratieactiviteiten. Gemeenten die er niet in slagen te komen tot
een effectief en efficiënt reïntegratiebeleid lopen het risico dat zij
tekort komen aan hun uitkeringsbudget en derhalve uit eigen middelen moeten
bijpassen. Verwacht mag worden dat hiervan een stimulans uitgaat om
het reïntegratiebeleid verder te verbeteren.
Daarnaast bevat het FWI ook een prikkel tot
een meer effectieve en efficiënte uitvoering van de Abw, de
Ioaw en de Ioaz.
Het gaat in dat verband dan niet alleen om bevordering van
de uitstroom, maar ook om de poortwachtersfunctie en
fraudebestrijding. De kwaliteit van de uitvoering is gebaat bij het besef bij gemeenten
dat
hun handelen financiële consequenties heeft. Door vergroting van het
financiële belang zal bij gemeenten de behoefte toenemen om meer en
beter inzicht te verkrijgen in de resultaten van de eigen inspanningen
om het beroep op de bijstand zo goed mogelijk te beperken. Gemeenten
kunnen via meting en vergelijking van resultaten de uitvoering verbeteren.
Gemeenten die een tekort hebben op het aan hen toegekende budget
zullen aangezet worden om zich te meten met vergelijkbare gemeenten
die wel besparingen realiseren op hun budget. Door middel van benchmarking en het uitwisselen van
best practices door gemeenten wordt deze
beweging gestimuleerd. De benchmark kan dienen als hulpmiddel voor
gemeenten om tot een beter inzicht te komen in de eigen prestaties van
de gemeente ten opzichte van rblz.|7|
de prestaties van andere gemeenten en daarmee bijdragen aan de
kwaliteit
van eigen beleid en uitvoering.
Bij de vorming van het FWI is van groot
belang dat de financiële risico’s voor gemeenten
hanteerbaar zijn. Dit wil zeggen dat het financieel risico
in evenwicht moet staan met de mogelijkheden
voor gemeenten om hun bijstandsuitgaven te beïnvloeden en met hun
financiële draagkracht. In het onderhavig wetsvoorstel zijn een aantal
voorzieningen getroffen om aan deze voorwaarde te voldoen. In de
paragrafen 3.5.1, 3.5.2 en 3.5.3, die handelen over de vaststelling van het
macrobudget, de verdeelsystematiek en de begrenzing van het gemeentelijk risico, wordt nader
ingegaan
op deze voorzieningen.
Voorts is een belangrijk uitgangspunt bij de
vorming van het fonds dat de inkomenswaarborgfunctie van de Abw,
Ioaw en Ioaz niet wordt
aangetast. De rechten die ontleend kunnen worden aan de Abw, Ioaw en Ioaz blijven onverkort van kracht. Bij het volgen
van de effecten van het onderhavig wetsvoorstel zal dit een belangrijk aandachtspunt zijn.
3.3. Fasering
Het FWI zal geleidelijk worden ingevoerd. De
reden voor een gefaseerde invoering is dat zodoende de mogelijkheid ontstaat om toe te groeien
naar de meest passende systematiek en
werkwijze. In het onderhavig wetsvoorstel is er daarom naar gestreefd
ruimte te scheppen om, waar dat noodzakelijk is, voldoende snel bij te
kunnen sturen. Dit betreft met name de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur de
verdeelsystematiek en de omvang van het
maximale financieel risico dat gemeenten
gaan lopen aan te kunnen passen.
In 2001 wordt gestart met een budgettering
van 25% van de (geraamde) uitkeringslasten Abw, Ioaw en
Ioaz (het inkomensdeel) in combinatie
met het samenvoegen van deze
uitkeringslasten met de middelen van de Wiw (het werkdeel) op één begrotingspost.
Tijdens de eerste fase zal het objectieve verdeelmodel voor de bijstand
verder worden ontwikkeld en stapsgewijs worden ingevoerd (zie paragraaf
3.5.2).
Het werkdeel bevat de huidige Wiw-middelen
inclusief de Rea-budgetten en
sluitende-aanpakmiddelen, alsmede de zogenoemde inkoopbudgetten
van de G86-gemeenten. Deze situatie is
overigens al van kracht sinds 1 januari 2000. Het gemeentelijk aandeel in
het prestatiebudget van Arbeidsvoorziening [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] wordt aan het werkdeel
toegevoegd afhankelijk van het tijdpad van de implementatie van de kabinetsvoornemens op het
terrein van Structuur [uitvoering, red.] werk en inkomen (SUWI). Voor de voornemens ten aanzien van de vormgeving van het werkdeel
in de eerste fase wordt verwezen naar paragraaf 3.6.4.
Door een gefaseerde aanpak te kiezen, wordt bewerkstelligd dat er voor
gemeenten
verantwoorde en beheersbare risico’s
ontstaan. Vanuit die invalshoek is er met gemeenten
overeenstemming bereikt om in 2003 te bezien hoe een volgende stap kan worden
gezet in de ontwikkeling van het fonds. Daartoe zal in 2002 de balans worden opgemaakt van de tot
dan toe opgedane ervaringen, zodat op basis
daarvan op verantwoorde wijze en rekening houdend met
veranderingsprocessen keuzen kunnen worden gemaakt. Vanwege het belang om eerst
ervaring op te doen met het FWI wordt op dit moment nog geen
concrete invulling gegeven aan de verdere uitbouw van het FWI. Met het oog op
het scheppen van verantwoorde en beheersbare risico’s wordt in de eerste fase van het FWI niet
de mogelijkheid geboden aan gemeenten om
door middel van experimenten een verdergaande invulling aan het FWI te
geven, bijvoorbeeld ten aanzien van de mate van budgettering,
dan thans wordt voorgesteld.
rblz.|8|
3.4. De relatie tussen inkomensdeel en
werkdeel binnen het Fonds werk en inkomen
Zoals reeds in de inleiding is aangegeven,
komen de besparingen die gemeenten
realiseren op het gebudgetteerde
deel van de Abw, de Ioaw en de
Ioaz beschikbaar om in te zetten voor
de financiering van voorzieningen uit hoofde van het scholings- en activeringsbudget van de
Wiw.
Gemeenten dienen besparingen die zij in een
uitkeringsjaar realiseren op het inkomensdeel gedurende het volgende jaar
in te zetten voor het werkdeel. Hierdoor komen dus meer middelen beschikbaar
voor activering, dit in tegenstelling tot de huidige situatie,
waarin lagere uitkeringslasten direct terugvloeien naar het Rijk (voor
zover het het 90%-deel betreft). Deze verbinding is een specifiek onderdeel
van het FWI gericht op de stimulering van de activeringsdoelstelling.
Hierdoor wordt bereikt dat een actief activeringsbeleid van gemeenten wordt
beloond: door meer uitstroom te realiseren ontstaat er een overschot op het budget in het
inkomensdeel dat vervolgens ingezet mag
worden om meer cliënten activerings- en reïntegratietrajecten te
bieden. Logischerwijs geldt niet het omgekeerde: overschotten op de toegekende
Wiw-middelen mogen niet ten goede komen aan het inkomensdeel. Dit
zou immers de activerende werking van het FWI weer tenietdoen.
De middelen in het
scholings- en
activeringsbudget kunnen voor een breed scala aan instrumenten worden ingezet (zie
paragraaf 3.6.2). Het is
echter niet uitgesloten dat op enig moment
toevoeging van overschotten op het uitkeringsbudget aan het scholings-
en activeringsbudget minder zinvol is. Dit kan zich voordoen als gemeenten
reeds over meer dan voldoende middelen beschikken voor scholing
en activering, dan wel indien buiten het kader van het scholings-
en activeringsbudget goede alternatieve bestedingsdoelen aanwezig zijn,
die eveneens een bijdrage leveren aan de doelstelling van het FWI.
Daarom is in het
wetsvoorstel voorzien in de
mogelijkheid dat bij algemene maatregel van bestuur de
bestedingsmogelijkheden van overschotten kunnen worden verruimd. Uitgangspunt bij
de
toepassing van deze mogelijkheid zal zijn dat het dient te
gaan om een aanwending van middelen die bijdraagt aan de doelstelling
van het FWI.
3.5. Financieringssystematiek inkomensdeel
3.5.1. Het macrobudget
Bij aanvang van het FWI in 2001 zal 25% van
de uitkeringslasten uit hoofde van de Abw, Ioaw en
Ioaz worden
gebudgetteerd, de rest wordt via het declaratiesysteem bekostigd. Beide
delen worden in het hoofdstuk XV (begroting van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid)
van de rijksbegroting opgenomen.
Thans komt 10% van de uitkeringslasten voor
rekening van de gemeenten. Gemeenten financieren deze kosten uit hun
algemene middelen. Bij de verdeling van het gemeentefonds wordt
rekening gehouden met deze gemeentelijke kosten. Doordat de
financiering van de uitkeringslasten Abw, Ioaw en Ioaz met ingang van 2001 volledig via de SZW-begroting
geschiedt, zal per 1 januari 2001 het 10%-aandeel uit het gemeentefonds worden genomen en worden toegevoegd aan het
te budgetteren deel van de macro-uitgaven op de SZW-begroting. Hierdoor wordt de in
hoofdstuk
2 van deze toelichting genoemde
desincentive in de verdeling van het gemeentefonds fors verminderd.
Het macrobudget (25%) alsmede het nog
door gemeenten
bij het Rijk te declareren gedeelte van de uitgaven voor Abw,
Ioaw en Ioaz (75%) rblz.|9|
worden geraamd. De feitelijke ontwikkeling
van de desbetreffende uitgaven kan hoger of lager uitkomen dan de
raming.
Gemeenten lopen budgettaire risico’s met
name als de feitelijke uitgaven in Abw, Ioaw en Ioaz hoger uitkomen dan
geraamd in de begroting van SZW. Gemeenten kunnen dit risico ten dele
beïnvloeden door hun activeringsbeleid. Gemeenten zouden echter
niet het financiële risico moeten dragen van uitgavenontwikkelingen
waarop zij niet of nauwelijks invloed kunnen uitoefenen. Het is nog niet mogelijk gebleken om op
macroniveau bij uitgavenontwikkelingen die
afwijken van het geraamde budget een onderscheid te maken tussen
beïnvloedbare en niet-beïnvloedbare factoren. Om deze reden is ervoor gekozen om
een aanpassingssystematiek van het macrobudget
te hanteren die in het voordeel is van gemeenten.
Deze systematiek ziet er als volgt uit.
Indien blijkt dat de feitelijke uitgavenontwikkeling lager uitkomt dan het geraamde macrobudget, zal
het macrobudget niet neerwaarts worden
aangepast. De meevallers die daardoor ontstaan, dienen gemeenten in te
zetten voor extra reïntegratie-inspanningen. Als in de loop van het begrotingsjaar de
Abw-, Ioaw- en Ioaz-uitgaven hoger uitkomen dan geraamd,
wordt de verhoging van het macrobudget geheel door het Rijk
gecompenseerd door middel van een verhoging van het macrobudget. Door middel
van deze systematiek komt het financieel risico van een tegenvallende
conjuncturele ontwikkeling volledig bij het Rijk te liggen en is het
voordeel van een meevallende conjuncturele ontwikkeling (eenmalig)
volledig voor de gemeenten.
Gemeenten
zullen in mei van het jaar
voorafgaand aan het uitvoeringsjaar door middel van een FWI-circulaire een eerste indicatie ontvangen van de
omvang van het macrobudget en op basis
daarvan van hun budget voor het komende jaar (voor 2001 dus in mei
2000). Het toe te kennen uitkeringsbudget voor het uitvoeringsjaar
wordt bekendgemaakt in september voorafgaand aan het uitvoeringsjaar door middel van een
FWI-circulaire (voor 2001 dus in september
2000, direct na de aanbieding van de rijksbegroting aan het parlement).
Met deze circulaire worden tevens de uitkeringsbudgetten waarover gemeenten per 1 januari van het
komende jaar de beschikking krijgen op basis
van de voor dat jaar geldende verdeelsystematiek formeel aan
gemeenten toegekend. In de septembercirculaire worden de meest actuele macroramingen van het
Centraal Planbureau, de Macro Economische
Verkenningen, en de laatstbekende uitvoeringsgegevens over de uitgaven Abw,
Ioaw en Ioaz meegenomen.
Net als bij de aanpassingssystematiek voor
de omvang van het gemeentefonds wordt het aantal aanpassingsmomenten van het
macrobudget beperkt tot maximaal twee: één
aanpassingsmoment tijdens het uitvoeringsjaar en één aanpassingsmoment
kort na afloop van het uitvoeringsjaar.
Als in de loop van het uitvoeringsjaar
sprake blijkt te zijn van een landelijke uitgavenontwikkeling die hoger is dan
het
toegekende macrobudget, zal, zoals eerder aangegeven, het Rijk het
macrobudget hiervoor aanpassen.
Indien nodig zal de eerste aanpassing van
het macrobudget plaatsvinden bij de meicirculaire van het lopende
uitvoeringsjaar (dus voor 2001 in mei 2001). Evenals de septembercirculaire heeft
deze meicirculaire ¹ dan het karakter van een toekennende beschikking
(van het extra bedrag ten opzichte van de voorgaande septembercirculaire) voor het lopende
budget.
1. Voor de goede orde zij aangegeven dat de
meicirculaire dan dus een dubbele functie krijgt; een voorlopige aankondiging van de
budgetten voor het volgende begrotingsjaar en een toekennende beschikking van een
budgetverhoging voor het lopende begrotingsjaar.
De eventuele tweede en laatste aanpassing
van het macrobudget vindt plaats na afloop van het uitvoeringsjaar. Om
zoveel mogelijk aan te sluiten bij de systematiek van het gemeentefonds en
van de Slotwet rijksbegroting rblz.|10|
moet dit laatste aanpassingsmoment zo
dicht mogelijk liggen bij het uitvoeringsjaar waarop de aanpassing betrekking heeft.
Voor het jaar 2001 betekent dat, dat de
definitieve omvang wordt bepaald bij de meicirculaire FWI 2002. Gezien dit tijdstip kan nog niet worden
uitgegaan van de door het Rijk vastgestelde
jaaropgaven van de gedeclareerde uitgaven voor de Abw,
Ioaw en Ioaz. Deze
jaaropgaven worden pas bijna twee jaar na afloop van het
uitvoeringsjaar vastgesteld. Toch is voor dit aanpassingsmoment gekozen om gemeenten
zo snel mogelijk inzicht te geven in de middelen die uit
hoofde van een overschot op hun uitkeringsbudget beschikbaar zijn om in te
zetten voor activering. Daarmee wordt het meest recht gedaan aan de doelstelling van het
FWI.
In nauwe afstemming met gemeenten zal worden
bezien op welke wijze kan worden bewerkstelligd dat de
gedeclareerde uitgaven ten opzichte van de door de gemeenten in te dienen
jaaropgaven een zo accuraat mogelijk beeld geven van de omvang van de uitkeringslasten.
3.5.2. De verdelingssystematiek
Voor het budgetteren van de bijstand is een verdeelsysteem nodig om het
macrobudget te verdelen over gemeenten. Deze
verdeling moet zodanig geschieden dat de gemeenten voldoende
middelen krijgen om aan hun verplichtingen jegens bijstandsgerechtigden
te kunnen voldoen. Dit vereist dat de vormgeving van het verdeelmodel uiterst zorgvuldig
geschiedt.
Uitgangspunt bij de vormgeving van de
verdeelsystematiek is dat zo’n systematiek zodanig moet werken dat gemeenten
die hun uitkeringsbeleid
effectief uitvoeren, beloond worden en
gemeenten die beneden het gemiddelde presteren, worden gestimuleerd om het beter
te gaan doen. Verdeling van de bijstandsgelden op basis van historische kosten voldoet
minder goed aan dit uitgangspunt. Een
gemeente krijgt dan immers zijn uitkeringskosten vergoed op basis van de
gerealiseerde uitkeringslasten in het jaar dat als basis voor het historische verdeelmodel wordt
genomen. Gemeenten die in het verleden een
relatief minder effectief beleid gevoerd hebben, worden bevoordeeld ten
opzichte van de gemeenten die in het verleden effectiever
waren. Zij ontvangen immers een relatief groot aandeel. Gemeenten die in
het verleden relatief goed hebben gepresteerd, hebben beperktere
mogelijkheden hun prestaties te verbeteren, terwijl gemeenten die in het
verleden minder effectief waren relatief meer mogelijkheden hebben om besparingen te realiseren.
Een ander nadeel van een historisch model is
dat het onvoldoende rekening houdt met de dynamiek van de
bijstandsuitgaven als gevolg van factoren buiten de gemeentelijke
invloedssfeer. Een wijziging van de situatie wordt pas met vertraging meegenomen
(het verschil tussen het jaar waarop de verdeling is gebaseerd en het
uitvoeringsjaar is minimaal drie jaar, gezien het feit dat de uiteindelijk
gerealiseerde uitgaven pas na een aantal jaren bekend zijn).
De nadelen van een historisch verdeelmodel
doen zich niet voor bij een verdeling van uitkeringsgelden op basis van objectieve factoren. Met
objectieve factoren wordt bedoeld factoren
die niet of niet in belangrijke mate door gemeenten
te beïnvloeden zijn en
die de bijstandsnood verklaren. Het gaat om factoren die van
invloed zijn op de omvang van de uitkeringslasten van de bijstand (Abw,
Ioaw
en Ioaz) en die niet of nauwelijks invloed ondervinden van het
gemeentelijk bijstandsbeleid.
Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond
dat het mogelijk is de middelen voor de financiering van de gemeentelijke bijstandsuitgaven op
verantwoorde wijze via objectieve factoren
te verdelen. Daartoe is een econometrisch model ontwikkeld.¹ Dit
objectief verdeelmodel is in 1999 geactualiseerd.²
1. Berekende Bijstand in Model; Lester-SEO en
NEI; Leiden/Amsterdam/Rotterdam, 20 april 1998; bijlage van het Eindrapport
Projectgroep Objectief Verdeelmodel.
2. Actualisatie berekende bijstand in model; SEO; Amsterdam, 29 april 1999.
rblz.|11|
Door deze econometrische studie is een
achttiental objectieve factoren geselecteerd die een goede verklaring voor de verschillen
in omvang van de bijstandsuitgaven van gemeenten
geven. Op
grond van deze factoren kan de omvang van het gemeentelijk budget worden
vastgesteld. Gemeenten die een relatief effectief beleid voeren,
zullen middelen overhouden, terwijl gemeenten met relatief minder effectief
beleid geld tekort komen.
Op verzoek van de gemeenten
zal nagegaan
worden of het mogelijk is het huidige model verder te verbeteren. Dit zal in goed overleg met
gemeenten gebeuren. Ook de opmerkingen en
vragen die tijdens het algemeen overleg over het FWI op 3 februari
2000 door de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van de Tweede Kamer naar voren zijn gebracht, zullen bij
het onderzoek worden betrokken. Uit het onderzoek zal moeten
blijken of het huidige model verder ontwikkeld kan worden, met name waar
het gaat om de invloed van regionale en gemeentespecifieke factoren
op de bijstandsuitgaven. Voorts zal een nadere analyse plaatsvinden
van gemeenten met zogenaamde extreme uitslagen (gemeenten met zeer grote
herverdeeleffecten). Ook zal worden bezien of het zinvol is om in
het model onderscheid te maken tussen grote en kleine gemeenten. Ten slotte komt in het onderzoek de vraag aan de orde of, en zo ja,
hoe het econometrisch verklaringsmodel beter omgezet kan worden in
een verdeelmodel, met de specifieke eisen die daaraan gesteld worden.
Dit onderzoek zal in de loop van 2000 worden uitgevoerd. Daardoor kunnen
de onderzoeksresultaten voor het jaar 2002 worden toegepast.
Naar verwachting zal het onderzoek leiden
tot een model dat gebruikt kan worden voor de verdeling van het macrobudget. Daarbij wordt opgemerkt
dat het verdeelmodel geen statisch gegeven
is. Het model zal jaarlijks worden gevoed met de meest recente data van
de objectieve factoren. Op deze manier is het model in staat de
dynamiek in de gemeentelijke uitgaven te volgen. Voorts zal periodiek
onderzocht worden of het model aanpassing behoeft. Het kan dan gaan om het
inbrengen of laten vervallen van objectieve factoren en/of om
het wijzigen van de gewichten van de verschillende factoren. Op deze manier wordt recht gedaan aan het
feit dat in de loop van de tijd de invloed
van de verschillende objectieve factoren op de gemeentelijke
bijstandsuitgaven kan wijzigen.
Het spreekt voor zich dat geen enkel model
perfect is. Dat hoeft ook niet, zolang gemeenten
voldoende beleidsruimte hebben om hun
bijstandsuitgaven
te beïnvloeden en zo met hun budget uit
kunnen komen. Door de in hoofdstuk 2 genoemde werkgroep-Etty is
geconstateerd dat "gemeenten betekenisvolle invloed hebben op de omvang van de
bijstandsuitgaven".
Dat neemt niet weg dat voor elk model geldt
dat er zich bijzondere situaties kunnen voordoen die voor slechts
enkele gemeenten gelden, waarbij gemeenten buiten hun toedoen
door toepassing van het model toch structureel onredelijke herverdeeleffecten zouden kunnen
krijgen. Nader zal worden bezien of, en zo ja,
hoe met deze uitzonderlijke situaties bij de vormgeving van de
verdeelsystematiek rekening kan worden gehouden. Voor incidentele gevallen is de
risicobegrenzing zoals
die onderstaand in paragraaf 3.5.3 staat
beschreven van toepassing.
Nadeel van het objectief verdeelmodel is dat
er forse herverdeeleffecten kunnen optreden ten opzichte van de huidige
situatie. In 2001 zal daarom worden gestart met een verdeling op basis
van historische kosten met als basisjaar 1998. Hierdoor worden de
herverdeeleffecten beperkt gehouden. Het is de bedoeling om het budget voor 2002
te verdelen via een combinatie van historische kosten voor de helft van het
budget, basis 1999, en objectieve factoren voor de andere helft van
het budget. De bepaling van rblz.|12|
de gemeentelijke budgetten voor 2003 zal in
deze opzet dan geheel gebaseerd kunnen zijn op objectieve maatstaven.
Door deze gefaseerde ingroei naar een
objectief verdeelmodel worden enerzijds grote herverdeeleffecten bij de
start van het FWI vermeden en wordt anderzijds voorkomen dat gemeenten
die
in het verleden relatief minder goed hebben gepresteerd, en daardoor
een relatief groot historisch aandeel hebben, hiervan lang kunnen profiteren.
3.5.3. Begrenzing gemeentelijk financieel
risico
Met de eerder genoemde risicobegrenzing van
het macrobudget zullen gemeenten
macro bezien gevrijwaard blijven
van het optreden van financiële risico’s tengevolge van een grotere
budgettering binnen het FWI. Dat neemt niet weg dat er voor individuele
gemeenten sprake zal zijn van financiële risico’s. Dit is inherent aan
budgettering. Wel is ervoor gekozen om - bij een budgettering van 25% van de
uitkeringslasten - het mogelijke financiële risico voor een gemeente te
limiteren. Het risico wordt beperkt tot een bedrag van 15% van het op basis van
het (aangepaste) macrobudget aan de gemeente toegedeelde budget. Voor
gemeenten met een hoge bijstandsdichtheid wordt het eigen
risico begrensd tot een bedrag van ƒ15,- per inwoner. Binnen deze
begrenzing zijn de eventuele tekorten op het budget voor rekening van de betreffende gemeente. Als
de uitgaven van een individuele gemeente
boven de gestelde begrenzing uitkomen, compenseert het Rijk de meerkosten.
Op basis van uitgevoerde simulaties kan de verwachting uitgesproken worden dat de daadwerkelijk
behoefte om deze veiligheidsklep te openen
zich slechts bij een beperkt aantal gemeenten voordoet. Indien
verondersteld wordt dat de raming van het macrobudget gelijk is aan de feitelijke
macro-uitgaven, dan blijkt
voor circa 20 gemeenten de grens van ƒ15,- per inwoner actueel. Indien het macrobudget groter is dan de
feitelijke uitgaven, neemt, afhankelijk van het verschil, dit aantal af. De
omgekeerde situatie, de feitelijke uitgaven overtreffen het macrobudget, kan
zich bij de voorgestelde aanpassingssystematiek van het macrobudget
(zie paragraaf 3.5.1) niet voordoen.
3.5.4. De relatie met de debiteurenincentive
Per 1 januari 1999 is een financiële
incentive ingevoerd waardoor gemeenten
efficiënter en doelmatiger vorderingen kunnen invorderen.
Voorheen was het gemeentelijk aandeel in de
ontvangsten uit hoofde van terugvordering en verhaal 10%. Aangezien
voor gemeenten de kosten van terugvordering en verhaal veelal hoger waren
dan de opbrengsten, was het voor gemeenten financieel gezien niet
aantrekkelijk om te investeren in een daadkrachtig invorderingsbeleid. Om
de kosten-batenverhouding te verbeteren, is de financiële verhouding voor
ontvangsten uit hoofde van terugvordering en verhaal gewijzigd. Per
gemeente is een drempelbedrag bepaald. Van ontvangsten onder de drempel
mogen gemeenten 10% houden.
Van de ontvangsten boven die drempel komt
75% aan gemeenten toe (Abw, artikel 134a).
Bij de inwerkingtreding van het FWI wordt
het gemeentelijk aandeel in zowel de Abw-uitgaven als in de ontvangsten vergroot tot 25%. Daarmee
wordt voor wat betreft de terugvorderingen
een vergelijkbare financiële prikkel gerealiseerd als met de thans
bestaande debiteurenincentive. Het argument om een afzonderlijke debiteurenincentiveregeling in stand te
houden, vervalt dus en daarom zal deze
regeling dan ook op het tijdstip van inwerkingtreding van het FWI ingetrokken
worden. Daarmee wordt bereikt dat er een consistente en duidelijke lijn wordt gevolgd ten aanzien
van de uitgaven en de ontvangsten. Dit
betekent tevens een administratieve vereenvoudiging voor gemeenten. Het
drempelbedrag komt te rblz.|13|
vervallen en het is niet langer noodzakelijk
om bij de ontvangsten een onderscheid te maken tussen ontvangsten uit
hoofde van terugvordering en verhaal en overige ontvangsten.
3.5.5. Informeren van gemeenten
Gemeenten
dienen tijdig geïnformeerd te
worden over de hoogte van hun budget. Voor het uitkeringsbudget zal er zoveel mogelijk aangesloten
worden bij de systematiek van het
gemeentefonds. Dit geldt dan zowel voor de begrotingsvoorbereiding als voor de
begrotingsuitvoering. Zowel voor de algemene uitkering uit het
gemeentefonds als voor de via de begroting van SZW te verstrekken uitkeringsbudgetten dienen gemeenten
met het oog op de opstelling van hun
begroting tijdig te worden geïnformeerd omtrent de gelden die zij van rijkswege
kunnen verwachten voor het komende begrotingsjaar.
In praktijk betekent dit het volgende voor
gemeenten. Gelijktijdig met de zogenaamde mei- en septembercirculaires van
het gemeentefonds zal de Minister van SZW een mei- en een
septembercirculaire FWI uitbrengen. In de meicirculaire FWI van het jaar voorafgaand aan het uitvoeringsjaar
geeft de Minister van SZW een eerste beeld
van het macrobudget voor het komende begrotingsjaar en van de
verdeling van dit budget over gemeenten op basis van de verdeelsystematiek
die voor het begrotingsjaar geldt. Gemeenten ontvangen dus bij de
meicirculaire in 2000 inzicht in de verwachte omvang van het
uitkeringsbudget voor 2001 op basis van de dan beschikbare ramingsgegevens.
3.6. Het werkdeel
3.6.1. Hoofdlijnen werkdeel
In het werkdeel van het FWI worden bestaande
geldstromen en instrumenten voor gemeentelijk arbeidsmarktbeleid verder
gebundeld en gestroomlijnd.
In de startfase van het FWI zal het werkdeel
bestaan uit de Wiw inclusief de gemeentelijke middelen voor de
reïntegratie van
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) en sluitende aanpak. Aan de Wiw zijn
sinds 1 januari 2000 ook de zogenaamde inkoopmiddelen in het kader
van het grotestedenbeleid van de G86-gemeenten
toegevoegd.
Het deel ten behoeve van
bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden van het prestatiebudget van
Arbeidsvoorziening wordt hier op termijn ook aan toegevoegd, afhankelijk
van het tijdpad van de implementatie van de kabinetsvoornemens op het terrein
van
de Structuur [uitvoering, red.] werk en inkomen (SUWI).
Het kabinet is voornemens in de eerste fase
van het FWI te komen tot een zekere mate van ontschotting, stroomlijning en vereenvoudiging van de
financiële systematiek binnen het
gemeentelijk Werkfonds. Doel hiervan is een grotere beleidsvrijheid en minder
administratieve lasten voor gemeenten, maar ook een beter zicht en
sturing op prestaties en resultaten. Deze voornemens kunnen vooralsnog
gerealiseerd worden door wijziging van het Besluit uitvoering en
financiering Wet inschakeling werkzoekenden. Het kabinet werkt in overleg met
VNG en gemeenten in de
eerste helft van 2000 een aantal voorstellen uit tot wijziging van
deze lagere regelgeving. Nog vóór de zomer zal de Tweede Kamer worden
geïnformeerd over de concrete uitwerking van deze voornemens. Overigens
geldt ten aanzien van de invoering van eventuele nieuwe
verdeelsleutels voor het werkdeel van het FWI een zogenoemde voorhangprocedure bij het
parlement. De voornemens worden in paragraaf 3.6.4 beschreven.
Daaraan voorafgaand is in paragraaf 3.6.2 een beschrijving opgenomen
van de huidige instrumenten en geldstromen in het kader van het
gemeentelijk Werkfonds en in paragraaf 3.6.3 een beschrijving van de relatie
tussen SUWI en FWI.
rblz.|14|
3.6.2. Huidige middelen en instrumenten van
het gemeentelijk Werkfonds
Met de Wiw beschikken
gemeenten
over
instrumenten en financiële middelen (in het gemeentelijk Werkfonds)
voor de invulling van de gemeentelijke zorgplicht voor de reïntegratie van ingezeten werklozen,
waaronder met name bijstandsgerechtigden en
arbeidsgehandicapten. Het gemeentelijk Werkfonds kent een vast
budget voor scholing en activering, met daarbinnen naast een algemeen deel,
geoormerkte deelbudgetten voor de Wet Rea en de nieuwe sluitende aanpak.
Daarnaast kent het Werkfonds een vast budget voor de
aanvullende kosten van de Wiw-dienstbetrekkingen, waardoor feitelijk een limiet gesteld wordt
aan het aantal te realiseren dienstbetrekkingen. Een
vast basisbedrag per gerealiseerde werkervaringsplaats, dienstbetrekking of Rea-plaatsingsbudget
kunnen gemeenten apart bij het Rijk declareren.
Gemeenten
kunnen sinds de invoering van de
Wiw per 1 januari 1998 kiezen voor de inzet van een breed scala aan instrumenten om hun
bijstandscliënten en andere werkloze ingezetenen toe te leiden naar de arbeidsmarkt:
trajectbegeleiding, scholing,
kinderopvang, arbeidsbemiddeling, financiële incentives, gesubsidieerde banen
in de vorm van werkervaringsplaatsen en dienstbetrekkingen, sociale activering.
Voor arbeidsgehandicapten met een bijstandsuitkering kunnen gemeenten
sinds 1 juli 1998 de zogenaamde Rea-plaatsingsbudgetten,
pakketten op maat en speciale werknemersvoorzieningen uit de Wiw
financieren. Gemeenten kunnen veel van deze instrumenten ook gelijktijdig of achtereenvolgend
voor een cliënt inzetten.
Sinds medio 1999 worden jaarlijks aan de
Wiw
extra financiële middelen toegevoegd ten behoeve van de gemeentelijke
uitvoering van de sluitende aanpak voor nieuwe instromers in de Abw,
Ioaw en Ioaz die 23 jaar of ouder zijn. Hier is sprake van een
geleidelijke uitbouw. In 1999 is gestart met de sluitende aanpak bij de
zogenoemde G25-gemeenten, in 2000 is dit uitgebreid tot de zogenoemde
G86-gemeenten.
Voor jongeren tot 23 jaar is al langer
sprake van een sluitende aanpak in het kader van de Wiw. Met uitzondering van
de gesubsidieerde banen in de Wiw, waarvoor de criteria van minimaal één jaar werkloosheid (dan wel gelijkstelling) en de Wiw-verklaring (voor
het bepalen van de afstand tot de arbeidsmarkt) gelden, kunnen gemeenten
alle Wiw-instrumenten inzetten voor de nieuwe instroom van 23 jaar of ouder. Overigens kunnen gemeenten de meeste instrumenten niet alleen
voor hun bijstandscliënten inzetten, maar ook voor andere uitkeringsgerechtigden en
niet-uitkeringsgerechtigde
werkzoekenden die ingezetene zijn van de
gemeente.
Sinds 1 januari 2000 is de verplichte inkoop
bij Arbeidsvoorziening voor de zogenaamde G86-middelen en de
gemeentelijke Rea-middelen volledig afgeschaft.
3.6.3. Relatie tussen FWI en SUWI
Beide beleidstrajecten hebben als doel om
een sterke impuls te geven aan het beleid van onder andere gemeenten
ter
bevordering van de uitstroom uit de werkloosheid(suitkering) naar
betaalde arbeid. Met het FWI, de invoering van financiële incentives binnen
de bijstand en daaraan gekoppelde deregulering op het reïntegratie-instrumentarium krijgen
gemeenten
ook een financieel belang bij uitstroom van
mensen uit de Abw en meer armslag voor een effectieve aanpak van
reïntegratie. Naar de mate waarin gemeenten succesvol opereren, hebben
zij meer financiële middelen beschikbaar om juist de groepen die
op grote afstand van de arbeidsmarkt staan te ondersteunen. Met de
institutionele vernieuwing wordt beoogd om mensen zo effectief en
efficiënt mogelijk tegemoet te treden bij het verkrijgen van een baan door aan de start van het proces
rblz.|15|
één loket te bieden, waar de klant terecht
kan voor arbeidsbemiddeling en de administratieve intake voor een aanvraag
van een uitkering. De doelstelling van FWI sluit dus goed aan
op de doelstelling van het traject SUWI. Op het vlak van het werkdeel
van FWI (de reïntegratie) ligt er een sterke relatie met SUWI, zoals uit het
navolgende zal blijken.
De middelen die aan gemeenten
worden
verstrekt in het kader van het FWI worden in het kader van SUWI
niet uitsluitend ingezet voor
bijstandsgerechtigde
klanten. Het werkdeel van het fonds zal ook
beschikbaar zijn voor inzet van instrumenten ten behoeve van
niet-uitkeringsgerechtigden.
Tot nu toe is de Arbeidsvoorzieningsorganisatie medeverantwoordelijk voor arbeidsintegratie van
niet-uitkeringsgerechtigden. In het kader van SUWI zal deze verantwoordelijkheid
uitsluitend komen te berusten bij gemeenten. De taken die Arbvo
[Arbeidsvoorziening, red.] uitvoert in
het kader van de basisdienstverlening zullen worden voortgezet in de Centra voor
werk en inkomen (CWI’s).
Door de invoering van SUWI
wordt bereikt dat
sprake is van een heldere verantwoordelijkheidstoedeling aan publieke
instanties voor dienstverlening aan burgers in het kader van werk en
inkomen. Deze verantwoordelijkheidsverdeling heeft betrekking op de toegang tot werk en
inkomen en op de reïntegratie in het arbeidsproces.
Voor gemeenten
betekent dit het volgende.
De toegang tot werk en inkomen geschiedt via
de CWI’s. In de CWI’s wordt de afstand van de werkzoekende tot de arbeidsmarkt bepaald en
uitgedrukt
in een fase-indeling.
De gemeente is verantwoordelijk voor de
uitkering van een klant en ook verantwoordelijk voor diens integratie in het arbeidsproces. Hiervoor zal
door middel van inkoopconstructies een
beroep worden gedaan op reïntegratiebedrijven.
Gemeenten
ontvangen de financiële middelen
in het kader van het werkdeel van FWI van de Minister van
SZW. De inzet
van deze middelen zal worden ingepast binnen de kaders van het
landelijke arbeidsmarktbeleid van de regering. Dit landelijke
arbeidsmarktbeleid zal mede worden ontwikkeld op basis van advisering door de
in het kader van SUWI op te richten Raad voor werk en
inkomen. De Raad
doet jaarlijks een voorstel aan de minister over het te voeren
arbeidsmarktbeleid en de omvang en verdeling van de reïntegratiemiddelen. De
advisering door de Raad zal het richtsnoer zijn voor de Minister van SZW bij het maken van
bestuurlijke
afspraken met gemeenten over de inzet van
hun reïntegratiemiddelen, waaronder het werkdeel van het FWI, en over
de verantwoording van de resultaten daarvan.
De beoogde startdatum voor het FWI is 1
januari 2001. Gezien het complexe wetgevingstraject dat aan het SUWI-project verbonden is, zal
inwerkingtreding daarvan in ieder geval na 1
januari 2001 aan de orde zijn.
Dit behoeft voor het FWI geen probleem op te
leveren, omdat de Minister van SZW, bij ontstentenis van adviezen van
de Raad voor werk en inkomen, voor het maken van afspraken met
gemeenten over de inzet van de reïntegratiemiddelen in het
kader van het FWI kan terugvallen op arbeidsmarktinformatie die de Arbeidsvoorzieningsorganisatie levert.
Uitdrukkelijke voorwaarde bij de SUWI-ontwikkeling is dat de continuïteit in de huidige processen moet worden
gewaarborgd.
3.6.4. Voornemens deregulering en
stroomlijning op het werkdeel van FWI
Het voornemen is om in de eerste fase van
het FWI mogelijk te maken dat rblz.|16|
gemeenten
middelen die zij overhouden omdat
minder Wiw-dienstbetrekkingen zijn gerealiseerd zijn dan toegekend, kunnen
aanwenden voor scholing en activering. Hierdoor krijgen
gemeenten meer armslag om te investeren in directe trajecten naar de arbeidsmarkt, in
socialeactiveringstrajecten
voor mensen met een grote afstand tot de
arbeidsmarkt te financieren en in doorstroom uit de
Wiw-dienstbetrekkingen naar de reguliere niet-gesubsidieerde arbeidsmarkt. Om deze
bestedingsvrijheid mogelijk te maken, zullen gemeenten niet-gebruikt geld
uit het vaste budget voor Wiw-betrekkingen in principe toe mogen
voegen aan het scholings- en activeringsbudget van het volgende jaar.
In overleg met gemeenten
wordt nader bezien
hoe het scholings- en activeringsbudget in de Wiw intern ontschot kan worden, mede in relatie
tot de in de kabinetsvoornemens SUWI beoogde
wijze van landelijke sturing op reïntegratiemiddelen van
gemeenten en UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.]. Door ontschotting zal de nu nog aanwezige oormerking van
middelen voor arbeidsgehandicapten en voor sluitende aanpak kunnen vervallen.
In het verlengde daarvan zal ook nader worden
bezien hoe de verantwoordingssystematiek dient te worden aangepast.
Uitgangspunt bij het bovenstaande is
gemeenten meer mogelijkheden te bieden hun reïntegratie-instrumentarium effectief en efficiënt in te zetten
en de administratieve lasten te beperken.
Beoogd wordt om per 2001 in ieder geval de verschillende financiële
systematieken ten aanzien van overschotten binnen de onderdelen van het
scholings- en activeringsbudget te stroomlijnen tot één.
In het Besluit uitvoering en financiering
Wet inschakeling werkzoekenden is geregeld dat de verdeelsleutels voor de verschillende budgetten in het
gemeentelijk Werkfonds van 1998 tot en met 2000 bevroren zijn op
het niveau van de JWG en banenpoolrealisatie 1996 (historische
maatstaf). Tevens is in genoemd besluit een systematiek van verdeling van de budgetten opgenomen voor
de jaren 2001 en volgende. In overleg met de gemeenten
wordt bezien of deze systematiek kan worden gehandhaafd, dan
wel aanpassing behoeft. Indien aanpassing aan de orde is, geldt
hiervoor op grond van genoemd besluit een zogenoemde voorhangprocedure bij
het parlement.
Ook zal op een wat langere termijn bezien
moeten worden hoe de eisen en procedures rond een onafhankelijke indicatiestelling (de verplichte
Wiw-verklaring en de werkloosheidsduur) om
de toepassing van de werkervaringsplaatsen en dienstbetrekkingen te beperken tot die
groep van 23 jaar of ouder die daar, gezien de grote
afstand tot de arbeidsmarkt, op aangewezen is, ingepast kunnen worden in de
taken van de CWI’s in het kader van de kabinetsvoornemens
SUWI.
4. Toezicht en verantwoording
De voorgestelde Wet financiering
Abw,
Ioaw
en Ioaz heeft geen gevolgen voor de bestuurlijke verantwoordelijkheidsverdeling tussen
Rijk
en gemeenten
bij de Abw, Ioaw en
Ioaz.
Verder kenmerkt de financieringswijze in deze wet zich door het feit dat het een
uitkering respectievelijk vergoeding betreft ten laste van de SZW-begroting. De reikwijdte van de wettelijke toezichtstaak van de
minister
blijft daarmee ongewijzigd. Rijk en gemeenten hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om tot een
goede uitvoering te komen. Voor de
verhouding tussen Rijk en gemeenten betekent dit een vorm van bestuurlijk
partnerschap, dat doorwerkt in de toezichtsuitoefening. De huidige invalshoek
dat de toezichtsuitoefening primair moet bijdragen aan een juiste
wetsuitvoering blijft met deze wet ongewijzigd. Burgemeester en wethouders
zullen daarbij op hun verantwoordelijkheid worden aangesproken.
rblz.|17|
Het toezicht op de uitvoering van de
Abw, Ioaw en Ioaz richt zich op de beoordeling of de uitvoering overeenkomstig
het bij en krachtens wet- en regelgeving bepaalde heeft plaatsgevonden
(de rechtmatigheid van de wetsuitvoering en de ter zake verrichte
uitgaven respectievelijk ontvangen gelden) en de bijdragen die de uitvoering
levert aan het doelbereik van de wet (doeltreffendheid). De rechtmatigheid
heeft betrekking op de rechtmatige uitvoering, waarbij de minister
niet aanspreekbaar is op de
individuele
uitkeringsverstrekking. De doeltreffendheid
bevat de mate waarin gemeenten
de doelen van de wet bereiken en
houdt in een oordeel van de minister of de uitvoering van de wet het
doelbereik bevordert.
Een nieuw element in de uitvoering van het
toezicht dat in deze wet is opgenomen, vormt de invoering van een verantwoordingsverslag van
burgemeester en wethouders aan de minister.
De minister zal zich bij zijn oordeelsvorming in hoofdzaak baseren op
informatie over de wetsuitvoering die burgemeester en wethouders jaarlijks na
afloop van het vergoedingsjaar verstrekken in de vorm van
een verantwoordingsverslag. Het verantwoordingsverslag is de uitwerking
van het in de toelichting bij de Algemene bijstandswet benoemde
single-auditprincipe en sluit aan bij de belangrijkste
systeemkenmerken van de
uitvoeringsconstellatie die met deze wet wordt beoogd. Het toenemend direct
financieel belang van gemeenten
voor een juiste wetsuitvoering en de
beleidsmatige/financiële koppeling van bijstandsregelingen en de regelingen
voor reïntegratie benadrukken de noodzaak van een adequate beheersing, sturing en verantwoording
door burgemeester en wethouders.
Voor het verantwoordingsverslag zullen
nadere regels worden opgesteld. Uitgangspunt voor deze nadere regels vormt
het principe dat de informatievraag in evenwicht moet zijn met de bestuurlijke
verantwoordelijkheidsverdeling en de eisen als gevolg van de
financieringssytematiek. Daarbij moeten onnodige administratieve
beheerslasten bij gemeenten worden voorkomen. Op basis van dit
uitgangspunt zal er bij de verdere uitwerking in regelgeving gezocht worden
naar een afstemming tussen de informatie die gemeenten aan de minister
moeten aanleveren in het verantwoordingsverslag voor het
rijkstoezicht en de informatie van burgemeester en wethouders aan de raad
[gemeenteraad, red.] in het
beleidsverslag.
5. Uitvoeringsaspecten
Zoals in paragraaf 3.3 is aangegeven, zal de
ontwikkeling van het FWI gefaseerd worden aangepakt. Eén van de aandachtspunten daarbij is een
vereenvoudiging van de systematiek. In de
paragraaf over het werkdeel is daarop ingegaan. Ook in het kader van de
uitvoering van de Abw wordt nader bezien of er op uitvoeringsaspecten
een nadere vereenvoudiging plaats kan vinden. Eén van die aspecten
betreft de vereenvoudiging van de administratieve procedures rond de
zogenoemde "draaideurcliënten" [cliënten die vanwege tijdelijk
werk telkens de bijstand uitgaan en weer ingaan, red.]. Deze aspecten zullen verder worden uitgewerkt en zo nodig bij
ministeriële
regeling worden geregeld.
De gefaseerde invoering van het FWI draagt
bij aan een zorgvuldige uitvoering. De risico’s voor gemeenten
zijn begrensd door te werken met zowel een aanpassing van het macrobudget
bijstand als met een maximering van het risico voor een
individuele gemeente. Bovendien wordt het objectieve verdeelmodel voor de
uitkeringslasten Abw, Ioaw en
Ioaz stapsgewijs verder ontwikkeld in een
open en transparant proces met gemeenten.
Naar verwachting zullen de
uitvoeringstechnische consequenties van het onderhavige wetsvoorstel beperkt zijn. Het
voorstel heeft met name betrekking op de financieringssystematiek
van de bijstand. De verwachting is mede gebaseerd op het oordeel omtrent de uitvoeringsaspecten
rblz.|18|
door het Uitvoeringspanel. Het Uitvoeringspanel is van oordeel dat de consequenties voor
de uitvoering acceptabel
zijn. Wel is aandacht gevraagd voor een tijdige
informatievoorziening, mede met het oog op de mogelijke consequenties voor de
automatisering.
Ook bij de verdere implementatie van het FWI
zal er verder gewerkt worden in een transparant proces. Daarbij
zal de VNG worden betrokken en zal er voor uitvoeringsaspecten van de
diverse onderdelen ook gebruik gemaakt worden van de advisering door het
Uitvoeringspanel.
6. Informatievoorziening
Om te kunnen constateren of de beoogde doelen van het FWI
gerealiseerd worden, is het nodig om over een actueel en helder overzicht te
beschikken van de resultaten die met het fonds worden behaald. Het
gaat dan om gegevens over doelgroep, de aard van de uitgaven, het bereik
van de ingezette instrumenten en het effect dat daarmee wordt bereikt.
Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt naar het inkomensdeel en naar het
werkdeel van het fonds.
Voor het inkomensdeel zal het met name gaan om informatie over aantallen ontvangers van een
bijstandsuitkering naar persoonlijke kenmerken, aard van de uitkering en in- en uitstroomgegevens. Voor
het werkdeel is behoefte aan informatie over aantallen gebruikers van een
door de gemeenten
geëntameerde arbeidsmarktvoorziening, het soort gebruik, de mate van
gebruik, de effecten van de voorzieningen, de
aard van de uitgaven en de kosten van trajecten. Dergelijke informatie is,
gezien de aan de budgettering verbonden grotere financiële
verantwoordelijkheid van de gemeenten ook van belang voor de gemeenten zelf.
Voor een doelgerichte en doelmatige besteding van de gebudgetteerde gelden zullen
gemeenten ook over kwantitatieve informatie willen beschikken, zodat daarmee een gerichtere sturing van
beleid en
uitvoering beter mogelijk wordt.
Gemeenten
zullen hiertoe periodiek gegevens gaan verstrekken. Het
ligt voor de hand hierbij zoveel mogelijk gebruik te maken van de
bestaande gegevensverstrekkingen van gemeenten in het kader van de Abw en de
Wiw. Voor zover deze wijzigingen behoeven, zal zowel uit oogmerk van beperking van de
administratieve lasten als uit oogpunt van
kwaliteit van geleverde gegevens als uitgangspunt gelden dat de gevraagde
informatie dient aan te sluiten op de gegevens die een rol spelen bij de
administratieve processen en bij de uitvoeringsprocessen van gemeenten zelf. Dit
geldt zowel voor de inhoud van de gegevens als voor de periodiciteit waarmee die gegevens geleverd moeten
worden.
Teneinde in staat te zijn om de door de diverse gemeenten verstrekte gegevens samen te voegen tot landelijke of
regionale overzichten,
dienen deze gegevens te voldoen aan voorwaarden die aggregatie mogelijk maken. Hierbij
moet worden gedacht aan gebruik van uniforme
definities, indelingen en standaards. De regie om dit te realiseren, ligt
bij de
Minister van SZW, conform de voorstellen van de Taskforce beleidsinformatie
(Kamerstukken II 1999-2000, 26 541, nr. 68). Zoals hierbij aangegeven,
is er in het kader van beleidsinformatie in reguliere zin geen behoefte aan
informatie die inzicht biedt in de handelingen en de effecten van de
beleidsuitvoering van een individuele gemeente. Indien SZW over
beleidsinformatie
op het niveau van de individuele gemeente wenst te beschikken, zal over de wijze van toegang tot die informatie en de wijze
waarop
dat gebruik zal plaatsvinden, worden overlegd met VNG
en gemeenten.
Op deze wijze is
het mogelijk om, zowel bij de jaarlijks uitkomende
Sociale Nota als bij de jaarlijkse financiële verantwoording aan de Tweede
Kamer rblz.|19|
en bij de vierjaarlijkse evaluatie van de Abw en
Wiw, een inzicht te
verschaffen in de effectiviteit van het FWI.
Vooruitlopend op een evaluatie zal reeds in 2002 een eerste
tussenstand bepaald worden, overeenkomstig de met gemeenten
gemaakt afspraak.
7. Financiële aspecten
7.1. Betrokken geldstromen
Bij de invoering van het FWI per 1 januari 2001 zullen verschillende
geldstromen die nu via verschillende loketten naar gemeenten
gaan, onder
één gezamenlijke noemer worden gebracht op de SZW-begroting. Het gaat om de volgende stromen.
• Het saldo van uitgaven en ontvangsten Abw,
Ioaw en Ioaz die op declaratiebasis door het Rijk aan gemeenten
worden vergoed (in het algemeen thans 90%). Dit saldo, ter grootte van circa
ƒ7,8 miljard, staat ook nu al op de SZW-begroting.
• Het aandeel in het saldo van uitgaven en inkomsten Abw, Ioaw en Ioaz dat voor rekening van gemeenten komt
(thans 10%). Aangezien bij FWI het saldo van uitgaven en inkomsten van algemene bijstand,
Ioaw en Ioaz geheel via de SZW-begroting gaat lopen, zal het gemeentelijk aandeel
naar rato van het declaratiedeel van het gemeentefonds naar de SZW-begroting worden overgeheveld. Het
gaat daarbij volgens de huidige inzichten om een bedrag van circa ƒ0,73 miljard.
• De uitgaven voor het gemeentelijk Werkfonds, die deels bestaan
uit een vast deel en deels uit een declaratiedeel. Deze uitgaven, ter
grootte van circa ƒ2,0 miljard, staan al op de SZW-begroting.
In de startsituatie zal er dus sprake zijn van een aantal begrotingsartikelen
op de SZW-begroting die onder een gezamenlijke noemer FWI zullen worden geplaatst.
7.2. Meerjarige omvang van het FWI en het rijksdeel in de uitkeringen
Tabel 1 geeft het meerjarig financieel beeld van de verschillende
geldstromen die deel gaan uitmaken van het FWI in de eerste fase.
Tabel 1. De omvang van het FWI in miljarden guldens:
| |
2001 |
2002 |
2003 |
2004 |
2005 |
| Inkomensdeel: |
8,5x |
8,5x |
8,5x |
8,5x |
8,5x |
| w.v.
budgetdeel Abw, Ioaw, Ioaz: |
2,1x |
2,1x |
2,1x |
2,1x |
2,1x |
| w.v.
declaratiedeel Abw, Ioaw, Ioaz: |
6,4x |
6,4x |
6,4x |
6,4x |
6,4x |
| Werkdeel
(gemeentelijk Werkfonds): |
2,0x |
2,1x |
2,1x |
2,1x |
2,1x |
| Totaal: |
10,5x |
10,6x |
10,6x |
10,6x |
10,6x |
Het meerjarenbeeld in tabel 1 is gebaseerd op actuele inzichten met betrekking tot de ontwikkelingen van
Abw, Ioaw en Ioaz. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de ramingen van het CEP 2001
[Centraal Economisch Plan 2001, red.] van het
CPB [Centraal Planbureau, red.]. De
realisatie van de in het regeerakkoord ingeboekte taakstelling voor
de Abw (oplopend van ƒ250 mln in 2000 naar ƒ500 mln structureel vanaf
2002) is niet gekoppeld aan de invoering van het FWI, maar wordt bezien in
de bredere samenhang van het beleid gericht op activering en
vermindering van het volume aan uitkeringen. Door de gunstige ontwikkeling
van het bijstandsvolume sinds het regeerakkoord, die mede door dit beleid is
beïnvloed, ziet het ernaar uit dat de taakstelling gerealiseerd zal
worden. rblz.|20|
Bij de raming van het meerjarenbeeld in tabel 1 zijn de aan het
gemeentefonds
te onttrekken middelen voor het huidige gemeentelijke (10%-)aandeel in de uitgaven voor
Abw,
Ioaw en Ioaz meegenomen. Het structureel te onttrekken bedrag bedraagt circa
ƒ0,73 miljard.
7.3. Overige financiële effecten
In het wetsvoorstel is voorzien in een beperking van het financiële
risico voor individuele gemeenten
bij toepassing. Deze beperking houdt in
dat een individuele gemeente die wordt geconfronteerd met een tekort op haar budget dat
hoger is dan 15% van het toegekende budget of dan ƒ15,- per inwoner, van het
Rijk het bedrag dat boven deze
grens
uitgaat, krijgt vergoed. Op grond van simulaties van de herverdeeleffecten
kan, indicatief, een additioneel financieel beslag voor het Rijk worden
geraamd op circa ƒ10 miljoen in 2001 oplopend tot circa ƒ20 miljoen in 2003.
Het feitelijk beroep op het Rijk uit hoofde van deze regeling kan pas
worden vastgesteld op het moment dat de gemeentelijke jaaropgaven inzake
Abw, Ioaw en Ioaz door
het Rijk zijn vastgesteld.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikelen 1 en
2
In artikel 1 is een aantal voor zich sprekende
begripsbepalingen opgenomen waar in de wet naar wordt verwezen. In
artikel 2 is het algemene
uitgangspunt geformuleerd dat de door burgemeester en wethouders van een
gemeente
op grond van de
Abw toegekende
algemene bijstand, bijzondere bijstand, bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal, bijstand ter voorziening in met de voorbereiding van een bedrijf of
zelfstandig beroep samenhangende kosten en uitkeringen op grond van de Ioaw en de
Ioaz ten laste komen van die
gemeenten, net als de hiermee verband houdende uitvoeringskosten. Uit de overige
- hierna
toe te lichten - bepalingen van deze wet zal blijken voor welke van
deze kosten (en op welke wijze) hiervoor door de Minister van SZW ten
laste van ’s Rijks kas aan gemeenten financiële middelen ter beschikking
zullen worden gesteld. Voor het restant dienen de gemeenten een beroep te
doen op de eigen middelen.
Hoofdstuk
II. Tegemoetkoming in de uitkeringslasten
In dit hoofdstuk is in de artikelen 3 en
5
geregeld voor welke ten
laste gebleven kosten van bijstand en uitkering (bedoeld in artikel 2 van
deze wet) de gemeenten
van financiële middelen worden voorzien om hieraan
tegemoet te komen en op welke wijze hierin wordt voorzien.
Artikel
3. Vergoeding ten laste gebleven kosten
In artikel
3, eerste lid,
onderdeel
a tot en met e, is geregeld dat
de in een kalenderjaar ten laste van de gemeente
gebleven kosten van op grond
van de Abw verstrekte bijstand (met uitzondering van de bijzondere bijstand)
en op grond van de Ioaw en de Ioaz verstrekte uitkeringen, alsmede de daarover verschuldigde
loonbelasting, premies volksverzekeringen en ziekenfondspremie, voor 75% aan de gemeente worden
vergoed. De op grond van de Abw bij wijze van voorschot verstrekte algemene bijstand
komt niet voor vergoeding in aanmerking. Dit ligt ook niet in de
rede. Het voorschot wordt (in de regel) immers verrekend met de na
voorschotverlening rblz.|21|
toegekende bijstand. Het met de verlening van voorschotten gemoeide bedrag maakt aldus onderdeel uit
van de kosten van algemene bijstand die al voor vergoeding in aanmerking komen.
Op grond van het tweede lid van artikel 3 is de vergoeding voor ten
laste gebleven kosten van bijstand 100% indien bijstand wordt verleend met
toepassing van artikel 63, tweede lid, van de Abw. Op grond van de
bij en krachtens dat artikellid gestelde regels geldt dat voor ondernemers
in de binnenvaart bijstandverlening plaatsvindt door zogenoemde
centrumgemeenten. Deze gemeenten hebben daardoor hogere bijstandskosten
dan het geval zou zijn indien zij niet als centrumgemeente zouden
zijn aangewezen en in relatieve zin hogere kosten dan andere
(niet-centrum)gemeenten. Het wordt dan ook billijk geacht om deze extra kosten
volledig te vergoeden.
In het derde lid van artikel 3 is omschreven wat onder ten laste van
de gemeente gebleven kosten als bedoeld in het eerste lid wordt
verstaan. Te weten: de in een kalenderjaar door de gemeente op grond van de Abw
verleende bijstand en op grond van de Ioaw en Ioaz verleende
uitkeringen, verminderd met alle ontvangsten van de gemeente in dat jaar in
verband met de verlening van bijstand en uitkering als hiervoor
bedoeld. Uit de Abw, de Ioaw en de Ioaz volgt dat in dit verband onder
ontvangsten wordt verstaan de verrekening van tijdens bijstand- of
uitkeringverlening
ontvangen inkomsten, de ontvangsten uit hoofde van terugvordering van onverschuldigd
betaalde bijstand of uitkering, de ontvangsten uit hoofde van verhaal als bedoeld in
hoofdstuk VII van de Abw, de aflossing van als geldlening verstrekte bijstand en de aflossing van onder
verband van hypotheek verstrekte bijstand. Verder worden onder ontvangsten
verstaan de
inkomsten die de gemeente ontvangt door toepassing van de zogenoemde administratieve boetebepalingen in de
Abw (artikel 14a) de Ioaw
(artikel
20a) en de Ioaz (artikel 20a).
Artikel
4. Voorschot op de vergoeding
Uit het eerste lid van
artikel 4
volgt dat volgens bij ministeriële
regeling te stellen regels op de vergoeding, bedoeld in artikel
3, voorschotten
zullen worden verstrekt. Deze regels zullen betrekking hebben op de wijze
waarop een voorschot wordt aangevraagd en de hierbij over te leggen stukken betreffende de uitgaven van
gemeenten
(de
zogenoemde kwartaaldeclaraties). Daarnaast zal de wijze van berekening van het
voorschot worden aangegeven, alsmede de data waarop de betalingen zullen
plaatsvinden. Voorts zal hierbij worden geregeld dat bij niet tijdige
indiening van een kwartaaldeclaratie, de voorschotbetaling zal worden
aangehouden. Bij deze regeling kan voorts worden geregeld dat bij niet tijdige
ontvangst van het door burgemeester en wethouders in te dienen
verslag omtrent de uitvoering van de Abw, de
Ioaw en de Ioaz (met daarin
opgenomen: een opgave van de ten laste van de gemeente gebleven kosten in
enig kalenderjaar) de voorschotverlening wordt opgeschort.
Artikel
5. Uitkering ten laste gebleven kosten
In het eerste lid van
artikel 5 is
geregeld dat aan de gemeenten
voor de financiering van het restant van de uitkeringslasten - dat wil
zeggen: de uitkeringslasten die op grond van artikel
3, eerste lid, niet voor
vergoeding in aanmerking komen - jaarlijks een uitkering wordt verstrekt. Net
zoals het geval is bij de vergoeding van uitkeringslasten, wordt geen
uitkering verleend voor kosten van algemene bijstand die bij wijze van
voorschot is verstrekt. De uitkering wordt ten minste drie maanden voorafgaande
aan het kalenderjaar waarop die betrekking heeft, vastgesteld en berekend
aan de hand van het jaarlijks bij begrotingswet vast te stellen bedrag
dat voor deze uitkeringen beschikbaar is. Voor de berekening van het
uitkeringsbedrag
worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels rblz.|22|
gesteld. Voor een toelichting
op de berekeningswijze wordt verwezen
naar het algemene deel van deze toelichting. Bij of krachtens deze
maatregel kunnen verder regels worden gesteld omtrent het verzamelen en
vaststellen van voor de berekening van het bedrag van de uitkering
noodzakelijke
gegevens.
In het derde lid van
artikel 5 is voorzien in een zogenoemde
voorhangprocedure. Het betreft hier immers een materie die regeling bij wet
rechtvaardigt maar zich daarvoor niet goed leent. Enerzijds vanwege haar sterk
technische karakter, anderzijds vanwege de (verwachte) omvang van de
te stellen regels. Bovendien geldt een voorhangprocedure ook voor de
algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de
Wet
sociale werkvoorziening (Wsw) en artikel
17, tweede lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw) betreffende
respectievelijk de verdeling van de totale Wsw- respectievelijk Wiw-subsidie over de
gemeenten.
Artikel
6. Verhoging uitkering
Het kan zijn dat de macro-ontwikkeling van de uitkeringslasten
Abw, Ioaw en Ioaz in een jaar hoger zijn dan eerder
- bij de vaststelling van
het uitkeringsbedrag als bedoeld in artikel 5 - is geraamd. Om te
voorkomen dat gemeenten
het slachtoffer worden van een dergelijke onvoorziene
toename van de uitkeringslasten is in artikel 6 geregeld dat het
totale bedrag, bedoeld in artikel 5, dat beschikbaar is voor het doen van
uitkeringen (het macrobedrag) bij wet kan worden aangepast. In het algemene deel van deze
toelichting is hier reeds op ingegaan. Bij een
dergelijke aanpassing van het macrobedrag zal er een herberekening plaatsvinden
van het voor individuele gemeenten geldende uitkeringsbedrag, bedoeld in
artikel 5. Het verschil tussen het
oorspronkelijke
uitkeringsbedrag en het nieuwe uitkeringsbedrag zal binnen vier weken na een herziening
van het macrobedrag worden vastgesteld.
In het derde lid is geregeld dat indien de uitkering door toepassing
van artikel 6 tussentijds is verhoogd, voor de toepassing van de -
hierna te bespreken - artikelen 7 [vervallen, red.], 8 [7]
en 9 [8] wordt uitgegaan van de op grond
van het tweede lid van artikel 6 verhoogde uitkering.
Artikel
7. Uitkeringsoverschot
[vervallen,
zie toelichting op artikel 8, red.]
In het eerste lid van dit artikel is
geregeld dat in het jaar volgend op het
jaar waarop de in artikel 5 bedoelde uitkering betrekking heeft,
burgemeester en wethouders de naar hun oordeel ten laste gebleven kosten,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, vaststellen. Anders gesteld: de
omvang vaststellen van de kosten die ten laste van de uitkering zijn gebracht. Als
blijkt dat de ten laste van de uitkering gebrachte kosten lager zijn
dan het bedrag van de uitkering, dient het restantbedrag van de uitkering te
worden toegevoegd aan het zogenoemde scholings- en activeringsbudget van de
Wiw. Met andere woorden, aan
de middelen waarover in dat jaar op grond van de Wiw wordt beschikt voor de toekenning van
voorzieningen als bedoeld in de artikelen 3 en
13a van die wet (en voor de uit
die artikelen van de Wiw voortvloeiende activiteiten van de gemeenten
ten
behoeve van de inschakeling in het arbeidsproces) en de extra kosten voor het pakket op
maat, bedoeld in artikel 13b, tweede lid, van de Wiw.
Het volgende voorbeeld dient ter nadere toelichting. In het jaar
volgend op het uitkeringsjaar blijkt uit de gemeentelijke administratie dat
het totaal van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten 1000 bedraagt.
Hiervan zal (in beginsel) 75% voor vergoeding in aanmerking komen op grond
van artikel 3. Het restant van de ten laste van de gemeente gebleven
kosten bedraagt derhalve 250. De op grond van artikel 5 aan de gemeente
toegekende uitkering ter financiering van die kosten bedraagt 260. Er is
dus een rblz.|23|
overschot (10) dat wordt toegevoegd aan het scholings- en
activeringsbudget Wiw.
In het tweede lid is voorzien in de mogelijk dat bij algemene maatregel
van bestuur andere bestedingsdoelen kunnen worden aangewezen voor de besteding van overschotten
op het uitkeringsbudget dan in het
eerste lid is bepaald.
Artikel
8. Terugvordering uitkering
[zie
art. 7 WFA,
red.]
Het kan zijn dat bij de vaststelling van de ten laste van de
gemeente
gebleven kosten door de Minister van SZW blijkt dat een deel van de gemeentelijke uitgaven ten laste van de
uitkering, bedoeld in artikel 5, het gevolg zijn van een onjuiste wetsuitvoering. Het onderhavige artikel
voorziet erin dat in dat geval een deel van de uitkering wordt teruggevorderd.
Namelijk dat deel wat in strijd met hetgeen waarvoor de uitkering bestemd is (te weten: het in
overeenstemming met wet- en regelgeving toekennen van uitkeringen op grond van de
Abw, de Ioaw en de
Ioaz) is
besteed. Vanwege de nauwe relatie met artikel 12 [11]
wordt de wijze
waarop het terug te vorderen bedrag moet worden vastgesteld, besproken bij de
toelichting op laatstgenoemd artikel. Wel wordt hier nog het volgende opgemerkt. Een
onjuiste uitvoering van de wet leidt ertoe dat de
uitgaven van gemeenten hoger zijn dan noodzakelijk. Het gevolg hiervan kan
zijn dat van de uitkering minder wordt overgehouden dan bij een juiste wetsuitvoering het geval
zou zijn. Dat heeft weer tot gevolg dat er
in feite te weinig wordt toegevoegd aan het scholings- en activeringsbudget
van de Wiw. Indachtig de systematiek van het onderhavige
wetsvoorstel, waarbij overschotten op de uitkering ter
financiering van
uitkeringslasten Abw, Ioaw en Ioaz worden aangewend voor de financiering van het
activeringsinstrumentarium van de Wiw, is overwogen om het bedrag
dat ten onrechte ten laste van de uitkering is gebracht alsnog door de gemeente te laten toevoegen aan
het eerder genoemde budget van de Wiw. Een dergelijke toevoeging zou de gemeente dan (feitelijk) uit
eigen middelen moeten financieren. Hoewel een dergelijk systeem zich goed
zou verhouden tot het in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde systeem, is hier
niet voor gekozen. Het is namelijk niet uitgesloten
dat een gemeente in bezwaar en beroep gaat tegen de beslissing van de
Minister van SZW waarbij wordt vastgesteld dat een deel van de ten laste van
de gemeenten gebleven kosten uitgaven betreffen die het gevolg zijn van
een onjuiste wetsuitvoering. In dat geval zal het nog geruime tijd kunnen
duren voordat vaststaat wat de omvang is van het bedrag dat alsnog
aan de middelen voor de Wiw moet worden toegevoegd en - in het
verlengde daarvan - wat de omvang is van het voor de gemeente in enig jaar
beschikbare scholings- en activeringsbudget Wiw. Het verdient dan ook voorkeur de onjuist bestede middelen
van de uitkering terug te
vorderen, net als dat het geval is bij de onjuiste besteding van (bijvoorbeeld)
de voor de financiering van de Wsw en de Wiw aan gemeenten toegekende middelen.
Artikel
9. Uitkeringstekort
[zie art. 8
WFA,
red.]
Naast risicobeperking op macroniveau als bedoeld in
artikel 6 is
tevens voorzien in een regeling waarbij het individuele risico van gemeenten
wordt beperkt. In het eerste lid van artikel 9 [8]
is daarvoor geregeld
dat recht bestaat op een aanvullende uitkering als de ten laste van een gemeente gebleven kosten (die niet voor vergoeding in
aanmerking komen als bedoeld in artikel 3) hoger zijn dan 115% van de op grond
van artikel 5 toegekende uitkering of meer bedragen dan de som van het bedrag van de
uitkering en het bedrag dat wordt verkregen door een bedrag van ƒ15,00 te vermenigvuldigen met het aantal
inwoners in
een rblz.|24|
gemeente. Bij overschrijding van het budget dient de gemeente dus een
deel van de kosten zelf te dragen, namelijk dat deel van de
overschrijding dat binnen deze risicobegrenzing valt. Met het mede relateren
van de begrenzing van het eigen risico voor gemeenten aan het aantal
inwoners in een gemeente wordt rekening gehouden met de sociale structuur van
gemeenten en de mogelijkheid die de gemeenten hebben om aanvullende inkomsten te verwerven en wordt
bereikt dat gemeenten
met relatief
veel Abw-, Ioaw- en
Ioaz-gerechtigden worden beschermd tegen al te grote budgettaire risico’s. In het
tweede lid is geregeld dat de hoogte
van de aanvullende uitkering wordt afgeleid van het laagste
eigenrisiconiveau.
In het derde lid is
geregeld dat de percentages en het met het
aantal inwoners te vermenigvuldigen bedrag, zoals hiervoor genoemd, bij
algemene maatregel van bestuur kunnen worden verhoogd of verlaagd. Hiermee wordt
gewaarborgd dat als de noodzaak tot wijziging zich aandient, dit op een relatief snelle wijze zal kunnen
plaatsvinden. In het vierde lid is geregeld dat het aantal inwoners per gemeente
op 1 januari van het betreffende kalenderjaar wordt ontleend aan de
statistiek van het CBS [Centraal Bureau voor de
Statistiek, red.] "Bevolking der gemeenten in Nederland op 1
januari".
Hierbij wordt het telsysteem van het CBS gehanteerd, zoals ook
gebruikelijk is binnen de systematiek van gemeentefonds (artikel 2 Regeling
meet- en rekenregels verdeelmaatstaven gemeentefonds).
Artikel
10. Betaling uitkering, verhoging en aanvullende uitkering
[zie art. 9
WFA,
red.]
Op grond van dit artikel zullen regels worden gesteld omtrent de
betaling van de uitkering, alsmede omtrent de betaling van het bedrag waarmee
de uitkering op grond van artikel 6 wordt verhoogd en omtrent de
betaling van de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 9 [8].
Net als ten aanzien van de verlening van voorschotten op een
vergoeding als bedoeld in artikel 3 geldt, kan ten aanzien van de betaling
worden geregeld dat deze wordt opgeschort totdat het verslag met betrekking
tot een eerder jaar dan het jaar waarop de uitkering betrekking heeft (en
de op dat verslag betrekking hebbende verklaring), is ontvangen.
Artikel
11. Vaststelling [zie art.
10 WFA,
red.]
In dit artikel is
geregeld dat de ten laste van de gemeente
gebleven
kosten, bedoeld in de artikelen 3 en 5, de vergoeding, bedoeld in
artikel 3, het terug te vorderen bedrag, bedoeld in artikel 8 [7], en de aanvullende
uitkering, bedoeld in artikel 9 [8], worden vastgesteld binnen één jaar na
ontvangst
van het verslag, bedoeld in de artikelen 130 van de
Abw, 52 van de Ioaw en
52 van de Ioaz, en de
verklaring, bedoeld in de artikelen 130, vierde lid, van de
Abw, 52, vierde lid, van de Ioaw en
52, vierde
lid, van de Ioaz. Met het verslag verantwoorden burgemeester en wethouders
zich over de uitvoering van de verschillende wetten aan de Minister
van SZW. Dit verslag omvat mede een opgave van de ten laste van de gemeente gebleven
kosten van op grond van de Abw verstrekte bijstand,
van op grond van de Ioaw en Ioaz verstrekte uitkeringen en van ten laste
gebleven uitvoeringskosten, bedoeld in hoofdstuk III van deze wet. De verklaring is de verklaring
van een accountant omtrent de juistheid
en volledigheid van in het verslag door burgemeester en wethouders verstrekte gegevens. De vaststelling als hiervoor bedoeld,
zal veelal plaatsvinden in het tweede kalenderjaar volgend op het jaar
waarin de
uitgaven zijn gedaan, aangezien het verslag (op grond van daartoe
door de Minister van SZW te stellen regels) uiterlijk 20 september van het
jaar volgend op het jaar waarin de uitgaven zijn gedaan, zal moeten worden
ingediend. Als ontvangstdatum geldt de datum waarop alle voorschreven stukken, volledig en
ondertekend, door het ministerie zijn ontvangen.
Voor een nadere toelichting op het hiervoor genoemde verslag zij verwezen
rblz.|25|
naar de toelichting op de wijzigingen van de Abw, de Ioaw en de Ioaz (zie onder
hoofdstuk IV Wijziging andere wetten).
In het tweede lid is geregeld dat de ten laste van de gemeente
gebleven kosten ambtshalve worden vastgesteld indien het verslag niet binnen
achttien maanden na afloop van het kalenderjaar waarop het betrekking heeft
door het ministerie van SZW is ontvangen of niet voorzien is van de verklaring.
Uit een ambtshalve vaststelling van de kosten vloeit voort dat ook de vergoeding ambtshalve wordt
vastgesteld, net als het van de uitkering terug te vorderen bedrag, bedoeld in artikel
8 [7]. Bij ambtshalve
vaststelling zal van een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 9
[8] geen
sprake zijn.
Artikel
12. Niet in aanmerking te nemen kosten
[zie
art. 11 WFA,
red.]
Op grond van dit artikel worden de volgens opgave van burgemeester en
wethouders ten laste gebleven kosten van op grond van de Abw verstrekte bijstand en op grond
van de Ioaw en Ioaz verstrekte
uitkeringen voor de toepassing van deze wet buiten aanmerking gelaten indien
zij onrechtmatig zijn. Dat wil zeggen, indien het bijstand of uitkering
betreft die is verleend in strijd met de bij of krachtens
respectievelijk de Abw, de Ioaw en de Ioaz gestelde regels. Verder worden kosten
buiten aanmerking gelaten indien het bijstand of uitkering betreft
die niet of niet volledig overeenkomstig de bepalingen van die wetten is of
wordt teruggevorderd of - wat betreft verleende bijstand - wordt
verhaald. Ten slotte worden opgevoerde kosten buiten aanmerking gelaten indien
burgemeester en wethouders niet hebben voldaan aan de bij of
krachtens de artikelen 14 of 14a
van de
Abw, 20 of 20a
van de Ioaw of 20 of
20a van de Ioaz gestelde regels. Genoemde artikelen betreffen de verplichting
om een maatregel op te leggen bij het niet nakomen van bepaalde
verplichtingen door belanghebbenden, respectievelijk de verplichting tot het
opleggen van een boete bij het niet nakomen van de
inlichtingenverplichting
door belanghebbenden. Het bedrag van de buiten aanmerking te laten kosten is gelijk
aan het bedrag waarmee de kosten zouden zijn verlaagd indien burgemeester en wethouders op een juiste wijze
toepassing zouden hebben gegeven aan deze artikelen.
Voor de goede orde wordt hierbij nog het volgende opgemerkt.
Voor zover de kostenopgave van burgemeester en wethouders kosten betreffen die
geen verband houden met het verstrekken van algemene bijstand, van bijstand ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, van bijstand ter voorziening in met de voorbereiding van een
bedrijf of
zelfstandig beroep samenhangende kosten, noch met het verstrekken van uitkering
op grond van de Ioaw of de Ioaz, worden deze kosten bij de toepassing van deze
wet vanzelfsprekend niet betrokken.
Het kan zijn dat als gevolg van het niet nakomen van bepaalde
verplichtingen door burgemeester en wethouders, zoals de verplichting tot het
voeren van een ordentelijke administratie als bedoeld in de artikelen
117 van de Abw, 41 van de Ioaw en
41 van de
Ioaz en de verplichting tot
het regelmatig onderzoeken of door belanghebbenden aan de voorwaarden voor het recht op
uitkering wordt voldaan, de rechtmatigheid van de uitgaven niet of in onvoldoende mate kan worden
vastgesteld. In dat geval worden, op grond van het tweede lid van dit artikel, de ten
laste van de gemeente
gebleven kosten die voor de toepassing van deze wet buiten aanmerking worden gelaten, gesteld op een bij ministeriële regeling
te bepalen bedrag. Bij het opstellen van deze regeling zal aansluiting
worden gezocht bij de Regeling forfaitaire
percentages maatregelen Abw, Ioaw en Ioaz, bedoeld in artikel
3, vierde lid, van het Besluit weigering rijksvergoeding Abw,
Ioaw en Ioaz.
In het derde lid is
geregeld dat het eerste en tweede lid niet van
toepassing zijn voor zover naar het oordeel van de Minister van SZW de
tekortkomingen in de gemeentelijke uitvoering van bijzondere aard of geringe
rblz.|26|
betekenis zijn, net zo min als dat het geval is in de situatie waar
de gemeente
zich naar het oordeel van de minister voldoende heeft
ingespannen om geconstateerde tekortkomingen op te heffen. Deze bepaling
is gelijkluidend aan artikel 4, eerste lid, van het Besluit weigering
rijksvergoeding
Abw, Ioaw en Ioaz. Over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de minister van
deze bevoegdheid gebruik zal maken, zullen beleidsregels worden geformuleerd die gepubliceerd zullen
worden in de Staatscourant. Bij het formuleren van deze beleidsregels zal
aansluiting worden gezocht bij het vastgestelde beleid voor de toepassing van
het hiervoor genoemde besluit.
Het voor de toepassing van
deze wet buiten aanmerking laten van door burgemeester en wethouders opgevoerde
kosten impliceert dat voor deze kosten geen vergoeding wordt gegeven als bedoeld in
artikel 3 en
dat deze kosten evenmin worden betrokken bij de beoordeling van de vraag
of recht bestaat op een aanvullende uitkering als bedoeld in
artikel 9 [8]. Ter verduidelijking wordt het voorgaande aan de hand van een
voorbeeld nader toegelicht.
Stel de door burgemeester en wethouders opgegeven kosten bedragen 1200. Aan voorschot op de vergoeding,
bedoeld in artikel 3, is een
bedrag toegekend van 900. De uitkering, bedoeld in artikel
5, bedraagt voor
dat jaar 250. Bij de vaststelling als bedoeld in artikel 12 [11]
blijkt dat
5% van de door burgemeester en wethouders opgevoerde kosten buiten aanmerking
moet worden gelaten, omdat het bijstand betreft die is verstrekt aan personen die in
detentie verblijven en aan personen jonger dan 18
jaar. De voor de toepassing van deze wet in aanmerking te nemen kosten worden
derhalve vastgesteld op 1140. Hiervan wordt (op grond van artikel
3)
75% vergoed, hetgeen resulteert in een bedrag van 855. Van het voorschot
wordt een bedrag teruggevorderd (of verrekend) ter grootte van 45,
zijnde onverschuldigd betaald. Voor het restant van de (rechtmatige) kosten
(1140 - 855 = 285) was aan de gemeente
een uitkering toegekend ter grootte van 250. Het
verschil tussen het restant van de in aanmerking te nemen kosten en de uitkering bedraagt dus 35. Het eigen risico
van de gemeente bedraagt 15% van 250 = 37,5. Er bestaat derhalve geen recht
op een aanvullende uitkering.
Het voor de toepassing van
deze wet op grond van artikel 12
[11] buiten aanmerking laten van door burgemeester en
wethouders ten onrechte opgevoerde kosten kan er verder toe leiden dat de in
artikel 5
bedoelde uitkering, op grond van artikel 8 [7], gedeeltelijk moet worden
teruggevorderd. In laatstgenoemd artikel is geregeld dat als bij de vaststelling
van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten (door de Minister
van SZW met inachtneming van artikel 12 [11])
blijkt dat de ten laste van de
gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, minder bedragen dan het
eerder door burgemeester en wethouders op grond van artikel 7
[vervallen, red.] vastgestelde bedrag en minder bedragen dan het
bedrag van
de uitkering, van de uitkering een bedrag wordt teruggevorderd. De
omvang van het terug te vorderen bedrag is (a) gelijk
aan het verschil tussen het eerder door burgemeester en wethouders vastgestelde
bedrag en het met inachtneming van artikel 12 [11]
door de Minister van SZW vastgestelde
(restant)bedrag van de ten laste van de gemeente gebleven kosten; of (b) gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de uitkering en het met
inachtneming van artikel 12 [11] door de Minister van SZW vastgestelde (restant)bedrag van de ten laste van de
gemeente gebleven kosten. Het laatste is het geval als het door burgemeester en wethouders op grond
van artikel 7 [vervallen, red.] vastgestelde bedrag gelijk is aan of hoger is dan het bedrag
van de uitkering, bedoeld in artikel 5. Het voorgaande wordt aan de
hand van de volgende voorbeelden nader toegelicht.
rblz.|27| Voorbeeld
1: De door burgemeester
en wethouders opgegeven kosten bedragen 1000. Bij de vaststelling als bedoeld in artikel 11
[10] blijkt
dat van onrechtmatige uitgaven van de zijde van de gemeente
geen sprake is.
Op grond van artikel 3 wordt 75% van de ten laste van de gemeente gebleven
kosten vergoed. Het restant van de ten laste van de gemeente gebleven kosten bedraagt 250, waarvoor een
uitkering was toegekend ter hoogte van 260. Het overschot (10) hebben burgemeester en wethouders op
grond van artikel 7 [vervallen, red.]
toegevoegd aan het scholings- en activeringsbudget Wiw.
Voorbeeld
2: Ook hier bedragen de
door burgemeester en wethouders opgegeven kosten 1000 en de uitkering 260.
Verder is een voorschot op
de vergoeding, bedoeld in artikel 3, verleend van 750. Van de uitkering
is op grond van artikel 7 [vervallen, red.]
reeds 10 toegevoegd aan het scholings- en
activeringsbudget Wiw. Bij de vaststelling als bedoeld in artikel 11
[10] blijkt echter dat 5% van de door de gemeente
opgegeven kosten onrechtmatig is of geen kosten van bijstand zijn. De voor de toepassing van
deze wet in
aanmerking te nemen kosten worden derhalve vastgesteld op 950. De
vergoeding,
bedoeld in artikel 3, bedraagt aldus 712,5 (= 75% van 950). Van het voorschot op de
vergoeding wordt derhalve 37,5 teruggevorderd. Het restant van de kosten bedraagt 237,5 (= 950
- 712,5). Het
restant
van de in aanmerking te nemen kosten (237,5) is dus lager dan het bedrag van de
uitkering (260) en lager dan het eerder door burgemeester en
wethouders vastgestelde bedrag als bedoeld in artikel 7 [vervallen, red.]
(250). Van de uitkering
wordt op grond van artikel 8 [7], eerste en tweede lid, onderdeel a, een bedrag
teruggevorderd ter grootte van 12,5.
Voorbeeld
3: Wederom bedragen de
door burgemeester en wethouders opgegeven kosten 1000. De uitkering bedraagt
250 en het voorschot op
de vergoeding bedraagt 750. Van de uitkering zijn op grond van artikel 7
[vervallen, red.] geen middelen toegevoegd aan het scholings- en activeringsbudget Wiw. Ook
hier blijkt bij de vaststelling als bedoeld in artikel 11 [10] dat 5% van
de door burgemeester en wethouders opgegeven kosten onrechtmatig is of geen
kosten van bijstand zijn. De voor de toepassing van deze wet
in
aanmerking
te nemen kosten worden derhalve vastgesteld op 950. De vergoeding, bedoeld in
artikel 3, bedraagt
wederom 712,5 (= 75% van 950). Van het voorschot op de vergoeding wordt wederom 37,5 teruggevorderd. Het
restant van de kosten bedraagt ook hier 237,5 (= 950 - 712,5). Het
restant van de in aanmerking te nemen kosten (237,5) is dus lager dan het
eerder door burgemeester en wethouders vastgestelde bedrag als bedoeld in
artikel 7 [vervallen, red.] (250). Van de uitkering wordt op grond van artikel
8 [7],
eerste en tweede lid, onderdeel b, een bedrag teruggevorderd ter grootte van 12,5.
Ten slotte is nog het volgende van belang. Het hiervoor genoemde
Besluit weigering rijksvergoeding Abw, Ioaw en Ioaz komt bij de
inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel te vervallen. Hetgeen in dit besluit
is geregeld, wordt thans geregeld in het hiervoor besproken artikel
12 [11] van het onderhavige wetsvoorstel. Op één onderdeel wijkt artikel 12
[11] af
van het besluit. Te weten, wat betreft de mogelijkheid tot verlaging van de
voor vergoeding in aanmerking komende kosten, als niet is voldaan aan de
in de artikelen 111 en 118 van de
Abw en de artikelen 34 en
42 van de
Ioaw en de Ioaz gestelde regels. In de artikelen
111 van de Abw, 32 van de Ioaw en
32 van de
Ioaz wordt aan burgemeester en wethouders
opgedragen te bevorderen dat belanghebbenden gebruik
maken van voorzieningen die bijdragen aan een zelfstandige bestaansvoorziening. Verder is
in deze artikelen geregeld dat burgemeester en wethouders met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het Landelijk instituut
sociale verzekeringen [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] en de uitvoeringsinstellingen
werknemersverzekeringen samen
werken om de inschakeling van belanghebbenden in het arbeidsproces te bevorderen. In de artikelen
118 van de Abw, 42 van de Ioaw en
42 van
de rblz.|28|
Ioaz is geregeld dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de
totstandkoming van een plan en beleidsverslag gericht onder meer op de
bevordering
van een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet.
Er zijn een aantal redenen voor het niet opnemen van de mogelijkheid
tot verlaging van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten als
niet voldaan is aan de hiervoor genoemde voorschriften. In de eerste
plaats heeft artikel 12 [11] uitsluitend betrekking op de rechtmatigheid van de
uitgaven van gemeenten
(in de zin van: worden uitkeringen wel/niet in strijd met de wet verstrekt), hetgeen
op zijn eigen merites moet
worden beoordeeld. Het bij deze beoordeling betrekken van het door gemeenten
niet naleven van voorschriften als hiervoor bedoeld, ligt daarbij niet
in de rede. Het al dan niet aanwezig zijn van bijvoorbeeld een plan of een
beleidsverslag hoeft aan de rechtmatigheid van de uitgaven immers
niet toe of af te doen. Het kan heel goed zijn dat een gemeente die niet
over een dergelijk plan of verslag beschikt, de wet op een juiste wijze
toepast, terwijl de uitvoering van de wet door een gemeente die wel over een
plan of een verslag beschikt gebreken vertoont. Hetzelfde geldt voor de
naleving
van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 111
van de Abw, 32 van de Ioaw en
32 van de Ioaz. Het al
dan niet naleven hiervan heeft evenmin een rechtstreekse relatie met de rechtmatigheid van
verstrekte uitkeringen, zodat het korten op de daarvoor beschikbaar gestelde
middelen niet in de rede ligt.
In de tweede plaats zal de gewijzigde financieringssystematiek (deels
vergoeding, deels budget) aanleiding zijn voor gemeenten om inspanningen die op grond van de hiervoor genoemde artikelen van hun worden
verlangd (zo nodig) verder te vergroten. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet aldus in een incentive
die binnen de huidige financieringssystematiek (uitgaven worden - in beginsel
- volledig vergoed) ontbreekt.
Het ontbreken van die incentive was aanleiding om de mogelijkheid van het weigeren van rijksvergoeding, bij het
niet naleven van de verplichtingen voortvloeiend uit hiervoor genoemde artikelen, in het
Besluit
weigering rijksvergoeding Abw, Ioaw en Ioaz op te nemen.
Het voorgaande betekent niet dat de Minister van SZW geen toezicht houdt op de naleving van deze
voorschriften. Eén element van het toezicht door de minister op de uitvoering van deze wetten is immers
de beoordeling in hoeverre bij de uitvoering het bereiken van de doelen
van deze wetten wordt bevorderd. Een adequate uitvoering van de
voorschriften, bedoeld in de artikelen 111 en 118 van de
Abw en 32 en
42 van
de Ioaw en de Ioaz, draagt hieraan bij en wordt dan ook van groot belang geacht.
Hoofdstuk
III. Tegemoetkoming in uitvoeringskosten
In het onderhavige hoofdstuk is geregeld dat een aantal specifieke uitvoeringskosten aan
gemeenten
worden
vergoed. Het betreft hier een materie die thans geregeld is in de bij of krachtens
artikel 137 van
de Abw en artikel
57, tweede lid, van de Ioaz gestelde regels. De
voorschriften omtrent de financiering van deze kosten worden in een apart hoofdstuk
geregeld, omdat zij afwijken van de hiervoor besproken
financieringssystematiek voor de ten laste van de gemeenten gebleven kosten van
uitkeringen op grond van de Abw, Ioaw en
Ioaz. Voor laatstgenoemde kosten geldt dat 75% hiervan voor
vergoeding in aanmerking komt en
dat het restant moet worden gefinancierd uit een door de Minister van SZW
aan gemeenten toe te kennen budget. Voor de onderhavige
uitvoeringskosten
geldt dat zij tot een bepaald niveau (veelal voor 90%) voor vergoeding door de Minister van SZW in aanmerking komen en dat het restant
van de kosten door gemeenten zelf dient te worden gefinancierd.
rblz.|29|
Artikel
13. Vergoeding uitvoeringskosten
[zie
art. 12 WFA,
red.]
In artikel 13
[12] is geregeld dat voor de in een kalenderjaar gemaakte
- specifieke - uitvoeringskosten (gedeeltelijk) een vergoeding wordt verleend.
Het betreft kosten verband houdende met de verlening van algemene bijstand, bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal, bijstand ter voorziening in met de voorbereiding van een bedrijf of
zelfstandig beroep samenhangende kosten [en van kosten verband houdende met de verlening van bijstand,
red.] aan ondernemers in de binnenvaart als bedoeld in artikel 63 van de
Abw. De reden hiervoor is dat deze gemeenten
bijstand
verlenen aan mensen die
geen inwoner van hun gemeente zijn. Deze gemeenten hebben daardoor hogere kosten dan
het geval zou zijn indien zij niet als
centrumgemeente zouden zijn aangewezen en in relatieve zin hogere kosten
dan andere (niet-centrum)gemeenten. Het wordt dan ook billijk geacht om voor deze
extra kosten een vergoeding te verstrekken.
Verder komen voor vergoeding in
aanmerking door gemeenten
gemaakte kosten in verband met aan derden
opgedragen onderzoek naar de levensvatbaarheid van bedrijven van zelfstandigen aan wie algemene bijstand
en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal als
bedoeld in artikel 8 van de Abw wordt verleend. Ook kosten verband houdende
met aan derden opgedragen begeleiding van zelfstandigen en personen die zich
voorbereiden op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf komen voor vergoeding in aanmerking. Voor
deze vergoedingen (van 90% tot bij ministeriële regeling te bepalen bedragen) is
gekozen om gemeenten te stimuleren voor die werkzaamheden deskundige derden in
te schakelen. Hetzelfde geldt voor de vergoeding van kosten van bij
de toepassing van artikel 14, derde lid, van de Ioaz aan derden
opgedragen onderzoek. Door deze kosten te vergoeden, worden gemeenten
gestimuleerd om bij de beoordeling van aanvragen op grond van de Ioaz
deskundige
derden in te schakelen die na moeten gaan of de inkomenssituatie van de aanvrager zodanig is en zal
blijven dat aan de voorwaarden van
de Ioaz wordt voldaan.
Artikel 14.
Voorschot op de vergoeding
[zie
art. 13 WFA,
red.]
Net als dat het geval is bij de verlening van een voorschot op
vergoeding, bedoeld in artikel 3, geldt ook hier dat de
Minister van SZW hierover
regels stelt. Ook deze regels zullen betrekking hebben op de wijze
waarop een voorschot wordt aangevraagd en de hierbij over te leggen stukken
betreffende de uitgaven van gemeenten. Daarnaast zal de wijze van
berekening van het voorschot worden aangegeven, alsmede de data waarop de
betalingen zullen plaatsvinden. Bij deze regeling kan voorts
worden geregeld dat bij niet tijdige ontvangst van een verslag (met daarin
opgenomen: een opgave van de ten laste van de gemeente gebleven kosten in
enig kalenderjaar) de voorschotverlening wordt opgeschort.
Artikel 15.
Vaststelling vergoeding
[zie
art. 14 WFA,
red.]
Net als dat het geval is voor de vaststelling van de vergoeding,
bedoeld in artikel 3, en de eventuele aanvullende uitkering, bedoeld in artikel
8 [7], worden de in artikel 13 [12]
bedoelde vergoedingen vastgesteld binnen één jaar na ontvangst van het eerder genoemde verslag en de
daarop betrekking hebbende accountantsverklaring. Ook hier geldt dat de kosten
ambtshalve worden vastgesteld bij niet tijdige indiening van het
verslag en de verklaring.
Artikel 16.
Niet voor vergoeding in aanmerking komende kosten
[zie
art. 15 WFA,
red.]
In dit artikel is
geregeld dat de kosten van onderzoek en begeleiding niet rblz.|30|
voor vergoeding in aanmerking komen als de deskundige derde aan wie het onderzoek of de
begeleiding is opgedragen onder verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders werkzaam is.
Verder is geregeld dat kosten niet voor vergoeding in aanmerking
komen voor zover zij hoger zijn dan de door de Minister van SZW vast te
stellen maximaal voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor onderzoek
of begeleiding. Bij het opstellen van deze regeling zal aansluiting worden gezocht bij de huidige
Regeling
uitvoerings- en onderzoekskosten zelfstandigen (Stcrt. 1996, 76)
Hoofdstuk
IV. Wijziging andere wetten
Artikelen 17, 18 en
19. Wijzigingen
Abw, Ioaw en Ioaz
[zie
artt. 16, 17 en 18
WFA,
red.]
De wijziging in onderdeel A van artikel 17
[zie artikel 16, onderdeel A, WFA,
red.] is technisch van aard.
Thans is een definitie van ondernemers in de binnenvaart opgenomen in artikel
25 van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen. Het onderhavige wetsvoorstel
maakt het noodzakelijk - in verband met de mogelijkheid tot verwijzing - deze definitie te verplaatsen
naar artikel 63 van de Abw. De wijzigingen in onderdeel D van artikel 17
[zie artikel 16, onderdeel D, WFA,
red.] (Abw), onderdeel B van
artikel 18
[zie artikel 17, onderdeel B, WFA,
red.] (Ioaw) en onderdeel B van artikel 19
[zie artikel 18, onderdeel B, WFA,
red.] (Ioaz) betreffen het
laten vervallen van de hoofdstukken financiering in de hiervoor genoemde
wetten, hetgeen in het licht van de in het onderhavige wetsvoorstel
geregelde materie voor zich spreekt. De wijziging van artikel
66, zevende lid,
van de Abw in artikel 17, onderdeel B
[zie artikel 16, onderdeel B, WFA,
red.], betreffende de verwijzing naar
artikel 134, eerste lid, onderdeel a, spreekt
evenzeer
voor zich,
aangezien laatstgenoemd artikel onderdeel uitmaakt van het hoofdstuk
financiering Abw. Van het hoofdstuk financiering Abw maakt ook artikel
134a deel
uit. Dit artikel - waarin geregeld is dat gemeenten
75% van de ontvangsten
(boven een bepaald drempelbedrag) uit hoofde van terugvordering en verhaal van bijstand niet
hoeven af te dragen aan het Rijk - keert
niet terug in het onderhavige wetsvoorstel. Voor een nadere toelichting op
het laten vervallen van deze zogenoemde debiteurenincentiveregeling zij verwezen
naar het algemene deel van deze toelichting.
De wijzigingen in onderdeel C van artikel 17
[zie artikel 16, onderdeel C, WFA,
red.] en in de onderdelen A
van de artikelen 18
[zie artikel 17, onderdeel A, WFA,
red.] en 19
[zie artikel 18, onderdeel A, WFA,
red.] betreffende respectievelijk artikel 130 van de
Abw, artikel 52 van de Ioaw en
artikel 52 van
Ioaz houden verband met het
volgende. In de genoemde artikelen van de Abw,
Ioaw en Ioaz is bepaald dat de
minister toezicht op de uitvoering
van deze wetten
houdt. De minister vormt zich bij zijn toezichtuitoefening een oordeel over
de wetsuitvoering door burgemeester en wethouders. Deze oordeelsvorming dient onder meer om vast te stellen welke kosten ten laste
van de gemeente
zijn gebleven (zie artikelen 11 [10]
en 12 [11] van het onderhavige
wetsvoorstel).
Het tweede lid van het gewijzigde artikel 130
Abw (en de overeenkomstige
wijzigingen van de Ioaw en Ioaz) regelt dat burgemeester en wethouders jaarlijks na afloop van een uitvoeringsjaar voor deze
oordeelsvorming een verslag over de uitvoering aan de Minister van SZW verstrekken. Het verslag wordt daarmee de voornaamste
informatiebron voor het rijkstoezicht om de uitvoering door burgemeester en
wethouders te beoordelen. Hiermee is uitwerking gegeven aan het in de
toelichting bij de Abw genoemde single-audituitgangspunt. Kern daarvan is dat
het Rijk zich bij het toezicht op de uitvoering waar mogelijk baseert op
informatie van burgemeester en wethouders over de uitvoering. Vanaf 1998 is
het verslag gefaseerd ingevoerd en geïmplementeerd. Naast het
verslag als bedoeld in het tweede lid van dit artikel zal het rijkstoezicht
nadere of aanvullende informatie aan gemeenten blijven vragen. Dit betreft
bijvoorbeeld informatie over aspecten van uitvoering waarvoor het verslag niet
tijdig is, niet specifiek is op ingericht en/of het geen structurele
informatievraag rblz.|31|
betreft. Het tweede lid regelt daarom dat de minister nadere
informatie of andere inlichtingen kan vragen. Een bijzonder aspect daarbij is de
noodzaak om inzicht te krijgen in de uitvoering van niet (kwantitatief) genormeerde uitvoeringstaken in de wet
zoals poortwachtersfunctie, uitstroombevordering en
inkomensondersteuningsbeleid. Dit inzicht
heeft betrekking op de bijdragen die burgemeester en wethouders leveren om
de doelen van de wet te bereiken of bevorderen. In samenspraak met gemeenten zal worden
bezien of het verslag mogelijkheden biedt dit inzicht te verschaffen. Het verslag aan de Minister van SZW kan door
burgemeester en wethouders worden betrokken in hun verantwoording aan de gemeenteraad over de uitvoering
van de Abw c.a. Doel is om daarmee de betrokkenheid van de raad bij de uitvoering van deze
wetten te versterken. Het verslag, bedoeld in deze wet, kan daarbij
aanvullend zijn op het beleidsverslag op grond van artikel 118
Abw c.a. De
mogelijkheid tot integratie van het beleidsverslag en het verslag voor het
rijkstoezicht zal worden bezien.
De Minister van SZW stelt nadere regels over de inhoud van het
verslag, de verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring en
over de termijn van indiening hiervan. Uitgangspunt bij deze regels zal
zijn
dat de minister over voldoende informatie beschikt om zijn toezichthoudende
taak uit te kunnen voeren en daarbij niet meer vraagt dan strikt
noodzakelijk. Verder zal worden aangegeven welke onderdelen van het verslag
onder het onderzoek en verklaring van de accountant vallen. Hiertoe behoren minimaal de onderdelen van het verslag die
noodzakelijk zijn
om de ten laste van gemeenten gebleven kosten van uitkeringen op grond van de
Abw,
Ioaw en Ioaz te kunnen bepalen. De nadere regels zullen uiteraard aangeven welke onderdelen van het verslag zullen worden
betrokken bij de vaststelling van de hiervoor genoemde kosten.
Artikel 20.
Wijziging Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet
[zie art. 19 WFA,
red.]
In onderdeel A
[zie artikel 19, onderdeel A, WFA,
red.] van het onderhavige artikel wordt
artikel 15 van de
Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
op twee onderdelen gewijzigd. Het eerste lid van dit artikel heeft betrekking op de
vergoeding van kosten van bijstand over tijdvakken gelegen vóór de
inwerkingtreding van de (nieuwe) Abw. Deze kosten worden vergoed aan de hand
van de daartoe strekkende bepalingen van de (oude) ABW. Bij de invoering van
de debiteurenincentiveregeling - waaraan hiervoor bij de
toelichting op de artikelen 17, 18 en 19 is gerefereerd - is aan dit artikel een
zinsnede toegevoegd op grond waarvan gemeenten
ook de ontvangsten uit hoofde
van terugvordering en verhaal van op grond van de (oude) ABW verstrekte bijstand konden
behouden. Aangezien de debiteurenincentiveregeling komt te vervallen, dient ook het eerste lid van artikel 15
te worden gewijzigd.
De wijziging van het tweede lid van
artikel 15 voorziet erin dat de
bepalingen van het hoofdstuk financiering van de
Abw, zoals deze luidden
vóór
de inwerkingtreding van het onderhavige
wetsvoorstel, van toepassing blijven op de
financiering van kosten van algemene bijstand verstrekt
op grond van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet.
Op grond van onderdeel B van artikel 20
[zie artikel 19, onderdeel B, WFA,
red.] komt artikel 16 van de
Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
te vervallen. In
dat artikel is geregeld dat het hoofdstuk financiering van de Abw van
overeenkomstige toepassing is op de kosten van toeslagen, bedoeld in artikel
33 van de Abw, voor zover die toeslagen zijn verleend over een tijdvak gelegen binnen
vijf jaar na de inwerkingtreding van
de Abw. Deze
bepaling was opgenomen in afwachting van een structurele regeling met
betrekking tot de financiering van door gemeenten
te verlenen toeslagen.
Aangezien het onderhavige wetsvoorstel hierin voorziet, is de
noodzaak tot handhaving van artikel 16 komen te vervallen.
rblz.|32|
Artikel 21.
Wijziging Beroepswet
[zie
art. 20 WFA,
red.]
Op grond van dit artikel wordt
onderdeel C van de bijlage bij de Beroepswet aangepast. Deze aanpassing heeft niet
alleen betrekking op het onderhavige wetsvoorstel. Tevens wordt van de gelegenheid gebruik
gemaakt een technische verbetering aan te brengen. Thans wordt in onderdeel C
van de bijlage tweemaal het onderdeel 24a genoemd. Het tweede onderdeel
24a heeft betrekking op de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars, dat op grond van het onderhavige voorstel wordt
vernummerd tot 24b.
Hoofdstuk V.
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 22.
Overgangsbepaling artikel 5
[zie
art. 21 WFA,
red.]
Het onderhavige wetsvoorstel zal op 1 januari van enig kalenderjaar
in werking treden (beoogd is 2001). In dit artikel is geregeld dat voor
het eerste kalenderjaar waarop deze wet betrekking heeft de uitkering
voor de financiering van uitkeringslasten die niet voor vergoeding in
aanmerking komen, wordt vastgesteld binnen vier weken na inwerkingtreding
van deze wet. Zonder overgangsbepaling zou voor het eerste jaar
waarop deze wet betrekking heeft anders geen uitkering als hiervoor genoemd,
kunnen worden vastgesteld. In artikel 5 is immers voorgeschreven dat
de uitkering ten minste drie maanden voorafgaande aan het kalenderjaar waarop deze
betrekking heeft, wordt vastgesteld.
Artikel 23.
Overgangsbepaling Abw
[zie
art. 22 WFA,
red.]
In dit artikel is
geregeld dat de relevante bepalingen uit het hoofdstuk
financiering van de Abw (te weten: de artikelen
134, 136 en 137 en
de daarop gebaseerde regelgeving) van
toepassing blijven op de
vergoeding van vóór de inwerkingtreding van deze wet
ten laste van de gemeente
gebleven kosten van bijstand. Voorts blijven deze bepalingen van
toepassing op de vergoeding van vóór de inwerkingtreding van deze wet gemaakte kosten verband
houdende met de verlening van bijstand aan zelfstandigen, de begeleiding van zelfstandigen en personen die zich
voorbereiden op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf
en van kosten verband houdende met de verlening van bijstand aan
ondernemers in de binnenvaart. Verder is geregeld dat gemeenten -
overeenkomstig
artikel 134a van de Abw (debiteurenincentiveregeling) - 75% van de ontvangen inkomsten uit
hoofde van terugvordering en verhaal van bijstand niet hoeven af te dragen aan het Rijk, mits deze inkomsten
zijn ontvangen vóór de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 24.
Overgangsbepaling Ioaw en Ioaz
[zie art. 23 WFA,
red.]
In dit artikel is een overeenkomstige regeling getroffen als bedoeld
in artikel 23 [22] voor de vergoeding van vóór de inwerkingtreding van
deze wet ten laste van de gemeente
gebleven kosten van uitkeringen op grond
van de Ioaw en de Ioaz en voor de vergoeding van
vóór de inwerkingtreding
van deze wet gemaakte kosten verband houdende met aan derden opgedragen onderzoek omtrent de juistheid en volledigheid van de gegevens
die voor het vaststellen van het (voort)bestaan van het recht op een Ioaz-uitkering van belang zijn.
Artikel 25.
Overgangsbepaling Invoeringswet herinrichting
ABW
[zie art. 24 WFA,
red.]
Op grond van dit artikel blijft de
debiteurenincentiveregeling van toepassing op de door de gemeente
ontvangen bedragen uit hoofde van
terugvordering en verhaal van uitkeringen verleend op grond van de (oude)
rblz.|33|
ABW, mits deze inkomsten zijn ontvangen vóór de inwerkingtreding van deze wet. Voorts blijft op grond van
dit artikel de regeling
betreffende de financiering van toeslagen, bedoeld in artikel 33 van de
Abw, van toepassing op de vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de
gemeente gebleven kosten van toeslagen.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
|