|
BESLUIT van 12 april 1995,
houdende vaststelling van een Besluit bijstandverlening zelfstandigen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 14 mei 1993, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/BV/UKB/MZM/U 27133;
Gelet
op de artikelen 8, zesde lid, 22,
tweede lid, 23, derde lid, 53,
derde lid, 63, tweede lid en 137,
tweede lid, van de Algemene bijstandswet;
Gezien het advies van de Commissie Sociale Voorzieningen van de
Sociaal-Economische Raad van 6 oktober 1992;
De Raad van State gehoord (advies van 22
september 1993, nr. W12.93.0304);
Gezien het nader rapport van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 april 1995, Directie
Bijstandszaken, nr. BZ/VOL/U/1333;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK I
Begripsomschrijvingen
Art. 1.
[Definities]
In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: de Algemene
bijstandswet;
b. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig
beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige
naar verwachting na bijstandverlening een inkomen zal verwerven
dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de
voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de
voorziening in het bestaan;
c. boekjaar: de periode van
twaalf maanden
waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd;
d. netto-inkomen: het over het boekjaar
verworven inkomen, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3,
paragraaf 2, van de wet;
e. bruto-inkomen: het over het boekjaar
verworven inkomen, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3,
paragraaf 2, van de wet, zonder toepassing van
artikel 45 van de
wet;
f. jaarnorm: de tot een bedrag per
boekjaar omgerekende som van de bijstandsnorm, bedoeld in
hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van
de wet en de
verleende bijzondere bijstand;
g. totaalvermogen: het vermogen,
bedoeld in artikel 51 van de
wet, zonder aftrek van de aanwezige
schulden en zonder de in artikel 52, tweede lid, onderdeel
a,
van de
wet bedoelde bezittingen in aanmerking te nemen;
h. eigen vermogen: het verschil tussen
het totaalvermogen en de aanwezige schulden;
i. bank: kredietinstelling die is
ingeschreven in de afdeling I, onderafdeling 1, 2, 3, 5 of 6, of
afdeling III van het register, bedoeld in artikel 52, eerste
lid, van de Wet
toezicht kredietwezen 1992;
j. onderzoek: een bedrijfseconomisch of
bedrijfstechnisch onderzoek, waaronder begrepen de taxatie van
vermogensbestanddelen, afgerond met een schriftelijke rapportage,
voor zover dit onderzoek noodzakelijk is voor de uitvoering van
dit besluit.
HOOFDSTUK
II
Algemene bepalingen
§ 1. Algemeen
Art. 2.
[Wijze van bijstandverlening]
-1. Aan een zelfstandige wordt bijstand ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal verleend met
toepassing van paragraaf 2 van dit hoofdstuk.
-2. Aan een zelfstandige wordt bijstand ter
voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
verleend met toepassing van paragraaf 3 van dit
hoofdstuk.
-3. Indien aan een zelfstandige bijstand wordt
verleend zowel ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal
als ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan, wordt de bijstand verleend met toepassing van de
artikelen 5, 6, 8 en 9.
Art. 3.
[Vermogensgrenzen]
Bijstand in de vorm van een bedrag om niet als
bedoeld in artikel 22, tweede lid, en artikel
23, tweede en derde
lid, van de
wet en de artikelen 7, 8 en
10 van dit besluit:
a. wordt niet verleend indien het eigen
vermogen meer bedraagt dan €|156
240,00;
b. wordt, indien het eigen vermogen meer
bedraagt dan €|37 177,00 doch minder dan €|156
240,00, slechts
verleend indien dit eigen vermogen niet meer bedraagt dan 30
procent van het totaalvermogen.
Art. 4.
[Verhoging bijstand met forfaitair
bedrag]
De bijstand die wordt verleend in de vorm van
een bedrag om niet met toepassing van de artikelen 7,
8, eerste
lid, 10, tweede lid, en 13, derde lid, wordt verhoogd met een
forfaitair bedrag dat overeenkomt met de loonbelasting en de
premies volksverzekeringen, bedoeld in artikel
26, vierde lid, van de
wet.
§ 2.
Bijstand ter voorziening in de behoefte
aan bedrijfskapitaal
Art. 5.
[Hoogte geldlening en rente |
Looptijd]
Bijstand in de vorm van een geldlening ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt verleend met
inachtneming van het volgende:
a. de geldlening bedraagt voor een
zelfstandige die reeds gedurende een redelijke termijn als zodanig
werkzaam is geweest ten hoogste €|162
344,00; dit bedrag geldt per
bedrijf of zelfstandig beroep;
b. de rente van de geldlening bedraagt
5,0 procent per jaar gedurende de gehele looptijd van de geldlening;
c. de looptijd van de geldlening is ten
hoogste tien jaar.
Art. 6.
[Hoogte borgtocht met bank |
Looptijd]
Bijstand in de vorm van borgtocht ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt verleend met
inachtneming van het volgende:
a. de borgtocht kan worden aangegaan
voor een zelfstandige die reeds gedurende een redelijke termijn
als zodanig werkzaam is geweest tot ten hoogste €|162
344,00; dit
bedrag geldt per bedrijf of zelfstandig beroep;
b. de borgtocht heeft geen betrekking op
de rente en kosten van die geldlening waarvoor borgtocht wordt
aangegaan;
c. de looptijd van de geldlening
waarvoor borgtocht wordt aangegaan, is ten hoogste tien jaar;
d. de borgtocht kan alleen worden
aangegaan met een bank;
e. het bedrag dat de zelfstandige na
uitwinning verschuldigd is, wordt aangemerkt als een lening,
waarop de artikelen 20 tot en met 23 van toepassing zijn;
f. uitwinning door de bank kan slechts
plaatsvinden na toestemming van burgemeester en wethouders.
Art. 7.
[Hoogte bedrag om niet]
Bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal in de vorm van een bedrag om niet als bedoeld in
artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, van de
wet wordt verleend tot ten hoogste €|8117,00; dit bedrag geldt per
bedrijf of zelfstandig beroep. Deze bijstand gaat niet samen met
bijstand als bedoeld in de artikelen 5 en 6.
Art. 8.
[Omzetting in bedrag om niet |
Kwijtschelding rente en borgtocht]
-1. De op grond van artikel 5 verleende
bijstand wordt ambtshalve geheel of gedeeltelijk omgezet in een
bedrag om niet indien het netto-inkomen in het boekjaar van de
aanvraag dan wel in het daaraan voorafgaande jaar lager is dan de
jaarnorm. Het bedrag om niet bedraagt het verschil tussen de
jaarnorm en het netto-inkomen doch ten hoogste het verschil tussen
het eigen vermogen en de toepasselijke vermogensgrens, bedoeld in
artikel 3. De zelfstandige bepaalt het boekjaar waarover de
bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet.
-2. De op grond van artikel 5 verschuldigde
rente wordt ambtshalve kwijtgescholden en reeds betaalde rente
terugbetaald indien het netto-inkomen in één of beide boekjaren
volgend op het boekjaar van de aanvraag lager is dan de jaarnorm. Het
bedrag is ten hoogste de voor dat boekjaar geldende renteverplichting op grond van
artikel 5, doch niet meer dan het
verschil tussen de jaarnorm en het netto-inkomen in het boekjaar.
-3. Indien de bijstand is verleend in de vorm
van borgtocht op grond van artikel 6, zijn het eerste en tweede
lid van overeenkomstige toepassing op de door de bank verstrekte
lening. De aldus berekende bedragen worden verstrekt als een
bedrag om niet. Aan deze bijstand wordt de voorwaarde verbonden
dat het wordt aangewend ter aflossing of tot rentebetaling op de
door de bank verstrekte lening.
-4. Het bedrag van de op grond van het eerste
lid in een bedrag om niet omgezette bijstand, of het bedrag van de
op grond van het tweede lid kwijtgescholden of terugbetaalde rente dan wel het op grond van het derde lid berekende bedrag om niet,
kan tezamen met de over hetzelfde boekjaar verleende bijstand
ingevolge paragraaf 3 van dit hoofdstuk niet meer bedragen dan de
jaarnorm.
Art. 9.
[Bestemming bedrijfskapitaal bepaald
door B&W]
Burgemeester en wethouders geven de bestemming
aan van bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal.
§ 3.
Bijstand ter voorziening in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan
Art. 10.
[Definitieve verrekening inkomen
met bijstand]
-1. Burgemeester en wethouders nemen een nadere
beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in
artikel 23, eerste lid, van de
wet, nadat zij het netto-inkomen
uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief hebben vastgesteld
aan de hand van de administratie. De zelfstandige legt deze binnen
zes maanden na afloop van het boekjaar over aan burgemeester en wethouders.
-2. Indien de verleende bijstand, vermeerderd
met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto-inkomen:
a. minder is dan de jaarnorm, wordt
ambtshalve voor het verschil bijstand verleend, met dien verstande
dat de in totaal te verlenen bijstand niet meer bedraagt dan de
jaarnorm berekend naar evenredigheid over de periode waarin over
het desbetreffende boekjaar bijstand is verleend. De als
geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet;
b. gelijk is aan de jaarnorm, wordt de
als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om
niet;
c. meer is dan de jaarnorm, wordt de
bijstand ter grootte van het verschil teruggevorderd en wordt de
rest van de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een
bedrag om niet.
Art. 11.
[Aflossingsverplichtingen]
In afwijking van artikel 10 wordt, voor zover
het eigen vermogen de vermogensgrens, genoemd in artikel 3 of
13,
tweede lid, overschrijdt, de renteloze geldlening gehandhaafd na
afloop van het tijdvak waarin bijstand is verleend. Met ingang
van het jaar volgend op het laatste jaar van de bijstandverlening
wordt hierop een jaarlijkse aflossing van ten minste 10 procent
voldaan. Voor zover de zelfstandige, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, een deel van de verschuldigde
aflossing niet kan voldoen, wordt uitstel van betaling verleend.
HOOFDSTUK
III
Afwijkende bepalingen voor bijzondere groepen
zelfstandigen
§ 1. Beginnende zelfstandigen
Art. 11a. [Hoogte
bijstand voorbereidingskosten]
Aan een persoon als bedoeld in artikel 8, zesde lid,
van de
wet kan bijstand worden verleend in de kosten, bedoeld in artikel
8, zesde lid, onderdeel c, van de
wet, tot een bedrag van ten
hoogste €|2469,00.
Art. 12.
[Hoogte geldlening of borgtocht | Verlenging
bijstandverlening]
-1. Aan een beginnende zelfstandige als bedoeld
in artikel 8, tweede lid, van de
wet kan ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal uitsluitend bijstand in de vorm van
een geldlening of borgtocht worden verleend tot een bedrag van
ten hoogste €|29 889,00. Dit bedrag geldt per bedrijf of
zelfstandig beroep. Het gestelde in artikel 6, onderdeel b,
c, d, e en f, is van overeenkomstige
toepassing.
-2. Toekenning van algemene
bijstand als bedoeld in artikel 8, tweede
lid, van de
wet wordt beëindigd zodra het bedrijf of zelfstandig
beroep niet meer levensvatbaar is.
-3. Burgemeester en wethouders
onderzoeken of het bedrijf of zelfstandig beroep nog levensvatbaar
is:
a. zes maanden na aanvang van de
bijstandverlening, bedoeld in artikel 8,
tweede lid, eerste zin, van de wet, en daarna na een
periode van respectievelijk zes en twaalf maanden;
b. bij verlenging van de
toekenning van algemene bijstand om redenen van medische of
sociale aard als bedoeld in artikel 8, tweede
lid, tweede zin, van de
wet en vervolgens telkens na een
periode van twaalf maanden.
§ 2.
Oudere zelfstandigen
Art. 13.
[Voorwaarden bijstandverlening]
-1. Aan een oudere zelfstandige als bedoeld in
artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de
wet wordt bijstand verleend indien hij uit het bedrijf of zelfstandig
beroep naar verwachting de eerstkomende jaren een bruto-inkomen
zal behalen dat gemiddeld minstens €|6447,00
per boekjaar bedraagt.
-2. Bijstand in de vorm van een bedrag om niet
wordt aan de oudere zelfstandige niet verleend indien het eigen
vermogen meer bedraagt dan €|109
368,00.
-3. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal wordt aan de oudere zelfstandige slechts verleend
tot ten hoogste €|8117,00. Deze bijstand wordt verstrekt in de
vorm van een bedrag om niet of, voor zover het eigen vermogen
meer bedraagt dan €|109 368,00, in de vorm van een renteloze
lening. Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing.
§ 3.
Beëindigende zelfstandigen
Art. 14.
[Geen bijstand voor
bedrijfskapitaal]
Aan een zelfstandige als bedoeld in artikel
8,
derde lid, aanhef en onder b, van de
wet wordt geen
bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal
verleend.
§ 4.
Zelfstandigen die een bedrijf of
zelfstandig beroep alleen of samen met anderen uitoefenen in een
samenwerkingsverband of in de vorm van een
rechtspersoon
Art. 15.
[Bijstand bij hoofdelijke
aansprakelijkheid]
-1. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal aan de zelfstandige die het bedrijf of
zelfstandig beroep uitoefent in de vorm van een maatschap, een
vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een besloten
vennootschap of een coöperatieve vereniging met
wettelijke aansprakelijkheid, wordt slechts verleend indien hoofdelijke
aansprakelijkheid voor de uit de bijstandverlening
voortvloeiende verplichtingen wordt aanvaard door:
a. alle vennoten of leden waarmee het
bedrijf of zelfstandig beroep wordt uitgeoefend;
b. de besloten vennootschap en de
coöperatieve vereniging met wettelijke aansprakelijkheid.
-2. De eis van aanvaarding van hoofdelijke
aansprakelijkheid geldt niet voor de commanditaire vennoot wiens
inbreng uitsluitend uit kapitaal bestaat.
-3. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal wordt niet verleend aan de vennoot in een
maatschap die daar alleen arbeid inbrengt. Deze vennoot behoeft
geen hoofdelijke aansprakelijkheid te aanvaarden voor de aan de
andere vennoten verleende bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal.
Art. 16.
[Toepasselijkheid art. 8 op alle
vennoten/leden]
Op de bijstandverlening, bedoeld in artikel 15,
is artikel 8 op ieder van de vennoten of leden van overeenkomstige
toepassing.
Art. 17.
[Vermogensgrenzen voor alle vennoten/leden
afzonderlijk]
Indien bijstand wordt verleend aan een
zelfstandige die zijn bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent in
een samenwerkingsverband of in de vorm van een rechtspersoon,
gelden de bedragen van de vermogensgrenzen, bedoeld in artikel 3
en artikel 13, tweede lid, voor ieder van de vennoten of leden
afzonderlijk.
Art. 18.
[Verrekening
vennootschapsbelasting]
Ten aanzien van de zelfstandige die het bedrijf
of zelfstandig beroep uitoefent in de vorm van een besloten
vennootschap of een coöperatieve vereniging met wettelijke
aansprakelijkheid, wordt onder netto-inkomen als bedoeld in
artikel 1, onderdeel d, mede verstaan de naar
evenredigheid van het aantal zelfstandigen in een boekjaar
omgerekende nettowinst van deze rechtspersoon verminderd met de
hierover verschuldigde vennootschapsbelasting.
HOOFDSTUK
IV
Verplichtingen verbonden aan de bijstand ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal en maatregelen bij
het niet nakomen van deze verplichtingen
Art. 19.
[Vastlegging verplichtingen m.b.t.
lening of borgtocht]
-1. Burgemeester en wethouders leggen in de
beschikking waarin de bijstand wordt toegekend in elk geval vast:
a. indien de bijstand wordt verstrekt in
de vorm van een lening op grond van de artikelen 5 of
12:
1º. de verplichtingen tot betaling
van rente en aflossing alsmede de betalingstermijnen;
2º. dat het bedrag van de lening,
behoudens in de gevallen waarin artikel 8, tweede lid, van
toepassing is en met inachtneming van artikel 21, terstond
opeisbaar is bij het niet nakomen van de verplichtingen tot
betaling van rente en aflossing;
b. indien de bijstand wordt verstrekt in
de vorm van borgtocht op grond van artikel 6, dat aan de
verplichtingen opgenomen in de leningsovereenkomst met de bank
dient te worden voldaan.
-2. In de beschikking tot toekenning van de
bijstand wordt voorts opgenomen dat het bedrag van de lening
terstond opeisbaar is:
a. indien zij niet overeenkomstig de
bestemming is besteed;
b. op het moment dat de zelfstandige het
bedrijf of zelfstandig beroep overdraagt of beëindigt;
c. in geval van surséance van betaling
of faillissement van de zelfstandige, van één van de vennoten of
leden waarmee het bedrijf of zelfstandig beroep in een
samenwerkingsverband wordt uitgeoefend, of van de rechtspersoon.
Art. 20.
[Ingebrekestelling en
terugvordering]
De zelfstandige die niet aan de rente- en aflossingsverplichtingen voldoet, wordt door burgemeester en
wethouders tot betaling gemaand. Indien de zelfstandige ook na een
tweede aanmaning niet voldoet, worden het geleende bedrag en de
achterstallige rente, beide verhoogd met de wettelijke rente,
teruggevorderd.
Art. 21.
[Uitstel of verlaging van betaling]
-1. De zelfstandige die geheel of gedeeltelijk
niet in staat is aan de rente- en aflossingsverplichtingen te
voldoen, kan een met redenen omkleed verzoek om uitstel of
verlaging van betaling indienen.
-2. Indien de zelfstandige tijdelijk niet in
staat is aan de verplichtingen te voldoen en bijstand om niet
ingevolge artikel 8, tweede lid, niet mogelijk of ontoereikend is,
kunnen burgemeester en wethouders, afhankelijk van de financiële
omstandigheden van betrokkene:
a. tijdelijk het bedrag van de aflossing
verlagen;
b. geheel of gedeeltelijk uitstel van
het betalen van aflossing en rente verlenen.
-3. Uitstel van aflossing en betaling van rente
op grond van het tweede lid, onderdeel b, wordt ten hoogste
voor een periode van één jaar verleend. Burgemeester en wethouders
kunnen zo nodig deze periode tweemaal met ten hoogste één jaar verlengen. Over de gehele looptijd van de lening kan maximaal
gedurende een aaneengesloten of onderbroken periode van drie
jaar uitstel worden verleend.
-4. Het uitstel op grond van het tweede lid,
onderdeel b, heeft bij voorrang betrekking op de aflossing.
De vordering wegens uitstel van betaling van rente is niet
rentedragend.
-5. Indien blijkt dat de zelfstandige duurzaam
niet aan de verplichtingen kan voldoen of indien de periode van
drie jaar, bedoeld in het derde lid, is verstreken, zijn de lening
en de eventuele achterstallige rente terstond opeisbaar en worden
deze teruggevorderd.
-6. Indien blijkt dat de financiële
omstandigheden van de zelfstandige zodanig zijn dat deze geacht
kan worden aan de verplichtingen te kunnen voldoen, worden de
vanaf de vervaldatum achterstallige rente- en aflossingsbedragen
terstond teruggevorderd. Indien hierbij sprake is van een
toerekenbare tekortkoming in de nakoming, is over de
achterstallige rente- en aflossingsbedragen de wettelijke rente
verschuldigd.
Art. 22.
[Matiging financiële
verplichtingen]
Indien op grond van dit besluit een lening is
verstrekt, werken burgemeester en wethouders mee aan een
schuldregeling of aan een akkoord voor zover dit noodzakelijk is
voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep, of dit
bij de beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep tot
stand kan komen. Deze medewerking wordt slechts verleend, indien:
a. het gedeelte van de lening dat door
gestelde zekerheden wordt gedekt, buiten het akkoord blijft; en
b. alle concurrente schuldeisers
evenredige medewerking verlenen.
Art. 23.
[Terugbetaling lening bij
liquidatie]
-1. Bij beëindiging van het bedrijf of
zelfstandig beroep dient de lening, behoudens in het geval artikel
22 toepassing vindt, volledig te worden terugbetaald. Gestelde
zekerheden worden volledig uitgewonnen. In afwijking daarvan
blijft, op verzoek van de betrokkene en voor zover mogelijk, een
lening onder hypothecair verband, verbonden aan de eigen woning
met bijbehorend erf, gehandhaafd of wordt deze tot de onbelaste
waarde van deze woning gevestigd. De artikelen
4, 5, 6, eerste,
tweede en vierde lid, en 8 van het Besluit
krediethypotheek bijstand zijn van overeenkomstige toepassing.
-2. Indien na beëindiging van het bedrijf of
zelfstandig beroep een deel van de lening resteert en deze niet
met toepassing van het vorige lid onder hypothecair verband is
verleend, wordt het resterende deel van de lening vanaf de beëindiging renteloos. Gedurende de periode van vijf jaar na
beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep dient 50
procent van het netto-inkomen boven de bijstandsnorm als bedoeld
in hoofdstuk IV, afdeling 1, van de
wet besteed te worden voor
aflossing van deze lening.
HOOFDSTUK
V
Vermogensvaststelling
Art. 24.
[Waardering vermogensbestanddelen]
-1. De voor de uitoefening van het bedrijf of
zelfstandig beroep noodzakelijke bezittingen en de aanwezige
schulden van de zelfstandige worden gewaardeerd op basis van de
waarde in het economisch verkeer.
-2. In afwijking van het eerste lid worden de
volgende vermogensbestanddelen als volgt gewaardeerd:
a. onderhanden werken, halffabrikaten,
eindproducten en te velde staande gewassen worden gewaardeerd op
basis van de gemaakte kosten, arbeidskosten daaronder begrepen;
b. handelsvoorraden en grondstoffen
worden gewaardeerd op basis van de aanschaffingswaarde, voor zover
nodig gecorrigeerd met een aftrek wegens incourantheid;
c. immateriële activa, zoals goodwill
en melkquotum, worden gewaardeerd op basis van de aankoopprijs,
waarbij rekening wordt gehouden met de afschrijving;
d. levensverzekeringen die zijn
aangegaan voor de financiering van onroerend goed worden
opgenomen tegen de contante waarde;
e. aandelen in coöperaties en
inkoopverenigingen alsmede andere vormen van ledenkapitaal
worden gewaardeerd op basis van de fiscale boekwaarde;
f. land en tuinbouwgrond wordt
gewaardeerd op de waarde in verpachte staat.
-3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel
a,
kunnen de meerjarige te velde staande gewassen of de
plantopstanden in een bepaalde bedrijfstak worden gewaardeerd op
de waarde in het economisch verkeer op het moment dat er in deze
bedrijfstak sprake is van een crisissituatie; van een crisissituatie is sprake in het geval dat er in meer dan twee
opeenvolgende jaren lage opbrengstprijzen zijn verkregen al dan
niet in combinatie met lage fysieke opbrengsten als gevolg van
slechte weersomstandigheden.
-4. Onder schulden wordt mede verstaan:
a. uit de jaarrekening blijkende
schulden wegens niet-uitbetaald loon aan kinderen;
b. reserveringen in verband met
belastingclaims die voortvloeien uit de vaststelling van de
waarde van de bezittingen, bedoeld in het eerste en tweede lid;
c. reserveringen in verband met de Wet
Investeringsrekening.
-5. Burgemeester en wethouders laten, indien
daartoe aanleiding bestaat, de onroerende goederen taxeren door
een taxateur.
-6. Burgemeester en wethouders laten de waarde
van de bezittingen opnieuw vaststellen indien gewijzigde
omstandigheden daartoe aanleiding geven.
HOOFDSTUK
VI
Aangewezen gemeenten voor de bijstandverlening
aan ondernemers in de binnenvaart
Art. 25.
[Aangewezen gemeenten]
De bijstand aan een ondernemer in de
binnenvaart wordt verleend indien hij verblijft op het
grondgebied van:
a. de provincies Groningen, Friesland en
Drenthe: door burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen;
b. de provincies
Overijssel en
Flevoland: door burgemeester en wethouders van de gemeente
Zwolle;
c. de provincie Gelderland en de
gemeenten Bergen, Boxmeer, Cuijk, Gennep, Grave, Lith, Mook en
Middelaar, Oss en Ravenstein: door burgemeester en wethouders van
de gemeente Nijmegen;
d. de provincie Utrecht: door
burgemeester en wethouders van de gemeente
Nieuwegein;
e. de provincie Noord-Holland: door
burgemeester en wethouders van de gemeente
Amsterdam;
f. de provincie
Zuid-Holland: door
burgemeester en wethouders van de gemeente
Rotterdam;
g. de provincie Zeeland: door
burgemeester en wethouders van de gemeente
Terneuzen;
h. de provincie Noord-Brabant, met
uitzondering van de
gemeenten Asten, Boxmeer, Budel, Cuijk, Deurne, Grave, Helmond,
Lith, Mierlo, Oss, Ravenstein en Someren: door burgemeester en wethouders van de
gemeente
Geertruidenberg;
i. de
gemeenten Asten, Budel, Deurne,
Helmond, Mierlo en Someren en de provincie Limburg, met
uitzondering van de
gemeenten Bergen, Gennep en Mook en Middelaar:
door burgemeester en wethouders van de gemeente
Maasbracht.
HOOFDSTUK
VII
Vergoedingen
Vervallen
m.i.v. 1
januari 2001
Artt. 26
en 26a. Vervallen (Besluit van 4 december 2000, Stb.
2000, 614).
[Art. 26.
[Rijksvergoeding onderzoek |
Regeling uitvoerings- en onderzoekskosten zelfstandigen]
-1. Het Rijk vergoedt aan de gemeente negentig
procent van de kosten van aan derden opgedragen onderzoek, met
inachtneming van de krachtens het derde lid gestelde regels. De
kosten van onderzoek worden alleen vergoed indien het onderzoek is
opgedragen aan een deskundige derde die niet onder
verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders werkzaam is.
-2. Het Rijk vergoedt aan de in artikel 25
aangewezen gemeente de kosten, verbonden aan de uitvoering van de
bijstandverlening aan de ondernemers in de binnenvaart, op de
volgende wijze:
a. ƒ500,00 per besluit op een aanvraag
om bijstand;
b. honderd procent van de kosten van
onderzoek, met inachtneming van de krachtens het derde lid
gestelde regels.
-3. Onze Minister
stelt regels met betrekking
tot de maximaal in aanmerking te nemen kosten van onderzoek. [Ruoz]]
[Art. 26a.
[Onafhankelijk onderzoek]
-1. Het Rijk vergoedt aan de gemeente 90
procent van de kosten, bedoeld in artikel 137, eerste
lid, onderdeel c, van de
wet, met dien verstande dat deze
kosten niet worden vergoed:
a. voor zover zij meer bedragen dan ƒ3000,00
per belanghebbende, bedoeld in artikel 8, tweede lid,
van de
wet;
b. voor zover zij meer bedragen dan ƒ6000,00
per belanghebbende, bedoeld in artikel 8, zesde lid,
van de
wet.
-2. De begeleidingskosten worden alleen
vergoed indien de begeleiding is opgedragen aan een deskundige derde die
niet onder verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders werkzaam
is.]
HOOFDSTUK
VIII
Slotbepalingen
Art. 27.
[Herziening bedragen en
rentepercentage]
-1. Onze Minister herziet de bedragen, genoemd
in de artikelen 3, 5, 6,
7, 11a, 12 en
13, tweede en derde lid, overeenkomstig artikel 61 van
de
wet.
-2. Onze Minister herziet het rentepercentage,
genoemd in artikel 5, voor zover de rente die banken in rekening
brengen bij het verstrekken van leningen aan bedrijven daartoe
aanleiding geeft.
Art. 28.
[Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking met ingang van de
dag waarop de Algemene bijstandswet in werking treedt.
Art. 29.
[Citeertitel]
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
bijstandverlening zelfstandigen.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 12 april 1995
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de dertiende april
1995
De Minister van Justitie a.i.,
H.F. Dijkstal
NOTA VAN
TOELICHTING
[12 april 1995]
Algemeen
1. Algemeen
Dit nieuwe Besluit bijstandverlening
zelfstandigen (Bbz) vervangt het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bz).
Door invoering van de nieuwe Algemene bijstandswet (Abw) is de
grondslag van het Bijstandsbesluit zelfstandigen komen te vervallen. Door
dit feit alleen al is een nieuw besluit nodig. Als gevolg van de
herinrichting van de Algemene Bijstandswet bleek voorts wijziging en
herschikking van de bepalingen ten aanzien van de bijstandverlening aan zelfstandigen noodzakelijk. Besloten
is om het Bbz - met behoud van de
hoofdlijnen van de inhoud - geheel nieuw op te zetten.
Het nieuwe besluit is gebaseerd op
onder andere artikel 8, zesde lid, van de Algemene
bijstandswet. Dit artikel
bepaalt dat nadere regels worden gesteld, hetgeen vooral van belang is
voor bijzondere groepen zelfstandigen zoals bijvoorbeeld ouderen.
Eén van de belangrijkste wijzigingen
ten opzichte van het oude besluit is het rechtstreeks gevolg van één van de
hoofddoelstellingen die ten grondslag heeft gelegen aan de nieuwe
Algemene bijstandswet.
Met de nieuwe Algemene bijstandswet
wordt ernaar gestreefd de legislatieve voorwaarden te scheppen
voor een effectievere bijstandverlening. In dit kader vindt onder meer een
vereenvoudiging en systematisering van regelgeving plaats
en wordt waar mogelijk meer beleidsverantwoordelijkheid gegeven
aan gemeenten. Ook wordt meer nadruk gelegd op de bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening
en voorziet de wet in een verbeterde
afstemming van de Abw op andere voorzieningen.
In verband met de doelstelling om te
komen tot vereenvoudiging en systematisering van regelgeving zijn de kernbepalingen ten aanzien van
de bijstandverlening aan zelfstandigen
in de wet zelf opgenomen. Hierbij gaat het om de rechtscheppende
bepalingen en specifieke bepalingen voor zelfstandigen die afwijken van
die voor overige bijstandsgerechtigden. Het betreft met name de omschrijving
van het begrip zelfstandige (artikel 5), de kring van
rechthebbende zelfstandigen (artikel 8), de vorm van bijstand aan
zelfstandigen (artikelen 22 en 23) en een specifieke vermogensvrijlating voor
zelfstandigen (artikel 52). Het aantal kernbepalingen voor zelfstandigen dat
in de wet zelf is opgenomen, is hiermee belangrijk uitgebreid.
Gelet op de specifieke omstandigheden
waarin zelfstandigen verkeren, is een nadere uitwerking van de wettelijke bepalingen op een aantal
onderdelen noodzakelijk. Dit besluit
voorziet hierin.
Overeenkomstig hetgeen was opgenomen
in het Bz kan bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal en in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
slechts worden verstrekt aan de zelfstandige die voldoet aan de ten
aanzien van zelfstandigen opgenomen bepalingen in de wet en in dit
besluit.
Alleen op grond van de in artikel 11
van de wet genoemde omstandigheden kan van de artikelen van dit besluit
worden afgeweken.
De opzet en vormgeving van de nieuwe
Abw leiden materieel niet tot ingrijpende wijzigingen in de bijstandverlening voor zelfstandigen. Op
grond van het Bz steeg het aantal
verstrekte kredieten in de jaren 1991 tot en met 1993 van ongeveer 1400 naar
ruim 2400. De omvang van het gemiddelde krediet steeg daarbij van ongeveer
ƒ30 000,- naar ruim ƒ40 000,-. Het aantal zelfstandigen dat
op de laatste dag van het kwartaal een uitkering voor levensonderhoud
ontving, steeg in die jaren van ongeveer 800 naar ruim 900. Uit de
declaratiegegevens blijkt tenslotte dat het gebruik van het Bz in de verschillende gemeenten uiteenloopt.
Het nieuwe besluit betekent een
voortzetting van de bestaande wijze van bijstandverlening. De hoogte van
de te verstrekken bedragen en de begrenzingen inzake het verlenen van
bijstand om niet zijn onveranderd. Beoogd wordt zelfstandigen met
financiële problemen door bijstandverlening tijdelijk tegemoet te komen, teneinde
hen in staat te stellen weer volledig zelfstandig in het bestaan te
voorzien. Hiermee wordt voorkomen dat deze zelfstandigen door verlies
van hun bestaansbron van bijstand afhankelijk worden. Met
bijstandverlening aan beginnende zelfstandigen wordt bevorderd dat men niet
langer
afhankelijk is van een uitkering, maar door inkomen uit bedrijf of
zelfstandig beroep zelf weer in het bestaan kan voorzien. Uitgangspunt is
dat het bedrijf of beroep van de zelfstandige levensvatbaar is, zodat
na enige tijd bijstandverlening niet meer nodig is. Daarnaast wordt voorzien in bijstandverlening voor oudere
zelfstandigen met een permanent
ontoereikend bedrijfsinkomen en voor zelfstandigen die wegens gebrek aan
perspectief het bedrijf of beroep moeten beëindigen. Oudere zelfstandigen worden zo in de gelegenheid
gesteld in ieder geval nog ten dele
zelf in de minimale bestaanskosten te voorzien.
Naast de gewijzigde verhouding tussen wet
en besluit zijn de volgende wijzigingen ten opzichte van het
vorige besluit van belang.
In de eerste plaats komt thans alleen
de zelfstandige voor bijstand in aanmerking die voldoet aan het
urencriterium voor de zelfstandigenaftrek in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dit betekent dat men
per jaar ten minste het in die wet
genoemde aantal uren ten behoeve van het bedrijf of zelfstandig beroep
werkzaam moet zijn geweest. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat de
uitoefening van het bedrijf of beroep een reëel karakter dient te hebben.
Tevens wordt voor de uitvoeringspraktijk een duidelijker afbakening bereikt.
Wie niet aan het urencriterium voldoet, is aangewezen op arbeid in
dienstbetrekking. De bijstandverlening en daaraan verbonden verplichtingen
dienen hierop dan te worden afgestemd. Met de invoering van het
urencriterium wordt tevens aangesloten bij de Wet
Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen.
In de tweede plaats is in dit besluit
voorzien in de mogelijkheid van bijstand in de vorm van borgtocht ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Hiermee wordt aan
burgemeester en wethouders een extra mogelijkheid voor de
bijstandverlening verleend. De mogelijkheid van borgstelling kan ertoe bijdragen
dat een optimaal gebruik wordt gemaakt van door banken geboden kredietmogelijkheden.
De gemeentelijke
beleidsverantwoordelijkheid wordt vergroot door het vervallen van het voorschrift dat
instemming van de minister
vereist is bij bijstandverlening voor meer dan
ƒ75
000,- indien de Commissie zelfstandigen hierover negatief heeft geadviseerd.
Ook de wettelijke verplichting om een dergelijke commissie in te
stellen is om dezelfde reden van vergroting van de gemeentelijke verantwoordelijkheid komen te vervallen.
Het wordt derhalve aan de gemeente
overgelaten of zij het nodig acht een commissie in te stellen die haar kan
adviseren over de toepassing van dit besluit. Gelet op de specifieke problemen die zich bij de bijstandverlening
aan zelfstandigen kunnen voordoen en
de benodigde deskundigheid, kan het zinvol zijn zo’n commissie te raadplegen, bijvoorbeeld wanneer een
beslissing op een bezwaarschrift moet
worden genomen of bij twijfel over de levensvatbaarheid van het bedrijf
of beroep.
Vervolgens zijn vanwege de beoogde
vereenvoudiging en systematisering van de regelgeving een drietal
besluiten die op grond van het Bz bestonden in het onderhavige besluit
geïntegreerd. Het betreft de nadere regels inzake de wijze van
bijstandverlening aan zelfstandigen die hun bedrijf of beroep uitoefenen in een
samenwerkingsverband of rechtspersoon, de nadere regels ingeval gestelde
rente- en aflossingsverplichtingen door de zelfstandige niet of niet
geheel kunnen worden nagekomen en de nadere regels voor de
vaststelling van het vermogen. Deze besluiten waren tegelijkertijd
gepubliceerd.
De beschikking bijstandverlening aan
zelfstandigen die hun bedrijf of beroep uitoefenen in een samenwerkingsverband of rechtspersoon is
daarbij op één onderdeel
gewijzigd. Deze wijziging betreft de in deze beschikking opgenomen bepaling dat bij
de verstrekking van bedrijfskapitaal het bedrag om niet niet meer bedraagt
dan het gemiddelde van de voor de afzonderlijke zelfstandigen
geldende jaarnorm. Voortaan kan elke zelfstandige een bedrag om niet tot
ten hoogste de voor hem geldende jaarnorm verkrijgen. Hiermee wordt
bereikt dat na de beoordeling van de financiële positie van het gehele
samenwerkingsverband of rechtspersoon bij de bijstandverlening de positie
van deze zelfstandigen op dit punt niet afwijkt van de positie van de
zelfstandige met een eenmansbedrijf.
Ten slotte is het Aanwijzingsbesluit
bijstandverlening ondernemers in de binnenvaart in het onderhavige besluit
geïntegreerd. Daarbij is het aantal aangewezen gemeenten teruggebracht van
14 naar 9. Met deze wijzigingen is bereikt dat een aantal aparte
regelingen is verdwenen.
Desgevraagd heeft de Commissie Sociale
Voorzieningen van de
Sociaal-Economische Raad op 6 oktober 1992 advies uitgebracht over dit besluit.
De Commissie kan zich vinden in de
invoering van het urencriterium bij de begripsbepaling. Voorts acht zij het
wenselijk dat de gemeenten een adviescommissie zelfstandigen in stand houden. De adviezen van de
Commissie om het starterskrediet te
indexeren en het aanwijzingsbesluit bijstandverlening ondernemers in de
binnenvaart te handhaven, zijn overgenomen.
Overeenkomstig het advies van deze commissie zal het besluit ongeveer drie jaar na het
in werking treden worden geëvalueerd. Aandachtspunten bij deze evaluatie
zullen in ieder geval zijn de toepassing van het besluit en de uitvoerbaarheid van de regelgeving. Met
name zal worden onderzocht hoe vaak
borgstelling wordt verleend en of de keuze voor de bijstandsvorm
borgtocht de instemming had van de bijstandscliënt. Voorts zal
aandacht worden geschonken aan de kwaliteit van de rapportages naar de levensvatbaarheid van het bedrijf of
zelfstandig beroep en de
vergoedingsregeling die daarvoor geldt. Nagegaan zal verder worden wat de
effecten zijn van het vervallen van de eis in artikel 26 Bz dat een bedrijf
of zelfstandig beroep drie jaar moest zijn uitgeoefend voordat bijstand kan
worden verleend gedurende de beperkte periode waarin de zelfstandige
activiteiten worden afgebouwd.
2. Het sluitstukkarakter van het
besluit
De Abw vormt het sluitstuk van het
stelsel van sociale zekerheid. Dit besluit heeft als onderdeel van de Abw
hetzelfde karakter, met dien verstande dat het gericht is op de
specifieke groep van zelfstandigen.
Dit blijkt allereerst uit het
uitgangspunt dat de zelfstandige primair zelf verantwoordelijk is voor de
voorziening in het bestaan. Op grond van artikel 7 van
de wet kan bijstand
alleen worden verleend indien de belanghebbende in financiële
moeilijkheden verkeert of dreigt te geraken. Een beroep op bijstand is dus eerst
mogelijk nadat beschikbare eigen middelen zijn ingezet.
In de tweede plaats is in artikel 17
van de wet aangegeven dat geen recht op bijstand bestaat voor zover
een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht
voor betrokkene toereikend te zijn. De
bijstand is derhalve aanvullend op voorliggende voorzieningen. Voor de
zelfstandige betekent dit dat een beroep op bijstand niet mogelijk is
indien via andere regelingen of instellingen leningen kunnen worden aangetrokken.
Met name kan hierbij worden gewezen op
mogelijkheden van kredietverlening door banken, waarbij al dan niet gebruik wordt gemaakt van de
borgstellingsregelingen van de
overheid. In dit verband zijn met name van belang de mogelijkheden van het
Borgstellingsfonds voor de Landbouw en van het Besluit borgstelling
MKB-kredieten. Beide overheidsregelingen beogen kredietverlening door banken
aan zelfstandigen mogelijk te maken, indien de zelfstandige zelf
onvoldoende zekerheden kan bieden. In dat geval kan de Staat zich garant
stellen voor een deel van het risico dat de bank bij kredietverlening loopt.
Tussen deze borgstellingsregelingen en het Bbz bestaan belangrijke
verschillen. Dit besluit kent allereerst een beperktere doelgroep, namelijk
uitsluitend mensen die een onvoldoende inkomen hebben. Anders dan het Borgstellingsfonds en het Besluit
borgstelling MKB-kredieten wordt het
Bbz niet uitgevoerd door banken en de vakdepartementen, maar door de gemeenten. De aard van de hulpverlening is verder ruimer; op
grond van het Bbz is niet alleen het verstrekken van rentedragende leningen
of borgtocht mogelijk, maar ook het verstrekken van bedrijfskapitaal
in de vorm van een bedrag om niet en inkomensaanvulling tot de voor
belanghebbende geldende bijstandsnorm.
Deze verschillen onderstrepen het
sluitstukkarakter van dit besluit.
Anderzijds zijn in dit besluit, in
verband met het sluitstuk- en minimumbehoeftekarakter, de volgende begrenzingen
opgenomen die
de borgstellingsregelingen niet kennen:
- als bijstand ter voorziening in
bedrijfskapitaal kan ten hoogste ƒ300 000,- worden verleend (artikel
5);
- de rente van de geldlening ter
voorziening in bedrijfskapitaal volgt het niveau van de bankrente (artikel
5 jº artikel 27, derde lid);
- bijstand ter voorziening in
bedrijfskapitaal voor zelfstandigen met een duurzaam inkomen beneden de jaarnorm
kan tot ten hoogste ƒ15 000,- om niet worden verleend (artikel
7);
- bijstand ter voorziening in
bedrijfskapitaal voor beginnende zelfstandigen blijft beperkt tot een bescheiden
startkapitaal, met een maximum van ƒ40 000,- (artikel 12).
Voorts is in het Besluit borgstelling
MKB-kredieten aangegeven dat het gelijktijdig verstrekken van rentedragende leningen door zowel deze
borgstellingsregeling als het Bbz niet
mogelijk is.
3. De personenkring
De personenkring van dit besluit wordt
gevormd door de zelfstandige van 18 tot 65 jaar die voor de
voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of
zelfstandig beroep.
Het bedrijf of zelfstandig beroep
dient in Nederland te worden uitgeoefend. Deze eis wordt gesteld om te voorkomen
dat met eventuele bijstandverlening economische
activiteiten buiten Nederland worden beïnvloed. Het is bovendien
onmogelijk om vanuit Nederland de relevante omstandigheden in het buitenland
te
beoordelen.
Voorts moet voldaan zijn aan de
wettelijke vereisten voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep
en aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek. Ten slotte is vereist dat de volledige zeggenschap in
het bedrijf of beroep wordt
uitgeoefend en de financiële risico’s daarvan worden gedragen, hetzij alleen, hetzij
samen met degenen met wie betrokkene het bedrijf of beroep uitoefent. Als zelfstandige wordt derhalve
niet alleen degene met een eenpersoonsbedrijf of -beroep aangemerkt, maar ook degene wiens positie in
economisch opzicht daarmee overeenkomt en die werkzaam is in een samenwerkingsverband of in een
rechtspersoon.
Degene die niet voldoet aan de
wettelijke begripsomschrijving kan geen bijstand ontvangen met toepassing van
dit besluit. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer niet wordt voldaan aan
de wettelijke vereisten of aan het urencriterium. De betrokkene wordt
geacht dan aangewezen te zijn op arbeid in dienstbetrekking. De verplichtingen gericht op de zelfstandige
bestaansvoorziening worden daar dan op
afgestemd.
Voor toepassing van de regeling is
vereist dat het bedrijf of beroep levensvatbaar moet zijn. Dit betekent
dat het inkomen toereikend moet zijn voor zowel de privé-uitgaven
als voor de voortzetting van het bedrijf. De hoogte hangt af van individuele
omstandigheden. Zo zijn er zelfstandigen die rondkomen met een inkomen dat
lager is dan de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm.
Een duurzame inkomensvoorziening, die
het karakter zou krijgen van een inkomensgarantie, wordt daarmee voorkomen. Het door de regering
voorgestane structuurbeleid waarin
alleen plaats is voor levensvatbare bedrijven zou anders doorkruist
worden. Niet-levensvatbare bedrijven zouden in stand worden gehouden,
waardoor de concurrentieverhoudingen worden verstoord en overcapaciteit
dreigt ten aanzien van het voorzieningenniveau. De positie
van de zelfstandigen die nog wel een voldoende inkomen kunnen behalen, zou
dan nadelig worden beïnvloed. Tenslotte staat een inkomensgarantie
haaks op het uitgangspunt dat betrokkene na enige tijd weer
zelfstandig moet kunnen voorzien in het levensonderhoud. Het tijdelijk
karakter van de bijstand voor levensonderhoud wordt daarom in het algemeen beperkt
tot de periode van één jaar, omdat verwacht mag worden dat
zelfstandigen met levensvatbare bedrijven de moeilijkheden dan hebben
overwonnen. Bij het algemeen sociaal-economisch beleid wordt voorts aangesloten door het
uitgangspunt dat de rente verbonden
aan de bijstand in de vorm van een geldlening in beginsel het niveau van
de bankrente volgt.
Voor zelfstandigen die reeds gedurende
een redelijke termijn als zodanig gevestigd zijn, kan bijstand
worden verleend ter voorziening in bedrijfskapitaal en ter voorziening in
de algemeen noodzakelijke bestaanskosten.
Als nadere uitwerking van artikel 8
van de wet bevat dit besluit verder een aantal specifieke bepalingen voor
bijzondere groepen zelfstandigen.
Allereerst kan in het kader van de
bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening bijstand worden
verleend aan uitkeringsgerechtigden die vanuit een volledige of gedeeltelijke werkloosheidssituatie een
bedrijf of beroep willen beginnen.
Door middel van een op hun situatie toegesneden bijstandverlening kan aan
hen financiële hulp worden verleend indien de reële
verwachting bestaat dat zij op deze wijze zelfstandig in hun bestaan kunnen
gaan
voorzien.
Voor twee categorieën geldt het
vereiste van een levensvatbaar bedrijf niet. Allereerst betreft dit de oudere
zelfstandige wiens inkomen duurzaam ontoereikend is. In die
situatie is het, gezien ook de leeftijd, veelal niet mogelijk dat betrokkene
door vergroting van zijn inspanning het bedrijfsresultaat verbetert.
Regelmatig zal in dergelijke gevallen sprake zijn van een achteropgeraakte
bedrijfsvoering, waardoor aan het vereiste van levensvatbaarheid op den
duur niet kan worden voldaan. Beëindiging van het bedrijf en
omschakeling naar een andere functie is dan in het algemeen geen reëel
alternatief.
De leeftijdsgrens is 55 jaar. Deze
grens wordt in de Ioaz ook gehanteerd ten aanzien van oudere zelfstandigen
die hun bedrijf of beroep vanwege een duurzaam ontoereikend inkomen
hebben moeten beëindigen. Het vereiste minimumbruto-inkomen dat de
oudere zelfstandige ten minste uit het bedrijf of beroep dient te behalen,
is ƒ12 000,-. Het bedrijf vervult dan nog een zekere maatschappelijke
functie. Uit onderzoeken van het Landbouw-Economisch Instituut en het
Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf ("De oudere zelfstandige in de agrarische
sector"
en "De oudere zelfstandige in het
Midden- en Kleinbedrijf", beide uit 1981) is verder gebleken dat bij
lagere inkomens er veelal inkomsten zijn uit andere bron en dat het bedrijf van
ondergeschikt belang is.
Ook bij de beëindigende
zelfstandige wordt het levensvatbaarheidsvereiste niet als voorwaarde gehanteerd. Aan
deze zelfstandige kan bijstand slechts worden verleend
wanneer het bedrijf of beroep zo spoedig mogelijk zal worden beëindigd. In bepaalde situaties,
bijvoorbeeld wanneer de oogst nog moet worden
binnengehaald of nog aan leveringsverplichting moet worden
voldaan, kan van de zelfstandige niet worden verlangd dat het bedrijf of
beroep onmiddellijk wordt beëindigd. Voorts kan liquidatie zoveel tijd van
de zelfstandige vragen dat het voorshands fysiek onmogelijk is
daarnaast arbeid in loondienst te verrichten. Derhalve is voor bijstandverlening aan
beëindigende zelfstandigen
een termijn van ten hoogste 24 maanden
gesteld. Aldus wordt voorkomen dat uitsluitend door de
voorwaarden van bijstandverlening onnodig verlies van inkomen of vermogen
optreedt of dat personen in
zo’n overgangsperiode niet over de
minimaal noodzakelijke bestaanskosten beschikken.
Een aanvraag om bijstand wordt meestal
door de zelfstandige ingediend, maar kan ook namens deze
door derden worden gedaan. Te denken valt aan een vertegenwoordiger
van een ondernemersorganisatie of van het Instituut Midden- en
Kleinbedrijf.
4. Het voor de uitoefening van het
bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijk vermogen
Voor zelfstandigen zijn specifieke
bepalingen opgenomen inzake het vermogen in de artikelen
22,
23, 51,
52 en 53 van de wet. De strekking van deze artikelen is dat voor de zelfstandige niet als vermogen in aanmerking
wordt genomen het voor de uitoefening
van het bedrijf of beroep noodzakelijke vermogen. Uiteraard
geldt dit niet in aanmerking nemen alleen voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van dit
vermogen in redelijkheid niet kan
worden verlangd.
De zelfstandige moet kunnen blijven
beschikken over het vermogen dat voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep nodig is. In het
geval dit vermogen ingezet zou moeten
worden, zou de zelfstandige immers de mogelijkheid worden ontnomen
zijn bestaansvoorziening in stand te houden. Het vermogen waarover
de zelfstandige beschikt, heeft daarnaast nog als functie het opvangen
van bedrijfsrisico’s en de financiering van het bedrijf of
beroep. Het bezit van dit vermogen staat bijstandverlening als zodanig derhalve
niet in de weg, maar het is van belang voor de vorm waarin de bijstand
wordt verleend. In het geval dat het eigen vermogen een bepaalde grens
te boven gaat, wordt geen bijstand om niet verleend.
Om de waarde van het vermogen uniform
te kunnen vaststellen, zijn in artikel 24 nadere bepalingen
opgenomen.
Bij de vaststelling van het vermogen
wordt geen onderscheid gemaakt tussen privé- en bedrijfsvermogen. Dit onderscheid bij vermogens van
zelfstandigen zou kunstmatig en
nauwelijks te hanteren zijn. Zo vervult het vermogen belegd in een eigen
huis
een essentiële functie bij het aantrekken van vreemd vermogen ten behoeve van het bedrijf. Banken
maken bij het verstrekken van leningen
ook geen onderscheid tussen het privé- en bedrijfsvermogen. Bij
het beschikbaar stellen van het bankkrediet wordt al het aanwezige
vermogen belast. Het privé- en bedrijfsvermogen is dus dermate
verstrengeld dat de toerekening van verplichtingen naar één van beide vermogensbestanddelen onmogelijk is.
Dit betekent dat, zoals verder in de
artikelsgewijze toelichting is aangegeven, ook het zogenoemde bescheiden vermogen
moet worden ingezet. Het bezit van vermogen, ook al is dit meer dan het bescheiden vermogen,
staat bijstandverlening aan de
zelfstandige immers niet in de weg. Daarnaast is het niet mogelijk de
terugbetaling van een Bbz-lening of van te veel verleende bijstand te beperken
tot de grens van het vrij te laten bescheiden vermogen.
In deze regeling wordt nader
uitgewerkt welke invloed de hoogte van het vermogen heeft op de wijze van
bijstandverlening. Van belang hierbij is het onderscheid tussen totaalvermogen en het eigen vermogen. Het totaalvermogen is de waarde van de
bezittingen. Het eigen vermogen is het totaalvermogen verminderd met de
schulden.
Op grond van artikel 22 en
23 van de wet
wordt in dit besluit een begrenzing in het eigen vermogen
aangegeven. Als het eigen vermogen boven 30 procent van het totaalvermogen ligt of als dit eigen vermogen
meer bedraagt dan ƒ282 000,-, zijn er
geen mogelijkheden om bijstand om niet te verstrekken en ook de bijstand
ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
wordt verleend in de vorm van een geldlening. Een uitzondering hierop is
dat als het eigen vermogen niet meer dan ƒ77 800,- bedraagt, ook al is
dit meer dan 30 procent van het totaalvermogen, bijstand om niet wel
mogelijk is. Aldus wordt rekening gehouden met de draagkracht van
relatief hoge eigen vermogens. De aangegeven beneden- en bovengrenzen
houden verband met het bijstandskarakter van de regeling. Het
percentage van 30 is gebaseerd op de overweging dat kredietverlenende
instellingen in het algemeen niet verder financieren dan tot maximaal 70
procent van de waarde van de bezittingen.
In verband met de uiteenlopende
situatie van beide groepen en de verschillende wijze van hulpverlening gelden in dit besluit verschillende
vermogensgrenzen voor oudere
zelfstandigen enerzijds en de overige zelfstandigen anderzijds. Voor oudere
zelfstandigen dient immers rekening te worden gehouden met de
omstandigheid dat het vermogen niet zozeer meer noodzakelijk is om
het bedrijf of beroep aan te passen, maar wel dient als pensioenvoorziening
bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Dit rechtvaardigt een
specifieke vermogensgrens voor deze categorie.
5. Bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal
Algemeen
Specifiek voor zelfstandigen is in
artikel 8, vijfde lid, van de wet de mogelijkheid van bijstand ter
voorziening in bedrijfskapitaal opgenomen. Deze bijstand kan noodzakelijk zijn om
het duurzaam voortbestaan van het bedrijf of beroep mogelijk te maken.
Daarbij gaat het veelal om de noodzaak kortlopende verplichtingen om
te zetten in langlopende verplichtingen. Ook kan in bepaalde situaties bedrijfskapitaal worden
verstrekt om noodzakelijke
investeringen mogelijk te maken. In veel gevallen gaat de noodzaak van
schuldsanering of investeringen samen met een tijdelijk ontoereikend inkomen. Bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal dient in
het jaar van de verstrekking op grond van artikel 2 mede te voorzien
in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. In artikel 8 van het
besluit is aangegeven dat deze bijstand terstond of achteraf kan worden verleend in de vorm van een
bedrag om niet ter hoogte van het
verschil tussen de jaarnorm en het behaalde inkomen. De periode waarover
deze bijstand kan worden verleend, is beperkt tot één jaar,
tenzij als gevolg van externe omstandigheden van tijdelijke aard in een
volgend
jaar opnieuw sprake is van behoefte aan bijstand. Dit houdt
verband met het uitgangspunt van dit besluit dat in het algemeen alleen bij
tijdelijke problemen bijstand kan worden verleend. De aard van de
financiële hulpverlening wordt hierop afgestemd. Door de bijstand ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kunnen bestaande of dreigende
moeilijkheden vaak doeltreffend worden aangepakt, zodat (ook) op
langere termijn zelfstandig in het eigen levensonderhoud kan worden voorzien.
De mogelijkheid bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal te verlenen, blijft op grond
van dit besluit beperkt tot een bedrag
van ten hoogste ƒ300 000,-. Dit bedrag is inclusief het eventueel te
verlenen bedrag om niet. Meer bijstand kan niet worden verleend.
Deze begrenzing hangt samen met het sluitstukkarakter van dit besluit. De
uitvoeringspraktijk heeft uitgewezen dat ƒ300 000,- in de sfeer van de
bijstand een reële grens is. Alleen zelfstandigen die reeds langer een
bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen, kunnen de bijstand ter voorziening in
de behoefte aan bedrijfskapitaal tot maximaal deze grens ontvangen.
In artikel 22 van de wet
is bepaald
dat bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal kan worden verleend
in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel, onder bepaalde
voorwaarden, in de vorm van een bedrag om niet. Uitgangspunt voor de
bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal is dat daarin wordt
voorzien door een rentedragende lening, al dan niet onder borgtocht
van de gemeente, waarbij de rente in principe het niveau van de bankrente
volgt. Hierdoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de in het
bedrijfsleven normale gang van zaken en treedt geen concurrentievervalsing
op.
Bij een ontoereikend inkomen is het
mogelijk bijstand te verlenen in de vorm van een bedrag om niet. Daartoe
kent dit besluit de volgende mogelijkheden:
a. Wanneer het behaalde inkomen in het
jaar vóór de bijstandsaanvraag of in het lopende jaar laag is, kan
over één van deze jaren bijstand om niet ter grootte van het inkomenstekort
worden verleend. De aanvrager kan aangeven voor welk van deze jaren hij
kiest. De aanvrager kan immers overzien in welk jaar de behoefte aan
deze bijstand het grootst is. Op deze manier wordt bereikt dat de bijstand
zo goed mogelijk wordt afgestemd op de behoefte.
In de twee jaren volgend op het jaar
van de bijstandsaanvraag kan ook aanvullende bijstand om niet worden
verstrekt.
Deze bijstand is echter uitsluitend
bedoeld als een tegemoetkoming in de rentelasten van de verstrekte lening. Als het inkomenstekort groter is,
blijft de bijstand daarom toch beperkt
tot de omvang van deze renteverplichting. De vaststelling gebeurt eveneens
achteraf, dus nadat het behaalde inkomen over het desbetreffende jaar bekend is.
b. Wanneer de financiële lasten van
een eventuele lening daartoe aanleiding geven, kan in plaats van de
lening tot een bescheiden omvang van maximaal ƒ15 000,- incidenteel bijstand in de vorm van een bedrag om
niet worden verleend. Dit geldt voor
zelfstandigen met geringe kapitaalbehoeften van wie het inkomen langdurig laag
(tot aan het bijstandsniveau) is.
Voor zover beginnende zelfstandigen in
de startperiode een ontoereikend inkomen behalen, kan dit worden aangevuld door het verstrekken
van een uitkering voor levensonderhoud
op grond van het Bbz. In verband daarmee kan aan beginnende
zelfstandigen bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal uitsluitend als
rentedragende geldlening of borgtocht worden verleend. Voor deze
zelfstandigen is het maximumbedrag ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal ƒ40 000,-. Uit onderzoeken van het Economisch Instituut voor het
Midden- en Kleinbedrijf ("Bijstandskrediet: een duwtje in de rug" en
"Behandeling kleine zakelijke kredieten", beide uit 1990) komt naar voren dat
een startkapitaal ter grootte van maximaal dit bedrag de slaagkans
bevordert, omdat het bedrijf beter kan worden toegerust en de basis vormt om
andere kredieten aan te trekken. Om deze reden werd in 1991 het
kredietmaximum van ƒ25 000,- naar ƒ40 000,- verhoogd.
In het algemeen hoeft het uitgangspunt
dat bedrijfskapitaal in de vorm van een geldlening wordt verstrekt
voor oudere zelfstandigen niet op te gaan. Vanwege een duurzaam ontoereikend inkomen zijn zij immers als
regel niet in staat de rente- en
aflossingsverplichtingen die aan een lening verbonden zijn te voldoen. Voor zover
het eigen vermogen onder de toepasselijke vermogensgrens blijft,
wordt deze bijstand derhalve in de vorm van een bedrag om niet verleend.
Gelet op hun leeftijd en de garantie van een inkomensaanvulling
kan voor bedrijfskapitaal aan hen maximaal ƒ15 000,- worden verleend.
Bedrijfskapitaal en bedrijfsschulden
De bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal kan op grond van artikel
15, tweede lid, onderdeel c, van de wet
worden bestemd
voor het betalen van bedrijfsschulden.
De bestemming kan in het algemeen niet zijn gelegen in het
overnemen van langlopende bankleningen, al of niet onder
staatsgarantie, ook niet indien een achterstand is opgetreden bij het
terugbetalen van deze leningen. In dat geval kan veelal gesproken worden van
een overeenkomstig artikel 6 van de wet
voorliggende voorziening.
Anders ligt het voor gevallen waarin
de bank bereid is de lening voor een belangrijk deel kwijt te schelden,
onder voortzetting van een normale bankfinanciering.
Herfinanciering van kortlopende
leningen is mogelijk voor zover de financiële lasten van deze leningen
niet kunnen worden nagekomen. Deze leningen (lening van een
financieringsmaatschappij e.d.) zijn meestal niet
passend bij een gezonde
bedrijfsvoering.
Herfinanciering van een familielening
is slechts mogelijk indien in afwachting van de beslissing op de
aanvraag om bijstand deze lening tijdelijk door de familie beschikbaar
is gesteld.
Indien het eigen vermogen van de
zelfstandige op basis van bancaire waardering sterk negatief is, kan in
het algemeen alleen bijstand worden overwogen wanneer schuldeisers bereid
zijn een redelijke bijdrage te leveren aan sanering van de bestaande
schulden. Een uitzondering op deze eis tot schuldsanering is
bijvoorbeeld mogelijk indien de crediteuren bereid zijn geweest de zelfstandige
door een op financieel gebied moeilijke periode te helpen of uit het
te verwachten inkomen volledige aflossing van de schulden mogelijk is.
Uitsluitend voor de beoordeling van de hoogte van het eigen vermogen vóór deze situatie wordt uitgegaan van de waarde in het
economisch verkeer. Dit betekent dat in deze gevallen, anders dan het op grond
van artikel 24 van dit besluit vastgestelde vermogen, land- en
tuinbouwgrond wordt gewaardeerd tegen vrije verkoopwaarde en dat aan
grond in erfpacht en aan productierechten eveneens waarde kan worden
toegekend.
6. Bijstand ter voorziening in de
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
Evenals andere bijstandsgerechtigden
komen zelfstandigen in aanmerking voor bijstand ter
voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan indien het
inkomen tijdelijk ontoereikend is. Van een tijdelijk inkomenstekort kan
bijvoorbeeld sprake zijn als gevolg van ziekte, uitzonderlijke
weersomstandigheden, tijdelijke vermindering van de omzet, lagere prijzen,
verminderde productie of een wegomlegging. In verband met de vereiste
levensvatbaarheid van het bedrijf of beroep is de maximumduur van deze bijstand, anders
dan voor overige bijstandsgerechtigden, op grond van artikel 8 van
de wet
begrensd tot in principe één jaar. Een verlenging van de
bijstandverlening met één jaar is mogelijk wanneer er sprake is van externe
omstandigheden van tijdelijke aard. Blijkt uit onderzoek dat na afloop van
dat jaar deze omstandigheden zich nog steeds voordoen, dan is nog eenmaal een verlenging met
één jaar mogelijk. Van externe omstandigheden
kan niet worden gesproken als de oorzaken van de financiële moeilijkheden in de bedrijfsvoering of bij de
zelfstandige zelf zijn gelegen. Aan
beginnende zelfstandigen kan de bijstand voor levensonderhoud
gedurende een periode van maximaal driemaal zes maanden worden verleend.
Daarbij gold in het Bijstandsbesluit zelfstandigen dat de verlenging na
twaalf maanden alleen in bijzondere omstandigheden mogelijk was. Uit het
onderzoek "Allochtone ondernemers en het bijstandsbesluit
zelfstandigen" uit 1993 is gebleken dat in de uitvoeringspraktijk de
gemeenten slechts zelden gebruik van deze verlengingsmogelijkheid na
twaalf maanden maken, terwijl meer starters kans
op succes zouden hebben indien de
uitkering zou worden verlengd tot achttien maanden. Om deze reden is de
beperkende voorwaarde dat er sprake moet zijn van bijzondere
omstandigheden vervallen en is thans opgenomen dat deze laatste verlenging
mogelijk is als het bedrijf of zelfstandig beroep na twaalf maanden
inkomensaanvulling nog levensvatbaar is.
De uitkering aan zelfstandigen is
gelijk aan de voor betrokkene geldende bijstandsnorm, verminderd met het
eventuele inkomen van de belanghebbende of de echtgenoot.
Op grond van artikel 23 van
de wet wordt bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten
aan zelfstandigen als regel voorlopig verleend in de vorm van een
renteloze lening, die in maandelijkse termijnen wordt betaald. Daarbij wordt
uitgegaan van het inkomen van de zelfstandige over het gehele
boekjaar. Een inkomenstekort in een deel van het jaar kan immers worden
gecompenseerd door hogere inkomens in een ander deel van het
jaar. Nadat het werkelijk behaalde inkomen kan worden bepaald, wordt de
bijstand definitief vastgesteld. Indien op grond van het behaalde
inkomen blijkt dat te weinig bijstand is verleend, wordt aanvullende bijstand
verleend en de reeds verstrekte leenbijstand omgezet in bijstand om
niet. Wanneer daarentegen uit het behaalde inkomen blijkt dat te veel
bijstand is verleend, dan wordt het meerdere teruggevorderd en de
leenbijstand waarop de zelfstandige recht bleek te hebben, omgezet in bijstand om niet. Alleen voor zover het
eigen vermogen boven de toepasselijke
vermogensgrens ligt, wordt de in de vorm van een renteloze lening
verstrekte bijstand na afloop van de bijstandverlening gehandhaafd en dient
vanaf dat moment te worden terugbetaald. Deze specifieke wijze
van bijstandverlening vloeit voort uit de omstandigheid dat het inkomen uit
bedrijf of beroep op het moment van de aanvraag doorgaans nog onbekend
is. Het inkomen van een zelfstandige kan immers van jaar tot
jaar en binnen hetzelfde jaar aanzienlijk variëren.
In afwijking van de hiervoor
geschetste hoofdregel kan bijstand ter voorziening in de algemeen
noodzakelijke bestaanskosten direct in de vorm van een maandelijks bedrag om
niet worden verleend indien het inkomen van een zelfstandige
bescheiden is en regelmatig over het jaar wordt gevormd, terwijl de verwachte
bijstandsperiode niet langer is dan een halfjaar. Het inkomen en de te
verlenen bijstand zijn dan bij benadering bekend, zodat er geen aanleiding is leenbijstand met
verrekening achteraf te verstrekken.
7. Aanwijzingsbesluit
bijstandverlening ondernemers in de binnenvaart
Artikel 63, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet geeft de mogelijkheid de bijstandverlening aan
ondernemers in de binnenvaart te laten plaatsvinden via een beperkt
aantal gemeenten. Deze gemeenten worden in het onderhavige besluit
aangewezen. Deze aanwijzing is nagenoeg gelijk aan het vorige
aanwijzingsbesluit dat op grond van artikel 19a van de Algemene Bijstandswet tot
stand kwam. Het belangrijkste verschil is dat het aantal gemeenten
dat met de uitvoering belast is, uit het oogpunt van doelmatigheid, teruggebracht is van 14 naar 9.
Doel van de aanwijzing blijft de
schipper, die zich vaak toevallig in de gemeente bevindt, op een snelle en
verantwoorde wijze te helpen indien hij zich in financiële problemen
bevindt.
Doordat deze ondernemers veelal geen
specifieke binding met een bepaalde gemeente hebben, leverde dit
in de periode voordat het vorige aanwijzingsbesluit tot stand kwam
nogal eens de vraag op tot welke gemeente betrokkenen zich moesten
wenden. Na de invoering van het besluit was het duidelijk tot welke
gemeenten de binnenschippers zich konden wenden. De zeer specifieke problematiek van deze ondernemers
kan door de opgebouwde deskundigheid
in de aangewezen gemeenten adequaat worden behandeld.
8. Aan de bijstand verbonden
verplichtingen
Op grond van de wet worden twee
soorten verplichtingen aan de bijstandverlening aan zelfstandigen
verbonden. Zo bepaalt artikel 110, tweede lid, van
de wet dat aan de bijstand in de vorm van een geldlening
verplichtingen kunnen worden verbonden
die gericht zijn op meerdere zekerheid voor de nakoming van de
daaraan verbonden rente- en aflossingsverplichtingen. Op grond van
artikel 112 van de wet kunnen burgemeester en wethouders aan de
bijstandverlening verplichtingen opleggen die zij nodig achten voor een
doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening. Bij de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf
of zelfstandig beroep kan blijken dat
aanpassingen in de bedrijfsvoering noodzakelijk zijn. Indien daarbij het
vertrouwen aanwezig is dat de betrokkene in staat is deze
veranderingen door te voeren waardoor het bedrijf weer levensvatbaar wordt, kan
dit als een verplichting aan de bijstandverlening worden verbonden. Zo
kunnen burgemeester en wethouders in individuele gevallen
bijvoorbeeld het volgen van een cursus of tijdelijke begeleiding bij
de bedrijfs- of beroepsuitoefening nodig achten. Knelpunten in de uitoefening
van het zelfstandig ondernemerschap kunnen zo worden weggenomen. Op deze
manier wordt bevorderd dat - overeenkomstig de doelstelling
van dit besluit - meer zelfstandigen in staat worden gesteld weer volledig
zelf in het bestaan te voorzien door hun eigen bedrijf of beroep te blijven
uitoefenen. Bij beginnende zelfstandigen kan in individuele
gevallen door het opleggen van doeltreffende verplichtingen (waaronder tijdelijke
begeleiding) worden bereikt dat de mogelijkheden van het behalen van toereikende inkomens worden
vergroot, waardoor de uitstroom wordt
bevorderd. Op grond van het tweede lid van artikel 112 van
de wet is de zelfstandige verplicht naar behoren een administratie te voeren.
Bij de bijstandverlening in de vorm
van bedrijfskapitaal wordt ervan uitgegaan dat de zelfstandige in staat
zal zijn de gestelde rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen. In de beschikking tot
bijstandverlening
dienen op grond van artikel 19 van dit
besluit deze verplichtingen te worden aangegeven. Hierin dient te
worden opgenomen dat indien niet aan de rente- en
aflossingsverplichtingen wordt voldaan, de lening direct opeisbaar is. In de
meeste gevallen van bijstandverlening aan zelfstandigen wordt aan de rente-
en aflossingsverplichtingen voldaan. Uiteraard komt het ook voor
dat niet of niet geheel aan de verplichtingen wordt voldaan. Dit kan
bijvoorbeeld het gevolg zijn van onvoorziene omstandigheden. Door het zonder meer nemen van
invorderingsmaatregelen kan het beoogde doel van de kapitaalverstrekking
- de voortzetting van het bedrijf of
beroep als bestaansbron - nodeloos in gevaar worden gebracht.
Anderzijds is het vanuit oogpunt van doelmatige bijstandverlening
onjuist om situaties waarin niet aan de gestelde verplichtingen wordt voldaan
op hun beloop te laten. Op grond van dit besluit kunnen daarom
maatregelen worden genomen in gevallen waarin de zelfstandige de gestelde
rente- en aflossingsverplichtingen niet of niet geheel nakomt. In de artikelsgewijze toelichting wordt hierop nader
ingegaan.
9. Noodzaak van regelgeving en
financiële gevolgen
In het kader van terughoudendheid met
regelgeving is het besluit getoetst aan de aanwijzingen ter zake.
Het besluit is een voortzetting van het Bijstandsbesluit zelfstandigen.
Voor de uitvoering van de regeling
worden geen nieuwe organen in het leven geroepen. De wijze van
financiering blijft dezelfde.
Er worden geen nieuwe
bestuursinstrumenten geïntroduceerd. Het besluit zal naar verwachting niet
leiden tot een lastenverzwaring voor de uitvoering. Er is een aantal
regelingen in dit besluit geïntegreerd. Op een aantal onderdelen wordt de
beleidsverantwoordelijkheid van gemeenten vergroot. Zo wordt de mogelijkheid van
bijstand in de vorm van borgtocht voor bedrijfskapitaal geopend en
vervalt het vereiste van ministeriële instemming voor specifieke situaties.
Ook het vereiste van advisering door een commissie in specifieke
situaties vervalt. Het budgettaire effect is te verwaarlozen, omdat de inhoudelijke wijzigingen op financieel terrein
elkaar compenseren.
10. Overgangsrecht
In de Invoeringswet herinrichting
Algemene Bijstandswet wordt de overgang van de Algemene Bijstandswet
naar de nieuwe Algemene bijstandswet geregeld. Uitgangspunt
van deze wet is dat de oorspronkelijke beslissingen worden gehandhaafd totdat
een onderzoek wordt ingesteld, dat binnen één jaar na de
inwerkingtreding zal plaatsvinden. Voor zover het bestaande
bijstandverlening aan zelfstandigen betreft, blijkt ten aanzien van de verschillende
onderdelen van de bijstandverlening aan zelfstandigen uit deze wet het
volgende:
- Verstrekking van een periodieke
uitkering aan gevestigde zelfstandigen. Een periodieke uitkering aan
gevestigde zelfstandigen kan ten hoogste gedurende twaalf maanden worden
verstrekt. Verlenging is alleen mogelijk als de oorzaak voortkomt uit
externe omstandigheden van tijdelijke aard (artikel 8
Abw). Op grond
hiervan kan worden gesteld dat binnen de periode van twaalf maanden,
genoemd in artikel 4, eerste lid van de Invoeringswet, de periodieke uitkering
wordt beëindigd of de zelfstandige vraagt een verlenging. In beide
gevallen behoeft de gemeente derhalve geen apart onderzoek als bedoeld in de
Invoeringswet in te stellen.
- Verstrekking van een periodieke
uitkering aan beginnende zelfstandigen. De periodieke uitkering aan beginnende
zelfstandigen wordt gedurende een periode van zes maanden
verstrekt. Daarna kan de starter zo nodig tweemaal verlenging vragen.
Ook in dit geval wordt de uitkering derhalve beëindigd of de gemeente
moet een onderzoek instellen om na te gaan of een verlenging verantwoord
is.
- Verstrekking van een periodieke
uitkering aan beëindigende zelfstandigen. De periodieke uitkering aan
beëindigende zelfstandigen kan ook slechts gedurende twaalf maanden worden
verstrekt, zij het dat op grond van artikel 8 van
de wet op verzoek van de
zelfstandige een verlenging met nogmaals één jaar mogelijk is. Wat het overgangsrecht betreft, wijkt deze
bijstandverlening niet af van de
bijstandverlening aan gevestigde zelfstandigen.
In de bovengenoemde situaties dient
bij de beoordeling van de verlenging uiteraard rekening te
worden gehouden met de reeds verstreken periode van
bijstandverlening op grond van het Bz. Het zou immers onjuist zijn dat bij het
begin
van de bijstandverlening op grond van het Bbz opnieuw met de volledige
periode van bijstandverlening zou kunnen worden begonnen. Ditzelfde
geldt in het geval dat op grond van wijzigingen in de omstandigheden van
de zelfstandige of het gezin een nieuw besluit tot verlening van
bijstand wordt genomen.
- Verstrekking van een periodieke
uitkering aan een oudere zelfstandige. De periodieke uitkering
aan een oudere zelfstandige kan in principe worden verstrekt vanaf de
leeftijd van 55 jaar tot aan de 65-jarige leeftijd van de zelfstandige. Op grond
van artikel 5 van de Invoeringswet wordt binnen één jaar een onderzoek
ingesteld.
In het geval de oudere zelfstandige
over meer vermogen beschikt dan de grens, genoemd in artikel 3
Bbz,
wordt deze bijstand verstrekt in de vorm van een lening. Onder het
Bz-regime moest de zelfstandige na afloop van de bijstandverlening rente
betalen over deze lening en minstens 10% per jaar aflossen.
In het geval dat de bijstandverlening
wordt voortgezet, blijft de noodzaak tot rentebetaling bestaan tot het
einde van het overgangsjaar. Overeenkomstig de voorstellen met betrekking tot de
krediethypotheek wordt ook de rente op deze Bz-leningen gefixeerd
op het laatstelijk geldend percentage.
- Verstrekking van bijstand in de
vorm van een geldlening ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal. Aangezien inhoudelijk geen grote wijzigingen zijn aangebracht, ontstaan er bij de invoering van
de nieuwe Algemene bijstandswet geen
problemen bij deze vorm van bijstand. Zelfs indien de beschikking
tot toekenning kort vóór de ingangsdatum van deze nieuwe wet is genomen
en
naderhand nog hypotheekvestiging dient plaats te vinden, ontstaan er
geen problemen. Evenmin is dit het geval indien bij de toepassing
van artikel 12 Bz of 8 Bbz het inkomen over het jaar van
bijstandverlening in het daaropvolgende jaar moet worden beoordeeld. De jaarnorm
kan immers zonder problemen nog aan de hand van het Bln-regime [Bln:
Besluit
landelijke normering, red.] worden bepaald. Overigens kan ervan worden uitgegaan dat bij een
redelijke toepassing van de bijzondere bijstand in de betreffende gemeente
geen grote veranderingen in de jaarnorm optreden.
- Afwikkeling van eerder verstrekte
leningen ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Gesteld kan worden dat de terugbetalingen
van eerder op grond van het Bz
verstrekte leningen vallen onder "anderszins terugbetaling" van reeds eerder
ontvangen bijstand, bedoeld in artikel 4, vierde lid van de Invoeringswet. Op grond van dit artikel blijven de besluiten van kracht tot het
moment
waarop zich in het betrokken geval een zodanige wijziging van de
omstandigheden voordoet of heeft voorgedaan dat een herziening van het
besluit dient plaats te vinden. In het geval de betrokkene bijvoorbeeld
niet in staat is af te lossen, kan de gemeente met toepassing van de
artikelen 20 tot en met 24 van het Bbz een beslissing nemen. Inhoudelijk
wijken deze artikelen niet wezenlijk af van de beschikking op grond van
artikel 14 Bz.
Wordt deze beschikking in een ander
geval op het moment dat de nieuwe wet ingaat al toegepast,
bijvoorbeeld in een situatie dat het bedrijf reeds is beëindigd, zonder dat de
lening geheel is terugbetaald, dan loopt de periode van vijf jaar waarin de helft
van het inkomen boven de bijstandsnorm moet worden aangewend
voor de terugbetaling van de lening gewoon door, eveneens op grond
van het bepaalde in artikel 4, vierde lid, van de Invoeringswet.
- Bij de bijstandverlening aan de
ondernemers in de binnenvaart vervalt de aanwijzing van een aantal gemeenten op het moment dat de
nieuwe Algemene bijstandswet ingaat en
neemt de gemeente
Rotterdam de plaats in van de gemeente
Dordrecht. Overeenkomstig artikel 5, vijfde lid, van de
Invoeringswet en rekening
houdend met het feit dat bij de niet meer aangewezen gemeenten extra
declaratiemogelijkheden vervallen, ligt het voor de hand dat de voortgaande
bijstandverlening in de vorm van een uitkering ter voorziening in de
algemene kosten van het bestaan vanaf dat moment wordt overgenomen door de
voor het desbetreffende gebied nieuw aangewezen gemeente. Vanaf de
invoeringsdatum wordt uiteraard ook de bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal
verstrekt door de nieuw aangewezen
gemeente. Ten slotte zou ook de inning van de eerder verstrekte
leningen kunnen worden overgedragen aan deze nieuw aangewezen gemeenten.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1
Onderdeel b
Bepalend voor de levensvatbaarheid van
een bedrijf of zelfstandig beroep is dat naar verwachting een
toereikend inkomen wordt behaald.
Het inkomen uit bedrijf of beroep
dient, tezamen met het eventueel overige inkomen (bijvoorbeeld uit loondienst
voor enige dagen per week of inkomen van de echtgenoot), toereikend te zijn voor:
a. de voortzetting van het bedrijf of
beroep. Het inkomen van de zelfstandige heeft naast een
consumptieve ook een investerings- en reserveringsfunctie. Dit impliceert
dat het inkomen vermeerderd met de afschrijvingen toereikend dient te
zijn om aan alle aflossingsverplichtingen (ook ingevolge leningen op grond van
dit besluit) te voldoen en voorts toereikend is om het
bedrijf op peil te houden. Noodzakelijke (vervangings)investeringen moeten, eventueel met behulp van bankkrediet, kunnen worden
verricht;
b. de voorziening in het bestaan. Bij
de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de individuele
situatie van de zelfstandige, dus niet bij de bijstandsnorm. Het komt voor
dat
zelfstandigen voor de voorziening in hun bestaan minder middelen behoeven
dan de (objectieve) bijstandsnorm aangeeft. Dit is voor de
beantwoording van de vraag of een bedrijf levensvatbaar is aanvaardbaar
mits de continuïteit van het bedrijf of beroep gewaarborgd blijft. Onder
normale omstandigheden geeft dit inkomen beneden de bijstandsnorm dan
ook geen recht op bijstandverlening op grond van het Bbz.
Bijstandverlening is in dergelijke
gevallen pas mogelijk als, als gevolg van bijzondere omstandigheden,
behoefte aan bijstand ontstaat. Anderzijds betekent dit uitgangspunt ook dat een bedrijf of beroep niet
levensvatbaar is wanneer de privé-uitgaven permanent op een hoger niveau liggen dan het inkomen.
Of en wanneer het inkomen toereikend
zal zijn, zal aan de hand van de gegevens uit het verleden en een reële begroting getoetst moeten worden. In het hiervoor in te stellen
onderzoek zal aan de hand van commerciële en bedrijfseconomische
gegevens worden bezien wat de perspectieven van het bedrijf of
beroep zijn. De hiervoor benodigde deskundigheid is in het algemeen
binnen een gemeentelijke sociale dienst of een afdeling sociale zaken niet
aanwezig. In dat geval is het nodig dat het onderzoek wordt uitbesteed.
Hierbij kan gewezen worden op het Instituut voor het Midden- en
Kleinbedrijf en de provinciale Directie Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie
die al vele jaren betrokken zijn bij de rapportage. Deze instanties zijn toegerust om dergelijke
onderzoeken
te verrichten. Gezien het grote aantal
rapporten dat door deze instanties jaarlijks ten behoeve van
de gemeenten wordt geproduceerd, zijn er afspraken gemaakt over de
kwaliteit van de op te stellen rapporten.
Om aan deze kwaliteitseisen te kunnen
voldoen, is het noodzakelijk dat de onderzoekende instantie inzage
krijgt in de financiële verslagen. Daarbij is het gebruikelijk dat de
verslagen van de afgelopen drie jaren, dan wel het ondernemingsplan in
geval
van een startende ondernemer, worden beoordeeld.
Om de problematiek goed te kunnen
beoordelen en een inschatting te kunnen maken van het perspectief, is
het in het algemeen gewenst dat het bedrijf door de rapporterend adviseur
wordt bezocht.
Voordat het rapport naar de
gemeente wordt gezonden, is het een goed gebruik dat de rapporterend adviseur contact met de aanvrager
opneemt
om de conclusies en aanbevelingen uit
het rapport met hem door te spreken. Zodoende wordt de
zelfstandige op de hoogte gesteld van de eventuele knelpunten in zijn
bedrijfsvoering en kan hij zijn voordeel doen met de door de adviseur aangegeven
oplossingsrichtingen. In dat kader is het ook gewenst dat de aanvrager van,
of in overleg met, de gemeente een afschrift van het uitgebrachte
rapport ontvangt.
Indien duidelijk is dat de aanvraag om
bijstand alleen betrekking heeft op algemeen noodzakelijke kosten van
het bestaan, kan veelal worden volstaan met een onderzoek door de gemeente
zelf.
Aan de hand van het uitgebrachte
rapport kan een beslissing worden genomen op de aanvraag om bijstand. Een belangrijke voorwaarde voor
het toekennen van bijstand is dat het
bedrijf of zelfstandig beroep van aanvrager levensvatbaar is. In twee
situaties kan hiervan worden afgeweken. Bijstand kan ook worden
toegekend aan een oudere zelfstandige met een niet-levensvatbaar bedrijf of beroep die aan de voorwaarden van
artikel 13 voldoet of
indien een zelfstandige het niet-levensvatbare bedrijf of beroep beëindigt
(artikel 14).
Het kan dus voorkomen dat een
bijstandsaanvraag zoals ingediend in feite afgewezen moet worden en alleen
toegekend kan worden als aan de voorwaarden van artikel 13 of
artikel
14 wordt voldaan.
In voorkomende gevallen ligt het in de
rede om de aanvrager erop te wijzen dat bijstand kan worden
toegekend als hij bereid is zijn bedrijf te beëindigen.
Gelet op het tijdelijke karakter van
de bijstand dient het inkomen na afloop van de periode waarover
bijstand wordt verleend toereikend te zijn. In het algemeen is dit één jaar
en kan
alleen met hoogstens twee jaar worden verlengd als de noodzaak daartoe
voortkomt uit externe omstandigheden van tijdelijke aard.
Daarbij dient de verwachting te
bestaan dat deze zelfstandigen na deze periode geheel zelfstandig in het
bestaan kunnen voorzien en dus kunnen voldoen aan alle verplichtingen.
Deze mogelijkheid geldt niet voor
beginnende zelfstandigen. Voor deze groep gelden de in artikel 12 gestelde
regels. Overigens dient bij de beoordeling van de opgestelde prognose
rekening te worden gehouden met voorzienbare ontwikkelingen van
het bedrijf of beroep op langere termijn. Gedacht kan worden aan
aflopende rente- en aflossingsverplichtingen, noodzakelijke vervangingen
en de
positie van het bedrijf of beroep in sectoren met overcapaciteit.
Onderdeel c
In dit besluit is
ervoor gekozen om
aan te sluiten bij het zogenaamde boekjaar dat ook voor de fiscus ten
aanzien van het bedrijfsinkomen wordt gehanteerd. Dat is de periode van
twaalf maanden waarover de zelfstandige de administratie afsluit. Veelal
vallen kalenderjaar en boekjaar samen, maar in sommige branches en
bedrijfstakken worden voor het boekjaar andere perioden gekozen. De begripsomschrijving is onder meer nodig in
verband met de definitieve
vaststelling van de bijstand zoals aangegeven in artikel
10. Het eventueel naast het
inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep verdiende inkomen moet dan
worden toegerekend naar het boekjaar.
Onderdelen d en e
Het door een zelfstandige uit bedrijf
of zelfstandig beroep verdiende inkomen, zoals dat uit de boekhouding blijkt, is een
bruto inkomen. In het
geval dat dit inkomen uitkomt op een
negatief bedrag wordt het inkomen op nihil gesteld.
Het bruto-inkomen dient nog verminderd
te worden in verband met de te betalen inkomstenbelasting en
premies volksverzekeringen om het te kunnen vergelijken met de bijstand,
die immers netto wordt uitbetaald.
Herleiding van het bruto-inkomen van
de zelfstandige naar het netto-inkomen waarmee in de bijstand wordt
rekening gehouden, vindt overeenkomstig artikel 45, tweede lid,
van de wet plaats met een forfaitair percentage.
Onderdeel f
De jaarnorm is het bijstandsbedrag dat
aan een zelfstandige over de periode van een boekjaar kan worden
toegekend indien in dat jaar geen
inkomen wordt behaald.
Bij de vaststelling van de uitkering
moet rekening worden gehouden met de leefsituatie (bijvoorbeeld gehuwden, alleenstaande) en bij jongere
zelfstandigen met de leeftijd. Het
bedrag is inclusief de aanspraken op vakantietoeslag. Ondergebracht in de
bijzondere bijstand is de bijstand voor de woonkosten, de vergoeding voor
een particuliere verzekering tegen ziektekosten en de vergoeding
voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dit betekent dat de verstrekking van
deze bijstand geheel tot de verantwoordelijkheid van de gemeente
behoort.
Bij de beoordeling van de vraag of de
bijzondere bijstand kan worden verleend, is het van belang dat de verzekeringskosten van de zelfstandige
die particulier verzekerd is tegen
ziektekosten en een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid heeft
afgesIoten, mede gezien de eventuele acceptatieproblemen na afloop van de
bijstandverlening, doorgaans tot de noodzakelijke bestaanskosten kunnen
worden gerekend.
Onderdelen g en h
Zoals in de toelichting van de
artikelen 51, 52 en 53 van
de wet is uiteengezet, wordt de vermogenspositie
bepaald door de waarde van de bezittingen en van de schulden. Het
totaal van de bezittingen wordt aangeduid met de term totaalvermogen.
Het begrip heeft dezelfde betekenis als het in het vorige
besluit aangeduide geïnvesteerd vermogen.
Onder eigen vermogen wordt de waarde
van alle bezittingen verstaan, verminderd met alle schulden.
Voor de zelfstandige betekent dit dat
de waarde van de privébezittingen en de in het bedrijf of zelfstandig
beroep aanwezige activa tezamen moeten worden genomen om de hoogte van
het totaalvermogen te kunnen bepalen. In het geval het
bedrijf of zelfstandig beroep wordt uitgeoefend in de vorm van een
rechtspersoon of samenwerkingsverband wordt op grond van artikel
51, tweede
lid, van de wet
voor de bepaling van het totaalvermogen het vermogen
van de aanvrager vermeerderd met het vermogen van de andere vennoten of
leden.
Voor de waardering van de bezittingen
en schulden die verband houden met de uitoefening van een bedrijf of beroep zijn in verband met een
uniforme uitvoering ingevolge artikel 53, derde lid, van
de wet
in artikel 24 nadere bepalingen opgenomen. Veelal
gaat het hierbij om een taxatie van bezittingen (activa) die verband
houden met de uitoefening van een eenpersoonsbedrijf. Ingeval deze
bezittingen aanwezig zijn in de vorm van aandelen van een door
belanghebbende in bezit zijnde besloten vennootschap, wordt de waarde hiervan
bepaald door waardering van de activa en passiva van deze vennootschap.
Artikel 52, tweede lid, van
de wet
bepaalt welke bezittingen voor zelfstandigen niet als vermogen in
aanmerking worden genomen.
Allereerst betreft dit overeenkomstig
de regel die voor alle bijstandsontvangers geldt de genoemde bezittingen in
natura. Er vindt geen vrijlating van het zogenaamde bescheiden vermogen plaats. Van de
zelfstandige mag immers worden
verwacht dat al het vermogen wordt ingezet voor de voortzetting van het
bedrijf of zelfstandig beroep. Daarmee wijkt deze bestemming sterk af
van het doel waarvoor het niet in aanmerking genomen vermogen is
opgenomen in de wet. Te meer daar dit besluit, net als het vorige, geen
onderscheid kent tussen privé- en bedrijfsvermogen. Voorts wordt, zoals
al in het algemene gedeelte van deze nota van toelichting is aangegeven,
het noodzakelijke bedrijfsvermogen niet in aanmerking genomen.
Dit betekent dat dit vermogen
bijstandverlening niet in de weg staat.
Artikel 2
Op grond van dit besluit kan aan de
zelfstandige bijstand worden verleend ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal dan wel voor de algemeen noodzakelijke kosten van
het bestaan. De wijze waarop bijstand wordt verleend en de daarvoor
geldende criteria worden nader uitgewerkt in paragraaf 2
respectievelijk paragraaf 3 van hoofdstuk II van dit besluit. Bij bedrijfskapitaal moet
primair gedacht worden aan de middelen nodig voor de voortzetting
van de bedrijfsvoering op langere termijn. Meer concreet ontstaat er
behoefte aan bedrijfskapitaal wanneer door enigerlei oorzaak niet meer aan
direct opeisbare verplichtingen (crediteuren) kan worden voldaan,
zodat het voortbestaan van het bedrijf of beroep in gevaar komt. Er kan ook
behoefte aan bedrijfskapitaal zijn wanneer dringend noodzakelijke
investeringen moeten worden gedaan waarvoor onvoldoende middelen beschikbaar zijn.
In het algemeen dienen banken al of
niet (mede) door garantiekrediet hierin te voorzien. Bij de beoordeling
van aanvragen dient dan ook nagegaan te worden of gebruik kan
worden gemaakt van financiering door de bank. Overigens kan een
bankfinanciering niet worden afgedwongen. Indien de bank niet tot
financiering bereid is, kan bijstand op die grond alleen niet worden
afgewezen.
Het tweede lid heeft betrekking op de
situatie waarin behoefte bestaat aan bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
Deze behoefte manifesteert zich
wanneer de zelfstandige een ontoereikend inkomen heeft om in het
levensonderhoud te voorzien. De bestemming van de benodigde middelen
is in dit geval niet zozeer gericht op het bedrijf of beroep, maar op de
voorziening in de dagelijkse bestaanskosten.
Ingeval uit de opgestelde
liquiditeitsbegroting blijkt dat naast middelen voor de bedrijfsuitoefening ook
middelen noodzakelijk zijn voor de voorziening in het levensonderhoud,
worden deze middelen ingevolge het derde lid ook onder bedrijfskapitaal
begrepen en derhalve meegefinancierd. Voor de hoogte van
dit bedrag is de hoogte van de bijstandsnorm
voor deze periode
bepalend, rekening houdend met de te verwachten eigen inkomsten.
Bepalend is dat tezelfdertijd behoefte
is aan zoweI middelen voor de bedrijfsvoering als aan middelen voor levensonderhoud. Is dit het geval,
dan kan derhalve geen afzonderlijke
bijstand met toepassing van het bepaalde in paragraaf 3 worden
verleend voor het tekort aan levensonderhoud.
Het derde lid geldt echter alleen voor
zelfstandigen op wie artikel 5 of 6 van toepassing is. Aan beginnende,
oudere of beëindigende zelfstandigen of aan zelfstandigen die bijstand
genieten ingevolge artikel 7 wordt bijstand ter voorziening in het
levensonderhoud verleend met toepassing van paragraaf 3.
Artikel 3
De motieven om in deze regeling een
vermogensbepaling op te nemen, zijn in het algemene deel reeds
uiteengezet. De in dit artikel opgenomen bedragen en begrenzing zijn een
voortzetting van hetgeen op dit punt in het Bijstandsbesluit zelfstandigen was
bepaald.
Op grond van dit artikel is bijstand
om niet, ongeacht de aard van de behoefte, uitgesloten indien het eigen vermogen een bepaald maximum
te boven gaat. Indien het eigen
vermogen dit maximum overschrijdt, wordt de bijstand verleend in de vorm
van een geldlening.
Bij het bepalen van de hoogte van het
vermogen dat niet buiten beschouwing kan worden gelaten, zijn
de volgende uitgangspunten in acht genomen.
Het eigen vermogen dient te worden
bezien in samenhang met het totaalvermogen. Er is aanleiding het
eigen vermogen buiten beschouwing te laten indien het minder
is dan 30 procent van het totale vermogen. In dat soort gevallen bij
een eigen vermogen onder dit percentage zijn er (behoudens bij de
mogelijkheid van staatsgegarandeerd krediet) immers gewoonlijk problemen
bij het aantrekken van kredieten in verband met de door
banken gehanteerde solvabiliteitseisen. Het is gewenst dat het eigen vermogen
tot deze omvang wordt ontzien. De hoogte van het vrij te laten eigen vermogen is dus geen
absoluut bedrag, maar hangt af van de
grootte van het totale voor de uitoefening van het bedrijf of beroep
benodigde vermogen.
Eén en ander betekent dat bijstand om
niet kan worden verIeend bij een eigen vermogen beneden dit percentage, daarboven wordt bijstand
verleend in de vorm van een rentedragende lening. Bovengenoemd uitgangspunt wordt
naar twee kanten
begrensd.
Allereerst is in onderdeel a een
absoluut maximum opgenomen van ƒ282 000,-. Wanneer het eigen vermogen meer bedraagt,
is, ongeacht de
verhouding tussen eigen en totaalvermogen, uitsluitend een geldlening ingevoIge dit besluit
mogeIijk.
Daarnaast omvat onderdeel b een
absoluut minimum van ƒ77 800,-.
Wanneer het eigen vermogen minder
bedraagt, is bijstand om niet ingevolge dit besluit mogelijk.
Hierbij speelt de verhouding tussen eigen en totaalvermogen dus geen enkele
rol. Deze minimumgrens is vooral van betekenis voor zelfstandigen met
een bedrijf of beroep met een beperkte vermogensbehoefte. Het bedrag
van ƒ77 800,- is gerelateerd aan de grens voor de vermogensvrijlating
in verband met de eigen woning.
Het vermogen wordt vastgesteld op het
moment van de bijstandsbeslissing. Bij een sterke wijziging in waarde van
vermogensbestanddelen kan er soms aanleiding zijn de waarde
hiervan opnieuw te taxeren, mede gelet op de omvang van het buiten
beschouwing te laten eigen vermogen. Dit kan met name van belang zijn bij
bijstand van langdurige aard.
Artikel 4
Op grond van artikel 26, vierde lid
van de wet wordt de algemene bijstand verhoogd met de loonbelasting
en de premies volksverzekering. Op deze manier wordt bereikt dat de
betrokkene van de verleende bijstand geen belasting en premies
volksverzekeringen behoeft af te dragen.
Deze heffing is ook verschuldigd zodra
een renteloze lening op grond van artikel 23 van
de wet wordt
omgezet in een bedrag om niet krachtens artikel 10 van dit besluit.
De heffing aan de belastingdienst
dient eveneens afgedragen te worden over de om niet verstrekte bedragen zoals genoemd in de aangegeven
artikelen. Voor de belanghebbende
worden zij immers als inkomen aangemerkt.
Artikel 5
De begrenzing van deze bijstand tot
een lening van ten hoogste ƒ300 000,- hangt samen met het bijstands- en sluitstukkarakter van deze regeling. Uitgangspunt is dat per
bedrijf of beroep, ook als hierin meerdere zelfstandigen werkzaam zijn,
niet meer dan genoemd bedrag verstrekt kan worden. Het maximum
geldt ook in combinatie van oude en nieuwe leningen samen.
Dit maximum geldt alleen voor zelfstandigen die reeds een redelijke termijn als zodanig werkzaam zijn
geweest. Hiertoe worden ook degenen gerekend die overschakelen naar een
ander bedrijf of zelfstandig beroep. De invulling van het begrip redelijke
termijn behoort tot de vrije beleidsmarge van burgemeester en wethouders. Voor
beginnende zelfstandigen geldt ingevolge artikel 12, eerste lid, een maximum van beperkte omvang.
Ten aanzien van de hoogte van de rente
geldt als uitgangspunt dat deze rente het niveau van de bankrente volgt. De rente die bij de
bijstandverlening
wordt vastgesteld, geldt gedurende de
looptijd van de geldlening.
De looptijd van de lening dient niet
langer te zijn dan tien jaar, tenzij op grond van artikel 21 uitstel van
aflossing is verleend. Onder looptijd wordt de periode verstaan gelegen tussen de
datum van verstrekking en de laatste aflossingstermijn. Uiteraard
is het mogelijk de aflossingsverplichting na de datum van verstrekking te
doen
ingaan. Bij het vaststellen van de aflossingsverplichtingen wordt, zoals ook bij
kredietinstellingen gebruikelijk is, uitgegaan van een aflossingsschema, waarbij
in geval van investeringen rekening
wordt gehouden met de te verwachten levensduur van het aan te schaffen
goed. De gemeente kan bij de verstrekking in overleg met de
zelfstandige bepalen dat op de lening steeds vervroegd kan worden afgelost.
Artikel 6
In artikel 22, eerste lid, van
de wet staat aangegeven dat bedrijfskapitaal ook in de vorm van borgtocht kan
worden verleend. De beslissing over de verlening van bijstand in de vorm van
borgtocht dient met dezelfde zorgvuldigheid genomen te worden als
bij de bijstandsverstrekking door de gemeente zelf. De financiële
risico’s zijn immers gelijk. In goed overleg tussen gemeente en aanvrager dient
gekozen te worden voor die bijstandsvorm die het beste past bij
de situatie van aanvrager. Voordeel van borgtocht voor de gemeente is dat
na de verstrekking van de lening de inning van rente en aflossing door
de bank gebeurt, voor de zelfstandige dat het te verstrekken
krediet (veelal) door zijn eigen bank plaatsvindt zodat er voor hem niet
een
nieuwe kredietverlenende instantie bij komt. Nadelig voor de
bijstandsaanvrager zijn de hogere kosten, zoals afsluitprovisie en mogelijk hogere
rente, die borgstelling met zich meebrengt.
Burgemeester en wethouders kunnen pas
een beslissing tot het verlenen van borgtocht nemen nadat de
aanvraag van de zelfstandige op dezelfde wijze is beoordeeld als een aanvraag waarbij de bijstand door de
gemeente zelf wordt verstrekt. Ook het
maximumbedrag en de looptijd van de lening wijkt niet af.
Overeenkomstig het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1988 omvat het borgstellingskrediet alleen de hoofdsom,
verminderd met reeds gedane
aflossingen, niet de rente en kosten die voortvloeien uit terugvordering van
het verleende krediet door de bank. De kosten kunnen door de bank in mindering worden gebracht op de na
uitwinning geïnde bedragen. De
geldlening waarvoor de gemeente borgtocht verleent, kan alleen door een
bank worden verstrekt. Met deze bank dient de gemeente een
borgtochtovereenkomst aan te gaan. In deze overeenkomst zal, gelet op het in
hoofdstuk IV bepaalde, geregeld moeten worden dat de bank de gemeente op de
hoogte stelt in het geval de zelfstandige zijn verplichtingen niet
nakomt. Voorts dat de bank pas tot uitwinning kan overgaan nadat de
gemeente daarmee heeft ingestemd. Ook kan worden bepaald dat de gemeente
pas gehouden is tot betaling over te gaan nadat de bank de gestelde
zekerheden heeft uitgewonnen. Nadat de gemeente heeft betaald,
ontstaat op grond van het Burgerlijk
Wetboek (BW; 866) [artikel 866 van Boek
7 van het BW, red.] een vordering op de
zelfstandige. Deze vordering wordt aangemerkt als een lening waarop
de artikelen 20 tot en met 23 van dit besluit van toepassing zijn.
Artikel 7
Er zijn zelfstandigen met een
langdurig laag inkomen en een gering eigen vermogen die reeds in de
problemen komen bij een kredietbehoefte van beperkte omvang. Daarbij kan van
een langdurig inkomen beneden de jaarnorm worden gesproken indien
het inkomen enige opeenvolgende jaren beneden de jaarnorm heeft
gelegen. Deze zelfstandigen kunnen de financiële verplichtingen van een
geldlening niet dragen. Verbetering van de bedrijfsvoering is meestal door in
de persoon gelegen factoren (leeftijd, kennis en ervaring) niet
mogelijk. Een andere mogelijkheid in het bestaan te voorzien is veelal niet
voorhanden. Zonder bijstandverlening kan de voortzetting van het bedrijf of
beroep in gevaar komen.
Het is gewenst hen in staat te stellen
hun bedrijf of zelfstandig beroep voort te zetten wanneer zij naar verwachting met enige
financiële hulp
hun zelfstandigheid kunnen behouden.
Artikel 22 van de wet maakt het mogelijk een bedrag om niet te
verstrekken indien het eigen vermogen beneden de op grond van artikel 3 bepaalde grens ligt. Het is niet
bezwaarlijk als het eigen vermogen
door de verstrekking zelf boven deze grens komt. In dit artikel van het
besluit wordt de hoogte van het maximumbedrag aangegeven. Een
combinatie met bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht is
uitgesloten. Ook voor deze zelfstandigen geldt het vereiste van een levensvatbaar bedrijf of beroep. Na
bijstandverlening dient het inkomen
derhalve toereikend te zijn voor de privé-uitgaven en voor de
voortzetting van het bedrijf of beroep.
Artikel 8
Dit artikel komt overeen met artikel
12 van het Bijstandsbesluit zelfstandigen. Ter verduidelijking is
het artikel anders ingedeeld en zijn enige redactionele wijzigingen
aangebracht.
In artikel 2 is aangegeven dat in het
geval de zelfstandige zowel behoefte heeft aan bijstand ter
voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als aan bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal uitsluitend de
laatstgenoemde bijstand wordt verstrekt. In verband hiermee wordt op het moment
dat het inkomen bekend is de verstrekte lening geheel of voor een
deel omgezet in een bedrag om niet. Daar de behoefte aan bijstand kan zijn
ontstaan door een tekort aan inkomen in het voorafgaande jaar, kan
voor de berekening van het bedrag om niet een keuze worden gemaakt uit
het jaar waarin de bijstandsaanvraag is ingediend of het daaraan voorafgaande jaar. Daar de
zelfstandige kan overzien in welk jaar
de bijstandsbehoefte het grootst is, wordt de keuze uit deze twee jaren aan
hem overgelaten.
Indien in de twee jaren volgend op het
jaar van bijstandverlening opnieuw behoefte aan bijstand ontstaat als
gevolg van externe omstandigheden van tijdelijke aard en er opnieuw
bijstand wordt verleend, kan eveneens opnieuw toepassing worden gegeven aan
dit artikel.
In het geval dat in de twee jaren
volgend op het jaar van bijstandsaanvraag niet opnieuw bijstand nodig is, maar
er niettemin een inkomen is behaald dat lager is dan de jaarnorm, behoeft de rente over deze jaren
niet of slechts voor een deel te
worden betaald.
Het woord "ambtshalve" in het eerste
en tweede lid houdt in dat deze tegemoetkomingen van de gemeente
dienen uit te gaan als de zelfstandige er niet zelf om heeft
gevraagd.
De bijstand om niet kan alleen worden
verleend wanneer het inkomen beneden de jaarnorm ligt en kan niet
meer bedragen dan het verschil tussen dit inkomen en de jaarnorm. Is
het inkomen negatief, dan kan maximaal de jaarnorm als bedrag om
niet worden verstrekt. Zoals dat ook voor andere relevante gegevens geldt,
dient het inkomen aan de hand van toereikende bewijsstukken - in dit
geval de boekhouding - te worden gestaafd.
Het bedrag om niet wordt direct op de
geldlening in mindering gebracht in het geval dat het inkomen van het keuzejaar op het moment van de
verstrekking bekend is. Wordt gekozen
voor het jaar van de bijstandsaanvraag, dan kan het bedrag om niet pas worden
vastgesteld als het inkomen over dat jaar bekend is en kan
de lening op dat moment alsnog geheel of voor een deel worden omgezet
in een bedrag om niet.
Uiteraard kan bij toepassing van het
tweede lid de rente slechts worden kwijtgescholden voor zover het bedrag
aan rente overeenkomt met het verschil tussen het behaald inkomen en
de jaarnorm in het betreffende jaar. Indien de zelfstandige de rente
reeds had betaald, vindt verrekening plaats.
Is de bijstand verleend in de vorm van
een borgtocht, dan wordt het op grond van het eerste lid berekende
bedrag om niet en de op grond van het tweede lid berekende rentereductie
rechtstreeks aan de zelfstandige verstrekt. Om te bewerkstelligen dat
de gemeente achteraf niet nogmaals voor het aflossingsbedrag of voor de
rente wordt aangesproken, dient de zelfstandige deze bedragen bij de bank
te bestemmen voor de betaling van de rente en aflossing, voor zover
deze betalingen nog niet waren verricht.
Wordt er in hetzelfde jaar waarover
het bedrag om niet of de tegemoetkoming in de rente wordt berekend een
uitkering voor levensonderhoud verstrekt, dan moet er rekening mee
worden gehouden dat er in totaal in dat jaar niet meer bijstand om niet
kan worden verstrekt dan het bedrag van de jaarnorm.
Met de verstrekking van een bedrag om
niet wordt het eigen vermogen verhoogd. Wordt het bedrag om niet berekend over een reeds verstreken
jaar, dan is het derhalve mogelijk dat
het eigen vermogen door deze verstrekking uitstijgt boven de voor
deze zelfstandige geldende grens. Om dit te voorkomen, wordt het bedrag om
niet in dergelijke situaties beperkt tot het verschil tussen de van
toepassing zijnde grens en het eigen vermogen.
Wordt het bedrag om niet berekend over
het jaar van de bijstandverlening, dan wordt het eigen vermogen, dat bij
de bijstandverlening is vastgesteld, eerst verminderd met het
inkomenstekort over het betreffende jaar.
Indien in het laatstgenoemde geval het
vastgestelde eigen vermogen de toepasselijke vermogensgrens met bijvoorbeeld
ƒ5000,- overschrijdt en
het inkomenstekort over het jaar van
bijstandverlening ƒ10 000,- bedraagt, is het bedrag om niet ƒ5000,-.
Artikel 9
De bijstand dient overeenkomstig het
in de beschikking aangegeven doel te worden aangewend. Op deze
wijze wordt bevorderd dat het bedrijf als bestaansvoorziening voor de
zelfstandige kan worden voortgezet.
Artikel 10
De bijstand ter voorziening in de
noodzakelijke kosten van het bestaan wordt pas definitief vastgesteld
nadat het inkomen uit bedrijf of beroep bekend is, behoudens in de gevallen
als bedoeld in artikel 23, derde lid, van de wet
waar het kortdurende
bijstand in specifieke situaties betreft.
Gelet op de schommelingen van het
inkomen binnen een jaar wordt voor de vaststelling van de bijstand
het over een boekjaar verdiende inkomen bezien. Het boekjaar behoeft
niet samen te vallen met het kalenderjaar. Indien dit niet
samenvalt met het kalenderjaar, kan ter bepaling van het inkomen een correctie
noodzakelijk zijn. In dat geval wordt over het fiscale kalenderjaar
immers het inkomen uit bedrijf of beroep van het boekjaar en het overig
inkomen van het kalenderjaar aangegeven. Fluctueert het overige
inkomen sterk, dan moet dit overige inkomen nauwkeurig over dezelfde
periode (het boekjaar) worden vastgesteld. Op grond van artikel 47
van de wet dient echter alleen maar rekening te worden gehouden met het
overige inkomen dat gedurende de periode van bijstandverlening is
verworven.
Onder bedrijfs- of beroepsinkomen
wordt verstaan alle bedrijfs- of beroepsbaten, verminderd met de
bedrijfs- of beroepslasten, inclusief de afschrijvingen volgens goed koopmansgebruik, maar exclusief de
aflossingen.
Voor de definitieve vaststelling van
de bijstand zijn de cijfers uit het boekhoudverslag over het
desbetreffende boekjaar nodig. Aangezien deze boekhoudverslagen vrijwel uitsluitend
door derden worden opgemaakt, is een periode van maximaal zes maanden
opgenomen waarbinnen dit verslag na afloop van het boekjaar
dient te worden overgelegd.
Ter bepaling van de definitieve
bijstand wordt het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto-inkomen als
bedoeld in hoofdstuk IV van de wet vermeerderd met de verleende bijstand.
Het bruto-inkomen uit bedrijf of
zelfstandig beroep wordt hiertoe verminderd met een forfaitair
percentage, als aangegeven in artikel 45, tweede lid, van
de wet.
De uitkomst van deze berekening op
jaarbasis wordt vergeleken met de jaarnorm.
Blijkt op jaarbasis te weinig bijstand
te zijn verleend, dan wordt ten bedrage van het tekort een aanvullende uitkering verleend. De
aanvullende
uitkering kan, samen met de reeds
verleende bijstand, niet meer bedragen dan de van de jaarnorm
herleide maximale bijstand, berekend over de periode waarin de bijstand is
verleend. De definitieve bijstand blijft dus gekoppeld aan de periode
van voorlopige bijstandverlening.
Indien op jaarbasis te veel bijstand
is verstrekt, dient de resterende lening te worden terugbetaald. De
definitief berekende bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet.
Achteraf kan blijken dat er na deze
periode financiële problemen zijn gebleven. Dit kan bijvoorbeeld tot uitdrukking komen door het niet
voldoen van crediteuren. Hiervoor kan
bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden
verleend.
Toepassing van
artikel 10 kan het
volgende voorbeeld verduidelijken. Jaarnorm 1993 inclusief ziektekostenverzekering en een particuliere
arbeidsongeschiktheidsverzekering ƒ31 400,-.
Er is bijstand voor levensonderhoud
verleend over de periode vanaf 1 april tot 1 oktober 1993 tot een
bedrag van ƒ13 085,-.
In 1994 blijkt uit het overgelegde
boekhoudverslag over 1993 dat het bedrijfsinkomen over 1993 ƒ18 000,-
heeft bedragen. Er is geen ander inkomen. Op grond van artikel
46,
tweede lid, van de wet
[artikel 45, tweede lid, van de wet, red.] bedraagt het
nettobedrijfsinkomen ƒ18 000,- minus
(26% van ƒ18 000,-) ƒ4680,- = ƒ13 320,-.
De verleende bijstand ad ƒ13 085,-
vermeerderd met het netto-inkomen ad ƒ13 320,- = ƒ26 405,-. Deze ƒ26 405,- is
minder dan de jaarnorm. Er kan echter geen aanvullende bijstand worden verleend, omdat de verleende
bijstand over de periode van 1 april
tot 1 oktober overeenkwam met de naar evenredigheid over deze periode
berekende jaarnorm. De verleende bijstand ad ƒ13 085,- wordt omgezet in
bijstand om niet.
Artikel 11
Voor zover het eigen vermogen de
vermogensgrens, bedoeld in artikel 3 of 13, tweede lid, overschrijdt, is er
geen aanleiding om de bijstand, die in de vorm van een renteloze lening is
verstrekt, om te zetten in een bedrag om niet, zodat artikel 10 buiten
toepassing blijft.
Aangezien dit besluit zelf voorziet in
bepalingen voor bijstandverlening bij vermogen dat niet buiten beschouwing kan blijven, is het
Besluit
krediethypotheek bijstand niet van
toepassing.
Als gevolg van de beperkte duur van de
periodieke bijstandverlening zijn de leningen op grond van dit
besluit in omvang beperkt. Daarom geldt hiervoor een aflossingstermijn van
maximaal tien jaar. Een kortere periode is dus ook mogelijk.
Artikel 12
Dit artikel geeft aan in hoeverre
bijstand kan worden verleend aan uitkeringsgerechtigden die een bedrijf
of zelfstandig beroep gaan beginnen. De doelgroep is omschreven
in artikel 8, tweede lid, van de wet. Het betreft veelal personen die een
socialezekerheidsuitkering ontvangen. Met hen kunnen worden gelijkgesteld
degenen die met werkloosheid worden bedreigd en in een uitkeringssituatie dreigen te geraken. Het kan
ook uitkeringsgerechtigden betreffen
voor wie het starten van een eigen bedrijf toeneming van de
arbeidsgeschiktheid betekent met als gevolg direct of op termijn herziening van
de
arbeidsongeschiktheidsuitkering tot een bedrag beneden de jaarnorm.
In het algemeen moet uit een
combinatie van factoren afgeleid worden wanneer de start van het bedrijf of
beroep plaatsvindt. Te denken valt aan het moment van investeren, het
verkrijgen van de vestigingsvergunningen, de mate waarin het bedrijf of beroep
wordt uitgeoefend, het openen van een winkel of werkplaats.
De beginnende zelfstandigen dienen,
evenals reeds langer gevestigde zelfstandigen, te voldoen aan de in
artikel 5, eerste lid, van de wet bedoelde vereisten ten aanzien van de
vestigings- en urencriteria.
Voorkomen moet worden dat door
toekenning van bijstandsgelden concurrentievervalsing optreedt.
Daarom dienen beginnende zelfstandigen zich te houden aan de gebruikelijke
voorschriften in de branche. Met name dient de levensvatbaarheid
van het bedrijf of beroep te worden beoordeeld. Daartoe zijn ook gegevens
over de aanvrager van belang. Uit onderzoek is gebleken dat factoren als
ervaring en opleiding de levensvatbaarheid gunstig kunnen beïnvloeden.
Bijstand aan beginnende zelfstandigen
is erop gericht de opbouw van een volwaardig bedrijf of beroep
mogelijk te maken. Hieronder wordt verstaan een bedrijf of beroep dat op
zichzelf een toereikend inkomen voor aanvrager oplevert. In verband
hiermee wordt het overige inkomen bij de beoordeling van de
levensvatbaarheid niet meegeteld, tenzij het een uitkering in verband met
arbeidsongeschiktheid betreft.
Bijstand ter voorziening in
bedrijfskapitaal kan slechts tot een beperkt bedrag worden verstrekt. Bij een
grotere kapitaalsbehoefte van deze doelgroep verloopt de kredietverlening
veelal via de al dan niet door de vakdepartementen gegarandeerde
kredietregelingen van de banken.
Bijstand ter voorziening in
bedrijfskapitaal voor beginnende zelfstandigen is derhalve alleen mogelijk tot
een
bedrag van ten hoogste ƒ40 000,-. Deze bijstand kan worden verleend bij
een totale kredietbehoefte van ƒ40 000,- of bij een resterende
kredietbehoefte tot dit bedrag, nadat door derden in de overige
financieringsbehoefte is voorzien.
Een gelijktijdige gecombineerde
kredietverlening op grond van het Besluit borgstelling MKB-kredieten
1988 en bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal in de vorm van een
rentedragende lening op grond van dit besluit is, zoals in het algemene deel
aangegeven, voor een (beginnende) zelfstandige echter niet mogelijk. Bij
een kredietbehoefte van ƒ40 000,- of minder kan in het algemeen gelet op de
beoogde taakverdeling niet worden verwezen naar het Besluit
borgstelling MKB-kredieten 1988 of het Borgstellingsfonds voor de landbouw.
Bijstand in de vorm van bedrijfskapitaal kan worden verleend ook als men
geen
uitkering van levensonderhoud ontvangt omdat men bijvoorbeeld direct
al over voldoende inkomen beschikt.
De bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal aan een beginnende zelfstandige kan alleen
worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht met de daarbij
behorende rente- en aflossingsverplichtingen ingevolge het bepaalde in artikel
5 en
artikel 6.
Op grond van het tweede lid is het
mogelijk de beginnende zelfstandige tijdelijk bijstand te verlenen ter
aanvulling van het inkomen. Na de start van een bedrijf of zelfstandig beroep
zal immers veelal niet onmiddellijk voldoende inkomen worden verkregen.
Een ontoereikend netto-inkomen kan in eerste instantie zes maanden
lang worden aangevuld. Aanvragen om deze inkomensaanvulling dienen aan
de hand van de uitgebrachte rapportage te worden beoordeeld.
In een aantal gevallen kan echter geen
volledig betrouwbare begroting worden opgesteld vanwege het ontbreken
van een goed inzicht in de marktsituatie. Het is aanvaardbaar dat
in dergelijke gevallen gedurende zes maanden bijstand wordt verleend
uitsluitend ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Aan de hand van de resultaten over
deze periode kan daarna een oordeel
worden gegeven over de levensvatbaarheid.
Een halfjaar na de start beoordelen
burgemeester en wethouders of er aanleiding bestaat de uitkering te verlengen. Hierbij wordt bezien of de in
het rapport gestelde verwachting ten
aanzien van omzet en resultaat is uitgekomen. Na een jaar is in de
meeste gevallen duidelijk of de beginnende zelfstandige er daadwerkelijk in
slaagt een toereikend inkomen te verwerven.
In de gevallen waarin op dat moment
het inkomen echter nog onvoldoende is, dient te worden beoordeeld of niettemin op langere termijn de
mogelijkheden om een toereikend
inkomen te behalen nog aanwezig zijn. Indien dit het geval is, kan de
uitkering voor levensonderhoud nog eenmaal met maximaal zes maanden
worden verlengd.
Op het moment dat vastgesteld wordt
dat binnen de toegestane periode geen toereikend inkomen kan worden behaald, dient de uitkering op grond
van dit besluit te worden beëindigd. Eén van de mogelijkheden om dit vast te stellen is de halfjaarlijkse
beoordeling.
Voor zelfstandigen die vanuit een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet een bedrijf of
zelfstandig beroep zijn begonnen, herleeft op grond van artikel
7, tweede lid,
van deze wet [artikel 8, tweede lid, WW, red.] het recht op deze uitkering indien zij de bedrijfsvoering binnen 1,5 jaar na de start
beëindigen.
Artikel 13
Het is voor oudere zelfstandigen in
bepaalde situaties moeilijk om door grotere inspanningen nog een
toereikend inkomen te behalen. Doordat bijvoorbeeld in de afgelopen jaren
veelal bescheiden inkomens zijn behaald, is de bedrijfsvoering
achterop geraakt omdat de financiële middelen hiervoor ontbraken.
Aanpassing in dit stadium is niet realistisch meer en omschakeling naar een
dienstbetrekking is veelal niet mogelijk. Daarom voorziet dit artikel in de
mogelijkheid aan deze zelfstandigen met een niet-levensvatbaar bedrijf of
beroep bijstand te verlenen.
In het eerste lid worden de
voorwaarden omschreven waaraan de oudere zelfstandige, zoals omschreven
in artikel 8, derde lid, onderdeel a, van
de wet, moet voldoen om voor
bijstand in aanmerking te komen. De inkomenseis heeft uitsluitend
betrekking op inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep. Het vereiste
inkomen is uitgedrukt in een brutobedrag, dus zonder vermindering van
belasting en premies. Het overige inkomen, bijvoorbeeld een uitkering in
verband met arbeidsongeschiktheid, blijft in dit verband buiten
beschouwing.
Indien het inkomen uit bedrijf of
zelfstandig beroep na de bijstandverlening anders dan incidenteel daalt tot onder
het niveau van de aangegeven inkomensgrens, zal de inkomensaanvulling moeten worden
beëindigd.
Het tweede lid bevat een specifieke
vermogensgrens voor oudere zelfstandigen.
Indien het eigen vermogen onder de
vermogensgrens blijft, is bijstandverlening om niet als bedoeld in de artikelen 7
en 10 van toepassing.
Bijstand ter voorziening in de
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan wordt verleend met toepassing
van het bepaalde in paragraaf 3 van hoofdstuk II van dit besluit. Dit
impliceert dat na elk boekjaar aan de hand van het boekhoudverslag
verrekening van de bijstand met het behaalde netto-inkomen plaatsvindt.
Voor zover het eigen vermogen de vermogensgrens overschrijdt, is
artikel 11 van toepassing.
Artikel 14
Indien het bedrijf of beroep niet
levensvatbaar is, kan overeenkomstig het bepaalde in artikel
8, derde lid,
onderdeel b, van de wet ingevolge dit besluit slechts bijstand worden
verleend wanneer het bedrijf of beroep zal worden beëindigd.
Bijstand is dan echter alleen mogelijk
ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
Bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal komt niet in
aanmerking, aangezien deze bijstand is gericht op het duurzaam voortbestaan
van het bedrijf of beroep.
De voorwaarde dat de zelfstandige de bedrijfs- en beroepsactiviteiten gewoonlijk binnen één jaar dient te
beëindigen, is gesteld om een
ongewenst gebruik van bijstandsgelden
tegen te gaan en vanwege een reële beschikbaarheid van de
zelfstandige voor de arbeidsmarkt. De in de wet
aangegeven mogelijkheid van
verlenging met één jaar komt tegemoet aan een situatie waarin de verkoop
van
het bedrijf niet binnen één jaar te realiseren is. Als dat het geval is,
dan zal de belanghebbende dit tijdig moeten aangeven en hiervoor een
verzoek om verlenging moeten indienen. Het is van belang over de
verwachte tijdsduur, nodig voor de beëindiging, met de zelfstandige
vooraf afspraken te maken.
In het Bijstandsbesluit zelfstandigen
was de voorwaarde opgenomen dat de zelfstandige ten minste drie
jaar in het bedrijf of zelfstandig beroep werkzaam moest zijn geweest alvorens
voor bijstand in verband met beëindiging in aanmerking te komen.
Deze voorwaarde is vervallen. Starters zijn redelijk succesvol,
waardoor niet behoeft te worden gevreesd voor een massaal beroep op bijstand
door beginnende zelfstandigen in geval van afschaffing van genoemde
termijn.
Artikel 15
Op grond van artikel 51, tweede lid,
van de wet dient bij de beoordeling van een bijstandsaanvraag van
zelfstandigen die een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen in een samenwerkingsverband of in de vorm van een
rechtspersoon, de gezamenlijke financiële positie te worden bezien. Mede op grond hiervan kan worden
vastgesteld of er sprake is van bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is
immers mogelijk dat de omvang van de gezamenlijke vermogenspositie
zodanig is dat in het tekort kan worden voorzien of dat op grond van dit
vermogen voldoende kredietverlening door een bank mogelijk is.
De voorwaarde van hoofdelijke
aansprakelijkheid van alle zelfstandigen is gebaseerd op de overweging dat de
bijstand direct of indirect ten goede komt aan alle personen.
Bij de bijstandverlening aan
zelfstandigen dienen waarborgen te bestaan dat naast het privévermogen ook het bedrijfsvermogen wordt
meeverbonden. Daartoe wordt als
voorwaarde gesteld dat de rechtspersoon wordt meeverbonden voor de nakoming
voor alle verplichtingen. Dergelijke voorwaarden zijn ook
gebruikelijk bij banken.
De voorwaarde van hoofdelijke
aansprakelijkheid kan achterwege blijven bij een commanditaire vennoot
die alleen kapitaal tot een bepaald bedrag inbrengt. Evenmin behoeft deze
voorwaarde te worden gesteld bij een vennoot - ook wel maat genoemd - in een maatschap die alleen arbeid inbrengt en niet aansprakelijk
gesteld kan worden voor schulden van de maatschap.
De bijstand wordt naar evenredigheid
van het aantal zelfstandigen die recht op bijstand hebben aan hen toegekend.
Artikel 16
Zoals hiervoor reeds is aangegeven,
heeft de verstrekking van bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal primair ten doel de
voortzetting van het bedrijf of
beroep. Indien er sprake is van een samenwerkingsverband, wordt deze
bijstand in het algemeen aan twee of meer zelfstandigen afzonderlijk verleend.
Artikel 8 is op ieder van hen van
overeenkomstige toepassing. Op grond van dat artikel wordt een deel van de
lening ter voorziening in bedrijfskapitaal omgezet in een bedrag om niet, voor
zover voor iedere betrokken zelfstandige het behaalde inkomen
daartoe aanleiding geeft en het eigen vermogen onder een bepaalde grens
blijft.
Artikel 17
Op grond van artikel 51, tweede lid,
van de wet wordt bij de bijstandverlening aan zelfstandigen onder vermogen
verstaan: het gezamenlijk vermogen van alle vennoten of leden.
Dit houdt in dat bij de beoordeling van de vraag of bijstand verleend kan
worden rekening wordt gehouden met dit gehele vermogen.
Is bijstandverlening mogelijk, dan moet
rekening worden gehouden met de voor ieder van de vennoten of leden afzonderlijk geldende
vermogensgrenzen.
Deze vermogensgrenzen moeten worden
berekend om vast te kunnen stellen of bijstand om niet kan worden verstrekt. Aan de hand van de
boekhoudverslagen kan het eigen
vermogen van ieder afzonderlijk worden bepaald. Vervolgens dient
ieders aandeel in het totaalvermogen te worden berekend. Daarbij kan als
uitgangspunt worden genomen dat de verhouding tussen ieders aandeel in
het totaalvermogen overeenkomt met de aanwezige verhouding tussen de
eigen vermogens. In het volgend voorbeeld wordt het één en
ander uitgewerkt:
| xx| |
Gegevens: |
totaalvermogen/vennootschap/ƒ900/000,- |
|
|
eigen vermogen
A |
ƒ200 000,- |
|
|
eigen vermogen B |
ƒ100 000,- |
|
|
eigen vermogen C |
ƒ 20 000,- + |
|
|
Totaal |
ƒ320
000,- |
|
Het aandeel in het
totaalvermogen van |
|
vennoot/A/is/danxxx
200/320
van ƒ900 000,- is ƒ563 000,- |
|
vennoot B
100/320 van ƒ900 000,- is ƒ281
000,- |
|
vennoot C
20/320 van ƒ900 000,- is ƒ56 000,- |
|
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
xx
Artikel 18
Ten aanzien van zelfstandigen die in
de vorm van een rechtspersoon werkzaam zijn, geldt een
inkomensbegrip dat afwijkt van het inkomensbegrip voor zelfstandigen met
een
eenpersoonsbedrijf of -beroep of met een samenwerkingsverband.
Rechtspersonen zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting.
Derhalve dient de nettowinst uit het
bedrijf of beroep met het tarief hiervan te worden verminderd.
De zo berekende winst maakt deel uit
van het in artikel 1 omschreven inkomen. Zo nodig wordt deze naar evenredigheid van het aantal in de
rechtspersoon werkende zelfstandigen
aan ieder van hen toegerekend. Het inkomen van de zelfstandige
bestaat dus uit de som van het inkomen en de aan betrokkene toegerekende
winst of verlies.
Artikel 19
Bij de beslissing tot het verstrekken
van een lening stelt de gemeente de verplichtingen vast.
Daartoe behoren in ieder geval de
voorwaarden waaronder deze lening wordt verstrekt.
De gemeente neemt daarbij de
bepalingen van dit besluit in acht en geeft aan wanneer de rente en
aflossing betaald moeten worden.
Ingeval de zelfstandige de gestelde
verplichtingen niet nakomt, is de lening opeisbaar. Deze opeisbaarheid
wordt niet geëffectueerd indien burgemeester en wethouders een verzoek
om uitstel van betaling hebben gehonoreerd of op grond van artikel
8,
tweede lid, nog een tegemoetkoming in de rentebetaling kan worden
verleend. De in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde voorwaarde dat
de bijstand overeenkomstig de gestelde bestemming moet zijn
aangewend, vloeit voort uit het bepaalde in artikel 9. De overige voorwaarden
hangen samen met de veranderde situatie waarin het bedrijf of beroep
alsdan komt te verkeren.
Artikel 20
De zelfstandige die in gebreke blijft
rente en aflossing te betalen en geen verzoek tot uitstel indient,
wordt zo spoedig mogelijk tot betaling gemaand. Reageert de zelfstandige
daarop alsnog met een gemotiveerd verzoek om uitstel, dan kan
overeenkomstig het gestelde in artikel 21 worden gehandeld. Van de zelfstandige
die ook na een tweede aanmaning in gebreke blijft, wordt het bedrag
van de lening teruggevorderd.
Over de inmiddels ontstane achterstallige bedragen dient de wettelijke
rente te worden betaald.
Artikel 21
Voor een goede uitvoering van dit
besluit is het van belang dat de zelfstandige tijdig op de hoogte wordt
gesteld van de verplichtingen die op de komende vervaldata moeten worden
voldaan. Indien de zelfstandige van mening is dat niet
hieraan voldaan kan worden, dient de gemeente hiervan op de hoogte te
worden gesteld en een verzoek om uitstel van het betalen van rente en
aflossing te worden ingediend. Daarbij dient de zelfstandige aan te geven om
welke redenen niet of niet geheel aan de voorwaarden voldaan kan worden.
In de eerste jaren na het verstrekken
van de lening wordt ingevolge artikel 8, tweede lid, bij een
inkomenstekort en een zwakke vermogenspositie een tegemoetkoming in de rente
verleend. Indien vastgesteld wordt of aannemelijk is dat tijdelijk
niet aan de gestelde verplichtingen kan worden voldaan, kan bij verdergaande problemen een tijdelijke matiging van aflossingen (onderdeel
a)
of een tijdelijk uitstel (onderdeel b) worden toegepast. Ingeval het gestelde in onderdeel
a wordt toegepast,
moet de verwachting bestaan dat binnen
afzienbare tijd aan de aflossingsverplichtingen kan worden voldaan. Geheel of
gedeeltelijke uitstel van het betalen van aflossing en rente (onderdeel b) kan gedurende maximaal
drie jaar worden verleend.
Daarbij dient na afloop van elk jaar
voor de verlenging met één jaar een nieuwe beoordeling plaats te vinden.
Het uitstel van drie jaren geldt voor de gehele looptijd en kan derhalve ook
niet aaneengesloten jaren betreffen. Bij gedeeltelijke betalingen wordt
eerst de rente betaald en daarna de aflossing.
Indien vastgesteld is dat duurzaam
niet aan de gestelde verplichtingen voldaan kan worden of nadat een
periode van drie jaar is verstreken, is de lening terstond geheel opeisbaar en
dient te worden teruggevorderd. In bijzondere gevallen kan daarvan op
grond van artikel 11 van de wet
worden afgezien. Daarbij speelt in de
afweging een rol of er zekerheden zijn dat de lening nu of later bij beëindiging van het bedrijf of beroep kan
worden terugbetaald, of er
mogelijkheden zijn om na beëindiging van het bedrijf of beroep op andere wijze in
het bestaan te voorzien (voor oudere zelfstandigen is onder bepaalde voorwaarden aanvullende bijstand
mogelijk), alsmede of de voortzetting
van het bedrijf of beroep met verder uitstel van de betalingsverplichtingen
aanvaardbaar is.
Uiteraard wordt de lening wel
onmiddellijk teruggevorderd in het geval dat de zelfstandige in staat is aan de
gestelde verplichtingen te voldoen, doch dit nalaat.
Artikel 22
Dit artikel biedt de mogelijkheid dat
bij financiële problemen van de zelfstandige er een matiging van de
financiële verplichtingen komt indien
naast de gemeente ook andere
schuldeisers hiertoe bereid zijn. Veelal zal dat het geval zijn als betrokkene
buiten zijn wil om in moeilijkheden is geraakt.
Onder schuldregeling wordt in dit
besluit een regeling verstaan waarbij schuldeisers, gezien de zwakke
financiële positie, bereid zijn de schuld, geheel of gedeeltelijk, kwijt
te
schelden of voorlopig niet in te vorderen. Bij een akkoord wordt tegen een op dat
moment aangeboden gedeeltelijke betaling finale kwijting verkregen. De
financiële middelen die voor
een dergelijk akkoord nodig zijn,
kunnen zijn verkregen uit een nieuw krediet. Ook kan de opbrengst van de
activa bij de beëindiging van het bedrijf of beroep hiervoor worden
aangewend.
Voor de medewerking aan de
schuldregeling of het akkoord geldt als voorwaarde dat daarin niet het
gedeelte van de lening wordt betrokken dat nog gedekt is door
zekerheidstelling. Daarbij kan worden uitgegaan
van de op dat moment geldende waarde
van de verbonden activa. Voor het andere deel kan van de preferentie
worden afgezien. Voorts geldt de voorwaarde dat alle concurrente crediteuren evenredige medewerking
verlenen. Aanvaardbaar is echter dat
crediteuren met vorderingen van geringe omvang buiten de regeling of
het akkoord blijven.
Artikel 23
Bij liquidatie van het bedrijf of
beroep dient de lening volledig te worden terugbetaald. Uiteraard worden
op dat moment ook de gestelde zekerheden uitgewonnen. Indien de
zelfstandige een eigen woning voor eigen bewoning wenst te behouden,
blijft voor zover mogelijk een lening onder hypothecair verband gevestigd of
wordt deze tot de onbelaste waarde van de woning op dat pand
gevestigd. Ten aanzien van de rente en aflossing zijn de bepalingen van
het Besluit krediethypotheek bijstand van toepassing.
Bij de afweging door de gemeente
of
aan het behoud van de eigen woning kan worden meegewerkt, speelt
een rol of de woonkosten gezien het inkomen van de betrokkene niet te
hoog zijn. Ook kunnen de mogelijkheden van terugbetaling negatief worden
beïnvloed indien een woon- en bedrijfspand alleen nog voor bewoning
wordt gebruikt en deze bestemmingswijziging waardevermindering met zich brengt.
Indien bij een niet-verwijtbare
liquidatie van het bedrijf of zelfstandig beroep de lening niet geheel kan
worden terugbetaald, wordt een eventueel resterende lening, voor zover deze niet in de
hypotheekvestiging
op grond van het eerste lid is
betrokken, vanaf het moment van liquidatie renteloos. Het is gewenst
dat de periode waarin de ex-zelfstandige, na liquidatie van het
bedrijf of beroep, financieel nog wordt aangesproken, kan worden
overzien. Deze periode wordt daartoe beperkt tot vijf jaar.
In deze periode dient zoveel mogelijk
aan de terugbetaling te worden voldaan. De helft van het netto-inkomen dat boven de
bijstandsnorm wordt behaald, dient hiertoe te worden
aangewend. Dit geldt ook indien er andere schuldeisers zijn. In het
geval niet aan deze terugbetalingsverplichtingen kan worden voldaan, bijvoorbeeld als
gevolg van aflossingsverplichtingen aan preferente schuldeisers, kan de periode van
vijf jaar worden verlengd. Op het
moment dat de periode van vijf jaar is verstreken, kan in dat geval het nog
terug te betalen bedrag precies worden vastgesteld. Is aan deze verplichting voldaan, dan wordt het
bedrag dat dan nog niet is
terugbetaald, kwijtgescholden.
Artikel 24
Op grond van artikel 53 van
de wet wordt de waarde van de bezittingen vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer. In het algemeen
betekent dit dat de waarde van de
bezittingen de prijs is die de meest biedende koper bij verkoop onder
normale omstandigheden bereid is te betalen. Voor onroerende goederen
wordt daarbij uitgegaan van de geldende bestemming blijkend uit een
definitief vastgesteld bestemmingsplan. Voor kas-, bank- en girosaldi en voor
de schulden is de waarde in het economisch verkeer de nominale
waarde.
Bij de vaststelling van het vermogen
wordt geen onderscheid gemaakt tussen privé- en bedrijfsvermogen. Uiteraard dienen
niet-noodzakelijke
vermogensbestanddelen te gelde te
worden gemaakt. De opbrengst wordt aangewend ter vermindering van de
bijstandsbehoevendheid.
Er zijn vermogensbestanddelen waarvoor
bij de toepassing van dit besluit de waarde in het economisch
verkeer niet kan gelden omdat de waarde hiervan voor het bedrijf dat voortgezet wordt moeilijk kan worden
vastgesteld, dan wel afwijkt van de
verkoopwaarde. Deze vermogensbestanddelen en de waarderingsbasis hiervan
zijn
opgenomen in het tweede lid.
De waarde van de vermogensbestanddelen
die door de zelfstandige zelf zijn geproduceerd, wordt vastgesteld op basis van de gemaakte
kosten. Tot
deze kosten behoren ook de
arbeidskosten van de zelfstandige. Bij meerjarige gewassen - zoals
fruitopstanden, aspergeaanplanten en dergelijke - wordt na enige jaren
een afschrijving toegepast naar tijdsgelang, rekening houdend met de rooikosten. In de praktijk is
gebleken dat bij lage opbrengstprijzen
van de producten gedurende een aantal jaren, al dan niet gecombineerd
met lage fysieke opbrengsten als gevolg van slechte weersomstandigheden, zoals in de fruitteelt voor kan
komen, de waarde van de plantopstanden
in deze bedrijfstak sterk daalt. Hierdoor kan de waarde die wordt vastgesteld op basis van de gemaakte
kosten sterk afwijken van de waarde in
het economisch verkeer. Aangezien in dit besluit
laatstgenoemde waardebepaling uitgangspunt is, kan op het moment dat er in een
bepaalde bedrijfstak sprake is van een crisissituatie voor de waardevaststelling van de plantopstanden worden
uitgegaan van de waarde in het
economisch verkeer. Er kan pas sprake zijn van een crisissituatie indien de
lage prijzen al dan niet in combinatie met lage fysieke opbrengsten zich
gedurende meer dan twee opeenvolgende jaren hebben voorgedaan.
Slechts de aangekochte
immateriële
activa worden gewaardeerd. Daarbij wordt uitgegaan van de
aankoopprijs en rekening gehouden met de afschrijvingen die inmiddels hebben
plaatsgevonden. Reeds afgeschreven activa en toegewezen
melkquota worden niet gewaardeerd.
De aandelen in coöperaties en
inkoopverenigingen vormen geen beleggingen, maar zijn in de regel een voorwaarde voor het lidmaatschap
en zijn derhalve een noodzakelijke
investering in verband met de bedrijfsvoering. De fiscale boekwaarde
van deze aandelen komt overeen met de waarde die uitgangspunt is voor
de vermogensvaststelling op grond van dit besluit.
Voor productieve land- en
tuinbouwgrond geldt de waarde in verpachte staat. De meeste transacties in
agrarische grond vinden plaats tussen familieleden op basis van de waarde in
verpachte staat. Dit wordt veroorzaakt door de lage
rendementswaarde van landbouwgrond in het algemeen.
Onder schulden
wordt mede verstaan ruilverkavelingsschulden,
leningen van financieringsmaatschappijen en dergelijke. Bij leningen dient
rekening te worden gehouden met de
sinds de laatste vervaldag verschuldigde rente. Voor zover de schulden bestaan
uit de som van de nog te betalen termijnbedragen worden deze
schulden verminderd met het rentebestanddeel wanneer dit daarin is
begrepen.
Door herwaardering van de bezittingen
op basis van de waarderingsgrondslagen van dit besluit kunnen stille reserves
naar voren komen. Daarbij dient rekening te worden
gehouden met de belastingclaim die over deze stille reserve verschuldigd
is. Bij het vaststellen van deze claim wordt uitgegaan van de op het moment
van de vermogensvaststelling geldende fiscale regels. Landbouwgrond
in eigen gebruik is in het algemeen vrijgesteld van de
eindafrekenings-winstbelasting.
Voor zover indertijd WIR-premies zijn
ontvangen, moet rekening worden gehouden met de latente verplichting
tot terugbetaling van deze premie bij verkoop van het vermogensbestanddeel. Dit geldt alleen als op het
moment van de verkoop nog een
terugbetalingsverplichting geldt.
Ten aanzien van de zelfstandige die
het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent in de vorm van een besloten vennootschap of een
coöperatieve
vereniging met wettelijke aansprakelijkheid wordt de waarde van de aandelen of het eigen vermogen in deze
rechtspersoon vastgesteld op de waarde van het totaalvermogen verminderd met de waarde van de
schulden in deze rechtspersoon. De
waardering van deze vermogensbestanddelen vindt plaats overeenkomstig dit
artikel.
De waarde van de bezittingen en van de
schulden wordt op basis van de waarderingsgrondslagen in dit artikel weergegeven in het rapport dat ter
beoordeling van de levensvatbaarheid
wordt opgemaakt. In de regel vindt de waardering dan ook plaats door de
rapporteur die dit rapport opmaakt. Slechts in de gevallen waarin dit met
het oog op een verantwoorde besluitvorming noodzakelijk is, laten
burgemeester en wethouders het onroerend goed of het schip taxeren
door een beëdigd makelaar of taxateur.
Er kan aanleiding zijn de waarde van
de bezittingen opnieuw vast te stellen indien door marktfluctuaties
de waarde sterk is veranderd ten opzichte van de vermogensvaststelling
ten tijde van de eerste bijstandverlening. Deze hertaxatie kan met
name van belang zijn bij oudere zelfstandigen die bijstand van
langdurige aard kunnen ontvangen en het eigen vermogen in de buurt ligt van de
voor deze zelfstandige geldende vermogensgrens.
Artikel 25
Voor het in behandeling nemen van een
aanvraag van een ondernemer in de binnenvaart is bepalend de
plaats in een gemeente of provincie waar de ondernemer op dat moment met
zijn schip feitelijk verblijft. Dit geldt ook indien het een aanvraag van
de echtgenoot of een ten laste komend kind betreft.
De aanwijzing houdt in dat op grond
van artikel 134, eerste en tweede lid, van de Algemene bijstandswet de
ten laste van de gemeente gebleven kosten van de algemene bijstand en van
de bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal voor
100% door het Rijk wordt vergoed.
Op grond van de beschikking op grond
van artikel 137, eerste lid, van de wet
kunnen ook de uitvoeringskosten
tot de in die beschikking genoemde bedragen in rekening worden gebracht
bij het Rijk.
Artikel 27
De bedragen die ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van de artikelen 5,
6, 7 en 12
ten hoogste kunnen worden verleend, worden jaarlijks herzien overeenkomstig de procentuele stijging van het
prijsindexcijfer. Daarmee wordt
aangesloten bij de gebruikelijke gang van zaken binnen de wet
en wordt voorkomen
dat het bereik van dit besluit op langere termijn vermindert.
Bij een herziening van het
rentepercentage voor bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal zal de rente die
de banken hanteren bij het verlenen van kredieten aan bedrijven worden
gevolgd.
Daarbij zal de rente pas worden
aangepast als verwacht wordt dat de rente gedurende een langere periode op
een ander niveau zal liggen.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|
|