|
BESLUIT van
12 april 1995, houdende vaststelling van een Besluit
krediethypotheek bijstand
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 14 juli 1992, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/BV/UKB/AUB/7032;
Gelet op artikel 20,
zevende lid, en artikel 53, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet;
De Raad van State gehoord (advies van 9
september 1992, nr. W12.92 0340);
Gezien het nader rapport van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 april 1995, Directie
Bijstandszaken nr. BZ/UK/95/U-1259;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
[Bijstand voor vestigingskosten
hypotheek]
Indien bijstand wordt verleend in de vorm van
een geldlening onder verband van hypotheek als bedoeld in artikel
20, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet, wordt daartoe mede
gerekend de eventuele bijstand in de kosten, genoemd in artikel
2, derde lid.
Art. 2.
[Hoogte hypotheek | Taxatie woning |
Vestigingskosten ten laste van belanghebbende]
-1. De geldlening, bedoeld in artikel
1, is ten
hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij
vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en
met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel
20, derde
lid, van de
Algemene bijstandswet.
-2. Ter vaststelling van de waarde van de
woning vindt taxatie plaats door een taxateur voor
onroerende zaken die door burgemeester en wethouders in
overeenstemming met de belanghebbende wordt aangewezen of door een
gemeentelijk taxateur.
-3. De kosten verbonden aan de taxatie, de
hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, alsmede de
bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende. De
bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als algemene bijstand,
tenzij aan de belanghebbende uitsluitend bijzondere bijstand wordt
verleend.
Art. 3.
[Opname voorwaarden in
hypotheekakte]
-1. Aan de geldlening worden in elk geval
verbonden de voorwaarden, genoemd in de artikelen 4 en
5.
-2. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden
worden tezamen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de
hypotheekakte.
Art. 4.
[Aflossingsvoorwaarden hypotheek]
-1. Aflossing van de geldlening vindt plaats
gedurende ten hoogste tien jaar.
-2. De aflossing vangt aan op het moment van
beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats.
-3. Het maandbedrag van de aflossing wordt
telkens voor een periode van één jaar vastgesteld.
-4. Bij een inkomen als bedoeld in
artikel 47
van de
Algemene bijstandswet dat niet uitgaat boven de van
toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in
hoofdstuk
IV, afdeling 1, van genoemde wet, wordt geen aflossing gevergd. Tevens
wordt geen aflossing gevergd indien belanghebbende een uitkering
op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars ontvangt.
-5. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding
geven, stellen burgemeester en wethouders, zo nodig tussentijds,
het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
-6. Bij de beoordeling van de omstandigheden
als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met
noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende,
bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op
het inkomen.
-7. Indien belanghebbende tijdens de
aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen
van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van
de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de
wettelijke rente verschuldigd.
Art. 5.
[Rentevordering]
-1. Indien door toepassing van artikel
4,
vierde tot en met zesde lid, na afloop van de aflossingsperiode
van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is
vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet
afgeloste deel van de geldlening.
-2. De rente, bedoeld in het eerste lid, is de
wettelijke rente, verminderd met 3 procent.
-3. Indien belanghebbende naar het oordeel van
burgemeester en wethouders de rente geheel of gedeeltelijk kan
betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten
hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt
als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald
bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
-4. Indien belanghebbende naar het oordeel van
burgemeester en wethouders geen rente kan betalen, wordt de verschuldigde
rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van
de geldlening.
-5. Over een bijgeschreven rentevordering is
geen rente verschuldigd.
Art. 6.
[Aflossing hypotheek bij vererving
en verkoop woning]
-1. Bij verkoop of bij vererving van de woning,
en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van
de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van
de geldlening, alsmede de op grond van artikel 5, derde en vierde
lid, bijgeschreven rente, terstond afgelost.
-2. Bij verkoop van de woning kunnen
burgemeester en wethouders wegens bijzondere omstandigheden van
medische of sociale aard van belanghebbende dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing van het
eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening
eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een
andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het
eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat
belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip
van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de
aankoop van de andere woning.
-3. Bij verkoop van de woning tegen een prijs
overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije
oplevering komt, voor zover de opbrengst daartoe toereikend is,
aan belanghebbende in ieder geval het bedrag toe dat op grond van
artikel 54, eerste en tweede lid, van de
Algemene bijstandswet bij
de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning in
mindering is gebracht.
-4. Indien bij verkoop van de woning op basis
van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het
voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende
bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het
verschil kwijtgescholden.
Art. 7.
[Toepassing laatst gevestigde
hypotheek bij niet-duurzame onderbreking bijstandverlening]
Indien binnen een periode van twee jaar na
beëindiging van de bijstandverlening onder verband van hypotheek
wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met
toepassing van de laatst gevestigde hypotheek.
Art. 8.
[Jaarlijkse opgave restantschuld en
rentevorderingen]
Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van
een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de
geldlening en van de rentevorderingen.
Art. 9.
[Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip
waarop de Algemene bijstandswet in werking treedt.
Art. 10.
[Citeertitel]
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
krediethypotheek bijstand.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 12 april 1995
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de dertiende april
1995
De Minister van Justitie a.i.,
H.F. Dijkstal
NOTA
VAN TOELICHTING
[12 april 1995]
Algemeen
1. Inleiding
Bij de beoordeling of iemand aanspraak
kan maken op bijstandverlening door de overheid staat steeds de vraag centraal of de
belanghebbende
in zodanige omstandigheden verkeert of
dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om
te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Ook ten
aanzien van degene die in het bezit is van een zelfbewoonde eigen woning kunnen,
vooral als gevolg van langdurige werkloosheid, dergelijke
omstandigheden zich voordoen. Een eigen woning vertegenwoordigt evenwel een
bepaald vermogen dat, na aftrek van de eventuele schulden die erop
rusten, soms aanzienlijk zal zijn. Men beschikt dan over middelen die, gelet
op het complementaire karakter van de Algemene
bijstandswet, in
aanmerking dienen te worden genomen, zodat strikt genomen geen aanleiding
is voor de verlening van bijstand. Sinds 1970, toen artikel 7a in de Algemene Bijstandswet (ABW) werd
opgenomen, is het wettelijk
uitgangspunt dat dergelijke middelen, vanwege hun specifieke karakter,
bijstandverlening niet dienen uit te sluiten. Het gaat immers om middelen
waarover de belanghebbende veelal niet kan beschikken om in zijn bestaan te voorzien, tenzij deze de
woning buiten de bijstand verder
bezwaart of te gelde maakt. Het eerste is niet altijd realiseerbaar, omdat een
potentiële kredietverstrekker ook naar het inkomen zal kijken. Het tweede
betekent dat vervangende huisvesting mogelijk moet zijn. Afgezien hiervan
is het in een aantal gevallen niet redelijk te verlangen dat een
zelfbewoonde eigen woning te gelde wordt gemaakt of (verder) wordt bezwaard.
Voor deze situatie is daarom de mogelijkheid ingevoerd van
bijstandverlening in de vorm van een geldlening onder verband van
hypotheek, de zogenaamde krediethypotheek.
Het op artikel 7a gebaseerde
oorspronkelijke Besluit krediethypotheek (Stb. 1971, 409) is in 1983 ingrijpend
gewijzigd en vervangen door het Bijstandsbesluit krediethypotheek (Stb. 1983, 602). Daarbij werd het rentebeding verzacht en hertaxatie van
de woning tijdens de bijstandsperiode uitgesloten. Door dat laatste ontstond
voor belanghebbende meer zekerheid omtrent de hoogte van de
geldlening. Met ingang van 1983 geldt bovendien een extra vrijlating
van het in de zelfbewoonde eigen woning gebonden vermogen.
De algehele herinrichting van de
Algemene Bijstandswet gaat gepaard met intrekking van de bestaande wet en
de daarop berustende nadere regelgeving, inclusief het Bijstandsbesluit krediethypotheek
(Stb. 1983,
602). Er is aanleiding om een
vergelijkbaar besluit ook na de herinrichting te handhaven. Hoewel het aantal
gevallen waarin het tot vestiging van een krediethypotheek komt de afgelopen
jaren aanzienlijk is gedaald, vooral als gevolg van de afname van
het aantal nieuwe gevallen van langdurige werkloosheid, is de
achterliggende problematiek nog steeds aanwezig, zodat de oorspronkelijke
redenen voor invoering van de figuur van de krediethypotheek onverminderd
blijven gelden. Artikel 20 van de nieuwe
Algemene bijstandswet geeft aan
dat wanneer algemene bijstand wordt verleend aan de eigenaar van een
door deze zelf of zijn gezin bewoonde woning waarvan tegeldemaking,
bezwaring of verdere bezwaring in redelijkheid niet kan
worden verlangd, deze bijstand wordt verstrekt in de vorm van een
geldlening onder verband van hypotheek. Artikel 20, derde lid, van
de wet
regelt de extra vermogensvrijlating ten aanzien van de eigen woning. Dit
besluit geeft de nadere regels inzake de vestiging van de krediethypotheek en
de aflossing.
Dit besluit is niet van toepassing op
zelfstandigen. Voor hen geldt het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen, dat het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Stb. 1986, 544) vervangt.
2. Wijzigingen
2.1. Algemeen
De herinrichting van de wet leidt
noodzakelijkerwijs tot een herinrichting van de nadere regelgeving. In de
eerste plaats treedt er op diverse punten een herschikking in de regelgeving op, ten dele in de vorm van
een verschuiving van bepalingen van de
nadere regelgeving naar de wet. Dit heeft ook doorgewerkt naar dit
Besluit krediethypotheek bijstand. De drempel boven welke pas
krediethypotheek aan de orde kan zijn, is opgenomen in artikel 20 van de
Algemene
bijstandswet. Verder is in
artikel 110 van de wet de verplichting
geregeld dat belanghebbende meewerkt aan de vestiging van de
krediethypotheek. Ook vervallen is de bepaling dat de taxatie van de woning
binnen drie maanden na de aanvang van de bijstandverlening
plaats moet vinden. Volgens artikel 68 van de wet
moet het recht op bijstand
binnen acht weken worden vastgesteld. Een beslissing moet gemotiveerd
worden. Dat kan alleen gerealiseerd worden als de taxatie van de woning
binnen die periode plaatsvindt. Voor zover aan de orde, zal binnen die
termijn een vestiging van krediethypotheek moeten plaatsvinden.
De regels die betrekking hebben op de
door burgemeester en wethouders te verrichten onderzoeken
inzake te vestigen en gevestigde krediethypotheken en te maken hebben
met het debiteurenbeheer worden gegeven in artikel
66, zevende
lid, en
in de ministeriële regeling op grond van artikel
71, eerste lid, onderdeel
b, van de wet [zie Regeling financiering en
verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz, red.]. Eén en ander leidt ertoe dat in dit besluit slechts een enkele
specifieke bepaling voorkomt.
Afgezien van dergelijke wijzigingen
die het gevolg zijn van een herschikking van regelgeving, is er op
enkele onderdelen aanleiding gevonden tot verdergaande aanpassingen. Deze hangen samen met de
algemene doelstellingen en
uitgangspunten die aan de herinrichting van de ABW ten grondslag liggen. Het gaat
om het streven naar een effectievere bijstandverlening door een zuiverder
afstemming op de omstandigheden in het individuele geval, een
doeltreffender bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening, een
evenwichtige verdeling van verantwoordelijkheden tussen Rijk en gemeenten
en een vereenvoudiging van de regelgeving.
Samengevat gaat het om de navolgende
wijzigingen:
1. De verplichting tot rentebetaling
is vervallen; alleen als sprake is van schuldige nalatigheid ten aanzien van
de aflossing, geldt er wel een renteverplichting. Voorts, maar dat
hoeft niet in dit besluit zelf geregeld te worden omdat het tot de gebruikelijke
bedingen kan worden gerekend die in een hypotheekakte worden opgenomen,
wordt rente in rekening gebracht wanneer na verkoop van de
woning niet terstond wordt afgerekend. Met het schrappen van het rentebeding wordt, naast het
wegnemen van enkele in de praktijk
blijkende onbillijkheden, voorrang gegeven aan het aflossen van de
geldlening.
2. De aflossingsperiode van
vijfentwintig jaar of langer die voortvloeit uit een vastgelegde aflossing van 4
procent per jaar, is teruggebracht naar ten hoogste tien jaar. Deze wijziging
hangt nauw met de voorgaande samen. Door het vervallen van de
renteverplichting ontstaat immers de ruimte voor het sneller aflossen van
de lening. Zo wordt de termijn gedurende welke men, door af te
lossen, nog de gevolgen ervaart van de periode waarin men op bijstand was
aangewezen, aanzienlijk bekort. Dit spoort met het streven om het herstel
van de zelfstandige bestaansvoorziening zoveel mogelijk te bevorderen.
Het terugbrengen van de
aflossingsperiode betekent niet dat in alle gevallen de geldlening binnen tien
jaar volledig zal zijn terugbetaald. Er wordt immers rekening gehouden met de
hoogte van het inkomen na de bijstandsperiode. Wanneer na tien jaar
niet het volledige geleende bedrag blijkt te zijn afgelost, wordt het
restant in ieder geval afgerekend bij verkoop of vererving van de woning.
Aan belanghebbende wordt dan geen vooraf vastgestelde aflossingsverplichting meer opgelegd. Wel is het
redelijk om rente in rekening te
brengen. Er is immers reeds tien jaar gelegenheid gegeven om rentevrij af te
lossen en dus ook om het vermogen terug op te bouwen. De renteverplichting die na tien jaar ingaat,
stimuleert wel het verrichten van
aflossingen.
3. Expliciet is geregeld dat
burgemeester en wethouders de krediethypotheek naar een andere koopwoning kunnen
laten meenemen wanneer bijzondere omstandigheden van medische
of sociale aard van betrokkene daartoe aanleiding geven. Om het
herstel van de zelfstandige bestaansvoorziening te bevorderen, is dit ook geregeld bij
verkoop van de woning in verband met werkaanvaarding elders.
4. Geregeld is op welke wijze ten
aanzien van het vestigen van de hypotheek moet worden gehandeld indien
de belanghebbende na een bijstandsperiode weer opnieuw op bijstand raakt aangewezen.
Op deze wijzigingen wordt verderop
ingegaan.
2.2. Adviezen
Op 19 februari 1992 is over een
ontwerp van dit besluit advies gevraagd aan de Commissie Sociale Voorzieningen
van de Sociaal-Economische Raad.
Op 21 mei 1992 heeft de Commissie
unaniem en, behoudens ten aanzien van een subonderdeel,
positief advies uitgebracht.
De Commissie heeft het ontwerp-besluit
beoordeeld in het licht van de door haar onderschreven doelstellingen
van de herinrichting van de ABW die in het ontwerp-besluit zijn verwerkt. Waar mogelijk dient te worden
gekozen voor decentralisatie en
deregulering, waardoor de gemeentelijke vrijheid wordt vergroot. Naar het
oordeel van de Commissie dienen daarbij de gevolgen voor rechtszekerheid en rechtsgelijkheid te worden
betrokken, waarbij zij onderkent dat
door het streven naar decentralisatie en deregulering verschillen in beleid
tussen gemeenten zullen optreden.
De Commissie onderschrijft de
voorgestelde systematiek van rente en aflossing en kan zich vinden in de
daarmee gepaard gaande grotere beleidsvrijheid voor de gemeenten.
Voor de belanghebbende betekent de systematiek dat de schuld eerder kan
worden voldaan en in het verlengde daarvan weer eigen vermogen kan worden
opgebouwd. Door de grotere beleidsvrijheid van de gemeente kan
(meer) maatwerk worden geleverd. Hoewel daarbij verschillen in beleid
kunnen optreden tussen gemeenten, zullen de rechtsgelijkheid en de rechtszekerheid naar de mening van de
Commissie echter niet in het gedrang
komen, omdat de reikwijdte van deze verschillen door de regelgeving
wordt begrensd. De Commissie haalt de bepalingen aan dat op minimumniveau
geen aflossing wordt gevergd en dat rekening moet worden gehouden
met noodzakelijke, voor eigen rekening komende, bijzondere
bestaanskosten.
De Commissie stemt ook in met het
ingaan van een renteverplichting na de rentevrije aflossingsperiode van tien jaar over het eventueel nog niet
afgeloste deel van de geldlening. Zij
is echter, anders dan het kabinet, van mening dat het bijschrijven van een
vordering aan rente die niet betaald kan worden aan een limiet gebonden
moet zijn, dus zoals dat geregeld was in nadere regels op het ingetrokken Bijstandsbesluit
krediethypotheek.
Op die manier wordt gegarandeerd dat
het vermogen dat oorspronkelijk in de bijstand is vrijgelaten
onaangetast blijft bij gelijkblijvende waarde van de woning.
In de verruiming van de mogelijkheden
voor het meenemen van de krediethypotheek naar een andere
koopwoning kan de Commissie zich vinden. Het laat de gemeente een ruime beleidsmarge om maatwerk te
kunnen leveren.
De Commissie onderschrijft de
opvatting van het kabinet dat het uit oogpunt van rechtszekerheid wenselijk
is lopende gevallen niet onder het nieuwe regime te laten vallen. Daarbij
merkt zij wel op dat zowel aan het handhaven van het oude regime als aan
het van toepassing verklaren van het nieuwe regime op lopende gevallen
bezwaren van uitvoeringstechnische aard zijn verbonden. In het eerste
geval moet de gemeente twee aflossingssystemen hanteren en in
het tweede geval moeten hypotheekakten worden opgebroken.
Met voldoening stelt de Commissie vast
dat het ontwerp-besluit leidt tot minder en eenvoudiger regelgeving. De
gedetailleerde normering voor het bepalen van de aflossing vervalt.
Pseudo-regelgeving voor de situatie van hernieuwde bijstandverlening is
omgevormd tot officiële regelgeving, hetgeen de duidelijkheid bevordert.
Ook is door herschikking van de regelgeving een aantal bepalingen, al
dan niet in gewijzigde vorm, in de
wet zelf terechtgekomen. Dit strookt
met één van de uitgangspunten van de herinrichting van de ABW, namelijk het benadrukken van de centrale
plaats van de wet in het geheel van
regelgeving.
Het ontwerp-besluit is op 19 februari
1992 ter kennisneming aangeboden aan de Raad voor de gemeentefinanciën. Gegeven de zeer beperkte
financiële gevolgen voor de gemeenten, kan de Raad blijkens zijn brief van 19 maart 1992 akkoord gaan met het
ontwerp-besluit.
Hiernavolgend wordt ingegaan op de
wijzigingen.
2.3. Geen renteverplichting
De afschaffing van de
renteverplichting vergroot de ruimte voor het aflossen van de geldlening en vermijdt
enkele minder billijke situaties die zich thans blijken voor te doen.
Er wordt van uitgegaan dat het
vervallen van de renteverplichting positief zal uitwerken op het
functioneren van de krediethypotheekregeling, doordat er eerder ruimte ontstaat om
de aflossing te voldoen. De belanghebbende wordt zo eerder in
staat gesteld weer eigen vermogen op te bouwen. Het risico van een
mogelijk remmende werking van een krediethypotheek op het aanvaarden van
betaalde arbeid wordt tot een minimum beperkt.
Onbillijk is dat momenteel de bron van
het inkomen bepaalt of men een renteverplichting heeft. Zolang men
algemene bijstand ontvangt, is geen rente verschuldigd. Na de bijstandsperiode dient wel rente te worden
betaald, ook wanneer het inkomen
waarover men beschikt niet boven het niveau van het sociaal minimum
uitkomt. Dat daarvoor uitstel van betaling wordt verleend, is geen
compensatie. Het blijft een schuld. Anderzijds wordt volgens het tot nu toe geldende besluit de uit te stellen
rentevordering buiten invordering
gesteld wanneer het maximaal te lenen bedrag reeds tijdens de
bijstandsperiode is verbruikt en de rente dus niet meer bijgeschreven kan worden. Voor de
gevallen waarin de verschuldigde rente volledig buiten invordering wordt gesteld, heeft de renteplicht
materieel dus thans al geen effect.
Aangezien men tijdens het ontvangen
van bijstand geen rente is verschuldigd, zou een inkomen op
eenzelfde niveau uit een andere bron ook dat effect moeten hebben. De
inkomensbron dient niet van belang te zijn. Aangezien vervolgens de
renteverplichting materieel weinig effect sorteert, is er een reden om die af te
schaffen.
Ook is het minder redelijk dat men
tijdens de bijstandverlening wel reeds rente verschuldigd is indien men
uitsluitend bijstand behoeft in de vorm van een woonkostentoeslag,
terwijl het ontvangen van een (volledige) bijstandsuitkering,
overeenkomstig de daarvoor geldende normbedragen, belanghebbende van de renteverplichting vrijwaart. De
huidige regeling van de renteverplichting leidt dus zowel tot onbillijke als
tot ongelijke situaties.
Het uitgangspunt is dat de regelgeving
duidelijk en consequent moet zijn. Dit betekent dat het maken van
een onderscheid binnen dezelfde soort bijstand, in dit geval bijstand
voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten, moet worden voorkomen.
Door afschaffing van de renteverplichting wordt ook dit effect
bereikt.
Voor de uitvoering werkt het
afschaffen van de renteverplichting positief uit doordat nu voorrang wordt
gegeven
aan de aflossing en de periode gedurende welke het inkomen van
belanghebbende moet worden beoordeeld op aanwezige
aflossingscapaciteit aanzienlijk is bekort. De administratieve handelingen die
verbonden zijn aan het in rekening brengen van de rente zullen pas na
tien jaar aan de orde kunnen komen.
Rente is verschuldigd bij schuldige
nalatigheid ten aanzien van het voldoen van de aflossing binnen de
periode van tien jaar. Het rentepercentage is in dat geval gelijk aan de
wettelijke rente. Na de aflossingsperiode van tien jaar is altijd rente
verschuldigd om het verschil met andere leningen beperkt te houden.
Deze rente is 3 procent lager dan de wettelijke rente. Wanneer die rente
niet kan worden betaald, wordt deze als vordering bijgeschreven bij het
niet-afgeloste deel van de geldlening. Over deze rentevorderingen is evenals
ten tijde van het oude besluit geen rente verschuldigd. Dit in
tegenstelling tot de rente bij schuldige nalatigheid, waarbij wel sprake is van
rente over een rentevordering.
Het bijschrijven van rentevorderingen
kent geen beperking. De nog resterende schuld zal dus op termijn steeds verder kunnen oplopen. Zoals
eerder is aangegeven, is echter al tien
jaar de tijd gegund om rentevrij af te lossen. Die periode had zoveel
mogelijk benut kunnen worden. Bij het onderdeel aflossing wordt verder
ingegaan op een bepaling die het oplopen van de schuld afremt.
De Commissie Sociale Voorzieningen van
de Sociaal-Economische Raad is op dit punt een andere mening
toegedaan dan het kabinet. Het stellen van een limiet aan het oplopen van de
schuld als gevolg van rentevorderingen die niet betaald kunnen worden omdat
het inkomen niet toereikend is, moet gehandhaafd
blijven. Die limitering was opgenomen in de nadere regelgeving op het
ingetrokken Bijstandsbesluit krediethypotheek. Dat betekende dat de schuld nooit
hoger kan zijn dan het bedrag van de maximale geldlening dat bij het
verlenen van bijstand onder verband van krediethypotheek is vastgelegd. Daarmee werd bereikt dat
het vrijgelaten vermogen, in het
bijzonder het extra vrijgelaten vermogen, onaangetast blijft bij gelijkblijvende
waarde van de woning.
Het kabinet is van mening dat die
limitering niet past in het nieuwe systeem van tien jaar rentevrij
aflossen en pas daarna een renteverplichting als er nog een deel van de
geldlening
moet worden betaald. De krediethypotheek heeft in
tegenstelling tot een bancaire hypotheek een sociaal karakter. Zij dient
ertoe om
mensen niet onnodig in financiële problemen te brengen bij het aanvragen
van bijstand. Daarnaast is het redelijk om belanghebbende na de
periode van bijstandverlening gedurende een beperkte periode in
staat te stellen de schuld zo klein mogelijk te maken. Daarom wordt van
belanghebbende gedurende de eerste tien jaar na beëindiging van
de bijstandverlening geen rente gevraagd. Dat systeem is gunstiger dan
het oude systeem waarbij vijfentwintig jaar moet worden afgelost en gedurende die gehele periode
een renteverplichting geldt die zelfs
voorrang heeft op het aflossen. Het kabinet meent dat na deze periode van
tien jaar het verschil met een bancaire hypotheek beperkt moet zijn.
Doordat er een renteverplichting in
werking treedt na tien jaar zonder een limiet ten aanzien van het
bijschrijven van rente die dan niet betaald kan worden, gaat er vanuit de
regelgeving een stimulans uit om al het mogelijke te doen om van de schuld af
te komen. Hoewel de regelgeving geen aflossing vergt bij een inkomen
na de bijstand op minimumniveau, wil dat naar de mening van het kabinet
niet zeggen dat op minimumniveau geen enkele poging hoeft te worden
ondernomen om tot aflossingen te komen.
Het gaat hier om woningen met
woonkosten tot ƒ335,42 per maand, het bedrag van de laagste subsidiabele
huur bij de individuele huursubsidie per 1 juli 1994. Zouden de woonkosten
hoger zijn, dan is er nog een woonkostentoeslag aan de orde. Dan is
er nog steeds bijstand nodig en is men dus niet aflossingsplichtig.
Er mag worden verondersteld dat bij
woonkosten tot ƒ335,42 per maand die altijd uit een
minimuminkomen moeten kunnen worden betaald, ruimte is voor het plegen van
een aflossing. Dat is naar de mening van het kabinet toch een wat
andere situatie dan de huidige waarbij de rentebetaling voorgaat aan
de aflossing. Die renteverplichting zal altijd als een last worden
ervaren. Dat is de reden dat indertijd bij de stelselherziening is geregeld
dat bij
een minimuminkomen geen rente en aflossing worden gevergd.
Rente is ook verschuldigd wanneer de
woning wordt verkocht en er niet snel wordt afgerekend. Het is redelijk van betrokkene te vergen dat na
ontvangst van de opbrengst de lening
direct wordt terugbetaald. De woning was immers de zekerheidstelling en door verkoop kan die zekerheid worden geëffectueerd. De
rente dient dan als stimulans.
Aangezien een dergelijke
renteverplichting een gebruikelijk beding is in een hypotheekakte, is het niet nodig
om dit te regelen.
2.4. De aflossing
In samenhang met het vervallen van de
renteverplichting is de aflossingsperiode teruggebracht van
vijfentwintig jaar of langer, volgend uit een vastgelegde aflossing van 4
procent per jaar, naar ten hoogste tien jaar. Dit komt erop neer dat
jaarlijks in beginsel 10 procent van de schuld moet worden terugbetaald, tegen
thans 4 procent. Deze standaardaflossing is lager dan de tot
nu toe geldende verplichting van 8 procent rente en 4 procent aflossing.
Die 12 procent per jaar wordt dus vervangen door 10 procent aflossing.
Door de duur waarin een aflossing gevergd wordt beperkt te houden, is
deze voor zowel de belanghebbende als de gemeente overzienbaar.
De periode van tien jaar waarin een
aflossing wordt gevergd, begint op het moment dat de bijstandverlening wordt
beëindigd. Per maand zal dan
in beginsel een aflossing plaatsvinden
die gelijk is aan het bedrag dat zou volgen uit tien jaar aflossing, dus
1/120 van de geldlening.
Het nieuwe inkomen kan echter zodanig
zijn dat een hoger maandelijks aflossingsbedrag gevraagd zou kunnen worden. Daarom is aangegeven
dat de aflossingsperiode ten hoogste
tien jaar bedraagt.
Belanghebbende dient echter ook de
mogelijkheid te hebben om een lager maandelijks aflossingsbedrag te betalen dan het bedrag dat volgt uit
hetzij de aflossingsperiode van tien
jaar, hetzij uit een hoger vastgesteld bedrag. Het inkomen of bepaalde noodzakelijke bijzondere
bestaansuitgaven
die belanghebbende voor eigen rekening
moet nemen - zoals hoge woonlasten -, kunnen daartoe
aanleiding geven. Ook de aflossing van een krediethypotheek is een
kwestie van maatwerk, waarbij met de omstandigheden in het individuele
geval rekening dient te worden gehouden. Een correcte toepassing van
de bepaling daarover houdt in dat bij het bepalen van de
aflossingscapaciteit in het inkomen, die noodzakelijke bijzondere kosten eerst op het
inkomen in mindering worden gebracht. Daardoor wordt ervoor gezorgd dat belanghebbende die kosten
kan betalen.
Aangezien de hoogte van het inkomen en
de noodzakelijke uitgaven geen vast gegeven hoeven te zijn, is
bepaald dat het maandelijkse aflossingsbedrag telkens voor één jaar wordt vastgesteld. Het gaat hierbij
om een aflossingsjaar dat dus niet
noodzakelijkerwijs samenvalt met een kalenderjaar. Deze wijze van
vastlegging betekent dat periodiek een controle op de financiële situatie
van belanghebbende plaatsvindt, zoals ook is aangeven in artikel
66, zevende
lid, van de wet. Tussentijds is bijstelling van het aflossingsbedrag
ook mogelijk. Dit kan op initiatief van burgemeester en wethouders en op
verzoek van belanghebbende zelf.
Wanneer belanghebbende tijdens de
aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is om de vastgestelde
aflossing te voldoen, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar. Bovendien is
daarover de wettelijke rente
verschuldigd, bij wijze van boete. Het ligt in de rede om in zo’n situatie eerst
met belanghebbende een regeling te treffen. Is dat niet haalbaar (vanwege
een weigerachtige opstelling van belanghebbende), dan staan in het
uiterste geval middelen zoals beslag op het inkomen en executoriale verkoop
van de woning ter beschikking.
Volgens het op 1 januari 1992 in
werking getreden nieuw Burgerlijk
Wetboek moet de wettelijke rente
worden betaald over de tijd dat verzuimd is om aan de verplichting te
voldoen. In dit besluit is aangegeven dat maandelijks een aflossing moet
worden gedaan. Blijft die aflossing achterwege, dan is vanaf dat
moment sprake van verzuim en is derhalve de wettelijke rente
verschuldigd.
Geregeld is dat bij een inkomen op
bijstandsniveau geen aflossing wordt gevergd. Dit niveau is de
landelijk geregelde bijstandsnorm, vermeerderd met de eventuele gemeentelijke toeslag en andere toeslagen
(voor woonkosten) op grond van de Abw,
die zouden gelden als belanghebbende nog steeds bijstand zou ontvangen.
Daardoor blijft het inkomen tot dat niveau beschikbaar voor de
voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten, waaronder
noodzakelijke reserveringen, zoals voor duurzame gebruiksgoederen, belastingen
en heffingen. Ook volgens de oude regeling wordt bij een inkomen op
bijstandsniveau geen aflossing gevergd. De nieuwe regeling wijkt
hierin dus niet af.
Deze benadering levert een verschil op
met de beslagregeling, waarbij rekening wordt gehouden met een beslagvrije voet van 90 procent van de
bijstandsnorm, inclusief
vakantietoeslag en vermeerderd met de eventuele ziektekostenpremie en hoge
woonlasten die voor eigen rekening van belanghebbende komen. Bij
beslag gaat het echter om situaties waarin men eerder had kunnen reserveren, maar dat niet heeft
gedaan. Bij krediethypotheek is dat
niet het geval. Het verschil wordt daarom verantwoord geacht.
Het is denkbaar dat op het moment van
aflossen de huishoudsituatie is gewijzigd ten opzichte van het moment waarop de bijstand onder verband
van hypotheek werd verleend.
Belanghebbende is bijvoorbeeld inmiddels gescheiden. Aan burgemeester en
wethouders wordt overgelaten te bepalen welke wijzigingen nodig zijn
met betrekking tot de vraag wie in die situatie voor de aflossing wordt
aangesproken. Daarnaast biedt de in dit besluit aangegeven
aflossingssystematiek voldoende ruimte voor een beoordeling van zo’n gewijzigde
individuele situatie.
Wanneer sprake is van lagere
aflossingsbedragen die niet kunnen worden gecompenseerd door hogere aflossingsbedragen op andere
tijdstippen binnen de gehele aflossingsperiode, is de periode van ten hoogste tien jaar
niet voldoende om de
totale geldlening af te lossen. Het restant wordt in ieder geval
afgerekend bij verkoop van de woning en bij vererving. Dit komt erop neer dat
voor het nog niet afgeloste deel van de geldlening uitstel van betaling wordt
verleend. Aan belanghebbende wordt overgelaten of deze toch
aflossingen wil verrichten. De renteverplichting werkt daarbij als stimulans.
Het kan zich voordoen dat
belanghebbende naar het oordeel van burgemeester en wethouders de rente of
een gedeelte daarvan kan opbrengen, maar dat belanghebbende
daardoor niet aan aflossen toe kan komen. De renteverplichting belemmert
dan het aflossen. Om dit te vermijden, is aangegeven dat de
betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de renteverplichting wordt
aangemerkt als aflossing. Dit is in overeenstemming met het gegeven dat in
de eerste tien jaar voorrang wordt gegeven aan het aflossen van de
geldlening. De bij de schuld bij te schrijven rente die telkens niet
betaald kan worden zal, omdat er wordt afgelost, op termijn afnemen. Omdat
over de bijgeschreven rentevordering geen rente is verschuldigd, loopt de
totale schuld niet oneindig op. Wanneer de geldlening geheel is
afgelost, zal de renteverplichting die op dat moment moet worden berekend nul
gulden zijn. Het tot dat moment bijgeschreven totaalbedrag aan
rentevorderingen wordt verder op de gebruikelijke wijze afgewikkeld.
Voor zover dat bedrag niet betaald kan worden, wordt dat afgerekend bij
verkoop van de woning zoals ook gebeurt als een deel van de geldlening
niet kan worden afgelost.
Is er naar het oordeel van
burgemeester en wethouders voor belanghebbende geen mogelijkheid om de rente te
betalen, dan wordt deze bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. Het is dan
niet te vermijden dat de totale schuld
blijft oplopen.
De aflossingsperiode van ten hoogste
tien jaar gaat in na beëindiging van de bijstand, ook al wordt er geen,
of een lagere, aflossing opgelegd in verband met de hoogte van het inkomen
of noodzakelijke bijzondere kosten van belanghebbende. Een
beoordeling van de betalingscapaciteit in het inkomen vindt na tien jaar
eventueel alleen nog plaats ten aanzien van de dan in werking tredende
renteverplichting.
2.5. Meenemen krediethypotheek naar
een andere koopwoning tijdens de bijstandsperiode
In artikel 6, eerste lid, is geregeld
dat bij verkoop van de woning de geleende bijstand dient te worden
terugbetaald, alsmede de eventueel bijgeschreven rentevorderingen. Dat geldt ook bij verkoop tijdens het
ontvangen van bijstand wanneer er
dringende redenen zijn om te verhuizen. Bij de invoering van het
Bijstandsbesluit krediethypotheek in 1983 (Stb. 602) was in de nota van
toelichting van het parallel daaraan gewijzigde Bijstandsbesluit landelijke
normering (1983, Stb. 601) over de extra vermogensvrijlating aangegeven
dat alleen bij verhuizing om dringende medische redenen naar een
andere koopwoning de krediethypotheek op die nieuwe woning kon worden
overgeschreven. Dit onderdeel hoort feitelijk thuis in de
regeling over de krediethypotheek, omdat het om een verandering van het
onderpand gaat. Bovendien maakt dit laatste duidelijk dat
overschrijven formeel niet mogelijk is. Er zal dus eerst afgerekend moeten worden
voordat
een nieuwe hypotheek kan worden gevestigd.
Om deze redenen is de mogelijkheid van
een verwisseling van het onderpand in dit besluit opgenomen. Burgemeester en wethouders
kunnen daartoe overgaan wanneer
bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van
belanghebbende daartoe aanleiding geven. Deze mogelijkheid komt er dus op neer
dat belanghebbende het vrijgekomen vermogen niet hoeft in te zetten voor
de bestaansvoorziening, maar daarmee een meer passende woning
kan aankopen. Aangezien de laatste hypotheek in verband met de
bijstandverlening is afgelost, ontbreken deze middelen voor de
aankoop van een andere woning. Burgemeester en wethouders kunnen deze
middelen als nieuwe lening onder verband van krediethypotheek ter
beschikking stellen. Als voorwaarde hiervoor geldt dat
belanghebbende het na afrekening vrijgekomen vermogen volledig inzet
bij het kopen van een vervangende woning. Met deze uitzondering op het inzetten van vrijgekomen vermogen
voor de bestaansvoorziening en de
mogelijkheid tot het verstrekken van een nieuwe geldlening wordt vermeden
dat een verhuizing wegens bijzondere omstandigheden nadeliger
uitwerkt dan het aanhouden van de woning.
Ook in de situatie dat de
bijstandverlening kan worden beëindigd in verband met werkaanvaarding elders is
er reden om het bedrag van de afgeloste krediethypotheek weer ter
beschikking te stellen aan belanghebbende. Wanneer het aanvaarden van werk elders
betekent dat de bestaande woning moet worden verkocht
om in de nieuwe woonplaats een andere woning aan te kopen, zal het aflossen van de krediethypotheek
een drempel kunnen vormen. Immers,
door de volledige aflossing zal belanghebbende voor het kopen van de
nieuwe woning wellicht aangewezen zijn op een, ten opzichte van de krediethypotheek, duurdere
hypotheek bij een bank. Om ervoor te
zorgen dat de gehele aflossing van de krediethypotheek geen belemmering
vormt voor het aanvaarden van werk in een andere woonplaats, is het
ook in die situatie mogelijk het afgeloste bedrag van de krediethypotheek weer ter beschikking te stellen
aan belanghebbende. Ook in dit geval
is sprake van een bevoegdheid van burgemeester en wethouders.
2.6. Hernieuwde bijstandverlening na
onderbreking
In de praktijk blijkt het voor te
komen dat iemand na beëindiging van de bijstandverlening in de vorm van een
krediethypotheek opnieuw op bijstand aangewezen raakt. Bij
gelegenheid van de nieuwe aanvraag behoort dan een nieuwe vaststelling
van het maximaal te lenen bedrag. Ook wanneer de waarde van de woning
niet is gestegen, leidt dat tot een onevenredige verhoging van de in
totaal te lenen (en dus terug te betalen) bijstand. Dat effect wordt veroorzaakt
doordat de vordering van de vorige krediethypotheek als een op de woning
drukkende schuld wordt meegenomen. Vervolgens wordt de geldlening berekend, met toepassing van de
vermogensvrijlating, op het dan
resterende vermogen. Dat resterende vermogen is echter het vermogen dat
bij de vorige krediethypotheek was vrijgelaten. Door de hernieuwde
bijstandverlening zal dat dus toch nog ten dele moeten worden aangesproken.
Zou de geldlening van de vorige krediethypotheek niet worden
aangemerkt als een op de woning drukkende schuld maar als een reeds
verbruikt deel van de nieuw te berekenen geldlening, dan treedt dit
effect niet op.
Bij een niet al te lange onderbreking
van de bijstandverlening moet er echter van worden uitgegaan dat de
nieuwe bijstandsbehoeftigheid niet los kan worden gezien van die
daarvoor. Daarom is in artikel 7 geregeld dat in gevallen waarin geen sprake is
van een duurzame onderbreking, de laatste berekening van het bedrag van
de maximale geldlening wordt gehanteerd. Daarbij wordt aangesloten
op de bestaande praktijk. Voor zover het maximale bedrag van die
geldlening nog niet is aangesproken, hetzij door een voortijdige beëindiging van de bijstand, hetzij door inmiddels verrichte aflossingen, wordt
de te verlenen bijstand ten laste daarvan geboekt. Is het maximale
bedrag wel volledig aangesproken, dan wordt de bijstand verder om niet verleend.
Van een niet duurzame onderbreking is
sprake zolang er nog geen twee jaar is verstreken. Deze periode wordt redelijk geacht. Is de onderbreking
tussen de laatste dag van de vorige
bijstandverlening en de eerste dag van de nieuwe bijstandverlening langer
dan twee jaar, dan wordt deze aangemerkt als een duurzame
onderbreking. In dat geval dient er een nieuwe hypotheek te worden gevestigd
en wordt het verbruikte deel van de laatste geldlening als een op de
woning drukkende schuld in de berekening meegenomen, dus
overeenkomstig de handelwijze bij een bancaire hypotheekschuld.
Voor alle duidelijkheid wordt
opgemerkt dat artikel 7 ook van toepassing is in het geval dat binnen een periode
van twee jaar na beëindiging van bijstandverlening met toepassing van
het oude Bijstandsbesluit krediethypotheek, opnieuw bijstand moet worden
verleend.
3. Overgangsrecht
Het herziene Bijstandsbesluit
krediethypotheek is alleen op nieuwe gevallen van toepassing.
Anders dan bij bijstandverlening om
niet gaat het bij bijstandverlening onder verband van krediethypotheek om
een geregistreerd contract. In de hypotheekakte zijn rechten en plichten
vastgelegd. Dit geeft aan de belanghebbende zekerheid over hetgeen
deze kan verwachten bij het aangaan van het contract.
Wanneer het aangepaste
Bijstandsbesluit krediethypotheek ook van toepassing zou worden op lopende
gevallen moeten de hypotheekakten worden opengebroken. Zo’n operatie
brengt kosten met zich mee en houdt een taakverzwaring in voor de gemeenten.
Bovendien zou dit afbreuk doen aan de
zekerheid voor de belanghebbende. Bij toepassing van het aangepaste besluit op lopende gevallen is
namelijk op voorhand niet duidelijk of
dit voor belanghebbende een voordeel dan wel een nadeel betekent.
Het oude en nieuwe regime zijn immers in een specifiek geval niet
zonder meer vergelijkbaar.
De scheiding tussen oud en nieuw geval
is dan ook gebaseerd op het bestaan van een gevestigde krediethypotheek. Dit heeft tot gevolg dat
voor de situatie waarin reeds recht
bestaat op bijstand vóór of op de peildatum maar de hypotheek nog niet
is gevestigd, sprake is van een nieuw geval. Dan dient dit Besluit krediethypotheek bijstand te worden
toegepast. Dit is geregeld in artikel 4, vierde en vijfde lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet.
Ten aanzien van de gevallen waarin op
het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds een krediethypotheek is gevestigd, verandert er niets
aan de in de hypotheekakte opgenomen
bedingen. Dat betreft dus ook de bedingen die op grond van het
Bijstandsbesluit krediethypotheek (Stb. 1983, 602) in de akte dienden te zijn
opgenomen over het tempo van terugbetaling, het verschuldigde
rentepercentage, de herzieningsmogelijkheid en de mogelijkheid tot het verlenen
van uitstel van betaling. Aan dat laatste is de Regeling uitstel
van betaling rente en aflossing krediethypotheek (Stcrt. 1986, 250)
verbonden. Hoewel deze regeling, evenals het Bijstandsbesluit krediethypotheek, is ingetrokken bij de
inwerkingtreding van de nieuwe
Algemene bijstandswet, blijft deze materieel doorwerken bij de
afwikkeling van de krediethypotheek. De daarin vervatte bescherming tegen het
onbeperkt oplopen van de schuld door uit te stellen rentevorderingen
blijft derhalve intact.
Opgemerkt wordt dat er geen herziening
meer plaats zal vinden van het rentepercentage over de uitstaande
schuld. Van het opnemen van zo’n mogelijkheid voor de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid is afgezien in de Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet. Het laatstelijk vastgelegde
rentepercentage blijft derhalve gelden. Het voorgaande is ook het geval ten
aanzien van het percentage dat de betalingscapaciteit aangeeft in een bovenminimaal inkomen in de
Regeling uitstel van betaling rente en
aflossing krediethypotheek.
Eveneens wordt opgemerkt dat voor de
beoordeling van de betalingscapaciteit in een bovenminimaal inkomen een
vergelijking moet worden gemaakt met de bijstandsuitkering die
volgens de normensystematiek en het toeslagsysteem van de nieuwe
Algemene bijstandswet zou gelden. Het onderscheid tussen oud en nieuw
geval van krediethypotheek heeft immers alleen betrekking op de verplichtingen en de rechten die aan de
hypotheekakte zijn verbonden.
4. Toetsing op terughoudendheid met
regelgeving
Deze algemene maatregel van bestuur
houdt een vereenvoudiging in van de regelgeving.
De renteverplichting is vervallen. De
voorwaarde dat belanghebbende meewerkt aan de vestiging van de hypotheek en de periode waarbinnen
de taxatie van de woning plaats moet
vinden, hoeft niet meer geregeld te worden. Dit volgt al uit de
wet.
Door het terugbrengen van de
aflossingsperiode van vijfentwintig jaar naar maximaal tien valt een
aanzienlijk aantal jaren weg waarin de inkomenspositie voor het aflossen moet
worden beoordeeld.
De indexering van het drempelbedrag is
komen te vervallen, omdat de drempel in de wet is opgenomen. Ook is
dat een juistere plaats, omdat voor de eventuele toepassing van het
besluit duidelijk moet zijn of dat wel aan de orde moet komen.
Een delegatiebepaling is niet meer
opgenomen. Die zou alleen betrekking hebben op de aflossing. De
ingewikkelde normering voor het bepalen van de aflossing is echter
juist geschrapt. Bovendien zou die dan in het besluit zelf moeten worden
opgenomen. Overeenkomstig de in dit besluit doorgevoerde terughoudendheid
met regelgeving is een normering zoals opgenomen in de
ingetrokken Regeling uitstel van betaling rente en aflossing krediethypotheek
(Stcrt. 1986, 250) niet meer
nodig.
Het vervallen van de plicht tot
rentebetaling gedurende de aflossingsperiode van tien jaar ontlast de uitvoering
bovendien van het bijhouden van een rentestaat, tenzij sprake is
van schuldige nalatigheid dan wel als de aflossingsperiode van tien jaar
verstreken is en er nog een deel van de geldlening moet worden afgelost.
De gemeente heeft ten aanzien van de
aflossing aanzienlijke beleidsruimte gekregen voor het leveren van maatwerk.
Niet kan worden verwacht dat het pure
aflossen van de geldlening in meer dan een incidenteel geval tot
bezwaar en beroep leidt. De maandelijkse aflossingsverplichting van in beginsel
10 procent per jaar is immers lager dan de oude rente- en
aflossingsverplichting van in totaal 12 procent waarvoor het in de
plaats komt.
5. Gevolgen voor vrouwen
Dit besluit heeft geen bijzondere
gevolgen voor vrouwen. De werking van het besluit is voor vrouwen niet
anders dan voor mannen.
6. Financiële consequenties
De geraamde
potentiële renteopbrengst van het huidige Bijstandsbesluit krediethypotheek bedraagt ca.
ƒ8 mln per jaar. Blijkens de gegevens uit de declaraties wordt slechts ca. ƒ2
mln per jaar aan rente
ontvangen. Daarnaast is bekend dat
door de gemeenten
per jaar ƒ2,4 mln aan rente buiten invordering wordt
gesteld. Het restant (ca. ƒ3,6 mln) wordt door de gemeenten thans niet
geregistreerd. Een gedeelte van dit bedrag kan rente betreffen, die wordt
bijgeschreven bij de schuld.
De geregistreerde aflossingen bedragen
per jaar ca. ƒ10 mln, terwijl naar raming slechts ƒ4 mln regulier
zou moeten worden afgelost. De overige ƒ6 mln zijn onder andere
vervroegde aflossingen en eindafrekeningen.
Naar verwachting zal de totale
opbrengst van de krediethypotheek voor het Rijk grosso modo gelijk blijven.
Het Rijk derft namelijk door het onderhavige besluit rente-inkomsten
over de krediethypotheek. Daartegenover staat echter dat er meer zal worden
afgelost, waardoor het Rijk de uitgeleende middelen sneller terugontvangt.
Hierbij is verondersteld dat het
bedrag dat thans aan rente wordt betaald, bij invoering van dit besluit
zal worden besteed aan reguliere aflossing. Bovendien is verondersteld
dat de bedragen die thans worden betaald voor de eindafrekening en
vervroegde aflossing zullen dalen.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 2, eerste en derde lid
Wanneer zowel algemene als bijzondere
bijstand nodig is, hoeft er maar één hypotheekakte te worden
opgesteld. Dit is mogelijk omdat nu voor zowel de algemene als de bijzondere
bijstand de extra vermogensvrijlating geldt ten aanzien van vermogen in de
eigen woning.
Voor beide geldt dan hetzelfde bedrag
van de maximale geldlening. Dit houdt wel in dat bij het registreren
van verleende bijstand de soort bijstand in acht moet worden genomen.
Dit is van belang bij aflossingen, omdat de algemene bijstand voor 90
procent terugvloeit naar het Rijk en de bijzondere bijstand volledig
terugvloeit naar de gemeente. Opgemerkt wordt dat de verstrekte gemeentelijke
toeslag als onderdeel van de algemene bijstand gedurende de eerste drie jaar na invoering van de nieuwe
Algemene bijstandswet ook nog voor 90
procent naar het Rijk terugvloeit.
De eventueel benodigde bijstand voor
de kosten die verband houden met de vestiging wordt bij samenloop
van algemene en bijzondere bijstand aangemerkt als bijstand voor
algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Veelal zal de reden om bijstand aan te
vragen betrekking hebben op bijstand voor de algemeen
noodzakelijke bestaanskosten. Voor de eenvoud is dan ook bepaald tot welke
soort de bijstand voor die kosten bij samenloop moet worden gerekend.
Wanneer alleen bijzondere bijstand nodig is, wordt ook de eventueel
benodigde bijstand voor de vestigingskosten bijzondere bijstand. Volgens
artikel
20 van de wet wordt het aan burgemeester en wethouders overgelaten
of deze tot zekerheidstelling over willen gaan.
Artikel 3, tweede lid
Bij gebruikelijke bedingen die ook in
de hypotheekakte moeten worden opgenomen, kan gedacht worden aan het beding tot beperking van de
bevoegdheid tot verhuur of verpachting. Het niet-zuiveringsbeding hoeft niet meer in
de hypotheekakte te
worden opgenomen, omdat dit reeds in het nieuw Burgerlijk
Wetboek is
geregeld.
Artikel 6, eerste en derde lid
Een verkoop van de woning hoeft niet
terstond gepaard te gaan met een financiële afwikkeling. Dit zal
doorgaans plaatsvinden bij de overdracht van de woning. Vanaf het moment waarop belanghebbende
over de opbrengst kan beschikken, zal
de resterende geldlening aan de gemeente in één keer moeten
worden terugbetaald.
Wanneer de woning wordt verkocht tegen
een prijs die doelbewust beneden de geldende marktwaarde ligt,
is er geen aanleiding om het bescheiden vermogen aan betrokkene toe
te kennen en evenmin om het resterende bedrag van de lening kwijt
te schelden.
Overigens zal, als de woning wel tegen
de geldende marktwaarde is verkocht, het voor de afrekening beschikbare bedrag
ten minste gelijk
moeten zijn aan het bedrag van het
vrijgelaten bescheiden vermogen. Wanneer het voor de afrekening
beschikbare bedrag namelijk lager is dan het in aanmerking genomen bescheiden
vermogen, kan het verschil dus niet aan belanghebbende worden uitgekeerd. Of belanghebbende ook nog
over het bedrag van het extra
vrijgelaten vermogen kan beschikken, is afhankelijk van de verkoopwaarde, de
bancaire hypotheek en de afrekening van de krediethypotheek.
Het extra vrijgelaten vermogen is bij de afrekening dus nooit gegarandeerd.
Artikel 8
Ook na afloop van de maximale
aflossingsperiode van tien jaar wordt, als er nog een deel van de geldlening
moet worden afgelost, aan belanghebbende een opgave verstrekt
van de stand van de geldlening en van de eventueel bijgeschreven
rentevorderingen.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|
|