|
BESLUIT van 3 juni 1995,
houdende regels met betrekking tot de criteria voor de aanwijzing van gemeenten
die deelnemen aan experimenten op grond van de Abw
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
21 maart 1995, Directie Bijstandszaken, nr. BZ/VOL/95/657;
Gelet op artikel 144, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet;
De Raad van State gehoord (advies van 25 april
1995, nr. W12.95.0143.);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 mei 1995, Directie
Bijstandszaken nr. BZ/VOL/1596/I;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
[Inachtneming bepalingen m.b.t.
aanwijzing]
Onze Minister neemt bij de aanwijzing van
gemeenten op grond van artikel 144, eerste lid, van de
Algemene bijstandswet de bepalingen van dit besluit in acht.
Art. 2.
[Voorwaarden aanwijzing]
Onze Minister kan verzoeken tot aanwijzing
slechts inwilligen, indien:
a. de uit te voeren experimenten naar
zijn oordeel in voldoende mate zullen bijdragen aan een meer
doelmatige bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening en
van sociale activering, alsmede aan de oordeelsvorming over
wijziging van de regelgeving ter zake;
b. een experiment naar zijn oordeel qua
aard en inhoud voldoende bijdraagt aan een meer doelmatige
bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening en van sociale
activering ten opzichte van andere experimenten;
c. de uit te voeren experimenten
betrekking hebben op personen die sedert één jaar of langer geen
arbeid in dienstbetrekking of in eigen bedrijf of zelfstandig
beroep hebben verricht;
d. de experimenten door de
gemeenten zijn omgeven met maatregelen ten behoeve van een goede uitvoering,
begeleiding en informatievoorziening voor de evaluatie;
e. door de gemeenten is voorzien in
voorlichting aan belanghebbenden omtrent hun rechten en plichten;
f. het verzoek de voortzetting
van een experiment waarvoor de gemeente op grond van artikel
144, eerste lid, van de
Algemene bijstandswet is aangewezen
betreft.
Art. 2a.
[Opschorting
vervaldatum experimenteerartikel] ¹
De periode, genoemd in artikel 147, eerste lid, van
de
Algemene bijstandswet, wordt met twee jaar verlengd.
1. Zie Besluit
van 28 juli 1999, Stb. 1999, 355, red.
Art. 3.
[Waarborgen tegen verdringing en doorkruising]
Door aan te wijzen
gemeenten uit te voeren
experimenten bevatten waarborgen tegen:
a. onaanvaardbare verdringing van andere
arbeid;
b. onaanvaardbare doorkruising van
hetgeen overigens geldt met betrekking tot de bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening;
c. onaanvaardbare doorkruising van
andere maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid;
d. oneerlijke mededinging jegens derden.
Art. 4.
[Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking met ingang van de
dag waarop de Algemene bijstandswet in werking treedt.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 3 juni 1995
BEATRIX
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de tweeëntwintigste
juni 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[3 juni 1995]
De algemene maatregel van bestuur
stelt regels met betrekking tot de beleidsinhoudelijke criteria voor de aanwijzing van
gemeenten tot
deelname aan experimenten op grond van
artikel 144 van de
Algemene bijstandswet (Abw). Regels voor wat
betreft criteria betrekking hebbend op de vorm van en de te volgen
procedures bij de experimenten kunnen, indien daar aanleiding toe bestaat,
worden gesteld bij ministeriële regeling overeenkomstig artikel
144,
zevende lid, van de Abw [zie Regeling verzoek tot
aanwijzing als experimenteergemeente, red.]. De daadwerkelijke aanwijzing tot
experimenteergemeente vindt plaats bij ministeriële beschikking. Gemeenten
kunnen slechts voor aanwijzing in aanmerking komen op hun verzoek en op basis van door de gemeente zelf
in te dienen voorstellen voor
experimenten die de activerende werking van de bijstand kunnen vergroten.
Hierbij gaan de gedachten uit naar het op experimentele basis uittesten van
alternatieve maatregelen waardoor bepaalde personen die geen recente
band met de arbeidsmarkt hebben én die niet of nauwelijks kansen hebben
op de arbeidsmarkt toch voor enigerlei vorm van activering in
aanmerking komen. Het uitgangspunt van de experimentsvoorstellen van de gemeenten moet zijn dat daarmee
enige verbetering in de situatie van
uitkeringsgerechtigden gerealiseerd zal worden, geredeneerd vanuit de
betrokken uitkeringsgerechtigden zelf.
Artikel 144 heeft tot doel het bij
wijze van experiment wegnemen van de wettelijke belemmeringen tegen het
werken of ondernemen van
activiteiten met behoud van uitkering
teneinde de haalbaarheid te onderzoeken van de sociale activering.
Aangewezen
gemeenten mogen dan bij wijze van experiment afwijken
van bepaalde artikelen van de Abw. Voorbeelden van mogelijke afwijkingen
van de Abw zijn onder andere: het verlenen van ontheffing van de sollicitatie- en arbeidsplicht, de
verplichting tot deelname aan
dienstverlenende activiteiten anders dan die rechtstreeks tot doel hebben
inschakeling in het arbeidsproces of tot vermindering of beëindiging van de
uitkering, de uitbetaling van de uitkering via andere organisaties, het
vrijlaten van premies voor andere activiteiten dan arbeid in loondienst,
het inschakelen van andere bemiddelende instanties dan Arbeidsvoorziening
[zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI),
red.] en ruimere mogelijkheden ten aanzien van de
bijstandverlening
aan zelfstandigen.
Overigens voorziet het
experimenteerartikel niet in financiering van welke kosten van de experimenten dan
ook, zodat hierin noch in deze algemene maatregel van bestuur, noch
in de eventuele ministeriële regeling uitwerking wordt gegeven.
Daarbij onderscheiden deze experimenten zich van de experimenten met de inzet
van uitkeringsgelden.
De experimentsvoorstellen van
gemeenten kunnen zich onder meer richten op het stimuleren van uitkeringsgerechtigden in een kansarme of
kansloze arbeidsmarktsituatie tot
deelname aan buurtgerichte activiteiten, aanvullende activiteiten in de
toezichtsfeer en andere vormen van dienstverlening met behoud van uitkering.
Door vanuit de
gemeenten een traject
ter stimulering tot deelname aan onbeloonde activiteiten met behoud van uitkering open te stellen, kunnen
twee doelen nagestreefd worden.
Enerzijds kan hierdoor een proces van toeleiding naar de arbeidsmarkt worden
ingezet. In dit geval gaat het om een voorbereidingsfase voor eventuele
vervolgtoeleidingstrajecten, als
onderdeel van een individueel
begeleidingstraject dat gericht is op het zoveel mogelijk verbeteren van de
arbeidsmarktkansen van betrokkene, ook al is dit op langere termijn. Via
stageachtige activiteiten kan deze weer wennen aan arbeidsritme en het werken
in teamverband. De nog aanwezige arbeidscapaciteit kan op
deze manier in stand worden gehouden en er vindt in elk geval geen
verdere achteruitgang plaats van die arbeidscapaciteit. Artikel 144 biedt daartoe aangewezen gemeenten
tijdelijk de mogelijkheid om bij wijze
van experiment deelname aan bedoelde dienstverlenende activiteiten
aan bepaalde personen als verplichting op te leggen. Dit kan
echter alleen als onderdeel van een individueel trajectplan in de richting
van een zelfstandige bestaansvoorziening. Het kabinet meent dat er aanleiding is
om bij wijze van experiment vast te stellen in welke
mate ook dit voor een meer algemene toepassing in de toekomst een
redelijke invulling is van de verplichting voor uitkeringsgerechtigden om al het
mogelijke te doen om uit de uitkeringssituatie te geraken, ook
wanneer dit een verder liggend perspectief is.
Anderzijds, voor diegenen van wie
verwacht kan worden dat toeleidingstrajecten in welke vorm dan
ook niet op afzienbare termijn tot uitstroom zullen leiden, kan deelname
aan maatschappelijk nuttige activiteiten bijdragen aan het
voorkomen en bestrijden van sociale uitsluiting. Het gaat er daarbij om
dat de bijstandsgerechtigde ingeschakeld wordt bij activiteiten
die kunnen bijdragen aan het voorkomen en het bestrijden van sociale uitsluiting en het doorbreken van
sociaal isolement. Gezien de geringe
kans op zelfstandige bestaansvoorziening ligt het in de rede om in deze
situaties slechts tot vrijwillige deelname te stimuleren. Een verplichtstelling is hierbij derhalve niet aan
de orde.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1
In verband met de vele onzekerheden
omtrent de aard, hoeveelheid en inhoud van de te ontvangen voorstellen voor experimenten en in verband
met de voor experimenten noodzakelijke
flexibiliteit wordt volstaan met algemene voorwaarden en regels met
betrekking tot de inhoud van de voorstellen. De voorwaarden en regels
zijn bepalend bij het selectie- en beoordelingsproces van de
experimentsvoorstellen.
Artikel 2
Onderdeel a: met de bepaling dat de
aangewezen experimenten naar verwachting in voldoende mate bij dienen te dragen aan een meer
doelmatige bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening en van sociale activering, alsmede aan de
oordeelsvorming over wijziging van de regelgeving ter zake, wordt beoogd dat
experimenten getoetst zullen worden op eventuele nationale
toepasbaarheid in een later stadium. Experimenten waarvan al op voorhand
vaststaat dat ze, vanwege de omvang of aard van de activeringsmaatregelen, niet voor definitieve
toepassing geschikt kunnen zijn,
zullen derhalve niet worden geselecteerd.
Met onderdeel b wordt beoogd een
zodanige diversiteit in de inhoud van het totaal van experimenten te
bewerkstelligen dat een te eenzijdig
experimenteren wordt voorkomen.
De bepaling onder onderdeel c heeft
betrekking op de doelgroep van de activeringsexperimenten. Hierbij is bepaald dat experimenten niet alleen
betrekking kunnen hebben op
bijstandsgerechtigden aan wie op grond van de Abw de arbeidsverplichting is
opgelegd, maar dat ook andere bijstandsgerechtigden, die niet of
nauwelijks kansen hebben op de arbeidsmarkt, toch voor enigerlei vorm
van activering in aanmerking komen, onafhankelijk van de duur van
de uitkeringstermijn. Hieronder kunnen dus eveneens worden begrepen
bijstandsgerechtigden die nog geen jaar bijstandsafhankelijk zijn,
maar wel minimaal één jaar geen arbeid in dienstbetrekking of in eigen
bedrijf of zelfstandig beroep hebben verricht. Het is van belang dat
experimentsvoorstellen duidelijk aangeven op welke doelgroepen de verschillende
activeringsinstrumenten van toepassing zullen zijn.
Onderdeel d bevat de voorwaarde dat
bij experimentsvoorstellen moet vaststaan op welke wijze invulling is
gegeven aan het beheer en de uitvoering van het experiment en de
voor (interim) eventuele noodzakelijke informatievoorziening. Het is
duidelijk dat een doorzichtige beheersstructuur van groot belang is teneinde de
experimenten te kunnen beoordelen en evalueren. Overigens
geldt hierbij dat in een deugdelijke evaluatie voorzien zal worden van
rijkswege. Onderdeel e heeft betrekking op de voorlichting die verstrekt dient
te worden aan de betrokken personen inzake hun rechten en plichten uit hoofde van de
activeringsmaatregelen.
Bij de beoordeling van voorstellen zal
hiermee rekening gehouden worden.
In principe zullen de
vier grote steden,
als cumulatiegebieden van achterstands- en
werkloosheidsproblemen die zeer urgent tot oplossingen dwingen, op hun verzoek bij
voorrang in
aanmerking komen voor experimenten. Daarnaast kunnen ook
andere
gemeenten voorstellen tot experimenteren indienen. Criteria die
dan een rol spelen bij de beoordeling van voorstellen betrekking hebbend op
kleinere gemeenten zijn een gewenste mate van regionale spreiding
en spreiding naar inwonertal in relatie tot de schaalgrootte van het
experiment. Dit is bepaald in artikel 2, tweede lid. Hiermee wordt echter de
mogelijkheid tot experimenteren in gemeenten met een geringe regionale afstand tot elkaar
óf met een
vergelijkbaar inwonertal niet op
voorhand uitgesloten als diversiteit in aard en inhoud van het experiment toch
aanleiding geven tot simultane selectie. De aard en inhoud van het
experiment zijn in dat geval dan zwaarwegender criteria dan de
regionale spreiding en het inwonertal.
Artikel 3
De voorstellen zullen in de eerste
plaats beoordeeld worden op de wijze waarop in het experiment waarborgen
ingebouwd gaan worden tegen onaanvaardbare verdringing van andere
arbeid. Hierbij kan dan, los van de verdringing van reguliere arbeid,
eveneens gedacht worden aan de verdringing van onbetaalde of gesubsidieerde arbeid. Het is niet de
bedoeling dat vrijwilligers af moeten
zien van hun onbetaalde werkzaamheden als gevolg van de inzet van de uitkeringsgerechtigden op hun
posities. Ook zal onaanvaardbare
vervalsing van het gemeentebudget als gevolg van de inzet van
uitkeringsgerechtigden bij onbeloonde activiteiten met behoud van uitkering
vermeden
dienen te worden. Het gaat hierbij dan om activiteiten die voorheen uit
het gemeentebudget werden gefinancierd, maar als gevolg van
bezuinigingsronden en taakstellingen uit het gemeentelijk takenpakket
verdwenen zijn. De experimentsvoorstellen zullen aanwijzingen moeten bevatten
omtrent de wijze van aanpak ter voorkoming van de
budgetvervalsing. Ook zullen
gemeenten aan moeten geven hoe strijdigheid
tussen experiment en ander werkgelegenheidsbeleid inclusief de concurrentie met andere
instrumenten
ter bevordering van de werkgelegenheid
wordt voorkomen. Het uitgangspunt blijft dat de prioriteit
ligt bij uitstroom naar in de eerste plaats reguliere arbeid, waaronder de
in de regeringsverklaring aangekondigde 40 000 extra arbeidsplaatsen
[zie Regeling in- en doorstroombanen
langdurig werklozen, red.]. In de
tweede plaats bij inschakeling in additionele arbeid. Ook dienen de
voorstellen gegevens te bevatten omtrent de wijze waarop
concurrentievervalsing jegens derden zal worden tegengaan.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|