|
BESLUIT van 1 december 1995,
houdende regels tot verruiming van het begrip passende arbeid voor
schoolverlaters en academici (Besluit passende arbeid
schoolverlaters en academici)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
gedaan mede namens de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 5 oktober 1995, Directie Sociale Verzekeringen, nr.
SV/WV/95/2556;
Gelet op artikel
24, vierde lid, van de Werkloosheidswet, artikel
113, vijfde lid, van de Algemene
bijstandswet,
artikel 35, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel
35,
vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
Gezien het advies van het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming van 20 september 1995 en het
advies van de Commissie Sociale Voorzieningen van de Sociaal-Economische
Raad van 08 september 1995;
De Raad van State gehoord (advies van 2 november
1995, nr. W12.95.0540);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uitgebracht mede namens de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 november
1995, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/95/5094;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
[Definitie schoolverlater en
academicus]
-1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. academicus: de persoon die
met goed gevolg een doctoraal examen of een afsluitend examen van
een masteropleiding aan een instelling van wetenschappelijk
onderwijs heeft afgelegd;
b. schoolverlater: de persoon
die de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of beroepsopleiding
op grond waarvan aanspraak bestond op studiefinanciering
op grond van de
Wet
studiefinanciering 2000 dan wel op
kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet, zolang
een periode van drie jaar niet is verstreken, te rekenen vanaf:
1º. de
eerste dag van de maand waarin geen aanspraak meer bestaat op
bedoelde studiefinanciering; onderscheidenlijk
2º.
de eerste dag van de maand volgend op die waarin het onderwijs of
de beroepsopleiding daadwerkelijk is beëindigd.
-2. Niet als schoolverlater als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt aangemerkt de
persoon die na het beëindigen van onderwijs of beroepsopleiding
ter zake van arbeid verricht als werknemer, voldoet aan de
voorwaarde, bedoeld in
artikel 17 van de Werkloosheidswet,
of gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 26 weken
zelfstandig in zijn bestaan heeft voorzien. De eerste zin is niet
van toepassing indien die arbeid is verricht in het kader van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet werk en bijstand.
Art. 2.
[Arbeidsverplichtingen]
Dit besluit is van
toepassing op de werknemer, bedoeld in artikel
24, eerste lid, van de Werkloosheidswet, en
op de werknemer, bedoeld in artikel 30,
eerste lid, van de Ziektewet.
Art. 3.
[Criteria passende arbeid]
Of arbeid passend is, wordt in ieder geval
bepaald door:
a. de aard van de arbeid, in relatie tot
de eerder verrichte arbeid, een eerder uitgeoefend beroep of
opgedane werkervaring;
b. het opleidingsniveau van de persoon
op wie dit besluit van toepassing is;
c. de reistijd naar en van het werk;
d. het geboden loon; en
e. het werkloosheidsrisico.
Art. 4.
[Passende arbeid schoolverlater]
Voor een schoolverlater wordt wat betreft de
aard van de arbeid en het ervoor benodigde opleidingsniveau alle
arbeid als passende arbeid aangemerkt, tenzij het loon minder
bedraagt dan het wettelijk toegestane
minimum.
Art. 5.
[Passende arbeid academicus]
Voor een academicus, niet zijnde
schoolverlater, wordt vanaf de aanvang van zijn werkloosheid
arbeid waarvoor wetenschappelijk of hoger beroepsonderwijsniveau
is vereist als passende arbeid aangemerkt.
Art. 6.
[Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1
januari 1996.
Art. 7.
[Citeertitel]
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
passende arbeid schoolverlaters en academici WW en ZW.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 1 december 1995
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
Uitgegeven de negentiende december
1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[1 december 1995]
Algemeen
Eén van de voorwaarden voor het
ontvangen van een uitkering op grond van de Werkloosheidwet (WW), de
Algemene bijstandswet (Abw),
de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (loaw) en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (loaz) is dat passende arbeid gezocht en, indien
aangeboden, aanvaard wordt. In deze wetten (artikel
24, derde lid [vierde lid, red.], WW,
artikel
113, tweede lid, Abw,
artikel 35, tweede lid, loaw en artikel
35, tweede
lid, loaz) is een algemene omschrijving neergelegd van wat onder
het begrip passende arbeid moet worden verstaan. Als passend wordt
aangemerkt alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werkloze uitkeringsgerechtigde is
berekend, tenzij aanvaarding om
redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
gevergd. De in de wet gegeven begripsbepaling is ontleend aan de jurisprudentie en is in de loop der
jaren door die rechtspraak verder
ingevuld. In die rechterlijke uitspraken spelen de aard en het niveau van de
arbeid, het loon en de reisduur van en naar het werk een grote rol.
De criteria ten aanzien van de aard en
het niveau van het werk houden in dat iedereen die zich door
opleiding of werkervaring voor een bepaald beroep of voor arbeid op een bepaald
niveau heeft gekwalificeerd, na aanvang van de werkloosheid ongeveer
een halfjaar in de gelegenheid is om zich te richten op het vinden van
arbeid overeenkomstig dat bepaalde beroep of niveau. Na dit eerste
halfjaar dient men ook werk te zoeken en te accepteren op het dichtstbijzijnde
lagere niveau en zo verder, totdat alle arbeid qua aard en niveau passend is
geworden.
De uit de jurisprudentie afgeleide
criteria zijn neergelegd in de Richtlijn passende arbeid [zie Richtlijn
passende arbeid 1996, red.] die in mei 1992 aan
de uitvoeringsinstanties - gemeentebesturen, Sociale Verzekeringsraad (SVr)
[zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] en
Centraal Bureau voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] - is aangeboden met een verzoek om medewerking inzake deze richtlijn. Doel was het aan de
uitvoeringsinstanties
bieden van een aantal handvatten aan
de hand waarvan kan worden bepaald wat van een werkloze
uitkeringsgerechtigde in de regel kan worden verlangd betreffende het
aanvaarden van een werkaanbod.
Het kabinet is van mening dat de
beschermende werking van de jurisprudentie en de richtlijn met
betrekking tot het begrip passende arbeid voor academici en
schoolverlaters te groot is. In dit verband acht het kabinet het gewenst om
de
beschermende werking die van de jurisprudentie en de richtlijn uitgaat te doorbreken. Het voornemen daartoe heeft het kabinet bij
verschillende gelegenheden aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt. In dit verband
verwijst het kabinet naar de relevante passages in de memorie van toelichting en de nota naar
aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel houdende wijziging van de Werkloosheidswet en andere
wetten
(aanscherping referte-eisen WW; Kamerstukken II 1994-1995, 23 985, nrs.
3 en 5), en de toelichting bij de eerste nota van wijziging betreffende
het wetsvoorstel Herinrichting van de ABW (Algemene
bijstandswet; Kamerstukken II 1993-1994, 22 545, nr. 18).
Ten slotte is in het
regeerakkoord het
voornemen tot verruiming van het begrip passende arbeid aangekondigd. Met het onderhavige besluit wordt
de aanscherping van het begrip
passende arbeid voor academici en schoolverlaters gerealiseerd.
Het besluit is ook voor de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie van belang. Indien zij op grond van duidelijke
aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat geweigerd is passende arbeid te
aanvaarden of dat zelfs niet voldoende
wordt gesolliciteerd naar passende arbeid, is zij immers verplicht dit
oordeel schriftelijk ter kennis te brengen van de bedrijfsverenigingen of van
burgemeester en wethouders.
Handhaving van de uitgangspunten van
de Richtlijn passende arbeid
In de Richtlijn passende arbeid [zie Richtlijn passende arbeid 1996, red.] is een
integrale benadering van het begrip passende arbeid neergelegd. Als
in het bovenstaande reeds gemeld, werd de Richtlijn passende arbeid in mei 1992 aan de
uitvoeringsinstanties
aangeboden, met een verzoek om
medewerking. Uit een evaluatieonderzoek dat in 1994 is
afgerond, blijkt dat sedert de invoering van de Richtlijn passende arbeid niet
of nauwelijks veranderingen in het omgaan met passende arbeid zijn
opgetreden. De richtlijn passende arbeid wordt wel algemeen
onderschreven, maar onvoldoende toegepast. De uitvoerders bepalen de mate waarin
en het moment waarop de werkzoekende zich ruimer moet opstellen in veel gevallen aan de hand
van individuele factoren en de
situatie op de arbeidsmarkt. De inschatting van de motivatie van betrokkene en
diens kansen op werk spelen hierbij een grote rol.
Het kabinet blijft het uitgangspunt
van de richtlijn onderschrijven dat de gehanteerde criteria voor hetgeen
als
passende arbeid moet worden beschouwd, ruimer dienen te worden
gehanteerd naarmate de werkloosheid langer duurt of wanneer
om andere redenen het werkloosheidsrisico daartoe aanleiding
geeft. Periodieke herijking van de positie van de betrokkene is derhalve
noodzakelijk. Een te zwaar accent op de beschermende werking van het begrip
passende arbeid doet de kansen op uitstroom naar de arbeidsmarkt van
de werkloze uitkeringsgerechtigde afnemen.
Gezien het bovenstaande heeft het
kabinet zich beraden over de vraag of het mogelijk en wenselijk zou zijn
de in de richtlijn opgenomen criteria alle bindend vast te leggen in de
voorliggende AMvB. Het kabinet is daarbij tot de conclusie gekomen dat
een dergelijke uitputtende regeling niet goed mogelijk of wenselijk is.
Belangrijkste reden hiervoor is dat wat in een individueel geval passend kan
worden geacht, in hoge mate afhangt van de situatie waarin de
werkloze verkeert (welke opleiding en werkervaring heeft hij, hoe lang is
hij werkloos, hoe oud is hij, etc.) in relatie tot het karakter van en de
voorwaarden verbonden aan het in principe voor hem beschikbare werk. De
regels in de richtlijn geven dan ook slechts criteria op grond waarvan
kan worden vastgesteld of een concreet arbeidsaanbod voor een
bepaalde werkloze passend kan worden geacht, dan wel op grond waarvan
soorten arbeid kunnen worden geduid waarnaar de werkloze zou moeten
solliciteren. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kunnen
bepaalde criteria in de richtlijn buiten beschouwing blijven, kan aan
sommige criteria een groot belang worden gehecht of kunnen criteria met
elkaar worden gecombineerd. Vertaling van deze criteria in
bindende regels op grond waarvan in alle situaties zonder interpretatie door de
uitvoering precies kan worden vastgesteld welk werk op enig moment
voor een individuele werkloze passend is te achten, zou een veel te
grof en rigide systeem doen ontstaan. Geen rekening zou immers
meer kunnen worden gehouden met de individuele omstandigheden van het
geval. Gevolg daarvan zou bijvoorbeeld zijn dat een werkloze
voor wie een arbeidsaanbod volgens de huidige richtlijn bezien passend
zou kunnen worden geacht, met een beroep op de nieuwe regels ieder
arbeidsaanbod dat volgens die regels (net) niet passend zou zijn, zou
kunnen afslaan.
Het kabinet heeft dan ook besloten de
regelgeving in de voorliggende algemene maatregel van bestuur te
beperken tot verruiming van het begrip passende arbeid voor schoolverlaters en academici met
werkervaring. Om de richtlijn te laten
sporen met de voorliggende AMvB, zal de richtlijn worden aangepast,
waarna deze aan de betrokken uitvoeringsinstanties (bedrijfsverenigingen,
gemeenten en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie) zal
worden gezonden. In de aangepaste richtlijn zal tevens aandacht worden besteed aan mogelijkheden voor de
uitvoeringsorganisaties om de
richtlijn intensiever toe te passen [zie Richtlijn
passende arbeid 1996, red.].
Wijziging in verband met
schoolverlaters
Op 15 november 1994 heeft het
kabinet,
conform een in de Beleidsbrief ABW (Kamerstukken II 1993-1994, 22 545,
nr. 14, blz. 25 en 26) opgenomen voornemen, vermindering van de beschermende werking van het begrip
passende arbeid voor personen zonder
arbeidsverleden overwogen. Dit vanuit de overweging dat, gezien de
ontwikkeling van de werkloosheid, meer activerende elementen in de werkloosheidsregelingen dienen te
worden opgenomen. Onnodige
belemmeringen voor arbeidsinpassing dienen te worden tegengegaan. In dit
kader kwam het kabinet tot de conclusie dat voor schoolverlaters
(inclusief afgestudeerden van de universiteit of het hoger beroepsonderwijs) in ieder geval alle arbeid, qua
aard en niveau, passend moet worden
geacht. Het kabinet oordeelde een dergelijke wijziging gerechtvaardigd,
omdat schoolverlaters nog geen arbeidsverleden hebben opgebouwd,
terwijl ook vermeden moet worden dat het ontvangen van een uitkering
als een normale situatie wordt beschouwd. De kans op het vinden van
werk neemt immers af met de duur van de werkloosheid. Bovendien moet voorkomen worden dat het
opleidingsniveau een belemmering vormt
voor het verkrijgen van betaalde arbeid.
Wijziging in verband met academici
De genoemde kabinetsvoornemens
behelsden tevens de maatregel voor academici (met werkervaring) om
hen reeds bij aanvang van de werkloosheid te verplichten niet alleen werk op academisch niveau, maar
ook op HBO-niveau te zoeken en te
accepteren. Tot nog toe gold op grond van de richtlijn het uitgangspunt dat
academici zich gedurende ongeveer het eerste halfjaar van hun werkloosheid mochten beperken tot het
zoeken naar en accepteren van werk op
academisch niveau. Deze situatie is ongewenst omdat de kans op vinden
van werk op HBO-niveau direct benut moet kunnen worden, zeker omdat
doorgroei naar het eigen, academische niveau vanuit een functie
op HBO-niveau goed mogelijk is.
Toetsing op misbruik, oneigenlijk
gebruik en handhaafbaarheid
Positieve effecten voor het tegengaan
van misbruik en oneigenlijk gebruik zullen gezien de aard van de
maatregel (scherpere maatstaven voor hantering van een begrip) wel voorkomen, maar relatief gering zijn.
Financiële gevolgen
De in het onderhavige besluit
vastgelegde aanscherping van het begrip "passende arbeid" voor
schoolverlaters en academici met werkervaring heeft in meer of mindere mate
effect
op de uitkeringslasten van de vier regelingen (WW,
Abw, loaw en loaz).
Het zwaartepunt van het effect van de aanscherping ligt bij de
schoolverlaters. Het effect valt dan ook vrijwel geheel toe te rekenen aan de Abw,
omdat een kenmerk van schoolverlaters is dat zij niet hebben gewerkt,
waardoor zij niet in aanmerking zullen komen voor een WW-uitkering. De
omvang van deze besparing is tentatief geraamd op ƒ2 miljoen,
hetgeen het effect is van een door het kabinet verwachte toename van het
aantal door de gemeenten op te leggen sancties, alsmede een te
verwachten effect vanwege een actiever zoekgedrag door betrokkenen.
Opgemerkt wordt overigens dat het
kabinet in de nota van wijziging op het voorstel van Wet boeten, maatregelen,
terug- en invordering sociale zekerheid (Kamerstukken II 1994-1995, 23
909) tevens een voorstel heeft neergelegd om de sanctie op het
weigeren van passende arbeid te vergroten. Voor de maatregel tot
aanscherping van de sancties passende arbeid is een effect geraamd van per
saldo ƒ13 miljoen, bestaande uit een besparing op uitkeringen WW,
Toeslagenwet, loaw en
loaz, waartegenover een weglek staat in de
vorm van hogere uitkeringslasten Abw.
Het totaaleffect van de maatregelen
tot aanscherping van het begrip passende arbeid voor schoolverlaters
en academici en de aanscherping van de sancties komt aldus op ƒ15
miljoen.
Adviezen
Aan de Commissie Sociale Voorzieningen
van de Sociaal-Economische Raad (SER), het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming
(Tica)
[zie Landelijk instituut sociale voorzieningen (Lisv) en vervolgens Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] en
het Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening is gevraagd om advies te geven over dit besluit.
De Commissie Sociale Voorzieningen van
de SER steunt het kabinet in de opvatting dat gestreefd moet worden naar een meer activerend
arbeidsmarkt- en socialezekerheidsbeleid. In de waardering voor het kabinetsvoorstel is de
Commissie
verdeeld. Het werknemersdeel en de leden van de VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.] meent dat het voorgenomen besluit noch voor de
betrokken werkzoekenden noch voor de
arbeidsmarkt enig voordeel van betekenis oplevert. Dit deel wijst op
het gevaar van verdringing van laagopgeleiden door hogeropgeleiden. Uiteindelijk zal dit vooral de
werkzoekenden aan de onderkant van de
arbeidsmarkt treffen. Sommige categorieën (meisjes, allochtonen)
zouden meer dan evenredig door de maatregel worden getroffen. Verder wijst de
Commissie op het gevaar van
kapitaalvernietiging en heeft zij
twijfels over de uitvoerbaarheid van de maatregel. Dit deel vreest dat in de
praktijk de maatregel zal gaan functioneren als een tamelijk
ongenuanceerd sanctiemiddel en dat de besparingen niet zullen worden gerealiseerd.
De werkgevers en de onafhankelijke
leden steunen de voorstellen van het kabinet. In een activerend arbeidsmarktbeleid is een aanbodgerichte
benadering op zijn plaats die uitgaat
van de verantwoordelijkheid van het individu om in eerste instantie door
arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien. Ook inschakeling van werkzoekenden op een lager niveau, en dit
geldt met name voor schoolverlaters,
kan een nuttige bijdrage leveren aan de ontwikkeling van betrokkenen en een
snelle instroom op de arbeidsmarkt bevorderen. Een zekere mate van verdringing is aanvaardbaar
indien daarmee langdurige werkloosheid
en uitkeringsafhankelijkheid kan worden voorkomen.
Het Tica komt tot de conclusie dat de uitvoeringstechnische gevolgen
voor de bedrijfsverenigingen/uitvoeringsinstellingen, als het alleen gaat
om de verruiming van het begrip
passende arbeid voor schoolverlaters en academici, beperkt zijn. Daarbij is
ervan uitgegaan dat de aangekondigde wijzigingen van de richtlijn niet meer
inhouden dan hetgeen met de AMvB wordt bewerkstelligd. Dit geldt evenzo
voor de aangekondigde intensivering van de toepassing van de richtlijn.
Het Tica legt sterk de nadruk op voorlichting aan de cliënt en de
medewerkers. Door het geven van goede voorlichting en de bekendheid met het
feit dat op het niet nakomen van de verplichtingen uit de richtlijn
en/of de AMvB een (zware) sanctie staat, wordt bereikt dat het zoek- en
sollicitatiegedrag vaak uit eigen beweging al wordt bijgesteld.
De adviezen van het Tica en de Commissie Sociale Voorzieningen van de SER hebben geen aanleiding gegeven
het besluit aan te passen. Het kabinet onderkent dat het door de Commissie Sociale Voorzieningen gesignaleerde gevaar van verdringing
zich in zekere mate zal voordoen. De hieraan verbonden nadelen wegen
echter naar de mening van het kabinet niet op tegen de voordelen van
een activerende werking die van dit besluit uitgaat. Hierdoor wordt
voorkomen dat het hebben van een opleiding een belemmering vormt voor
instroom op de arbeidsmarkt. Het kabinet merkt op dat het verschijnsel van verdringing inherent is aan een
ruime arbeidsmarkt en mede veroorzaakt
word door de stijging van het gemiddelde opleidingsniveau van de
Nederlandse bevolking en de daarvan afwijkende vraag op de arbeidsmarkt.
Goede voorlichting is ook naar de
mening van het kabinet van groot belang om het gewenste effect van de
AMvB te bewerkstelligen.
Artikelsgewijs
Artikel 1
In dit artikel worden de begrippen
"schoolverlater" en "academicus" gedefinieerd. Bij de definitie van schoolverlater is aansluiting gezocht bij
de voorheen in artikel 1a, eerste lid,
van het Bijstandsbesluit landelijke normering gehanteerde begripsbepaling,
zij het dat de termijn gedurende welke men als schoolverlater wordt aangemerkt op drie jaar is gesteld.
De status van schoolverlater vervalt
voor degene die voldoet aan de zogenaamde "wekeneis" van de Werkloosheidswet, dat wil zeggen na het
verlaten van het onderwijs of de
beroepsopleiding in een periode van 39 weken in ten minste 26 weken arbeid
als werknemer heeft verricht. Het verrichten van arbeid in een
dienstbetrekking als bedoeld in de Jeugdwerkgarantiewet [zie Wet
inschakeling werkzoekenden,
red.] kan de status van
schoolverlater overigens niet doen vervallen. Ook indien men niet
aan de wekeneis voldoet, kan de status van schoolverlater vervallen.
Dit is het geval indien men gedurende een aaneengesloten periode van
minimaal 26 weken arbeid heeft verricht als gevolg waarvan men zelfstandig in
het bestaan heeft kunnen voorzien. Deze laatste regel zal vooral van
belang zijn voor personen die gewerkt hebben als zelfstandige.
De termen "doctoraal examen" en
"instelling van wetenschappelijk onderwijs" die in de definitie van academicus zijn opgenomen, hebben
dezelfde betekenis als in de Wet op
het wetenschappelijk onderwijs.
Artikel 2
Dit artikel geeft een opsomming van de
personen ten aanzien van wie in het kader van passende arbeid verplichtingen (kunnen) worden gesteld.
Artikel 3
Aangaande de vraag of al dan niet
sprake is van passende arbeid dienen de in dit artikel opgenomen
criteria in ogenschouw te worden genomen. Deze criteria zijn afgeleid
uit de jurisprudentie ten aanzien van passende arbeid. Wat betreft het
criterium onder e (het werkloosheidsrisico) wordt nog het volgende opgemerkt.
Voor
de vraag wat passend kan worden geacht, zijn niet alleen (min of
meer) objectieve criteria als de aard van en de beloning voor het werk,
de opleiding van betrokkene of de reistijd naar en van het werk van
belang, maar ook subjectieve criteria. Het belangrijkste criterium (naast de
in de diverse wetten opgenomen criteria dat de arbeid niet passend is
indien deze om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale
aard niet gevergd kan worden) is de kans dat betrokkene, gezien zijn
individuele omstandigheden en de situatie op de arbeidsmarkt, langdurig
werkloos wordt of blijft. Naarmate dit zogenaamde "werkloosheidsrisico"
groter is, kunnen van betrokkene eerder concessies worden gevraagd ten aanzien van de aard en het
niveau van het werk, het loon voor het
werk en de reistijd.
Artikel 4
Ten aanzien van schoolverlaters wordt
wat betreft aard en niveau alle arbeid als passend aangemerkt, tenzij
het geboden loon minder bedraagt dan het wettelijk toegestane
minimum.
Voor de vaststelling van dat niveau zijn met name de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Wet arbeid gehandicapte werknemers van belang. Ook bij een
schoolverlater kunnen zich redenen van
lichamelijke, geestelijke of sociale aard tegen de aanvaarding van bepaalde
arbeid verzetten. Dit is in de onderliggende wet (artikel
24, derde lid
[zie vierde lid, red.], WW, artikel
113, tweede lid,
Abw,
artikel 35, tweede lid, loaw en artikel
35, tweede lid, loaz) reeds vastgelegd en wordt daarom niet in dit besluit
herhaald.
Artikel 5
Dit artikel stelt buiten twijfel dat
voor academici met werkervaring, naast arbeid op wetenschappelijk
niveau, ook arbeid op hogeronderwijsniveau al bij aanvang van de werkloosheid als
passend is te beschouwen.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
|
|