|
BESLUIT van 19 juni 1996,
houdende bepalingen met betrekking tot het opleggen van
maatregelen aan uitkeringsgerechtigden ingevolge de Abw,
Ioaw en Ioaz (Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de voordracht
van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, van 21 december 1995, Directie Bijstandszaken, nr.
BZ/VOL/95/4430;
Gelet op artikel 14,
vijfde lid, van de Algemene bijstandswet, artikel
20, zevende lid,
van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel
20,
zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
De Raad van State gehoord (advies van 24
januari 1996, nr. W12.95.0705);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 13 juni 1996, Directie
Bijstandszaken, nr. BZ/VOL/96/415;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
[Definities]
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Abw: Algemene
bijstandswet;
b. vervallen;
c. vervallen;
d. bijstand: de norm, bedoeld
in de paragrafen 3.2 en 3.3 van de
Wet werk en bijstand;
e. vervallen;
f. vervallen.
Art. 2.
[Afstemming maatregel op omstandigheden en
verwijtbaarheid]
Burgemeester en wethouders nemen bij de toepassing van artikel
14, eerste lid, van de Abw de bepalingen van dit besluit in acht,
onverminderd artikel 14, tweede en derde lid, van de
Abw.
Art. 3.
[Rangschikking gedragingen naar ernst feit
m.b.t. Abw]
De gedragingen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Abw,
worden onderscheiden in de volgende categorieën:
1. eerste categorie:
a. het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, dan wel de inschrijving niet of
niet tijdig doen verlengen;
b. het niet binnen de door burgemeester en wethouders
daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie die van belang
is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan;
2. tweede
categorie:
a. het niet naar vermogen trachten arbeid in
dienstbetrekking te verkrijgen;
b. het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep
om, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;
c. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan
een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid,
dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of
opleiding;
3. derde categorie:
a. gedragingen die de inschakeling in de arbeid
belemmeren;
b. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan
een voor de inschakeling in de arbeid noodzakelijk geachte scholing of opleiding, dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening
bevorderen;
4. vierde categorie:
a. het niet aanvaarden van passende arbeid;
b. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in
dienstbetrekking.
Art. 4.
Vervallen.
Art. 5.
[Vaststelling maatregel m.b.t. Abw]
-1. De weigering, bedoeld in artikel
14, eerste lid, van de Abw,
wordt vastgesteld op:
a. 5 procent van de bijstand gedurende
één maand bij
gedragingen van de eerste categorie;
b. 10 procent van de bijstand gedurende
één maand bij
gedragingen van de tweede categorie;
c. 20 procent van de bijstand gedurende
één maand
bij gedragingen van de derde categorie;
d. 100 procent van de bijstand gedurende
één maand
bij gedragingen van de vierde categorie.
-2. De periode van weigering van de bijstand, genoemd in het
eerste lid, wordt verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen
twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit
dezelfde of een hogere categorie.
Art. 6. Vervallen.
Art. 7.
[Intrekking Sanctiebesluit Abw, Ioaw en
Ioaz]
Het Sanctiebesluit Abw, Ioaw en Ioaz wordt ingetrokken.
Art. 8.
[Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de
artikelen IX, X en XI van de Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248, (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid) in werking treden.
Art. 9.
[Citeertitel]
Dit besluit wordt aangehaald als: Maatregelenbesluit Abw, Ioaw
en Ioaz.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 19 juni 1996
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de negende juli 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[19 juni 1996]
Algemeen
Inleiding
Het
onderhavige besluit bevat een normering met betrekking tot op te leggen
maatregelen in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw) en de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz). Het betreft hier een normering van de hoogte van
de maatregelen en de ernst van het feit met betrekking tot het niet of
niet tijdig nakomen van verplichtingen in het kader van de bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening. Het gaat daarbij voornamelijk om verplichtingen, bedoeld in
hoofdstuk VIII
van de Abw respectievelijk hoofdstuk
III van de Ioaw en de Ioaz.
Het voorliggende besluit wijkt op twee
onderdelen af van de huidige sanctiebepalingen uit het
Sanctiebesluit Abw, Ioaw en Ioaz (Stb. 1995, 462) dat op dezelfde dag als de
Abw in
werking
is getreden.
Dit betreft in de eerste plaats een
aanscherping van het maatregelenregime met betrekking tot de Ioaw en
Ioaz ten
opzichte van de huidige situatie. In de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid waarmee voorliggend besluit
samenhangt, is, in navolging van scherpere maatregelen in de Werkloosheidswet, in de Ioaw en Ioaz bepaald dat bij verwijtbare
werkloosheid en het weigeren van passende arbeid de uitkering ingevolge de Ioaw
respectievelijk de Ioaz geheel blijvend geweigerd zal worden naar de
mate waarin de belanghebbende uit of in verband met deze arbeid
inkomen had kunnen verwerven. In het geval belanghebbende niet in overwegende mate het
beëindigen van de
dienstbetrekking kan worden verweten
wordt 50 procent van dat inkomen gekort gedurende 26 weken.
De genoemde gedragingen zijn als
wettelijke gronden voor het opleggen van een maatregel opgenomen
in artikel 20, eerste en tweede lid, van de Ioaw respectievelijk
artikel 20, tweede en derde lid, van de Ioaz. Het betreft hier gedragingen die in
het thans vigerende Sanctiebesluit Abw, Ioaw en Ioaz overeenkomen met de
gedragingen van categorie 4. Nu deze gedragingen in de Ioaw en Ioaz een wettelijke grondslag hebben
gekregen, is in het voorliggende
besluit categorie 4 komen te vervallen voor wat betreft de
maatregelentoepassing in het kader van de Ioaw en de Ioaz.
In de tweede plaats voorziet
voorliggend besluit met betrekking tot de Abw in een verzwaring van de op te
leggen maatregelen bij gedragingen uit de vierde categorie. De
maatregelen bij gedragingen in de eerste tot en met de derde categorie blijven
ongewijzigd.
De wijziging houdt in dat de bijstand
geheel geweigerd zal worden gedurende één maand als men door eigen
toedoen arbeid verliest (verwijtbare werkloosheid) of nalaat passende arbeid te aanvaarden. In
het huidige Sanctiebesluit Abw, Ioaw
en Ioaz is de verlaging op grond van deze gedragingen gesteld op 20%
van de uitkering gedurende twee maanden.
Het kabinet acht deze aanscherping
wenselijk als het gaat om verwijtbaar gedrag dat zeer concreet
heeft geleid tot het niet verkrijgen of behouden van arbeid waarmee de belanghebbende geheel of ten dele
zelfstandig in het levensonderhoud zou
hebben kunnen voorzien. Hierdoor wordt een betere afstemming
bereikt op de algemene aanscherping van het sanctiestelsel in
de sociale zekerheid zoals deze zijn neerslag heeft gekregen in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid. Daarbij
is overwogen dat in het kader van de Abw geen sprake kan zijn van een
doorwerking van de maatregel van een blijvende gehele weigering in de WW,
Ioaw en Ioaz vanwege de bijzondere positie van de Abw als
sluitstuk binnen het stelsel van sociale zekerheid. Anderzijds mogen de
effecten van maatregelen in het kader van de WW, Ioaw en Ioaz niet zonder
meer in de Abw teniet gedaan worden. Ook in de Abw geldt het
uitgangspunt dat verwijtbare gedragingen moeten leiden tot het opleggen van
maatregelen, zij het dat steeds per geval moet worden bezien of en in
welke mate een weigering van bijstand op zijn plaats is, mede
afhankelijk van de persoonlijke en gezinsomstandigheden.
De noodzaak en de wenselijkheid van
centrale regelgeving met betrekking tot het sanctiebeleid werd
met het oog op de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid door de meerderheid van de
Commissie Sociale Voorzieningen van de
SER [Sociaal-Economische Raad, red.] in
zijn advies van 13 december 1991 onderschreven. In het
voorliggende besluit wordt een kader voor het maatregelenbeleid
geboden dat rechtsgelijkheid en rechtszekerheid biedt zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de
mogelijkheid tot individualisering.
Voor individualisering blijft ondanks de normering in dit besluit ruimte
bestaan. artikel 14, tweede lid, Abw schrijft immers voor om de omvang en de duur
van de maatregel af te stemmen op de ernst van het feit, de
omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Op grond
van dat artikel kunnen derhalve, bij voorbeeld op grond van specifieke persoonlijke omstandigheden,
verschillen in opgelegde maatregelen
voorkomen.
Daarnaast hebben burgemeester en
wethouders de bevoegdheid wegens dringende redenen van het
opleggen van een maatregel af te zien. Deze bevoegdheid wordt hun gegeven in
artikel 14, derde lid [vierde lid, red.], van de
Abw en artikel
20, zesde lid, van de
Ioaw respectievelijk de Ioaz. Deze wettelijke bepalingen worden derhalve
niet door dit besluit ingeperkt.
Normering
De normering van de op te leggen
maatregelen bestaat uit een categorisering van gedragingen welke
betrekking hebben op het niet nakomen van de aan de uitkering verbonden verplichtingen.
Naargelang
de ernst van het verwijtbaar handelen
worden verschillende gestandaardiseerde maatregelen voorgeschreven. De categorisering van de
gedragingen corresponderend met de aan
de uitkering verbonden verplichtingen brengt in samenhang
met de genormeerde maatregelen tot uitdrukking welk gewicht aan het
niet voldoen van een bepaalde verplichting wordt toegekend. In die
zin zijn de verscheidene gedragingen geobjectiveerd en vatbaar voor een
standaardmaatregel.
Aan de indeling in categorieën ligt
het criterium ten grondslag dat de ernst van het feit toeneemt naarmate
het niet nakomen van een verplichting concretere gevolgen heeft
voor het verkrijgen van betaalde arbeid. Bij de beoordeling van de
ernst van het feit is derhalve onder meer van belang of sprake is van
onvoldoende eigen initiatief en de kansen op arbeidsinschakeling door eigen
toedoen
worden verminderd of zelfs teniet worden gedaan. Als voorbeeld kan
worden genoemd een negatieve opstelling tijdens de sollicitatie.
Een dergelijke gedraging geeft
aanleiding voor een lichtere maatregel dan wanneer sprake is van het weigeren
van aangeboden passende arbeid. In dat laatste geval wordt, evenals ingeval men door eigen
toedoen zijn arbeid niet behoudt, een
zeer concrete mogelijkheid om zelfstandig in het bestaan te voorzien
niet benut en is een zwaardere maatregel op zijn plaats.
In hoofdstuk VIII van de
Abw en
hoofdstuk III van de Ioaw en de Ioaz zijn de algemene, op activering gerichte
verplichtingen die aan de uitkering verbonden kunnen worden nader
uitgewerkt. Het opleggen van deze verplichtingen strekt ertoe het met
de wet beoogde doel zo goed mogelijk te verwezenlijken in het concrete, individuele geval. Ook een schending
van de verplichting uit artikel 70,
vierde lid, van de Abw (artikel
18, vierde lid, van de Ioaw en de Ioaz) valt
onder de op grond van voorliggend besluit te sanctioneren gedragingen.
Dit betreft de verplichting van de uitkeringsgerechtigde om een exemplaar
van de bijlage bij de beschikking waarin het actieplan ter vergroting
van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling is opgesteld, te ondertekenen en aan
burgemeester en wethouders te retourneren. Uit het verwijtbaar niet nakomen van deze
verplichting kan worden afgeleid dat
onvoldoende bereidheid bestaat om weer zelfstandig in eigen
levensonderhoud te voorzien. Evenzo is er een grond voor sanctie wanneer relevante
informatie voor de bijstandverlening of voorzetting daarvan niet wordt
verstrekt binnen de door burgemeester en wethouders gestelde
termijn.
De mate van verwijtbaarheid en de
omstandigheden van belanghebbende
Het geobjectiveerde belang van een
bepaalde verplichting voor de inschakeling in de arbeid kan niet in
alle gevallen onverkort de indicatie voor de maatregel zijn. De gemeentelijke uitvoerders houden met het
onderhavige besluit voldoende armslag
om in de praktijk maatwerk te leveren. Het besluit strekt er evenals
de overige landelijke regelgeving toe om eenheid in uitvoering te bereiken.
Het laat de gemeente echter de ruimte om bij de toe te passen maatregel rekening te houden met de
individuele omstandigheden van de
belanghebbende.
Daar in de Abw en de
Ioaw en Ioaz een
duidelijker kader is gecreëerd omtrent de rechten en plichten die
over en weer tussen uitvoerders en uitkeringsgerechtigde bestaan, zal het
nagenoeg niet meer kunnen voorkomen dat de belanghebbende niet
op de hoogte is van de aan de uitkering verbonden verplichtingen.
Zowel bij eerste toekenning als bij wijziging van de uitkering zijn burgemeester en wethouders op grond van
artikel 70 van de Abw onderscheidenlijk
artikel 18 van de Ioaw en
Ioaz verplicht om mededeling te doen van de
voor de belanghebbende geldende verplichtingen. Daarnaast
zullen ook de gemaakte afspraken in het kader van een activerings- of
trajectplan zoals bedoeld in het derde lid van die artikelen expliciet als
bijlage bij het besluit van burgemeester en wethouders vermeld worden, welke
bijlage door de belanghebbende dient te worden ondertekend.
Handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid
In de uitvoering zullen
gemeenten de
maatregelen tengevolge van de nieuwe normensystematiek van de Abw naar rato op de samengestelde
bijstandsuitkering (algemene norm en
gemeentelijke toeslag) moeten toepassen. Indien burgemeester en
wethouders besluiten tot het opleggen van een maatregel, dan wordt
deze op de in artikel 5 en 6 aangegeven bedragen en periodes vastgesteld. Het spreekt vanzelf dat
een goede registratie van de
maatregelbesluiten in de gemeentelijke administratie dient plaats te hebben.
Gekozen is voor een normering van de
maatregelen in een algemeen verbindend voorschrift teneinde ten
behoeve van de uitkeringsgerechtigden meer rechtszekerheid te bieden over de
hoogte en duur van mogelijke maatregelen. De handhaving
van de naleving van de aan uitkeringen verbonden verplichtingen
wordt hiermee bevorderd. De bepalingen bieden ook voor het
toezicht van rijkswege een meer eenduidig toetsingskader. Voorts zal
eveneens de rechterlijke toetsing in beroep door het vastomlijnde kader
van dit besluit worden vereenvoudigd.
Financiële consequenties
De aanscherping van sancties bij
verwijtbaar gedrag van bijstandsgerechtigden in de vorm van het volledig
weigeren
van de uitkering gedurende één maand ten opzichte van het huidige regime, dat een
korting mogelijk maakt van 20 procent
per maand gedurende twee maanden, leidt tot een marginale
vermindering van de bijstandsuitgaven.
Recent is een onderzoeksrapport "Straf of
stimulans" van het SGBO [Onderzoeks- en Adviesbureau van de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten BV, red.] uitgebracht dat binnen het Project
Evaluatie van het herziene Stelsel van sociale zekerheid plaatsvond. Uit
gegevens van dat onderzoeksrapport kan worden afgeleid dat binnen het
huidige bestand van bijstandsgerechtigden (Rww-ers) [Rww:
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, Stb. 1992, 377, red.]
naar schatting 2000 personen
zich aan verwijtbaar gedrag schuldig maken en
dus een korting op de uitkering krijgen. Bij het huidige regime komt
dat neer op een bedrag van circa ƒ600,- over twee maanden per bijstandsgerechtigde. Op jaarbasis
betekent dit een bedrag van circa ƒ1,2 mln aan lagere bijstandsuitgaven. Na de beleidswijziging zullen de
uitgaven maximaal ƒ1,8 mln lager uitvallen (geraamde opbrengst circa ƒ3
mln) dan thans het geval is. Het is niet uitgesloten dat gemeenten
als
uitvoerders tot een minder stringente toepassing van de strengere
sanctiemogelijkheid zullen besluiten en alleen in zeer evidente gevallen tot
de strenge sanctie overgaan. Daarom is niet te verwachten dat de maximale
uitgavenverlaging als gevolg van deze beleidsintensivering wordt
gehaald, zodat het effect van deze maatregel uitkomt op ƒ1,6 mln structureel.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 2
Zoals blijkt uit
artikel 14, tweede
lid, van de Abw respectievelijk artikel
20, vijfde lid [vierde
lid, red.], Ioaw en Ioaz moeten
burgemeester en wethouders de ingevolge dit besluit op te leggen
maatregelen afstemmen op de individuele omstandigheden van de
belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Het artikel brengt
mee dat burgemeester en wethouders dienen af te wijken van de hoogte of
de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel indien de individuele omstandigheden daartoe
aanleiding geven. Indien in de
specifieke situatie redenen zijn gelegen om een zwaardere maatregel toe te passen,
kan de maatregel hoger worden gesteld dan wel gedurende een langere periode gelden dan de
normmaatregel. Dergelijke omstandigheden kunnen zich bijvoorbeeld voordoen indien
de belanghebbende na
een intensief traject van scholing en begeleiding een daarop aansluitend
aanbod van passend werk weigert. Matiging van de hoogte of duur van de maatregel kan daarentegen
bijvoorbeeld gerechtvaardigd zijn op
grond van individueel bepaalde omstandigheden van financiële aard,
zoals hoge woonlasten of andere vaste lasten, waarin geen financiële tegemoetkoming mogelijk is. Indien door de persoonlijke omstandigheden de
normmaatregel te zwaar zou uitvallen, kan de maatregel in die
individuele situatie lager of gedurende een kortere periode worden toegepast.
Artikelen 3 en
4
Er worden voor de
Abw vier en voor de
Ioaw en Ioaz drie categorieën onderscheiden waarmee de gedragingen
van de uitkeringsgerechtigde worden gerangschikt naar de ernst van
het feit.
De vierde categorie is voor de Ioaw en
Ioaz komen te vervallen, omdat de in deze categorie omschreven gedragingen als afzonderlijke gronden
voor het opleggen van maatregelen in
de wet zijn opgenomen.
Bij de indeling in categorieën is
ervan uitgegaan dat de ernst van het feit toeneemt naarmate de gedraging
concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
betaalde arbeid.
De eerste categorie onder a betreft de
formele verplichting zich als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
[zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI),
red.] te doen inschrijven
en ingeschreven te doen blijven.
Indien hieraan geen gevolg wordt gegeven, kan arbeidsbemiddeling niet of
niet optimaal plaatsvinden, waardoor de kans op deelname aan arbeidsbevorderende activiteiten dan
wel op een betaalde baan wordt
verkleind.
Onderdeel b omvat de nieuwe
verplichting voortvloeiend uit de in de Abw, Ioaw en Ioaz geregelde plannen
met betrekking tot de arbeidsinschakeling. De uitkeringsgerechtigde is verplicht
om zijn individuele activeringsplan, dat in overleg met de
sociale dienst en het arbeidsbureau [zie Centrum
voor werk en inkomen (CWI), red.] is opgesteld, voor gezien te
ondertekenen en te retourneren aan burgemeester en wethouders, zodat geen misverstand
kan ontstaan over de verplichtingen die over en weer
gelden.
De tweede categorie betreft de
verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt in ruime zin. Naast
het voldoen aan oproepen om op een aangegeven plaats en tijd te
verschijnen, gaat het hierbij om activiteiten van de uitkeringsgerechtigde
zelf
gericht op een zo snel mogelijke inschakeling in het arbeidsproces,
zoals voldoende sollicitaties op eigen initiatief naar geschikte arbeid.
In de derde categorie gaat het om
gedragingen die direct aanleiding vormen tot een beroep op uitkering of
het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het gaat hierbij
zowel om niet-verantwoorde beperkingen die de belanghebbende
stelt ten aanzien van de voor hem of haar aanvaardbare arbeid als om
gedragingen die de kansen op arbeidsinschakelingen verminderen.
Negatieve gedragingen kunnen onder meer tot uitdrukking komen in de
wijze waarop de belanghebbende zich bij een sollicitatie opstelt. Ook
is het niet of onvoldoende meewerken aan de uitvoering van het concrete
plan gericht op een vergroting van de arbeidsmarktkansen van de betrokkene
in deze categorie opgenomen. Het niet of onvoldoende meewerken aan een
verplicht gesteld inburgeringsprogramma valt eveneens onder de gedragingen uit
de derde categorie. Het opgestelde inburgeringsprogramma
is aan te merken als een aangewezen activiteit die de
zelfstandige bestaansvoorziening kan bevorderen.
De vierde categorie duidt op de
situatie dat geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om passende
arbeid, al dan niet in deeltijd, te aanvaarden teneinde de uitkeringsafhankelijkheid geheel of gedeeltelijk te
beëindigen.
Tot deze categorie wordt tevens
gerekend de situatie waarin op verwijtbare wijze door eigen toedoen voorafgaand aan de
bijstandsaanvraag
dan wel tijdens de bijstand - als
het gaat om deeltijdwerk - betaalde arbeid niet behouden wordt.
Artikel 5
De hoogte van de maatregel wordt
vastgesteld over de toegekende norm inclusief eventuele gemeentelijke
toeslag of verlaging. Hierdoor worden de consequenties van verwijtbaar gedrag over de hele
toegekende
bijstand geëffectueerd. Deze
systematiek komt overeen met die bij de Ioaw en
Ioaz waarbij een percentage
van de grondslag wordt geweigerd.
Toepassing van het percentage op
uitsluitend de bijstandsnorm enerzijds dan wel op de bijstandsnorm vermeerderd met de maximale
(fictieve) gemeentelijke toeslag
anderzijds, zou tot onaanvaardbare verschillen in de financiële
effecten van de opgelegde maatregelen kunnen leiden.
Indien burgemeester en wethouders
besluiten tot het opleggen van een maatregel, dan wordt deze op de in het
eerste lid van dit artikel aangegeven bedragen en periodes vastgesteld.
Indien er binnen één jaar na
een eerste verwijtbare gedraging sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag, wordt
de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
verdubbeling van de duur van de verlaging. Onder "eerste gedraging"
wordt in dit verband verstaan de eerste verwijtbare gedraging die voor burgemeester en wethouders
aanleiding is geweest een maatregel
toe te passen. Tot eerste gedraging wordt echter ook gerekend een
verwijtbare gedraging ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders op
grond van omstandigheden van belanghebbende of wegens dringende
redenen geen maatregel hebben opgelegd. Een goede registratie van de
sanctiebesluiten in de gemeentelijke administratie is dus vereist.
In het geval dat ten aanzien van de
vorige maatregel individualisering is toegepast, dient, afhankelijk van de
categorie, bij een herhaald verwijtbaar gedrag eerst de bij die categorie
voorgeschreven maatregel te worden gehanteerd en wordt de
standaardperiode van één maand verdubbeld. Vervolgens is op die maatregel
individualisering van toepassing. Er vindt dus geen verdubbeling plaats van de
geïndividualiseerde periode van de vorige maatregel.
Het kan zich voordoen dat
belanghebbende afkomstig is uit een andere gemeente
en op het moment van het
verwijtbaar gedrag nog geen twaalf maanden in de huidige gemeente
woonachtig is. Voor een goede uitvoering van dit besluit dient na te
worden nagegaan of mogelijk sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag
waarbij de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking moet worden gebracht
in een verdubbeling van de periode van weigering. Bij burgemeester en wethouders van de
gemeente van afkomst zal dan moeten
worden opgevraagd of binnen een periode van twaalf maanden gerekend vanaf
de huidige gedraging eerder verwijtbaar gedrag heeft
plaatsgevonden en welke maatregel zij toen hebben getroffen.
Artikel 6
Het recht op Ioaw en
Ioaz wordt
vastgesteld aan de hand van bruto grondslagen inclusief vakantiegeld.
Bij de toe te passen maatregelen wordt aangesloten op deze
brutosystematiek. De sanctiepercentages zijn
derhalve aan de brutogrondslag
gekoppeld.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|
|