|
BESLUIT van 2 juli 1996,
houdende regels omtrent de hoogte van op te leggen administratieve
boeten ingevolge de Algemene bijstandswet,
de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Besluit tarieven administratieve
boeten Abw, Ioaw en Ioaz)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid van 3 mei 1996, Directie Bijstandszaken, nr.
BZ/UB/96/2141;
Gelet op artikel 14a,
zesde lid, van de Algemene bijstandswet, artikel 20a, zesde
lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 20a,
zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
De Raad van State gehoord (advies van 23 mei
1996, nr. W12.96.0186);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 juni 1996, Directie
Bijstandszaken, nr. BZ/UB/96/2833;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
[Definities]
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Abw: Algemene
bijstandswet;
b. Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
c. Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. inlichtingenverplichting: de verplichting, bedoeld in
artikel 65, eerste lid, van de Abw,
artikel 13, eerste lid, van de
Ioaw of artikel 13, eerste lid, van de Ioaz;
e. fraudebedrag: het brutobedrag dat ten onrechte als
uitkering is verleend als gevolg van het niet of niet behoorlijk
nakomen van de inlichtingenverplichting.
Art. 2.
[Verplichting B&W inachtneming dit besluit]
Burgemeester en wethouders nemen bij de toepassing van artikel 14a, eerste lid, van de
Abw, onderscheidenlijk bij de
toepassing van artikel 20a, eerste lid, van de Ioaw en de
Ioaz, de bepalingen van dit besluit in acht, onverminderd
artikel 14a, tweede lid, van de
Abw, onderscheidenlijk 20a,
tweede lid, van de Ioaw en de Ioaz.
Art. 3.
[Hoogte boete]
-1. De boete wordt vastgesteld op 15% van het fraudebedrag, met
dien verstande dat zij op ten minste ƒ100,00 wordt gesteld.
-2. De boete wordt naar boven afgerond op een veelvoud van
ƒ25,00.
Art. 4.
[Verhoging boete bij recidive]
Indien de belanghebbende binnen twee jaar nadat een boete is
opgelegd opnieuw de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, wordt de boete, bedoeld in
artikel 3,
eerste lid, verhoogd met 50%.
Art. 5.
[Boete bij fraude zonder financieel voordeel]
De boete wordt vastgesteld op ƒ100,00 indien het niet of niet
behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting zonder financiële gevolgen is gebleven.
Art. 6.
[Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de
artikelen IX, X en XI van de Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248, (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid) in werking treden.
Art. 7.
[Citeertitel]
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tarieven
administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 2 juli 1996
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de vijftiende
augustus 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[2 juli 1996]
Algemeen
Inleiding
Het
onderhavige besluit bevat een normering met betrekking tot op te leggen
boeten in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw) en de
Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz). Het gaat om administratieve boeten die worden
opgelegd naar aanleiding van een schending van de in genoemde wetten voor de belanghebbende geldende
verplichting tot het verstrekken van
inlichtingen. Dat voor een zekere normering van de boeten is gekozen,
hangt samen met het feit dat het om een sanctie-instrument gaat dat in het
kader van de sociale zekerheid nieuw is. Enerzijds kan de normering
worden beschouwd als een handreiking voor de colleges van
burgemeester en wethouders, anderzijds wordt voorkomen dat al te grote
verschillen tussen gemeenten ontstaan.
Het voorliggende besluit strekt tot
uitvoering van de artikelen 14a Abw,
20a Ioaw en
20a Ioaz, welke zijn ingevoegd bij de Wet van 25 april 1996,
Stb. 1996, 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid; Kamerstukken II
1994-1995, 1995-1996, 23 909), hierna te noemen: de wet. Deze wetswijziging
maakt het mogelijk dat burgemeester en wethouders een boete opleggen
indien zij bij de uitvoering van de Abw, de
Ioaw of de Ioaz constateren
dat de belanghebbende zijn inlichtingenverplichting niet of niet
behoorlijk is nagekomen. Het voorliggende besluit beoogt rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te
bevorderen, zonder dat afbreuk wordt
gedaan aan de mogelijkheid tot individualisering. De verschillende
hoogten van de op te leggen boete, variërend naar de hoogte van het fraudebedrag en het al dan niet aan de
orde zijn van recidive, moet als een
min of meer dwingend richtsnoer worden beschouwd, met dien verstande
dat ervan wordt uitgegaan dat het van toepassing zijnde bedrag in de meeste gevallen als billijke boete
kan worden aangemerkt. Aan de opdracht
dat burgemeester en wethouders de hoogte van de boete
afstemmen op de ernst van de gedraging, op de mate waarin de
belanghebbende de gedraging verweten kan worden en op de omstandigheden waarin hij verkeert
(artikel 14a,
tweede lid, van de Abw en artikel 20a,
tweede lid, van de Ioaw en de Ioaz), doet dit besluit derhalve niet af.
Bovendien hebben burgemeester en wethouders eveneens de bevoegdheid van
het opleggen van een boete af te zien indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn (artikel 14a, derde
lid [vierde lid, red.], van de Abw en
artikel 20a,
derde lid [vierde lid, red.], van de Ioaw en de
Ioaz). Als voorbeeld kan worden gedacht aan
de situatie waarin schending van de inlichtingenverplichting samenloopt
met een opeenstapeling van financiële en sociale problemen en
waarbij het opleggen van een boete zou bijdragen tot bestendiging of
zelfs verergering van die problematiek.
Oplegging van administratieve boeten
De wet voorziet, zoals gezegd, onder
meer in wijziging van de Abw, de Ioaw en de
Ioaz met het doel
burgemeester en wethouders de mogelijkheid te bieden ten aanzien van
de belanghebbende een administratieve boete op te leggen indien deze zijn
inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk nakomt.
Dit is een uitbreiding van de
mogelijkheid om in de sfeer van de uitkeringen een (administratieve)
sanctie toe te passen. Deze uitbreiding houdt in beginsel tegelijkertijd
een
verplichting in. Het door de woorden "in beginsel" gesuggereerde
voorbehoud hangt niet alleen samen met de reeds genoemde bevoegdheid dat om
dringende redenen wordt afgezien van het opleggen van een boete. Het
houdt vooral verband met de omstandigheid dat het opleggen van een
administratieve boete één van de mogelijke reacties is op fraude in
de sfeer van de inlichtingenverplichting.
Hiernaast is immers de mogelijkheid
gehandhaafd om met toepassing van het klassieke strafrecht socialezekerheidsfraude te bestraffen.
Geen dubbele straf
De wet bepaalt dat het opleggen van
een administratieve boete niet aan de orde kan zijn zolang de eventueel
te beboeten gedraging door het openbaar ministerie wordt onderzocht.
Voorts bepaalt de wet dat het opleggen van een administratieve boete
definitief achterwege blijft indien ter zake van bedoelde gedraging tegen
de belanghebbende een strafvordering is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft
genomen, dan wel het recht tot
strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht (transactie). Dit betekent dat het bestaande beleid ten aanzien van
afhandeling van fraude met sociale uitkeringen (waaronder begrepen de inlichtingenfraude) kan worden
voortgezet. In dat beleid wordt ervan
uitgegaan dat de gemeenten en het openbaar ministerie afspraken maken
over de wijze waarop fraudezaken worden afgehandeld. Eén van de
elementen die hierbij aan de orde moeten komen, is de keuze welke zaken
zeker wel en welke zeker niet aan het openbaar ministerie worden
voorgelegd.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Onderdeel d
Hier wordt gedoeld op de verplichting
van de belanghebbende op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling te doen van alle
feiten en omstandigheden waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het
recht op uitkering, het geldend maken van dat recht, de hoogte of de
duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem
wordt betaald.
Onderdeel e
Het fraudebedrag is het bedrag dat ten
onrechte ten laste van de gemeente is gekomen. De afgedragen of
af te dragen loonheffing en premie dienen derhalve in het fraudebedrag begrepen te zijn.
Na terugbetaling door belanghebbende
van de ten onrechte genoten uitkering kan deze terugbetaling voor
de loon- en inkomstenbelasting worden aangemerkt als "negatief loon
uit vroegere dienstbetrekking", waarmee in het jaar van terugbetaling
bij de belastingheffing rekening gehouden kan worden.
Artikel 2
Dit artikel bevestigt allereerst de
wettelijke opdracht aan burgemeester en wethouders om een overtreding van
de inlichtingenverplichting niet ongestraft te laten passeren. Afhankelijk van de afspraken met het
openbaar ministerie zullen
burgemeester en wethouders de zaak aan het openbaar ministerie voorleggen ofwel
onmiddellijk zelf beboeten. In het eerste geval kan het openbaar
ministerie de zaak zelf afdoen of besluiten haar alsnog door burgemeester en
wethouders te laten afhandelen. Voor het geval waarin burgemeester en
wethouders daadwerkelijk tot beboeting over kunnen gaan, biedt het
onderhavige besluit de in de wet voorziene nadere regels. Deze nadere regels hebben betrekking op het
eerste en tweede lid van de artikelen 14a
van de Algemene bijstandswet en
20a van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen. In het bijzonder gaat het om regels die, gerelateerd
aan de hoogte van het fraudebedrag en aan de omstandigheid of er al dan
niet van recidive sprake is, de hoogte van de boete aangeven. De in de
artikelen 3, 4 en 5 aangegeven hoogte van de boete moet in hoge mate
als richtinggevend worden aangemerkt, in die zin dat behoudens
duidelijke contra-indicaties steeds de hier geregelde tarieven worden gehanteerd. Eerst wanneer
burgemeester
en wethouders in een concreet geval
van oordeel zijn dat de gegeven hoogte van de boete, gelet op
de ernst van de gedraging, de mate van de verwijtbaarheid en de
omstandigheden van de belanghebbende, niet redelijk of adequaat is, kunnen
zij hiervan afwijken, zowel naar boven als naar beneden. Deze mogelijkheid wordt opengelaten door de
zinsnede beginnend met "onverminderd". In de artikelleden waarnaar in die zinsnede wordt verwezen, is bepaald
dat de hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de
belanghebbende
de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert.
Daarnaast hebben burgemeester en
wethouders de bevoegdheid om dringende redenen van het opleggen van een boete af te zien.
Deze bevoegdheid wordt hun gegeven
door de artikelen 14a, derde lid [vierde lid, red.], van de
Abw, en 20a, derde lid
[vierde lid, red.], van de
Ioaw en de Ioaz. Deze wettelijke bepalingen worden derhalve niet door
dit besluit ingeperkt.
Artikel 3
Het eerste lid bepaalt de boete op 15%
van het ten onrechte ontvangen bedrag. Hiermee wordt aangesloten bij
het transactiebeleid van het openbaar ministerie. Is deze 15% lager
dan ƒ100,-, dan wordt de boete op ƒ100,- gesteld. De keuze voor dit
bedrag hangt samen met artikel 5. De maximaal op te leggen boete is
wettelijk bepaald op ƒ5000,- (artikelen 14a, eerste lid, van de
Abw, en
20a,
eerste lid, van de Ioaw en de Ioaz). Het huidig afdoeningsbeleid in aanmerking
nemend, zal het gekozen percentage nooit tot een boete leiden
die dit maximum evenaart of te boven gaat, ook niet in geval van
recidive (zie artikel 4). Bij fraudebedragen vanaf ƒ12 000,- vindt immers steeds
strafrechtelijke afdoening plaats.
Het tweede lid voorziet in een
afrondingsmethodiek.
Artikel 4
In dit artikel is bepaald dat
in geval
van herhaling van schending van de inlichtingenverplichting de volgens artikel 3 op te leggen boete met 50%
wordt verhoogd. Bij recidive is de
minimale boete derhalve ƒ150,-. Gezien de bewoordingen van de bepaling gaat
het niet enkel om de herhaling van schending van de
inlichtingenverplichting op dezelfde manier (bijvoorbeeld door het verzwijgen van inkomsten),
maar om
het niet of niet behoorlijk nakomen van die verplichting, hoe dan
ook. Om te kunnen vaststellen of er sprake is van recidive moeten
burgemeester en wethouders een periode van twee jaar in ogenschouw nemen.
Het feit dat recidive in principe moet
leiden tot een bepaalde verhoging van de normboete, maakt het noodzakelijk dat de
gemeenten
een
zodanige vastlegging van besluiten
inzake boeteoplegging inrichten dat onderkenning van recidive feitelijk
ook mogelijk is. Bij het onderzoek naar eerdere besluiten inzake
boeteoplegging wegens inlichtingenfraude zal in voorkomende gevallen ook een vorige
gemeente van uitkering moeten worden betrokken.
In het geval dat bij een eerdere
schending van de inlichtingenverplichting is geoordeeld dat op grond van de
individuele omstandigheden van de normboete moest worden
afgeweken, dient de verhoging wegens recidive van bedoelde normboete
te worden afgeleid en niet van de feitelijk opgelegde boete.
Overigens kan er ook bij recidive
aanleiding zijn van de verhoogde normboete af te wijken.
Artikel 5
Het kan zijn dat het niet of niet
behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting (nog) niet tot een financieel
voordeel
bij de belanghebbende heeft geleid op het moment dat het
feit wordt ontdekt. Het wordt niet redelijk geacht als uitgangspunt te
nemen dat in zo’n geval van fraude in het geheel geen boete wordt opgelegd.
Een boete van ƒ100,- wordt in zo’n situatie redelijk geacht. Ook
in deze situatie hebben burgemeester en wethouders echter de bevoegdheid te
oordelen dat, gelet op de ernst van de gedraging, de mate van
verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende, de boete lager
dan wel
hoger moet zijn.
De recidivebepaling van artikel 4
heeft op deze situatie geen betrekking. Dit laat echter onverlet dat
burgemeester en wethouders bij de vaststelling van de hoogte van de boete wel met recidive rekening kunnen
houden.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|
|