|
BESLUIT van 7 oktober 1996, houdende regels betreffende het
weigeren van vergoeding van kosten van bijstand en uitkeringen aan gemeenten
(Besluit weigering rijksvergoeding Abw, Ioaw en Ioaz)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van
Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 juli 1996, Directie Bijstandszaken,
nr. BZ/UB/96/3370;
Gelet op artikel 136, vierde lid, van
de Algemene bijstandswet, artikel
59, vierde lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
en artikel 59, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
De Raad van State gehoord (advies van
26 augustus 1996, nr. W12.96.0296);
Gezien het nader rapport van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 september 1996, Directie Bijstandszaken,
nr. BZ/UB/96/4171;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
[Definities]
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Abw: de Algemene
bijstandswet;
b. Ioaw: de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
c. Ioaz: de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. maatregel: het weigeren,
terugvorderen of verrekenen van rijksvergoeding als bedoeld in
artikel 134, eerste en tweede lid, van de Abw,
artikel 57, eerste
lid, van de Ioaw en artikel
57, eerste lid, van de
Ioaz;
e. rijksaandeel: het deel van de kosten
van bijstand, onderscheidenlijk uitkering, waarvoor het Rijk
krachtens de Abw, de Ioaw of de Ioaz vergoeding verleent.
Art. 2.
[Vaststelling bedrag maatregel]
In een geval als bedoeld in artikel 136, derde
lid, van de Abw, artikel
59, derde lid, van de Ioaw of artikel
59, derde lid, van de Ioaz stelt Onze Minister het bedrag van de
maatregel vast op het rijksaandeel in het bedrag dat in strijd met
het bij of krachtens die wetten bepaalde aan bijstand, onderscheidenlijk
uitkering, is verleend, dan wel niet is
teruggevorderd of verhaald. Indien geen toepassing is gegeven aan
artikel 14a van de Abw, artikel 20a
van de Ioaw of
artikel 20a van de Ioaz, stelt Onze Minister het bedrag van
de maatregel vast op het bedrag dat door de nalatigheid van de
gemeente niet ten bate van het Rijk komt.
Art. 3.
[Forfaitaire vaststelling bedrag
maatregel | Regeling forfaitaire percentages maatregelen Abw, Ioaw
en Ioaz]
-1. Indien in een geval als bedoeld in
artikel 136, derde lid, onderdeel b, van de
Abw, artikel
59, derde
lid, onderdeel b, van de Ioaw of artikel
59, derde lid,
onderdeel b, van de Ioaz het bedrag, bedoeld in
artikel 2,
niet kan worden vastgesteld, stelt Onze Minister
het bedrag van de
maatregel vast op een percentage van het totaalbedrag van de door
burgemeester en wethouders op grond van de desbetreffende wet over
het betrokken vergoedingsjaar gedeclareerde rijksvergoeding.
-2. Het in het eerste lid bedoelde percentage
is:
a. indien niet is voldaan aan het
bepaalde bij of krachtens paragraaf 2,
3, 4, 5 en
6 van hoofdstuk
V van de Abw, artikel 13 tot en met 19 van de Ioaw of
artikel 13
tot en met 19 van de Ioaz: ten hoogste 3;
b. indien niet is voldaan aan het
bepaalde bij of krachtens artikel 111 van de
Abw, artikel 34 van
de Ioaw of artikel 34 van de Ioaz: ten hoogste 2;
c. indien niet is voldaan aan het
bepaalde bij of krachtens artikel 117 van de
Abw, artikel 41 van
de Ioaw of artikel 41 van de Ioaz: ten minste 0,5 en ten hoogste
3;
d. indien niet is voldaan aan het
bepaalde bij of krachtens artikel 118 van de
Abw, artikel 42 van
de Ioaw of artikel 42 van de Ioaz: ten hoogste 2.
-3. Indien de tekortkoming, bedoeld in het
eerste lid, betrekking heeft op een deel van het vergoedingsjaar,
wordt het bedrag van de maatregel naar evenredigheid vastgesteld.
-4. Bij ministeriële regeling worden met
betrekking tot het tweede lid nadere regels gesteld. [RfpmAII]
Art. 4.
[Afzien van maatregel |
Ministeriële regeling afzien van maatregel]
-1. Onze Minister
kan besluiten van een
maatregel af te zien indien de tekortkoming, bedoeld in artikel
136, derde lid, van de Abw, artikel
59, derde lid, van de Ioaw of
artikel 59, derde lid, van de Ioaz:
a. van bijzondere aard of geringe
betekenis is; of
b. de gemeente zich naar het oordeel van Onze Minister voldoende heeft ingespannen om
de tekortkoming op te heffen.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, nadere regels
worden gesteld.
Art. 5.
[Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
het wordt geplaatst.
Art. 6.
[Citeertitel]
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
weigering rijksvergoeding Abw, Ioaw en Ioaz.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 7 oktober 1996
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de negenentwintigste
oktober
1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[7 oktober 1996]
Algemeen
1. Inleiding
Artikel 136, derde lid, van de
Algemene bijstandswet (Abw) geeft Onze Minister
de mogelijkheid
rijksvergoeding te weigeren dan wel, indien rijksvergoeding reeds is betaald,
deze
geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of te verrekenen.
Overeenkomstige bepalingen zijn te vinden in artikel
59, derde lid, van de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (Ioaw) en artikel 59, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz). Van de bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt indien de
gemeente zich bij de uitvoering van de wet niet houdt aan de in de wet
gestelde eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid.
Deze mogelijkheid is aan Onze Minister
gegeven om over een effectief instrument te beschikken waarmee de uitvoeringspraktijk kan worden
bijgestuurd. Het is steeds de
bedoeling om de feitelijke uitvoeringspraktijk in overeenstemming te brengen met de
door de wetgever beoogde. Toepassing van de bevoegdheid tot het
weigeren van rijksvergoeding is er dan ook op gericht om de naleving van
de wet door de gemeente af te kunnen dwingen.
Daarnaast vervult de weigering
rijksvergoeding in het departementaal vaststellingsproces van
rijksvergoeding aan gemeenten een functie in het kader van een ordelijk financieel
beheer in relatie tot de uitvoering van de rijksbegroting.
Op grond van de betreffende
wetten
richt het aldus afdwingen van naleving zich op het eventueel
weigeren van rijksvergoeding bij:
- onrechtmatig verleende bijstand of uitkering;
- het niet voldoen aan met name
genoemde uitvoeringsvoorschriften die verband houden met het verlenen
van bijstand of uitkering, zoals de samenwerkingsverplichting met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
[zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI),
red.], eisen
aangaande de administratie en
fraudebeleid; en
- bijstand of uitkering die niet of
niet volledig is teruggevorderd of verhaald.
Uit de verwijzing naar de
activeringsdoelstelling blijkt dat bij de beoordeling van de aanvraag
rijksvergoeding ook doelmatigheidsaspecten van de wetsuitvoering worden
betrokken. Bij de toetsing van de rechtmatigheid is aan de orde of er
wetsconform is gehandeld. Indien gehandeld wordt in strijd met
doelmatigheidsaspecten die in wettelijke voorschriften zijn vervat, kan
derhalve eveneens rijksvergoeding worden geweigerd.
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake de weigering rijksvergoeding. Het integrale
karakter van de betreffende wetten en
de daaruit voortvloeiende opdracht houdt in dat de gemeente ernaar dient
te streven om zonder uitzondering de wet juist uit te voeren. Het kan desalniettemin voorkomen dat een
gemeente, bijvoorbeeld door
omstandigheden die op korte termijn niet te veranderen zijn, voor het dilemma komt
te staan prioriteiten te stellen in de uitvoering. Het is dan voor gemeenten van belang te weten welke
uitvoeringsaspecten in het bijzonder
van belang worden geacht voor een juiste uitvoering. De waardering van
dat belang kan blijken uit de grondslagen voor de weigering
rijksvergoeding, zoals die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
vastgelegd. Dit neemt niet weg dat indien een gemeente als gevolg van
een dergelijke prioriteitsstelling op een ander onderdeel tekortschiet,
de gemeente daarop wordt aangesproken.
Voorts leidt het kenbaar maken van de
regels voor de weigering rijksvergoeding er niet alleen toe dat
de gemeenten weten waar ze aan toe zijn, maar ook dat gemeenten in
vergelijkbare situaties overeenkomstig worden behandeld. Onze Minister
is
namelijk gebonden aan deze regels door deze bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te
leggen. Uit hoofde van rechtszekerheid
en waarborging van rechtsgelijkheid jegens gemeenten is ervoor gekozen om
deze mogelijkheid te benutten.
Bij de op grond van
artikel 146 van de Abw
voorziene evaluatie zal tevens aandacht worden besteed aan de doeltreffendheid en de effecten
van de bij en krachtens dit besluit
gestelde regels.
2. Uitgangspunten
Bij de totstandkoming van de
Abw is de
bestuurlijke verhouding tussen Rijk en gemeenten herijkt. Zo is ervoor gekozen om de gemeenten een grotere beleidsvrijheid in samenhang
met open geformuleerde wettelijke opdrachten te geven. Dit komt onder
meer tot uitdrukking in de verordeningsplicht ten behoeve van het
verlenen van toeslagen afgestemd op de mogelijkheden van uitkeringsgerechtigden om kosten te
delen. De mogelijkheden voor gemeenten
om gegevens van belanghebbenden te verifiëren, zijn aanzienlijk
uitgebreid.
Tevens vormt de vernieuwde
bestuurlijke verhouding het kader voor de toezichtsrelatie met de gemeenten. Het
Rijk zal in beginsel geen direct toezicht meer uitoefenen en slechts
vanuit de tweede lijn opereren. Dat houdt onder meer in dat de gemeenten
zelf zorg dragen voor getrouwe (gecertificeerde)
verantwoordingsinformatie over het uitvoeringsproces. Dat impliceert dat de gemeentelijke
organisatie zodanig is ingericht en functioneert dat tekortkomingen tijdig
worden gesignaleerd. Hiermee worden overigens geen beperkingen
aangebracht ten aanzien van de bron van de signalering van de tekortkoming. Dat de signalering logischerwijs
in de meeste gevallen uit de
gemeentelijke organisatie zelf voortkomt, neemt niet weg dat ook anderen, zoals
de rijksconsulent, de bij de gemeente fungerende accountant of een
extern adviseur op tekortkomingen kunnen wijzen. De vernieuwde
bestuurlijke verhouding is uiteraard niet zonder gevolgen voor de
wijze waarop Rijk en gemeenten met elkaar omgaan bij het oplossen van
die tekortkomingen. Zo was het onder de oude Algemene Bijstandswet
(ABW) gebruikelijk dat naar aanleiding van "actueel" onderzoek
de rijksconsulent in naam van de minister het initiatief nam om tot een
herstelproces te komen. In de nieuwe toezichtsrelatie past dat niet
meer. Het wordt thans dan ook primair als een gemeentelijke verantwoordelijkheid gezien om tot een
herstelproces respectievelijk een
verbetertraject te komen. Dit houdt niet alleen in dat de gemeente zelf daartoe het
initiatief neemt, maar dat ook tijdig doet. Als dan bij de vaststelling van de
rijksvergoeding duidelijk is dat de gemeente zich naar het oordeel van Onze Minister
voldoende heeft ingespannen om de tekortkomingen op te
heffen, biedt artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het
besluit de
mogelijkheid om ondanks de tekortkoming toch rijksvergoeding te verlenen.
Een andere belangrijke overweging is
de continuïteit van het beleid geweest, zoals dat van toepassing was
onder de ABW en zoals dat aan de Tweede Kamer is kenbaar gemaakt (Kamerstukken II 1991-1992, 22 300
XV, nr. 92 en
Kamerstukken II 1992-1993, 22
800 XV, nr. 18). Deze continuïteit wordt tot uitdrukking gebracht door
dezelfde beginselen die werden gehanteerd onder de ABW van toepassing
te verklaren onder de Abw.
Voor de weigering rijksvergoeding
leidt dat niet zozeer tot andere toepassingen alswel tot nieuwe
toepassingen, waar nieuwe elementen in de wet zijn opgenomen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het
"aanspreken" van de gemeente op de
samenwerkingsplicht met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of de
plicht tot het tijdig realiseren van uitvoeringsbeleidsplannen en
-verslagen.
Weigering rijksvergoeding heeft
betrekking op met onrechtmatige wetsuitvoering gemoeide kosten van algemene bijstand of uitkering
ingevolge de Ioaw of Ioaz. Uit de
betreffende wetten vloeit voort dat in het onderhavige besluit niet is uitgegaan
van een boetestelsel. De omvang van de weigering rijksvergoeding sluit
derhalve aan bij het financieel beslag van de onrechtmatigheid in de uitvoering. Slechts indien het
financieel beslag ook bij benadering
niet kan worden gekwantificeerd, wordt teruggevallen op een
normstelsel. Alsdan wordt het bedrag van de maatregel vastgesteld op een
percentage van de door het gemeentebestuur aangevraagde rijksvergoeding.
Dit doet
zich voor indien een directe relatie tussen tekortkoming en het
financieel beslag ontbreekt. Voor dit normstelsel wordt gestreefd naar een
onderling consistente verhouding tussen de forfaitaire weigeringspercentages in relatie tot de ernst van de
tekortkoming. Onder de ABW bleek ten
aanzien van bijvoorbeeld een te laat debiteurenonderzoek een relatief hoge forfaitaire weigering
rijksvergoeding
te worden gehanteerd ten opzichte van
een te laat heronderzoek.
Weigering rijksvergoeding kan slechts
betrekking hebben op tekortkomingen ten opzichte van een bij of krachtens
de wet vastgelegde norm. Het niet voldoen aan een in de wet
bepaalde taak - zoals de verplichte samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
- of het niet aanwezig zijn van een in de wet
vastgelegd instrumentarium - zoals het uitvoeringsbeleidsplan en -verslag
- wordt hier toe gerekend. Deze aspecten hebben inhoudelijk betrekking
op de doelmatigheid van de wetsuitvoering. Overige aspecten van
doelmatige wetsuitvoering zijn impliciet bepaald of gaan uit van
keuzemogelijkheden binnen de discretionaire bevoegdheid van de gemeente en geven als zodanig geen aanleiding tot weigering van
rijksvergoeding. Uitsluitend voor zover de doelmatigheid van de wetsuitvoering
toetsbaar in wettelijke eisen is vervat, wordt deze dus betrokken bij
een eventuele weigering rijksvergoeding.
Onze Minister
zal, nadat een
tekortkoming is geconstateerd en de gemeente in verband daarmee tijdig het
initiatief heeft genomen, in overleg treden over de voorwaarden
voor een verbetertraject. Deze voorwaarden kunnen onder meer
betrekking hebben op inspanningen van de gemeente en de momenten en wijze
van verantwoorden. Voorts is dan voor de hand liggend dat afspraken
worden gemaakt over de tijdstippen waarop de tekortkomingen moeten zijn
weggenomen.
In beginsel kunnen verbetertrajecten
alleen aan de orde zijn indien niet wordt voldaan aan bepaalde uitvoeringsvoorschriften en bij
tekortkomingen
van administratieve en
organisatorische aard. De aard van de tekortkomingen dient zodanig te zijn
dat een verbetertraject ook functioneel is om tot een structurele oplossing te komen. Het meest voor
de hand liggend zijn dan ook
organisatorische problemen of overmachtsituaties die tijd vergen om tot een adequate
oplossing te komen. Het tijdvak waarover een verbetertraject
wordt afgesproken, vloeit voort uit de tijd die benodigd is om de
tekortkoming structureel op te heffen.
In het toezichtsproces zou het
verbetertraject als volgt kunnen worden vormgegeven. Indien gemeente en Rijk
het eens zijn geworden over de wijze waarop de tekortkoming wordt
opgeheven én de gemeente voert het verbetertraject overeenkomstig
uit, worden tekortkomingen gedurende het tijdvak vanaf het
ontstaan van de tekortkoming tot aan de afloop van het verbetertraject in
beginsel gedoogd. Mochten de afgesproken doelstellingen onverhoopt
niet worden gerealiseerd, dan wordt de gemeente bij de vaststelling van de rijksvergoeding in beginsel
over het restant van het verantwoordingsjaar geconfronteerd met een weigering
van rijksvergoeding.
Indien evenwel blijkt dat de gemeente
tekort is geschoten bij het nakomen van de afspraken over de wijze
waarop gedurende het verbetertraject zou worden gehandeld, worden
tekortkomingen in beginsel niet gedoogd.
Uiteraard is het belang van volledige
verbetering groter dan het slechts volgen van de gemaakte afspraken. Hiermee rekening houdend, zal in het
geval dat volledige verbetering bij
afloop van het afgesproken verbetertraject is gerealiseerd, maar de
verbeterprocesafspraken niet volledig zijn nageleefd, de tekortkoming gedurende
het verantwoordingsjaar waarin het verbetertraject afloopt in beginsel worden gedoogd. Deze beperking
tot het verantwoordingsjaar waarin het
verbetertraject afloopt, houdt verband met het feit dat aan het eind
van een (voorafgaand) verantwoordingsjaar aan gemeenten duidelijkheid moet worden geboden.
Indien wordt geconstateerd dat
gemeenten zich op die momenten niet aan de afspraken hebben gehouden, wordt
de tekortkoming niet gedoogd.
Voor een goede wetsuitvoering is het
van belang dat de minister in voldoende mate rekening kan houden met
de specifieke omstandigheden van gemeenten. Het is niet in het
belang van de gemeente dat de regelgeving te rigide is en de
minister daardoor te zeer bindt. Dit mag uiteraard geen afbreuk doen aan de
rechtszekerheid en -gelijkheid van de gemeenten. De minister behoudt de
bevoegdheid om in de in artikel 4 van dit besluit bedoelde gevallen af te
zien van weigering van rijksvergoeding.
De weigering van kosten van bijstand
of uitkering heeft uitsluitend betrekking op de kosten die verband
houden met onrechtmatige wetsuitvoering. Voor zover kosten in de aanvraag
rijksvergoeding zijn opgenomen, die geen kosten van
bijstand of uitkering ingevolge de Ioaw of Ioaz zijn, worden deze zonder enige
terughoudendheid niet vergoed.
Vooruitlopend op een formele weigering rijksvergoeding kan in
materiële zin daar reeds rekening mee worden gehouden door de bevoorschotting hiervoor
aan te
passen.
Overgangssituatie
Onder het oude regime toegekende
hersteltermijnen of specifieke afspraken in het kader van het
toezichtsproces kunnen in beginsel een doorlooptijd hebben tot in 1996. Deze
afspraken zullen in het algemeen ook passen binnen de regelgeving en
het beleid aangaande de weigering rijksvergoeding. In gevallen waarin
dergelijke gemaakte afspraken zich niet goed verhouden tot het nieuwe
beleid, zullen deze worden gerespecteerd.
Relatie met Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet
In de Invoeringswet herinrichting
Algemene Bijstandswet (Invoeringswet) is geregeld dat kosten
op grond van de Invoeringswet eveneens onder de werking van
onderhavig besluit vallen.
Onderhavig besluit strekt zich echter
niet uit tot de situatie dat een gemeente tekortschiet inzake het
vaststellen van een verordening ex artikel 38 Abw, op grond waarvan de gemeente de
bijstandsnorm kan
verhogen dan wel verlagen. De
Invoeringswet heeft de minister wel de bevoegdheid toegekend om in dergelijke
gevallen rijksvergoeding te weigeren. Het ligt daarmee voor de
hand dat in geval van bedoelde tekortkomingen op overeenkomstige
wijze als op grond van onderhavig besluit zal worden gehandeld.
Financiële consequenties
De samenhang tussen de nieuwe
bestuurlijke verhouding en de continuïteit die met deze
regelgeving wordt nagestreefd, leidt ertoe dat er geen financiële mutaties
voor de
rijksbegroting worden voorzien. Het besluit moet ertoe bijdragen dat de
uitvoering voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
Toetsing op terughoudendheid met
regelgeving
Het bieden van duidelijkheid en
rechtszekerheid maakt deze regeling noodzakelijk.
Artikelsgewijs
Artikel 1
In dit artikel worden
"Abw", "Ioaw", "Ioaz" en "maatregel" omschreven. Bij een
"maatregel" gaat
het om het - geheel of gedeeltelijk - weigeren, terugvorderen of
verrekenen van rijksvergoeding als bedoeld in artikel
134, eerste en tweede
lid,
van de Abw, artikel
57, eerste lid, van de Ioaw en artikel
57, eerste lid, van
de Ioaz. De rijksvergoeding in kosten van aan derden opgedragen
onderzoek
als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van de Ioaz valt buiten het
bereik van deze definitie.
De omschrijving van "rijksaandeel",
in onderdeel e, is nodig in verband met het bepaalde in artikel
2.
Artikel 2
Dit artikel stelt, onverminderd het
bepaalde in de artikelen 4 en 5, buiten twijfel dat ten aanzien van
bijstand
respectievelijk uitkering die wordt verleend in strijd met het bij of
krachtens de Abw, de Ioaw of de
Ioaz bepaalde, geen rijksvergoeding
plaatsvindt. Weigering van rijksvergoeding vindt eveneens plaats ter zake van
bijstand of uitkering die niet of niet volledig wordt teruggevorderd of verhaald.
Het bepaalde in dit artikel impliceert
dat onderzoek zal moeten worden gedaan naar de omvang van de kosten
die in strijd met de wet zijn gemaakt of in strijd met de wet niet zijn teruggevorderd of verhaald.
Absolute zekerheid over die omvang kan
evenwel alleen worden verkregen door een integraal onderzoek
aan de hand van het bestand van de bijstands- of de
uitkeringsgerechtigden in de betreffende gemeente. Zo’n werkwijze is ondoelmatig en
ook, praktisch gesproken, onuitvoerbaar. Tegen het gebruik van de bevindingen
uit een representatieve steekproef of een andere op de
concrete situatie van de tekortkoming in de gemeente toegespitste
onderzoeks-
of rekenmethode bestaat dan ook geen bezwaar. Uiteraard zal bij een zodanige benadering een naar
redelijkheid vast te stellen veiligheidsmarge worden gehanteerd.
Anticiperend op de inwerkingtreding
van de Wet van 25 april 1996 tot wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling van een stelsel van
administratieve sancties, alsook tot wijziging van de daarin vervatte
regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen en de
invordering daarvan (Stb. 1996, 248) [Wet boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid, red.], is in de slotzin van
artikel 2
rekening gehouden met de situatie dat de gemeente ten onrechte geen administratieve boete als bedoeld in de
artikelen 14a van de Abw,
20a van de
Ioaw en 20a van de Ioaz oplegt. Alsdan wordt het bedrag van de
maatregel vastgesteld op het bedrag dat bij de invordering van de boete aan
het Rijk zou toekomen.
Artikel 3
Omdat in de in dit artikel bedoelde
gevallen het financieel beslag veelal niet is vast te stellen, is een aantal
rekenregels opgenomen om het bedrag van de te weigeren rijksvergoeding
langs forfaitaire weg te kunnen bepalen. Daarbij wordt uitgegaan van
de door de gemeente aangevraagde rijksvergoeding als bedoeld in
artikel 134, vierde lid, van de Abw
en artikel 57, derde lid, van de Ioaw respectievelijk van de
Ioaz.
In het tweede lid worden vier
categorieën tekortkomingen onderscheiden. Deze tekortkomingen zien op:
- de inlichtingenverplichting van de cliënt, het onderzoek door burgemeester en wethouders, de
vaststelling van het recht op bijstand of uitkering naar aanleiding van de
aanvraag, de opschorting van de bijstand of uitkering bij onvolledige
verstrekking van gegevens of bewijsstukken door de belanghebbende en het besluit
tot toekenning of wijziging van bijstand, met inbegrip van de door de minister
met betrekking tot het
voorgaande in de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften 1996
(Rau
1996)
gegeven nadere regelen
(onderdeel a);
- de bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening, waaronder begrepen de samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(onderdeel b);
- de administratieve vastlegging van
de uitvoering en het uitvoeringsproces, met inbegrip van de betreffende
bepalingen in de Rau 1996 (onderdeel c);
- het plan en beleidsverslag gericht
op de bevordering van een rechtmatige en doelmatige uitvoering
en de bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening (onderdeel d).
Het in het tweede
lid onder a opgenomen maximumpercentage is bepaald door aan te sluiten bij het maximumpercentage onder
c. Er is
geen aanleiding gevonden om de
tekortkomingen ten aanzien van de tijdigheid, juistheid en volledigheid
van het onderzoek - in de meest ernstige vorm - anders te wegen dan
de tekortkomingen van ditzelfde type aangaande de administratie.
Het in het tweede lid onder b
opgenomen maximumpercentage is zodanig bepaald dat recht wordt gedaan
aan het belang van de hier bedoelde samenwerkingsverplichting en
dat tevens een evenwichtig beeld ontstaat van de toe te passen
forfaitaire percentages.
De in het tweede lid onder c
opgenomen minimum- en maximumpercentages zijn ontleend aan het beleid zoals
dat
onder meer is vastgelegd in de Nota uitgangspunten en normering
toetsings- en
maatregelenbeleid (Kamerstukken II 1991-1992, 22 300 XV, nr. 92), die op 17 juli 1992 door de
Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer is gezonden.
Het in het tweede lid onder d
opgenomen maximumpercentage is afgeleid van de verwachte besparing
die het gevolg is van de wettelijke verplichting tot het werken met
beleidsplannen gericht op de bevordering van een rechtmatige en doelmatige
uitvoering van de wet alsmede op de bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening.
In de toezichtspraktijk kan niet
altijd worden vastgesteld of een tekortkoming van administratieve aard
is of dat sprake is van een tekortkoming in het uitvoeringsproces.
Indien het uitvoeringsproces - onder andere de juistheid en volledigheid van de verificatie
- correct is
geweest maar de neerslag daarvan in de
administratie vertoont hiaten - in de administratie ontbreekt onder
andere de verificatiebron - kan achteraf vaak niet worden vastgesteld of het
gaat om een tekortkoming onder a (onderzoeken) of onder c (aangaande de
administratie). Vanwege het systematische karakter van een
administratieve tekortkoming wordt deze zwaarder aangerekend dan
tekortkomingen in het onderzoek.
Indien bedoeld onderscheid niet is te
maken, bepaalt het al dan niet systematische karakter van de
tekortkoming of deze valt binnen de categorie onder c dan wel onder
a.
Opgemerkt
wordt dat - gelet op de
gekozen systematiek - één tekortkoming tot meer dan één
maatregel aanleiding kan geven. Dit kan zich voordoen bijvoorbeeld bij
tekortkomingen in de sfeer van de debiteurenadministratie of het
debiteurenonderzoek.
Dit type tekortkoming leidt, gelet
op het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, tot een weigering van
de rijksvergoeding door middel van een forfaitair vastgesteld percentage.
Daarnaast is goed mogelijk - eventueel in een ander vergoedingsjaar - dat de tekortkoming ook leidt tot het
buiten invordering stellen van
vorderingen wegens het verstrijken van de vervaltermijn. De aldus buiten
invordering gestelde bedragen vallen onder het bereik van artikel
2. Eén en
ander kan betekenen dat bij een dergelijke samenloop van voorgenomen
maatregelen het financieel beslag van de tekortkoming in een
bepaalde mate wordt overschreden. Het ligt daarbij in de eerste plaats
op de weg van de gemeente om die overschrijding aan te tonen, of
althans aannemelijk te maken. Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, biedt de
ruimte om bij de definitieve vaststelling van de maatregel met die gegevens
rekening te houden.
Uiteraard kan ook tussen de in het
tweede lid onder a tot en met d opgenomen tekortkomingen samenloop optreden. De in die onderdelen
opgenomen minimum- en maximumpercentages hebben betrekking op het totaal van
de in het betreffende
onderdeel gegroepeerde tekortkomingen. Indien een gemeente bijvoorbeeld
zowel de in paragraaf 2 van hoofdstuk V van de
Abw als de in
paragraaf 4 van hoofdstuk V van de Abw
bedoelde verplichtingen niet of
onvoldoende nakomt, geldt dus voor beide tekortkomingen tezamen een
maximumpercentage van 3 (de bedoelde tekortkomingen en dit
percentage zijn opgenomen in het tweede lid, onderdeel a).
Indien daarentegen een gemeente zowel
de in het tweede lid, onderdeel a, als in het tweede lid, onderdeel
c,
bedoelde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, dan geldt een maximumpercentage van 6. Dit percentage
van 6 is verkregen door optelling van
de in de betreffende onderdelen genoemde maximumpercentages.
In het derde lid is vastgelegd dat
indien de tekortkoming slechts een deel van het betreffende
vergoedingsjaar heeft geduurd, het bedrag van de maatregel naar evenredigheid
wordt
vastgesteld.
Op basis van de in het vierde lid
opgenomen delegatiebepaling zullen met betrekking tot het tweede lid nadere regels worden gesteld. Deze
nadere regeling wordt thans
noodzakelijk geacht om in de situatie dat de gemeentelijke administratie of het
gemeentelijk (her)onderzoek, -beëindigingsonderzoek of -debiteurenonderzoek niet voldoet aan de ter
zake gestelde regelen de bij de
forfaitaire vaststelling van het bedrag van de maatregel benodigde percentages
nader te bepalen.
Artikel 4
Dit artikel maakt het mogelijk om bij
tekortkomingen van bijzondere aard of van geringe betekenis - geheel of gedeeltelijk
- van het weigeren van rijksvergoeding af te zien. Voorts
wordt geregeld dat in gevallen waar het gaat om tekortkomingen, bedoeld in
artikel 3, tweede lid, onderdeel a en c (tekortkomingen van
administratieve
of organisatorische aard), eveneens kan worden afgezien van weigering
rijksvergoeding indien de betreffende gemeente zich naar het oordeel van
Onze Minister voldoende heeft ingespannen om die tekortkomingen op
te heffen.
Bij "tekortkomingen van bijzondere
aard" kan er rekening mee worden gehouden dat door bepaalde factoren
een situatie kan ontstaan die belemmerend kan werken voor een
adequate uitvoering van de Abw. In een dergelijke situatie biedt
onderdeel a de nodige ruimte om daarmee rekening te houden.
Bij "tekortkomingen van geringe
betekenis" gaat het om fouten waarmee slechts een gering financieel
belang is gemoeid en om incidentele, in elke organisatie voorkomende fouten, zoals
niet-systematische
rekenfouten bij de berekening van een
individuele uitkering. Deze fouten worden wel aan de gemeente voorgelegd, met het oog op
mogelijke aanpassing door die gemeente
van het desbetreffende uitvoeringsbesluit, maar vormen in de
regel geen aanleiding om rijksvergoeding te weigeren.
Uitgaande van de eigen
verantwoordelijkheid voor het toezicht op de uitvoering, zodat die voldoet aan de
in de wet gestelde eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid, wordt
van de gemeente verwacht dat zij bij tekortkomingen die voortspruiten
uit organisatorische problemen of situaties van overmacht, op een zo
kort mogelijke termijn die tekortkomingen opheft. De toezichtsrelatie die
Onze Minister met de gemeenten onderhoudt, maakt evenwel
medebetrokkenheid van het Rijk, nader vorm te geven in verbetertrajecten,
wenselijk.
Onderdeel b ziet op de situatie dat
de gemeentelijke inspanningen - alvorens het besluit over de rijksvergoeding wordt genomen
- het
beoogde effect hebben bereikt of dat
de gemeente zich, zulks ter beoordeling door Onze Minister,
voldoende heeft ingespannen om dat effect te bereiken. Indien gemeente en
Rijk het eens zijn geworden over de wijze waarop de tekortkoming kan
worden opgeheven én de gemeente voert het verbetertraject
overeenkomstig uit, dan wordt daarmee in beginsel bij het besluit inzake de
weigering respectievelijk vaststelling van rijksvergoeding rekening gehouden. In
een dergelijk geval kan Onze Minister ten aanzien van die
tekortkoming besluiten om geen rijksvergoeding te weigeren.
Teneinde het mogelijk te maken dat de
door Onze Minister gewenste inspanningen nader worden omschreven,
is in het tweede lid van dit artikel een delegatiebepaling opgenomen. De bevoegdheid tot het stellen
van nadere regels zal niet eerder
worden benut dan nadat met de in het algemene deel van de toelichting
aangekondigde verbetertrajecten de nodige ervaring is opgedaan.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|
|