|
BESLUIT van 10 januari 1997,
houdende regels met betrekking tot de inkoop van diensten gericht
op de inschakeling in het arbeidsproces van moeilijk plaatsbare
uitkeringsgerechtigden door gemeenten (Besluit
inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door
gemeenten)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van
Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 oktober 1996, Directie Arbeidsmarkt,
nr. AM/ARV/96/2257;
Gelet op de artikelen 137a, eerste
lid, van de Algemene bijstandswet, 59a, eerste lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
en 59a, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
De Raad van State gehoord (advies van
13 december 1996, nr. W12.96.0493);
Gezien het nader rapport van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 1996,
Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/ARV/96/2710;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
[Definities | Uitvoeringsregeling
inkoop arbeidsvoorziening door gemeenten]
-1. In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Abw: de Algemene
bijstandswet;
b. Ioaw: de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
c. Ioaz: de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. uitkeringsgerechtigde: de
persoon
die algemene bijstand ingevolge de Abw of uitkering ingevolge de
Ioaw of de Ioaz ontvangt;
e. moeilijk plaatsbare
uitkeringsgerechtigde: de uitkeringsgerechtigde die:
1º. één jaar of langer algemene
bijstand ingevolge de Abw of de Invoeringswet herinrichting
Algemene Bijstandswet, onderscheidenlijk uitkering ingevolge de
Ioaw of de Ioaz ontvangt; of
2º. één jaar of langer werkloos is en
gedurende die periode als werkzoekende is geregistreerd bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
-2. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat bij een onderbreking van de werkloosheid of de
registratie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e,
onder 2º: [UiAg]
a. dagen van onderbreking worden
aangemerkt als dagen van werkloosheid of van registratie; of
b. perioden gelegen vóór en na de
onderbreking worden samengeteld als waren zij een ononderbroken
periode.
Art. 2.
[Gelijkstelling met moeilijk
plaatsbare uitkeringsgerechtigde]
Met een moeilijk plaatsbare
uitkeringsgerechtigde kan worden gelijkgesteld een
uitkeringsgerechtigde die naar het gezamenlijk oordeel van
burgemeester en wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in een vergelijkbare
arbeidsmarktpositie verkeert.
Art. 3.
[Rijksuitkering kosten
dienstverlening Arbvo | Uitvoeringsregeling inkoop
arbeidsvoorziening door gemeenten]
-1. Onze Minister verstrekt aan een door hem
aangewezen gemeente een uitkering voor de
vergoedingen waartoe
het gemeentebestuur zich in een kalenderjaar bij de uitvoering van
artikel 111, eerste lid, van de Abw en
artikel 34, eerste lid, van
de Ioaw en de Ioaz jegens de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie in een
schriftelijke overeenkomst heeft verplicht, voor door deze organisatie verleende diensten gericht op het geschikt
maken voor
inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en voor
bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling van moeilijk
plaatsbare uitkeringsgerechtigden.
-2. De diensten en inspanningen, bedoeld in het
eerste lid, worden verleend binnen drie jaar na het kalenderjaar
van aangaan van de overeenkomst.
-3. Burgemeester en wethouders doen vóór 1
april van het kalenderjaar opgave van het bedrag waarvoor de in
het eerste lid bedoelde diensten en inspanningen zijn
overeengekomen. Deze opgave wordt ingericht volgens een bij
ministeriële regeling vast te stellen model. [UiAg]
-4. Voor het kalenderjaar 1997 is het voor
uitkeringen beschikbare bedrag ƒ45 miljoen en vervolgens
voor ieder kalenderjaar een bij ministeriële regeling vast te
stellen bedrag. [UiAg]
-5. Bij ministeriële regeling wordt bepaald op
welke wijze de maximale uitkering per aangewezen gemeente wordt
vastgesteld op basis van het voor uitkeringen beschikbare bedrag
aan de hand van de aantallen uitkeringsgerechtigden in de aangewezen gemeenten op een bepaalde peildatum.
[UiAg]
-6. Bij de toepassing van het vijfde lid worden
de aantallen uitkeringsgerechtigden in de gemeenten Amsterdam,
Rotterdam, Den Haag en Utrecht bij elkaar opgeteld. Vervolgens
wordt de maximale uitkering aan de onderscheidenlijke gemeenten bepaald door toepassing van de verdeelsleutel 37,5 : 28,5 : 22 :
12.
-7. Op gezamenlijk verzoek van de in het zesde
lid genoemde gemeenten kan Onze Minister de in dat lid opgenomen
verdeelsleutel herzien.
-8. De uitkering aan de gemeente is gelijk aan
het in het derde lid bedoelde bedrag, voor zover het in het vijfde
en zesde lid bedoelde maximum niet wordt overschreden.
Art. 4.
[Herverdeling middelen bij
onderuitputting]
Indien uit de opgave, bedoeld in artikel 3,
derde lid, blijkt dat het voor uitkeringen beschikbare bedrag niet
is voltekend, kan Onze Minister het resterende bedrag aan één of
meer door hem aangewezen gemeenten verstrekken.
Art. 4a.
[Aanvullende uitkering in 1997 | Uitvoeringsregeling inkoop
arbeidsvoorziening door gemeenten]
-1. In aanvulling op het bedrag, genoemd in
artikel 3, vierde lid, stelt Onze Minister
voor het kalenderjaar
1997 een bedrag van ƒ5 miljoen beschikbaar dat volgens door
hem te stellen regelen wordt verdeeld over daartoe door hem
aangewezen gemeenten. [UiAg]
-2. Artikel 3, eerste en vijfde lid, zijn van
toepassing.
Art. 5.
[Jaaropgave en deskundigenverklaring
| Uitvoeringsregeling inkoop arbeidsvoorziening door gemeenten]
-1. Burgemeester en wethouders doen vóór 20
september 1999, en vervolgens vóór 20 september van ieder
kalenderjaar, aan Onze Minister opgave van:
a. de met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie in het aan dat kalenderjaar voorafgaande jaar gesloten overeenkomsten en de daarmee verband
houdende uitgaven en ontvangsten;
b. de uitgaven en ontvangsten verband
houdende met de uitkering over uiterlijk de vijf aan dat
kalenderjaar voorafgaande jaren.
-2. De jaaropgave, bedoeld in het eerste lid,
is ingericht overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te
stellen model en wordt voorzien van een verklaring van een
deskundige, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven
controle omtrent de juistheid van gegevens. [UiAg]
-3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere
regels worden gesteld inzake de in het tweede lid bedoelde
verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring. [UiAg]
Art. 6.
[Bevoorschotting]
Onze Minister verleent aan een aangewezen gemeente:
a. op of omstreeks de vijftiende van de
maand februari van het kalenderjaar een voorschot van 60% van de
maximale uitkering, bedoeld in artikel 3, vijfde lid;
b. op of omstreeks de vijftiende van de
maand juli van het kalenderjaar een voorschot tot ten hoogste 100%
van het bedrag dat is vastgesteld op grond van de artikelen
3,
achtste lid, en 4.
Art. 7.
[Termijn vaststelling uitkering]
-1. Onze Minister
stelt de uitkering vast
binnen één jaar na ontvangst van de jaaropgave, bedoeld in artikel
5, eerste lid.
-2. Indien de jaaropgave niet is ontvangen
binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking
heeft, dan wel niet is voorzien van de verklaring, kan Onze
Minister de uitkering ambtshalve vaststellen.
Art. 8.
[Inrichting en inzage administratie
| Nadere regels m.b.t. inrichting administratie]
-1. Burgemeester en wethouders dragen zorg dat
de administratie voor de uitvoering van dit besluit zodanig
wordt ingericht dat alle van belang zijnde gegevens en
bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-,
controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar
zijn vastgelegd.
-2. Burgemeester en wethouders verlenen
desgevraagd aan Onze Minister kosteloos inzage in de
administratie, bedoeld in het eerste lid.
-3. Onze Minister kan, na overleg met
Onze
Minister van Binnenlandse Zaken, regels stellen aangaande de in
het eerste lid bedoelde administratie.
-4. Burgemeester en wethouders verstrekken Onze
Minister inlichtingen en gegevens voor de beleidsvorming met
betrekking tot de uitvoering van dit besluit volgens een bij
ministeriële regeling vast te stellen model.
Art. 9.
[Lager vaststellen, intrekken of
terugvorderen uitkering]
Onze Minister kan de uitkering lager
vaststellen of intrekken en een reeds uitbetaalde uitkering of een
voorschot terugvorderen, indien:
a. de uitkering niet is besteed voor de
vergoedingen, bedoeld in artikel 3, eerste lid;
b. niet is voldaan aan artikel
3, tweede
lid;
c. niet is voldaan aan artikel 5 of
artikel 8;
d. de gemeente
onjuiste of onvolledige
gegevens heeft verstrekt.
Art. 10.
[Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1997.
Art. 11.
[Citeertitel]
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 10 januari 1997
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de dertiende
februari 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[10 januari 1997]
Algemeen
1. Inleiding
Bij de Invoeringswet
Arbeidsvoorzieningswet 1996 zijn de artikelen 137a, eerste lid, van de
Algemene
bijstandswet (Abw), 59a, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en 59a,
eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen
(Ioaz) in de betreffende wetten
ingevoegd. Deze bepalingen hebben tot doel de effectiviteit van de
(publieke) arbeidsbemiddeling van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden te
bevorderen door gemeenten expliciet de taak én de middelen te
geven om voor deze doelgroep bemiddeling en scholing in te kopen.
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt hiertoe ten
laste van ’s Rijks schatkist ['s Rijks kas, red.] aan gemeenten geld beschikbaar voor inkoop
van scholings- en bemiddelingsactiviteiten. Vooralsnog is het budget alleen
bedoeld voor inkoop bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] en is,
ingevolge de artikelen 137a, tweede lid, van de
Abw,
59a, tweede lid, van
de Ioaw en 59a, tweede lid, van de Ioaz, de rijksvergoeding beperkt tot
negentien gemeenten in het kader van het grotestedenbeleid (Amsterdam,
Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Nijmegen, Arnhem, Almelo,
Deventer, Enschede, Den Bosch, Tilburg, Breda, Eindhoven, Leeuwarden,
Maastricht, Hengelo, Helmond en Zwolle). De keuze voor deze
negentien gemeenten is gebaseerd op de noodzaak het sociaal en economisch fundament
van deze grote steden, met hun specifieke problematiek, te versterken, opdat de ontwikkeling van
werkgelegenheid, veiligheid en
leefbaarheid weer in de pas gaat lopen met de ontwikkelingen elders in
Nederland.
Met het onderhavige besluit wordt het
beleid zoals dat is neergelegd in de Regeling inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door
gemeenten 1996 (Stcrt. 1995, 240) in
grote lijnen voortgezet.
2. Doel en doelgroep
Evenals bij de Regeling inkoop
dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten 1996 is doel van het
besluit om de gemeenten de mogelijkheid te bieden om
op contractbasis de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in te
schakelen om moeilijk plaatsbare werklozen uit de uitkering en aan het
werk te krijgen. De betrokken gemeenten krijgen daartoe voor 1997 ƒ45
miljoen en vervolgens jaarlijks ƒ50 miljoen, voor zover de wetgever de
nodige gelden heeft toegestaan. Dit budget is bedoeld ter vergoeding aan
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor het geschikt maken van moeilijk
plaatsbare werklozen voor hun inschakeling in de arbeid.
Uitgangspunt hierbij is dat afspraken met betrekking tot de inkoopbudgetten
aansluiten op afspraken ten aanzien van de invulling van het
prestatiebudget van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie; eerst zullen over de
laatstgenoemde
gelden afspraken moeten worden gemaakt, waarna
aanvullend daarop extra diensten kunnen worden ingekocht.
Doelgroep zijn moeilijk plaatsbare
uitkeringsgerechtigden. In het besluit zijn "uitkeringsgerechtigden"
gedefinieerd als personen die een bijstands-,
Ioaw- of Ioaz-uitkering ontvangen.
"Moeilijk plaatsbaar" zijn
deze uitkeringsgerechtigden pas als
zij de uitkering gedurende meer dan één jaar ontvangen of gedurende
één jaar of langer werkloos zijn en gedurende die periode als werkzoekend bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
geregistreerd staan.
Aan gemeenten wordt de mogelijkheid
geboden om individuele uitkeringsgerechtigden die niet onder
de in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, opgenomen definitie vallen, maar die
naar het gezamenlijk oordeel van gemeente en Arbeidsvoorzieningsorganisatie weinig kans hebben om in
het arbeidsproces ingeschakeld te
worden, met een moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigde gelijk te
stellen.
De doelgroep is in de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996
uitdrukkelijk afgebakend en beperkt
tot bijstands-, Ioaw- of Ioaz-gerechtigden, omdat de
inkoopconstructie gezien moet worden in het licht van de opdracht die gemeenten
hebben om in het kader van de uitvoering van de Abw, de Ioaw en de
Ioaz de herinschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen. De
inkoopgelden
en daarmee de bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie in te kopen voorzieningen zullen derhalve in het
teken moeten staan van het vergroten van de kansen van diegenen
die momenteel niet over betaalde arbeid beschikken, en maken daarmee
onderdeel uit van het brede scala van mogelijkheden dat gemeenten ten
dienste staat om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk mensen uit de
bijstand naar een betaalde baan worden geleid.
Dit stelt ook eisen ten aanzien van de
soort voorzieningen waarover in het kader van de inkoop tussen de
gemeente en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie afspraken worden gemaakt. Er zal een
directe relatie moeten bestaan tussen enerzijds het doel van
dit besluit en anderzijds de concrete dienstverlening. Het gaat in dit
verband om het instrumentarium en de (bijzondere) dienstverlening van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, zoals het in uitvoering nemen van extra
trajectplannen, scholingsactiviteiten, werkervaring, sollicitatietrainingen,
nazorg als onderdeel van een totaaltraject van uitkering naar werk
en dergelijke; in ieder geval zullen de afspraken kwantitatief inzichtelijk
moeten maken wat de verwachte effecten van de in te zetten
inkoopgelden ten aanzien van de betreffende doelgroep zullen zijn.
Door verschillende deelnemende
gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten is een
verruiming van de doelgroep bepleit, waardoor ook personen met een dienstbetrekking of
voorbereidingsovereenkomst
in het kader van de Jeugdwerkgarantiewet, banenpoolers [zie Wet
inschakeling werkzoekenden,
red.] en degenen die reeds aan een traject
gericht op arbeidsinpassing deelnemen onder de doelgroep van dit besluit kunnen vallen. Tevens is
geadviseerd het begrip "diensten"
te verruimen, opdat aanloopkosten en voorwaardenscheppende maatregelen ook
kunnen worden gefinancierd.
Beide verruimingen worden thans niet
wenselijk geacht. Gelet op de beperkte middelen die beschikbaar zijn
voor de inkoop legt het kabinet thans prioriteit bij personen die in een uitkeringssituatie verkeren en
langdurig zonder werk zijn.
Voorts spreekt artikel
137a, eerste
lid, van de Abw nadrukkelijk van "diensten gericht op het geschikt
maken voor inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en
voor bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling van moeilijk
plaatsbare bijstandsgerechtigden". In artikel 59a, eerste lid, van de
Ioaw
en 59a, eerste lid, van de Ioaz wordt het begrip
"uitkeringsgerechtigden"
gebruikt, waarmee wordt gedoeld op uitkeringsgerechtigden ingevolge die
wetten. Dit brengt met zich mee dat de contracten tussen gemeenten en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie betrekking moeten hebben op personen
die op het moment van het sluiten van het contract
uitkeringsgerechtigd zijn en dat het moet gaan om een directe relatie tussen de
dienst
en de betrokken werkloze. Zoals ook al aangegeven bij de Invoeringswet
Arbeidsvoorzieningswet 1996 zal nog bezien worden in hoeverre het
wenselijk is op termijn dit besluit te laten opgaan in de voorgenomen Wet
inschakeling werkzoekenden, waarbij sprake is van een bredere doelgroep en
een ruimer dienstenbegrip. Overigens zullen daarbij dan wel
voorwaarden worden opgenomen om te voorkomen dat ongewenste afromingseffecten optreden.
Ingevolge artikel 118 van de
Abw,
artikel 42 van de Ioaw en artikel 42 van de Ioaz heeft de
gemeente de
plicht haar activeringsbeleid op een gestructureerde wijze neer te leggen
in een gemeentelijk beleidsplan en daarover door middel van een verslag
verantwoording af te leggen. In het beleidsplan moeten de accenten die
lokaal - in relatie tot de eigen gemeentelijke problematiek en de
kenmerken van het eigen bestand - worden aangebracht tot uitdrukking komen. Onderdeel van het
beleidsplan is de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verplichte
samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De (beoogde) afspraken zoals die met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn c.q. moeten worden gemaakt in het kader van
dit besluit, zullen derhalve ook hun neerslag moeten vinden in het
gemeentelijk beleidsplan.
3. Aanwending budget en toezicht
Het beschikbare bedrag wordt,
ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet
1996, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip aangewend voor de
bekostiging van inkoop van diensten bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Deze periode van
verplichte aanbesteding bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie geldt vooralsnog tot en
met het jaar 1999. Vóór die tijd zal besluitvorming dienen plaats te vinden over de
verdere toekomst van dit besluit.
Aan deze inkoop dient een
schriftelijke overeenkomst ten grondslag te liggen. Afgezien van de
doelgroepbepaling en de aard van de dienstverlening is er verder niet sprake
van
voorwaarden verbonden aan de overeenkomst.
De Arbeidsvoorzieningsorganisatie
treedt op als hoofdaannemer. Eventueel benodigde scholing of andere zaken al dan niet te leveren door
derden (trajectbemiddeling door derde,
training door een Centrum voor Beroepsoriëntatie en Beroepsoefening, begeleidingssubsidie aan
werkgever, etc.) dienen te zijn begrepen in de offerte van
Arbeidsvoorziening
aan de gemeente. Op deze wijze blijft
de besteding van het inkoopbudget overzichtelijk.
Gelet op het feit dat sprake is van "gedwongen winkelnering" bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is omzetbelasting niet aan de orde.
Met betrekking tot het toezicht op dit
besluit wordt aangesloten bij het toezicht op de uitvoering van de Abw, de
Ioaw en de Ioaz. Mede met het
oog op de administratieve belasting
van de betrokken gemeenten is voor het toezicht aansluiting bij de
uitgangspunten van single audit mogelijk.
4. Deelnemende gemeenten en
verdeelsleutel
Dit besluit wordt ingezet in het kader
van het brede grotestedenbeleid. Op grond van beschikbare cijfers is gekozen voor de verhouding tussen
het aantal uitkeringsgerechtigden dat
elke gemeente afzonderlijk heeft en het totale Abw-bestand, inclusief
Ioaw
en Ioaz, van de negentien gemeenten gezamenlijk. Hierbij vindt een
onderlinge herverdeling plaats van het voor de vier grote gemeenten in z’n
totaliteit beschikbare budget op grond van tussen hen vigerende afspraken over te
verdelen gelden in het kader van het grotestedenbeleid.
5. Gegevensverstrekking
Bij de inwerkingtreding van de
Regeling inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten 1996 is gelijktijdig een
evaluatie naar de bevindingen daarvan
van start gegaan. Gezien het ingroeikarakter van de inkoopconstructie in de tijd is het voornemen de eerstkomende jaren de ontwikkelingen
en resultaten van het onderhavige besluit eveneens nauwlettend te
volgen. In dat kader zullen gemeenten medewerking moeten verlenen aan een
evaluatie en de daarvoor noodzakelijk geachte gegevens
beschikbaar moeten stellen. Tevens dienen gemeenten rekening te houden
met de gegevensverstrekking voor monitoring. De in de Abw, de
Ioaw en
de Ioaz opgenomen bepalingen ter zake van het verschaffen van
beleidsinformatie aan het Rijk zijn onverkort van toepassing. Voor zover hierbij
gegevens gebruikt worden die door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie aan de
gemeenten dienen te worden verstrekt, is het zinvol dat gemeenten
hiermee bij het aangaan van de contracten met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie rekening houden. Het
voornemen is de van belang zijnde
gegevensverstrekking vanwege de gemeenten mede plaats te laten vinden
op grond van een nader vast te stellen regeling op basis van artikel
133 van de Abw, artikel 55 van de Ioaw en
artikel 55 van de
Ioaz [Regeling
statistische gegevens Abw, Regeling
statistische gegevens Ioaw en Ioaz en Regeling
frauderegistratie Abw, Ioaw en Ioaz, red.]. Ook
ten behoeve van het toezicht is een adequate registratie van een aantal
kerngegevens van belang. Mede hierom stelt artikel 8 van dit besluit
enige eisen aan de gemeentelijke administratie. Het derde lid van dit
artikel maakt het mogelijk dat bij ministeriële regeling nadere regels
over de administratie worden gesteld.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Het eerste lid van dit artikel bevat
de verschillende begripsomschrijvingen. Doelgroep van dit besluit zijn uitkeringsgerechtigden die
moeilijk plaatsbaar zijn in het arbeidsproces. Dit blijkt uit het feit dat de
betrokken uitkeringsgerechtigde één
jaar of langer een bijstands-, Ioaw- of
Ioaz-uitkering ontvangt (hieronder
wordt ook begrepen het geval waarin de uitkeringsgerechtigde één jaar of
langer bijstand of uitkering ingevolge een combinatie van de betreffende
wetten heeft ontvangen), dan wel dat hij kortere tijd een dergelijke
uitkering heeft ontvangen maar wel één jaar of langer werkloos is en als werkzoekende
is geregistreerd bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Ingevolge het tweede lid kan bij
ministeriële regeling worden bepaald dat bij een onderbreking van de werkloosheid of van de registratie bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie de
dagen van onderbreking worden aangemerkt als dagen van werkloosheid
of van registratie of dat de perioden gelegen vóór en na de
onderbreking worden samengeteld als waren zij een ononderbroken periode.
Voor het treffen van een dergelijke regeling kan aanleiding bestaan in
gevallen waarin de onderbreking slechts van ondergeschikte aard is of
die onderbreking niet aan de uitkeringsgerechtigde kan worden
verweten.
Artikel 2
Dit artikel biedt de mogelijkheid om,
na een individuele toetsing, andere uitkeringsgerechtigden die zich naar
het gezamenlijk oordeel van de gemeente en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in een vergelijkbare
positie bevinden als de groep, bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder de werking van dit besluit te
brengen.
Artikel 3
De met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie overeengekomen diensten en bijzondere inspanningen
dienen
direct ten goede te komen aan de toeleiding van moeilijk plaatsbare
uitkeringsgerechtigden. Het gaat in dit verband om zowel het bestaande
instrumentarium van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie als om
bijzondere dienstverlening die op maat is afgestemd op de behoefte van
de betrokken gemeente, mits doel en voorziening maar rechtstreeks met
elkaar in verband staan. Bij diensten gericht op het geschikt maken
voor inschakeling in de arbeid moet, zoals hiervoor reeds gesteld,
gedacht worden aan diensten als het in uitvoering nemen van extra trajectplannen, werkervaring,
sollicitatietraining
en scholing. Bij bijzondere
inspanningen voor de arbeidsbemiddeling aan onder meer bedrijfsbezoeken en
ook
nazorg, voor zover nazorg een integraal onderdeel is van het
toeleidingstraject van de moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigde.
Voor zover deze diensten al niet als
uitvloeisel van de taakuitoefening van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
door het Rijk worden vergoed, kunnen gemeenten deze inkopen. In de
begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is
voor het jaar 1997 een budget van ƒ45 mln opgenomen ten behoeve van
inkoop bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie van activiteiten gericht op
arbeidstoeleiding van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden.
Voor volgende jaren is steeds een bedrag van ƒ50 mln voorzien.
Gelet op de artikelen
137a, tweede
lid, van de Abw,
59a, tweede lid, van de Ioaw en
59a, tweede lid, van de
Ioaz kan Onze Minister
de rijksvergoeding beperken tot nader door hem aan te
wijzen gemeenten. Het bedrag van ƒ45 mln, respectievelijk het
geraamde bedrag van ƒ50 mln, zal ingevolge een zodanige regeling worden
toegekend aan negentien gemeenten met een ernstige
werkloosheidsproblematiek (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen,
Nijmegen, Arnhem, Almelo, Deventer, Enschede, Den Bosch, Tilburg, Breda,
Eindhoven, Leeuwarden, Maastricht, Hengelo, Helmond en Zwolle).
Uitgangspunt voor de verdeling van het
beschikbare budget tussen de aangewezen gemeenten is het bestand aan uitkeringsgerechtigden
ingevolge de Abw, de Ioaw en de
Ioaz.
Daarbij is niet van belang of die uitkeringsgerechtigden moeilijk
plaatsbaar zijn, dan wel ingevolge artikel 2 met moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden zijn gelijkgesteld. Op
grond van beschikbare cijfers is
gekozen voor de verhouding tussen het aantal uitkeringsgerechtigden dat elke
gemeente afzonderlijk heeft en het totale Abw-bestand, inclusief Ioaw en
Ioaz, van de negentien gemeenten gezamenlijk, waarbij als peildatum een
nader door Onze Minister vast te stellen tijdstip geldt.
Ingevolge het vierde lid wordt ten
aanzien van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en
Utrecht een enigszins afwijkende verdelingsmethodiek gevolgd. De in die
gemeenten aanwezige aantallen uitkeringsgerechtigden worden bij
elkaar opgeteld, waarna de maximale bijdrage aan de respectievelijke
gemeente wordt berekend met toepassing van de in het vierde lid opgenomen
verdeelsleutel. Deze verdeelsleutel is tussen de gemeenten Amsterdam,
Rotterdam, Den Haag en Utrecht overeengekomen en op gezamenlijk
verzoek van die gemeenten in dit besluit vastgelegd. In het verlengde hiervan is in het vijfde lid bepaald dat
de verdeelsleutel alleen door Onze Minister
op gezamenlijk verzoek van de betrokken gemeenten kan worden
gewijzigd.
Voor het verkrijgen van een uitkering
van het Rijk in de vergoeding aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is vereist dat een schriftelijke
overeenkomst is gesloten over de
dienstverlening zoals omschreven in artikel 3, eerste lid. De
rijksuitkering gaat niet verder dan het bedrag waarvoor aldus bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie verplichtingen zijn aangegaan. Van het bedrag moet
vóór 1
april aan het Rijk opgave worden gedaan. Deze opgave dient tevens om op
voorhand het beschikbare budget eventueel te kunnen herverdelen
indien niet voor het maximale budget verplichtingen zijn aangegaan.
Artikel 4
Aan de hand van de opgave, bedoeld in
artikel 3, tweede lid, wordt vastgesteld in hoeverre de uitkering
in het betreffende kalenderjaar zal worden besteed. Indien onderuitputting
dreigt, kan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de
middelen die halverwege het jaar nog beschikbaar zijn, herverdelen over
de door hem aangewezen gemeenten.
Artikelen
5, 6 en 7
De artikelen 5 en
6 geven aan op welke
wijze de eindafrekening is geregeld. Burgemeester en wethouders doen jaarlijks,
vóór 20 september
van het jaar volgende op het jaar
waarin de diensten met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn
overeengekomen, aan Onze Minister opgave van de met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gesloten
overeenkomsten, de uit die overeenkomsten voortvloeiende uitgaven (de daadwerkelijk ten laste van het
beschikbare budget bestede bedragen) en ontvangsten en de diensten die (in
het betreffende kalenderjaar of in eerdere jaren) door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn verleend. Bij deze jaaropgave en de verklaring van
de deskundige is aangesloten bij hetgeen bij het verlenen van rijksvergoedingen ingevolge de
Abw, Ioaw
en Ioaz gebruikelijk is.
Ingevolge artikel
5, tweede lid, kan Onze Minister nadere regels stellen inzake de verklaring van de deskundige
en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring. Indien dergelijke
regels worden gesteld, zullen deze met het oog op administratieve belasting
van de betrokken gemeenten een terughoudend karakter dragen.
Uiterlijk op 20 september van het
daaropvolgende jaar stelt Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid de uitkering definitief vast. In artikel 6 is een bevoorschottingsregeling opgenomen. Deze houdt
in dat de gemeenten in de maand
februari van het kalenderjaar waarin de diensten met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn overeengekomen een voorschot tegemoet kunnen zien
ter
hoogte van 60% van de maximale bijdrage voor de betreffende
gemeente. In juli zal een (aanvullend) voorschot worden gegeven tot een
maximum van 100% van de uiteindelijke rijksbijdrage. In de
Regeling inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten 1996 was de verhouding
80-20%. Om een evenwichtiger
spreiding van de bevoorschotting over het uitkeringsjaar te bewerkstelligen
zonder de gemeenten te beperken in hun mogelijkheden of in
liquiditeitstekort te brengen, is gekozen voor de verhouding 60-40%.
Artikel 8
Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid is, ingevolge de artikelen 130 van de
Abw, 52 van de
Ioaw en 52 van de Ioaz, belast met het toezicht op de uitvoering van deze
wetten en dus ook op dit besluit. Om dat toezicht naar behoren te kunnen
uitoefenen, ziet het eerste lid van artikel 8 toe op een adequate en
controleerbare administratie voor dit specifieke besluit. Dit wordt ook ingegeven door de behoefte aan
noodzakelijke beleidsinformatie.
Om te kunnen voldoen aan het gestelde
in dit lid zal het noodzakelijk zijn dat de gemeente
kan beschikken
over door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te leveren bewijsstukken, die voldoen
aan de vereisten. Zo zal ten minste uit de declaratie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie moeten
blijken voor welke overeenkomst wordt
gedeclareerd, welke diensten zijn verricht en wanneer en voor wie (de
doelgroep) wordt gedeclareerd.
Uiteraard moet Onze Minister ook
kunnen kennisnemen van gegevens waarover burgemeester en wethouders
beschikken. In het tweede lid is daarom vastgelegd dat zij verplicht
zijn om hem kosteloos inzage in de administratie te verlenen.
Onze Minister baseert zich bij de
uitoefening van zijn toezichtstaak in principe op de resultaten van de
eerstelijnscontrole door de uitvoerende
gemeente zelf. De resultaten van de
voorgeschreven verantwoording door de gemeente en de bijbehorende
verklaring leveren de minister primair de informatie voor de
toezichtsuitoefening. Indien er twijfels blijven bestaan over de juistheid van de
uitvoering,
heeft Onze Minister de mogelijkheid zelf onderzoek naar de uitvoering uit
te laten voeren. Daarnaast kan de minister zich van actuele
ontwikkelingen in de uitvoering ter zake op de hoogte stellen. Eén en ander
is geheel
conform het gangbare Abw-, Ioaw-
en Ioaz-regime.
Ingevolge het derde lid kan Onze
Minister nadere regels stellen inzake de gemeentelijke administratie die
voor de uitvoering van dit besluit moet worden gevoerd. Indien dergelijke
regels worden gesteld, zullen deze met het oog op de administratieve
belasting van de betrokken gemeenten een terughoudend karakter
dragen.
Artikel 9
In dit artikel is vastgelegd om welke
redenen Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een reeds toegekende uitkering of een
voorschot van de gemeente kan
terugvorderen.
Artikel 10
Met het onderhavige besluit wordt het
beleid zoals dat is neergelegd in de Regeling inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door
gemeenten 1996 voortgezet. Omdat de
laatstgenoemde regeling met ingang van 1 januari 1997 haar werking
verliest, treedt het besluit in werking met ingang van de dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst
en werkt het terug tot en met 1 januari 1997.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|
|