|
BESLUIT van 7 februari 1997,
houdende het Tijdelijk besluit subsidiëring experimenten
activering van uitkeringsgelden
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van
Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 oktober 1996, Directie Bijstandszaken,
nr. BZ/VOL/96/4216;
Gelet op artikel 89 van de Grondwet;
De Raad van State gehoord (advies van
18 november 1996, nr. W12.96.0465);
Gezien het nader rapport van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 januari 1997,
Directie Bijstandszaken, nr. BZ/VOL/97/6069;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1. Begripsbepalingen
-1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. langdurig werkloze: een persoon die:
1º. uitkering ontvangt op grond van de
Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen; en
2º. gerechtigd is arbeid in Nederland te
verrichten;
en
3º. sedert ten minste
één jaar geen arbeid in
dienstbetrekking of als zelfstandige heeft verricht;
c. arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in het Burgerlijk
Wetboek.
-2. De periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b,
onder ten derde, wordt op vergelijkbare wijze vastgesteld als de
periode van langer dan twaalf maanden van inschrijving als werkloos werkzoekende bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie op
grond van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen.
Art. 2. Subsidie voor projecten
-1. Onze Minister verstrekt subsidie aan rechtspersonen ten
behoeve van projecten die tot doel hebben langdurig werklozen te
reïntegreren
in het arbeidsproces door hen een arbeidsovereenkomst te laten
aangaan. De totale subsidie strekt ter medefinanciering van de
loonkosten die voor een werkgever voortvloeien uit het aangaan
van een arbeidsovereenkomst met een langdurig werkloze.
-2. De subsidie wordt verstrekt indien de
arbeidsovereenkomsten voldoen aan de vereisten dat:
a. indien de arbeidsovereenkomst met een langdurig
werkloze wordt aangegaan voor bepaalde tijd, deze overeenkomst
voor ten minste zes maanden wordt aangegaan;
b. het loon en de tot het loon te rekenen vergoedingen
en de eventueel daarenboven te verstrekken toeslagen die op grond
van artikel 10 jº artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 tot het loon worden gerekend, ten hoogste 120% van
het voor hem geldende minimumloon op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedragen;
c. het loon ten minste gelijk is aan de hoogte van de
uitkering waarop de betrokken werknemer op grond van een in
artikel 1, onderdeel b, onder ten eerste, bedoelde wet
recht zou hebben gehad indien met hem geen arbeidsovereenkomst zou
zijn gesloten, tenzij onderdeel e van toepassing is;
d. de gemiddelde arbeidsduur 32 uur per week bedraagt,
tenzij een langere of kortere arbeidsduur gerechtvaardigd is in
verband met het vereiste onder c;
e. in afwijking van het vereiste onder
d voor een
alleenstaande ouder met de verzorgende taak voor één of meer tot
zijn last komende kinderen, dan wel pleegkinderen, in de leeftijd
van 0 jaar tot en met de leeftijd van het einde van de basisschool
de arbeidsduur niet minder dan 16 uur per week kan bedragen.
-3. De subsidie wordt slechts verstrekt aan de
rechtspersonen
waaraan op grond van de Subsidieregeling experimenten activering
van uitkeringsgelden, zoals deze regeling luidde tot de datum van
inwerkingtreding van dit besluit, subsidie is verleend.
Art. 3. Hoogte en duur subsidie
-1. De subsidie bedraagt per jaar ten hoogste ƒ18 000,00 per
arbeidsovereenkomst met een langdurig werkloze.
-2. De subsidie wordt verleend voor de duur van de
arbeidsovereenkomst, doch per arbeidsovereenkomst ten hoogste gedurende twee jaar.
-3. Indien de arbeidsovereenkomst minder dan 12 of 24
kalendermaanden duurt, wordt het in het eerste lid genoemde subsidiebedrag bepaald naar rato van het aantal
kalendermaanden
dat de arbeidsovereenkomst duurt.
-4. De subsidie ten aanzien van de categorie, bedoeld in
artikel 2, tweede lid, onderdeel e, wordt berekend op basis van 32
uur naar rato van de overeengekomen arbeidsduur per week.
Art. 4.
Aanvraag
-1. De subsidie wordt verleend op aanvraag van de
rechtspersoon. De aanvraag gaat vergezeld van een projectvoorstel
dat ten minste de volgende gegevens en bescheiden bevat:
a. een beschrijving van het project;
b. een raming van het aantal arbeidsplaatsen dat voor
vervulling door langdurig werklozen op jaarbasis beschikbaar zal
zijn en de aard van die arbeidsplaatsen;
c. een raming van het aantal langdurig werklozen aan
wie, ter vervulling van die arbeidsplaatsen, een
arbeidsovereenkomst zal worden aangeboden en van de te verwachten
duur van de arbeidsovereenkomsten;
d. een nadere specificatie van de doelgroepen langdurig
werklozen aan wie een arbeidsovereenkomst zal worden aangeboden;
e. een verklaring dat de gemiddelde arbeidsduur per
week, gerekend over het gehele project, niet meer dan 32 uur zal
bedragen;
f. een raming van de mate waarin het project zal kunnen
leiden tot verdringing van bestaande werkgelegenheid;
g. de voorgenomen duur van het project;
h. een aanduiding van het loon, met inbegrip van de
eventuele toeslagen daarop, alsmede een raming van de te verwachten totale loonkosten van het project;
i. een onderbouwde en sluitende begroting ten aanzien
van de financiering van het project;
j. de wijze waarop de administratie van het project zal
worden gevoerd, waaronder de registratie van de uitstroom van werknemers, en de wijze waarop verantwoording met betrekking tot
de besteding van de subsidie zal worden afgelegd.
-2. Voor zover andere rechtspersonen dan gemeenten
aanvragen indienen voor een project of delen van een project uit te voeren
in de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam of Utrecht, gaat de
aanvraag tevens vergezeld van een door burgemeester en wethouders
van de betreffende gemeente afgegeven verklaring waaruit blijkt
dat het project is afgestemd met die burgemeester en wethouders.
-3. Onze Minister
verleent de subsidie mede op basis van de
projectvoorstellen die door de rechtspersonen bij de aanvraag
voor subsidie op grond van de in artikel 2, derde lid, bedoelde
subsidieregeling zijn gevoegd.
Art. 5.
Weigering
-1. De subsidie wordt geweigerd indien de sluitende
financiering van het project onvoldoende is gewaarborgd.
-2. De subsidie wordt voorts geweigerd
indien, naar het
oordeel van de
minister:
a. onvoldoende zekerheid bestaat met betrekking tot de
deugdelijkheid van de te voeren administratie;
b. onvoldoende zekerheid bestaat met betrekking tot de
deugdelijkheid van de verantwoording met betrekking tot de besteding van de subsidie;
c. het project zal leiden tot onaanvaardbare verdringing
van bestaande werkgelegenheid;
d. het project zal leiden tot doorkruising van andere
werkgelegenheidsbevorderende maatregelen van de overheid;
e. het project zal leiden tot oneerlijke mededinging
jegens derden;
f. het project getoetst aan aspecten, zoals de verwachte
kwalitatieve meerwaarde, diversiteit, de schaalgrootte, de regionale
spreiding, de beheersbaarheid en het vernieuwende karakter
van de projecten in het licht van bestaande werkgelegenheidsbevorderende maatregelen van de overheid, niet doelmatig
wordt geacht.
Art. 6.
Subsidieplafond
De subsidie wordt geweigerd voor zover door de verstrekking
van de subsidie het bedrag van ƒ720 miljoen, dat voor de
uitvoering van dit besluit beschikbaar is, zou worden overschreden.
Art. 7.
Beschikking tot subsidieverlening
-1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het aantal
arbeidsplaatsen dat voor vervulling door langdurig werklozen beschikbaar zal zijn en waarvan de loonkosten voor subsidiëring
in aanmerking komen, alsmede het daarop gebaseerde geraamde bedrag
van de subsidie.
De subsidie wordt niet hoger vastgesteld dan het geraamde
bedrag.
-2. Bij het verlenen van de subsidie kunnen, in het belang van
een rechtmatige en doelmatige aanwending van de subsidie, aan de
subsidieontvanger nadere verplichtingen met betrekking tot de
inhoud en de uitvoering van de projecten worden gegeven, alsmede
voor de verantwoording.
Art. 8. Verplichtingen
-1. De subsidieontvanger houdt een inzichtelijke en
controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering
van het project en de in verband daarmee gedane uitgaven. De
administratie bevat mede gegevens met betrekking tot de aard en de
hoogte van de als gevolg van het project bespaarde uitkeringen.
-2. De subsidieontvanger geeft aan de Accountantsdienst van het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en aan de Algemene
Rekenkamer op verzoek inzage in de in het eerste lid bedoelde
administratie en verstrekt aan hen alle inlichtingen die deze
nodig achten om een juist inzicht te krijgen in de uitvoering van
het project en de aanwending van de subsidie.
-3. Met het oog op artikel 10 rapporteert de subsidieontvanger
binnen één maand na het verstrijken van elk kalenderkwartaal aan
Onze Minister over de realisatie van het project per maand.
-4. De subsidieontvanger rapporteert jaarlijks, binnen zes
maanden na het verstrijken van elk jaar, aan Onze Minister over de
voortgang van het project en de als gevolg van het project
bespaarde uitkeringen in het verstreken jaar.
-5. Binnen negen maanden na beëindiging van de subsidie legt
de subsidieontvanger aan Onze Minister een eindrapportage alsmede
een eindafrekening voor met betrekking tot het project. De
eindrapportage wordt voorzien van een verklaring van getrouwheid
van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 9.
Intrekking en wijziging subsidieverlening
-1. De subsidie kan geheel of gedeeltelijk worden
ingetrokken
of ten nadele van de subsidieontvanger worden gewijzigd, indien:
a. de rechtspersoon bij zijn aanvraag onjuiste of
onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste
en volledige gegevens tot een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid;
b. de uitvoering van het project afwijkt van het bij de
aanvraag gevoegde projectvoorstel;
c. de aan de subsidieverlening verbonden voorwaarden en
de bij de subsidieverlening en op grond van dit besluit opgelegde verplichtingen niet worden nageleefd;
d. de rechtspersoon daar om verzoekt.
-2. Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen kunnen geheel of
gedeeltelijk worden teruggevorderd.
Art. 10.
Bevoorschotting
-1. Onze Minister
verstrekt op kwartaalbasis voorschotten.
-2. Het voorschot over de eerste twee kwartalen van de
looptijd van het project wordt bij aanvang van het project ambtshalve toegekend en wordt vastgesteld op basis van het
toegekende
aantal
arbeidsplaatsen.
-3. Met ingang van het derde kwartaal wordt de hoogte van het
voorschot mede vastgesteld op basis van de realisatie van het
project, zoals blijkt uit de ingevolge artikel 8, derde lid, over
te leggen kwartaalrapportages.
-4. De bevoorschotting wordt beëindigd indien er grond
bestaat toepassing te geven aan artikel 9 of artikel
11, tweede lid.
Art. 11.
Vaststelling subsidie
-1. De subsidie wordt aan de hand van de door de
subsidieontvanger op grond van artikel 8, vijfde lid, te verstrekken
gegevens over de resultaten van het project vastgesteld.
-2. De subsidie kan op een lager bedrag worden
vastgesteld
indien de omstandigheden, genoemd in artikel 9, zich voordoen.
Art. 12.
Evaluatie
De subsidieontvanger verleent medewerking aan de evaluatie van
het project en stelt de daarvoor noodzakelijke gegevens aan Onze Minister
beschikbaar.
Art. 13.
Overgang
Beschikkingen, genomen op grond van de Subsidieregeling experimenten activering
van uitkeringsgelden, zoals deze
regeling luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit,
gelden als beschikkingen genomen op grond van dit besluit, met
dien verstande dat de in die beschikkingen opgenomen verplichtingen van kracht blijven.
Art. 14.
Intrekking subsidieregeling
De Subsidieregeling experimenten activering
van uitkeringsgelden wordt ingetrokken.
Art. 15.
Werkingsduur
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst, werkt terug tot en met 18 januari 1995 en vervalt met
ingang van 1 januari 1999.
Art. 16.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit
subsidiëring experimenten activering van uitkeringsgelden.¹
1. Ook wel EAU of Melkert-II-regeling
geheten, red.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met
de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 7 februari 1997
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de vijfentwintigste
februari
1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[7 februari 1997]
Aanleiding regeling bij AMvB
Op 18 januari 1995 heeft Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Subsidieregeling experimenten activering
van uitkeringsgelden vastgesteld (Besluit van 18 januari
1995, BZ/Vol/95/113, Stcrt. 1995, 13). Op basis van deze
subsidieregeling kan aan rechtspersonen (zie toelichting van artikel
2) voor de
uitvoering van projecten subsidie worden verstrekt. Doel van de regeling is de
experimentele uitvoering van een aantal werkgelegenheidsplannen
mogelijk te maken die naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid bruikbaar en vernieuwend zijn en naar verwachting
perspectief bieden op doorstroom naar een niet-gesubsidieerde baan.
De subsidie wordt verstrekt ter
medefinanciering van de loonkosten voortvloeiende uit de
arbeidsovereenkomst die in het kader van het experiment met de langdurig werkloze
wordt gesloten. De minister verstrekt de subsidie op basis van
projectvoorstellen. De termijn van aanvraag van de subsidie sloot op 18
maart 1995. De werkingsduur van de subsidieregeling eindigt per 1 januari
1999.
Omdat de subsidieverstrekking op basis
van deze subsidieregeling nog enkele jaren doorloopt en de voorgenomen wettelijke regeling in de
Wet
inschakeling werkzoekenden van een
ander uitgangspunt uitgaat (de gemeenten verstrekken subsidie aan de
werkgever), is besloten deze subsidies een betere wettelijke basis
te geven. De inwerkingtreding van de derde tranche van
de Algemene wet bestuursrecht
vereist dit ook. Met dit besluit ¹ wordt voorzien in regeling bij
algemene maatregel van bestuur.
Het besluit is vooropgezet van
tijdelijke aard, gelet op het experimentele karakter met het oog op eventuele
structurele integratie in de voorgenomen Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw).
Dit besluit is op grond van deze
overwegingen een zelfstandige algemene maatregel van bestuur.
1. Ook wel EAU of Melkert-II-regeling
geheten, red.
Het besluit komt in de plaats van en
is de inhoudelijke voortzetting van de Subsidieregeling experimenten activering
van uitkeringsgelden. Naar
aanleiding van in de praktijk
geconstateerde belemmeringen zijn ten opzichte van de oorspronkelijke
subsidieregeling enkele wijzigingen aangebracht. Deze hebben betrekking op
een nadere invulling van de duur van de werkloosheid en het laten vervallen van de eis van de gemiddelde
arbeidsduur van 32 uur per week ingeval een langere arbeidsduur noodzakelijk is om te voldoen aan de
eis dat het loon ten minste gelijk moet zijn aan het uitkeringsbedrag
waarop betrokkene anders recht zou hebben.
Deze wijzigingen werden reeds bij Circulaire van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 november 1995 (BZ/VOL/95/3921c) aan
de uitvoerders van de experimenten
medegedeeld.
Daarenboven zijn in dit besluit nog
enkele andere verbeteringen aangebracht. De belangrijkste daarvan
is dat het verbod van samenloop van een experimentbaan en een aanvullende bijstand komt te vervallen
voor alleenstaande ouders met kinderen
of pleegkinderen in de leeftijd van 0 jaar tot en met de leeftijd van
het einde van de basisschool. Voorts is de beëindiging van de
bevoorschotting gekoppeld aan de toepassing van de bevoegdheid de subsidieverlening te wijzigen, in te trekken of de
subsidie op een lager bedrag vast te
stellen.
Rechtspersonen
De subsidie wordt verstrekt aan
rechtspersonen. Dit zijn zowel privaatrechtelijke rechtspersonen die zich
bezighouden
met het ontwikkelen van werkgelegenheid voor de doelgroep van
deze regeling als rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn
ingesteld. In het laatste geval betreft het vooral gemeenten. De
rechtspersonen werden in de oorspronkelijke Subsidieregeling experimenten activering
van uitkeringsgelden aangeduid met het begrip instelling.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1
In artikel
1, eerste lid, onderdeel
b,
wordt geregeld wie als langdurig werkloze wordt aangemerkt. Hierbij
wordt opgemerkt dat vluchtelingen met de A-status en met de VVTV-humanitaire-status
[VVTV: voorwaardelijke vergunning tot verblijf, red.] die voldoen aan de
eisen van langdurig werkloze, ook in
aanmerking komen voor instroom in de experimenten activering van uitkeringsgelden. Zij hebben immers na
toelating recht op bijstand.
In het tweede lid wordt de periode van
ten minste één jaar waarin geen arbeid is verricht op vergelijkbare
wijze vastgesteld als de periode van langer dan twaalf maanden van inschrijving
als werkloos werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] op
grond van artikel 9 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen (WVA). Het gaat met name om het buiten
beschouwing laten van periodes van korte duur waarin arbeid
is verricht (voor minder dan 50 dagen of 400 uren gedurende de periode
van één jaar, waarbij de voor de werkgever/werkloze gunstigste
voorwaarde prevaleert).
Voor alleenstaande ouders met kinderen
dan wel pleegkinderen van 0 tot en met de leeftijd van het einde van de basisschool en voor partners
van gehuwden of daarmee
gelijkgestelden waarvan de partner de arbeidsverplichting opgelegd had
gekregen, gold onder de Algemene bijstandswet (Abw) geen verplichting
om bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ingeschreven te staan als werkzoekende. Om deze groep niet
uit te sluiten van de voordelen van
deze regeling is de inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
gedurende de periode van werkloosheid geen vereiste.
Artikel 2
Artikel
2, tweede lid, bepaalt aan
welke voorwaarden de arbeidsovereenkomsten die met de deelnemers aan het
project
worden aangegaan, moeten voldoen.
Minimumduur van zes maanden
Om de werkgever van de langdurig
werkloze voor subsidie in aanmerking te laten komen, moet op
grond van artikel 2, tweede lid, de arbeidsovereenkomst aan een aantal vereisten voldoen. Aangezien de
regeling zich richt op langdurig
werklozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt is in het tweede lid,
onderdeel a, aangegeven dat voor arbeidsovereenkomsten die voor
bepaalde tijd worden aangegaan een minimumduur van zes maanden geldt. Deze
termijn is gekozen om deelnemers in staat te stellen
gedurende een redelijke termijn werkervaring op te doen en om te
voorkomen dat uitsluitend arbeidsovereenkomsten van zeer korte duur worden
aangegaan.
Beloning
Het tweede lid,
onderdeel
b en c, regelt dat de beloning van de deelnemers ten minste het minimumloon
bedraagt en ten hoogste 120% van het minimumloon met inbegrip van
eventuele toeslagen, maar exclusief vakantiebijslag, kan
bedragen.
Bij de vaststelling of bij de aanvang
van de arbeidsovereenkomst aan het looncriterium wordt voldaan, wordt
geen rekening gehouden met in die maand ontvangen algemene of
bijzondere bijstand. Uitgegaan wordt van het in die arbeidsovereenkomst te
betalen maandloon. De eis dat het loon ten minste gelijk is aan het voor
de betrokkene van toepassing zijnde normbedrag houdt verband met het feit
dat de financiële dekking van de subsidie wordt gevonden in het bedrag
van de bespaarde (bijstands)uitkeringen.
In het geval dat bijstand voor
gehuwden of daarmee gelijkgestelden wordt verstrekt, wordt de beloning getoetst aan de bijstand die beide
echtgenoten gezamenlijk toekomt. Dit
heeft als gevolg dat indien met één van de partners een
arbeidsovereenkomst in het kader van de experimenten wordt afgesloten, het inkomen uit die
experimentbaan in ieder geval voldoende zal moeten zijn om
geen aanspraak meer te hoeven maken op de gezinsbijstand.
Vervallen eis van compenserende uren
De eis dat de gemiddelde arbeidsduur
per project niet meer dan 32 uur mag bedragen, zou kunnen leiden tot problemen met arbeidsinschakeling
van alleenstaande ouders en
kostwinners via de experimenten. Deze uitkeringsgerechtigden zullen immers,
om aan de eis dat geen aanspraak meer mag bestaan op een aanvullende uitkering, meer dan 32 uur
werkzaam moeten zijn. Tegelijkertijd
geldt de eis van gemiddeld 32 uur voor een project; er zou dus ter
compensatie voor elke kostwinner dan wel alleenstaande ouder die meer dan 32
uur werkt een alleenstaande gevonden moeten worden met een dienstverband korter dan 32 uur.
Alleenstaanden kunnen immers met een
aanstelling van minder dan 32 uur uit de bijstand komen. Deze
compenserende uren kunnen onvoldoende worden gevonden. Om dit ongewenste
effect te voorkomen, is het in die gevallen waarin een ongewenste samenloop met een blijvende
uitkering zich voordoet het criterium
van de arbeidsduur van 32 uur komen te vervallen, indien dat bij
aanvaarding van het dienstverband nodig is. In die gevallen hoeft
derhalve geen compensatie van uren door middel van kortere dienstverbanden
voor alleenstaanden plaats te vinden. Hierbij wordt er overigens nog steeds
van uitgegaan dat er in eerste instantie banen op 32-uurbasis worden
gecreëerd.
Parttimeovereenkomst met een
alleenstaande ouder met zorgtaken
Door artikel
2, tweede lid, onderdeel
e, wordt het mogelijk dat zowel de alleenstaande ouder met een kind of pleegkind jonger dan 5 jaar (op
vrijwillige basis) als de alleenstaande ouder met één of meer kinderen of
pleegkinderen tot en met de leeftijd
van het einde van de basisschool die op grond van de Algemene bijstandswet
een (gedeeltelijke) arbeidsverplichting heeft, via een experiment een
parttimebaan kan aanvaarden. De leeftijdsgrens van die van het
einde van de basisschool is gekozen naar analogie van de Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1997.
Om zoveel mogelijk aansluiting te
krijgen met andere arbeidsmarktinstrumenten wordt een ondergrens van 16
uur
gehanteerd. Enerzijds sluit dit aan bij de eis van de Regeling kinderopvang
en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1997 die spreekt van een minimale opvang van
4 uur per dag,
anderzijds wordt daarmee voldaan aan de eis van de WVA
waarin sprake is
van een arbeidsovereenkomst van ten minste 15 uur. Een derde overweging daarbij is dat met het
weglaten van een ondergrens de
mogelijkheid wordt geopend om ook dienstverbanden van geringe omvang,
zoals oproepcontracten, voor subsidie in aanmerking te laten komen,
hetgeen niet de bedoeling is.
Het is in de structuur van deze
subsidieregeling de taak van de subsidieaanvrager aan te geven hoe aan
deze vereisten wordt voldaan.
Omdat dit besluit niet beoogt het
aantal experimenten uit te breiden, komen alleen in aanmerking de
rechtspersonen die reeds op grond van de subsidieregeling een uitkering
hebben ontvangen (het derde lid).
Artikel 3
Het subsidiebedrag wordt gerelateerd
aan de arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. Is de arbeidsovereenkomst van kortere duur
maar minimaal zes maanden, dan wordt het
subsidiebedrag naar rato verminderd. Het bedrag van ƒ18 000,-
stemt overeen met de uitkering die over een jaar wegens de arbeidsovereenkomst niet meer door het Rijk aan
de gemeente
behoeft te worden vergoed.
De subsidie per arbeidsovereenkomst wordt verstrekt voor de duur van de
arbeidsovereenkomst, maar maximaal gedurende twee jaar. Duurt de
arbeidsovereenkomst minder dan twee jaar, maar langer dan één
jaar, dan wordt het bedrag van ƒ18 000,- in dat tweede jaar naar
rato verminderd.
Indien de arbeidsovereenkomst binnen
de minimaal vereiste termijn van zes maanden buiten toedoen van de werkgever wordt beëindigd,
bijvoorbeeld door ontslagaanvraag van
de betreffende werknemer, dan wordt de subsidie verstrekt naar rato
van het aantal maanden dat de arbeidsovereenkomst werkelijk heeft
geduurd.
Met betrekking tot de hoogte van de
subsidie is de bepaling opgenomen dat de subsidie ten behoeve
van een parttimeovereenkomst met een alleenstaande ouder wordt toegerekend naar rato van de
overeengekomen arbeidsduur (artikel 3,
vierde lid). Daarbij geldt als berekeningsgrondslag een arbeidsduur
van 32 uur. Bij een arbeidsduur van bijvoorbeeld 20 uur bedraagt de
subsidie 20/32 x ƒ18 000,- = ƒ11 250,-. Dit is in afwijking van
de basissystematiek waarbij de subsidie ongeacht de overeengekomen
arbeidsduur, dus ook bij arbeidsovereenkomsten van meer dan 32 uur, wordt
vastgesteld
op ƒ18 000,-, tenzij het project zelf een lager subsidiebedrag
heeft vastgesteld. In de gevallen dat met een alleenstaande ouder een
arbeidsovereenkomst van 32 uur of meer wordt afgesloten, blijft de
maximale subsidie ƒ18 000,-.
Voor de bepaling van de duur van de
subsidie wordt een arbeidsovereenkomst geacht in te gaan op de eerste dag
van
de maand en te eindigen op de laatste dag van de maand. Indien
een arbeidsovereenkomst in de loop van de maand ingaat, wordt deze
als volle maand gerekend. Wordt de arbeidsovereenkomst in de loop van de
maand beëindigd, dan telt deze maand niet mee bij de bepaling van de
duur van de subsidiabele periode.
Artikelen 8 en
12
Om enerzijds de effecten van de
regeling te kunnen evalueren en anderzijds de besteding van de
subsidie te kunnen controleren, moeten de rechtspersonen die subsidie ontvangen
de daartoe noodzakelijke informatie verstrekken aan Onze Minister.
Artikel 13
Vanzelfsprekend blijven de
verplichtingen, opgenomen in de reeds gedane beschikkingen, van kracht. Dit
nieuwe tijdelijke besluit geldt in plaats van de oude ministeriële
subsidieregeling [zie hieronder, red.]. Het betreft hierbij met
name de verplichtingen tot het
verstrekken van gegevens.
Artikel 15
In artikel 15 is de werkingsduur
opgenomen. Dit besluit heeft dezelfde werkingsduur als de Subsidieregeling experimenten activering
van uitkeringsgelden. De bedoeling van dit
besluit is aan te sluiten bij de bestaande subsidieregeling. Dit komt
tot uitdrukking door aan dit besluit terugwerkende kracht tot en met 18
januari 1995 te verlenen.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
SUBSIDIEREGELING
EXPERIMENTEN ACTIVERING VAN UITKERINGSGELDEN
Bijgewerkt tot en met 25 februari
1997
Vervallen
m.i.v. 26 februari 1997
(art. 14 Tbseau, zie hierboven)
18 januari 1995, Stcrt. 1995, 13
Inwerkingtreding: 18 januari 1995
Vervalt per 1 januari 1999
18 januari 1995/nr. BZ/VOL/95/113
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Besluit:
Art. 1.
In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. langdurig werkloze: een persoon
die:
1º. gerechtigd is arbeid in Nederland te
verrichten; en
2º. sedert ten minste één jaar geen arbeid in
dienstbetrekking of als zelfstandige heeft verricht; en
3º. uitkering ontvangt op grond van de
Algemene bijstandswet (Abw), de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsgeschikte werkloze werknemers (Ioaw) of de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsgeschikte gewezen zelfstandigen
(Ioaz);
b. instelling: de rechtspersoon aan
wie subsidie is toegekend;
c. arbeidsovereenkomst: een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1637a van het Burgerlijk
Wetboek.
Art. 2.
Ingevolge deze regeling kan aan gemeenten en andere publiek- en
privaatrechtelijke rechtspersonen subsidie worden toegekend voor projecten
die tot doel hebben langdurig werklozen te reïntegreren in het
arbeidsproces door aan hen een arbeidsovereenkomst aan te (doen) bieden.
De subsidie strekt ter medefinanciering van de loonkosten voortvloeiende
uit de bedoelde arbeidsovereenkomsten en kan worden toegekend indien aan
de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. met een langdurig werkloze wordt
een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of voor ten minste zes maanden
aangegaan;
b. het loon en de tot het loon te
rekenen vergoedingen en de eventueel daarenboven verstrekte toeslagen die
op grond van artikel 10 jº artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964
tot het loon gerekend worden, bedraagt ten hoogste 120% van het
minimumloon en wel naar evenredigheid van het aantal in de
arbeidsovereenkomst opgenomen arbeidsuren;
c. het op grond van de
arbeidsovereenkomst verschuldigde loon is ten minste gelijk aan de hoogte
van de uitkering waarop de betrokken werknemer op grond van een in artikel
1 bedoelde wettelijke regeling recht zou hebben indien met hem geen
arbeidsovereenkomst zou zijn gesloten.
Art. 3.
De subsidie bedraagt per jaar ten hoogste ƒ18 000,00 per
arbeidsovereenkomst met een langdurig werkloze en wordt toegekend naar
rato van het aantal maanden dat de arbeidsovereenkomst duurt.
Art. 4.
-1. Om voor toekenning van subsidie in
aanmerking te kunnen komen, wordt door de instelling een daartoe strekkende
aanvraag ingediend, vergezeld van een projectvoorstel dat ten minste de
volgende gegevens en bescheiden bevat:
a. een beschrijving van het project;
b. een raming van het aantal
arbeidsplaatsen dat voor vervulling door langdurig werklozen op jaarbasis
beschikbaar zal zijn en de aard van die arbeidsplaatsen;
c. een raming van het aantal langdurig
werklozen aan wie, ter vervulling van die arbeidsplaatsen, een
arbeidsovereenkomst zal worden aangeboden en de te verwachten duur van de
arbeidsovereenkomsten;
d. een nadere specificatie van de
categorie of categorieën langdurig werklozen aan wie een
arbeidsovereenkomst zal worden aangeboden;
e. een verklaring dat de gemiddelde
arbeidsduur per week, gerekend over het gehele project, niet meer dan 32
uur zal bedragen;
f. een raming van de mate waarin het
project zal kunnen leiden tot verdringing van bestaande werkgelegenheid;
g. de voorgenomen duur van het
project;
h. een aanduiding van het loon, met
inbegrip van de eventuele toeslagen daarop, alsmede een raming van de te
verwachten totale loonkosten van het project;
i. een onderbouwde en sluitende
begroting ten aanzien van de financiering van het project;
j. de wijze waarop de administratie
van het project zal worden gevoerd, waaronder de registratie van de
uitstroom van uitkeringsgerechtigden, en de wijze waarop verantwoording
met betrekking tot de besteding van de subsidie zal worden afgelegd.
-2. Indien en voor zover anderen dan gemeenten
voorstellen indienen voor een project of delen van een project uit te
voeren in de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam of
Utrecht, dient de
aanvraag tevens te zijn vergezeld van een door de betreffende gemeente
afgegeven verklaring waaruit blijkt dat het project is afgestemd met die
gemeente.
-3. Aanvragen voor subsidie dienen te worden
gericht aan de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, postbus
90801, 2509 LV ’s-Gravenhage, onder vermelding van: aanvraag subsidie
experiment activering uitkeringsgelden.
-4. Tenzij bijzondere omstandigheden daartoe
aanleiding geven, worden aanvragen die later dan twee maanden na de datum
van publicatie van deze regeling in de Staatscourant zijn ontvangen en
aanvragen die niet de ingevolge het eerste lid vereiste gegevens en
bescheiden bevatten niet in behandeling genomen.
Art. 5.
Bij de beoordeling van aanvragen zal rekening worden gehouden met
doelmatigheidsaspecten, zoals de verwachte kwalitatieve meerwaarde,
diversiteit, de schaalgrootte, de regionale spreiding, de beheersbaarheid
en het vernieuwende karakter van de projecten in het licht van bestaande
werkgelegenheidsbevorderende maatregelen van de overheid.
Art. 6.
Indien zij daarom verzoeken en ook overigens voldoen aan de bepalingen van
deze regeling, zullen de verzoeken van de gemeenten
Amsterdam, Den Haag,
Rotterdam en Utrecht bij voorrang worden behandeld.
Art. 7.
Subsidie wordt niet toegekend, indien:
a. het projectvoorstel niet de in
artikel 4, eerste lid, bedoelde gegevens en bescheiden bevat;
b. de sluitende financiering van het
project onvoldoende is gewaarborgd.
Art. 8.
Subsidie wordt niet toegekend indien, naar het oordeel van de minister:
a. onvoldoende zekerheid bestaat met
betrekking tot de deugdelijkheid van de te voeren administratie;
b. onvoldoende zekerheid bestaat met
betrekking tot de deugdelijkheid van de verantwoording met betrekking tot
de besteding van de subsidie;
c. het project zal leiden tot
onaanvaardbare verdringing van bestaande werkgelegenheid;
d. het project zal leiden tot
doorkruising van andere werkgelegenheidsbevorderende maatregelen van de
overheid;
e. het project zal leiden tot
oneerlijke mededinging jegens derden;
f. het project, getoetst aan de
doelmatigheidsaspecten, bedoeld in artikel 5, niet voor subsidiëring in
aanmerking komt.
Art. 9.
Besluiten tot toekenning van een financiële bijdrage en tot vaststelling
van het bedrag kunnen geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of herzien
en de op basis daarvan betaalde bedragen kunnen geheel of gedeeltelijk
worden teruggevorderd, indien:
a. de instelling bij zijn aanvraag
zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt dat bij de
toekenning van de financiële bijdrage dan wel bij de vaststelling van het
bedrag bij juiste of volledige informatie een ander besluit zou zijn
genomen;
b. de uitvoering van het project
afwijkt van het bij de aanvraag gevoegde projectvoorstel;
c. indien de instelling handelt in
strijd met de wet;
d. indien de aan de toekenning verbonden voorwaarden en
voorschriften niet worden nageleefd;
e. op verzoek van de instelling.
Art. 10.
-1. De toekenning van subsidie geschiedt
onder het voorbehoud dat de wetgever de benodigde financiële middelen ter
beschikking stelt.
-2. Het besluit tot toekenning van subsidie
vermeldt het aantal arbeidsplaatsen dat voor vervulling door langdurig
werklozen beschikbaar zal zijn en waarvan de loonkosten voor subsidiëring
in aanmerking komen, alsmede het daarop gebaseerde geraamde bedrag van de
subsidie. Het definitief vast te stellen subsidiebedrag zal niet hoger
zijn dan het geraamde bedrag.
-3. Bij de toekenning van subsidie kunnen, in
het belang van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de toegekende
subsidie, nadere voorschriften omtrent de inhoud en de uitvoering van de
projecten worden gegeven, alsmede omtrent de bevoorschotting en
verantwoording.
Art. 11.
-1. Bevoorschotting van de toegekende
subsidie vindt plaats op kwartaalbasis.
-2. Het voorschot over de eerste twee
kwartalen van de looptijd van het project wordt bij aanvang van het
project ambtshalve toegekend en wordt vastgesteld op basis van het
toegekende aantal arbeidsplaatsen.
-3. Met ingang van het derde kwartaal wordt
de hoogte van het voorschot mede vastgesteld op basis van de realisatie
van het project, zoals blijkend uit de ingevolge artikel
13, derde lid,
over te leggen kwartaalrapportages.
-4. De bevoorschotting zal worden beëindigd
indien de instelling niet of slechts gedeeltelijk voldoet aan de in
artikel 13 vermelde voorwaarden.
Art. 12.
Het definitieve bedrag van de subsidie wordt vastgesteld aan de hand van
de door de aanvrager te verstrekken gegevens over de resultaten van het
project.
Art. 13.
-1. De instelling zal een inzichtelijke en
controleerbare administratie bijhouden met betrekking tot de uitvoering
van het project en de in verband daarmee gedane uitgaven. De administratie
bevat mede gegevens met betrekking tot de aard en de hoogte van de als
gevolg van het project bespaarde uitkeringen.
-2. De instelling geeft aan de
Accountantsdienst van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en aan de Algemene Rekenkamer op verzoek inzage in de in het eerste lid
bedoelde administratie en verstrekt aan hen alle inlichtingen die deze
nodig achten om een juist inzicht te krijgen in de uitvoering van het
project en de aanwending van de subsidie.
-3. Met het oog op de bevoorschotting,
bedoeld in artikel 11, rapporteert de instelling binnen één maand na het
verstrijken van elk kwartaal aan de minister over de realisatie van het
project per maand.
-4. De instelling rapporteert jaarlijks,
binnen zes maanden na het verstrijken van elk jaar, aan de minister over
de voortgang van het project. De rapportage voorziet in een volledige
opgave van de kosten van het project en van de aard en de hoogte van de
als gevolg van het project bespaarde uitkeringen in het verstreken jaar.
-5. Binnen negen maanden na beëindiging van
de subsidie legt de instelling aan de minister een eindrapportage alsmede
een eindafrekening aan de minister voor met betrekking tot het project. De
eindrapportage wordt voorzien van een verklaring van getrouwheid van een
registeraccountant.
Art. 14.
De instelling verleent medewerking aan de evaluatie van het project en
stelt de daarvoor noodzakelijk geachte gegevens aan de minister
beschikbaar.
Art. 15.
-1. Deze regeling wordt in de
Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt en wordt in afschrift toegezonden aan de
Algemene Rekenkamer.
-2. Deze regeling treedt in werking met
ingang van de datum van publicatie in de Staatscourant en vervalt met
ingang van 1 januari 1999.
-3. Deze regeling kan worden aangehaald als:
Subsidieregeling experimenten activering van uitkeringsgelden.¹
1. Ook wel EAU of Melkert-II-regeling
geheten, red.
’s-Gravenhage, 18 januari 1995.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
TOELICHTING
[18 januari 1995]
Inleiding
Binnen de
kaders van het algemene werkgelegenheidsbeleid is bestrijding van de
langdurige werkloosheid één van de speerpunten van het kabinetsbeleid.
Bij brief van 2 november 1994 heeft het kabinet
een nota over de bestrijding van langdurige werkloosheid aan de Voorzitter
van de Tweede Kamer gezonden.
Tegen de achtergrond van de hierin genoemde
beleidsvoornemens wil het kabinet de experimentele uitvoering mogelijk
maken van een aantal werkgelegenheidsplannen die naar zijn oordeel
bruikbaar en vernieuwend zijn en naar verwachting perspectief bieden op
doorstroom naar de arbeidsmarkt. Het ligt niet in de rede dat alle
aanvragen voor subsidies ter medefinanciering van
werkgelegenheidsprojecten zullen worden gehonoreerd. Immers, het gaat erom
langs experimentele weg bruikbare en veelbelovende werkwijzen te beproeven die langdurig werklozen uitzicht bieden op duurzame
inschakeling in het arbeidsproces. Die projecten die naar het oordeel van
de minister het meest veelbelovend lijken, komen voor subsidie in
aanmerking.
Onderstaand wordt nader ingegaan op de
uitgangspunten, voorwaarden en criteria waaraan de plannen en voorstellen
zullen moeten voldoen.
Beleidsmatige uitgangspunten
De
experimentele uitvoering van werkgelegenheidsplannen beoogt een
versterking van de activerende werking van de sociale zekerheid.
Experimentele werkgelegenheidsprojecten moeten daarom vernieuwend zijn én
- naar redelijke verwachting - effectief: ze moeten nieuwe wegen
bewandelen met uitzicht op bruikbare resultaten voor nieuw beleid.
Slechts wanneer de bruikbaarheid van een nieuwe
aanpak of maatregel is bewezen, kan worden overwogen deze meer algemeen
toe te passen.
De subsidieregeling ¹ vervalt met ingang van 1
januari 1999. Uitgangspunt voor experimenten is dat zij reeds na een niet
al te lange tijd hun waarde moeten kunnen bewijzen. Gedacht wordt aan een
maximale duur van in principe twee jaar. In gevallen waarin een langere
experimenteerduur doelmatig lijkt, zal van deze termijn kunnen worden
afgeweken, met dien verstande dat het in de rede ligt tussentijds te
bezien of subsidiëring na een periode van twee jaar kan worden
voortgezet.
1. Ook wel EAU of Melkert-II-regeling
geheten, red.
Subsidie
Aan gemeenten
en andere publiek- en privaatrechtelijke rechtspersonen kan ten laste van
's Rijks
kas een financiële bijdrage worden toegekend voor projecten die tot doel
hebben langdurig werklozen te reïntegreren in het arbeidsproces door hen
een arbeidsovereenkomst aan te (doen) bieden.
Budgettaire neutraliteit is voor het Rijk een
belangrijk uitgangspunt welke aan de subsidieregeling ten grondslag ligt.
Er worden dus geen extra financiële middelen voor de financiering van de
experimenten ter beschikking gesteld. De subsidies ter medefinanciering
van de loonkosten van de arbeidsplaatsen in het kader van deze projecten
bestaan uit het rijksaandeel in de bespaarde bijstandsuitkeringen
gecorrigeerd voor de naar verwachting optredende verdringing van
werkgelegenheid.
Voor zowel de gemiddeld bespaarde uitkering als
de verdringing is een forfaitaire benadering gehanteerd, resulterend in
een subsidiebedrag per geplaatste langdurig werkloze van maximaal ƒ18
000,- op jaarbasis. Bevoorschotting vindt plaats per kwartaal, in
eerste instantie op basis van het maximaal aantal toegekende plaatsen op
jaarbasis en daarna op basis van de gerealiseerde aantallen zoals blijkt
uit de kwartaalrapportages per project. Dit laatste impliceert dat, indien
de kwartaalrapportages niet of te laat worden ingediend, de
bevoorschotting zal worden stopgezet.
De forfaitaire benadering van gemiddelde
uitkeringshoogte en verdringing betekent dat ook achteraf alleen wordt
afgerekend op basis van gerealiseerde aantallen plaatsingen voor zover deze
het maximum toegekende aantal plaatsen niet overschrijdt. De sluitende
financiering van het experiment is niet de verantwoordelijkheid van het
Rijk, maar van de uitvoerende instantie. Een sluitende financiering is dan
ook als één van de noodzakelijke voorwaarden voor toekenning van
subsidie in de onderhavige regeling opgenomen.
Doelgroep van de regeling
De
experimentele projecten richten zich op werkloze uitkeringsgerechtigden
met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Het kan niet de bedoeling zijn
dat de experimentele projecten met inzet van uitkeringsgelden zich richten
op werkloze werkzoekenden met goede perspectieven op de arbeidsmarkt.
Primaire doelstelling van de experimentele uitvoering van
werkgelegenheidsplannen is immers het leveren van een bijdrage aan de
bestrijding van de langdurige werkloosheid. Het kabinet heeft er derhalve
voor gekozen dat de projecten zich richten op personen met een uitkering
op grond van de Abw, Ioaw of
Ioaz die langer dan één jaar werkloos
zijn. Deze pragmatische keuze betekent overigens niet dat langdurig
werklozen zonder of met een andersoortige uitkering niet voor deelname aan
de experimentele projecten in aanmerking komen. Deelname van deze
werklozen aan de projecten betekent wel dat de instantie die
verantwoordelijk is voor de uitvoering van het project voor de
financiering ervan een groter beroep zal moeten doen op andere
financieringsbronnen.
Aanmelding van voorstellen en plannen
Voorstellen en
plannen voor experimentele projecten met inzet van bijstandsuitkeringen
dienen binnen twee maanden na publicatie van deze beschikking te worden
ingediend bij het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Omdat
potentiële aanvragers voor subsidie reeds kennis hebben kunnen nemen van
de beleidsvoornemens van het kabinet, zoals verwoord in de brief van 2
november 1994 aan de Tweede Kamer, kan worden volstaan met een relatief
korte periode van indiening van voorstellen en plannen.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 2
Artikel 2
bepaalt aan welke voorwaarden de arbeidsovereenkomsten die met de
deelnemers aan het project worden aangegaan, moeten voldoen. Aangezien de
regeling zich richt op langdurig werklozen met een grote afstand tot de
arbeidsmarkt is aangegeven dat voor arbeidsovereenkomsten die voor
bepaalde tijd worden aangegaan een minimumduur van zes maanden geldt. Deze
termijn is gekozen om deelnemers in staat te stellen gedurende een
redelijke termijn werkervaring op te doen en om te voorkomen dat
uitsluitend arbeidsovereenkomsten van zeer korte duur worden aangegaan. De
arbeidsvoorwaarden zijn in de subsidieregeling zodanig geformuleerd dat
deze geen belemmering vormen voor de gewenste doorstroom van de deelnemers
naar vast regulier werk. De gemiddelde arbeidsduur per week kan, gerekend
over het gehele project, niet meer bedragen dan gemiddeld 32 uur. Daarmee
wordt aangesloten bij de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig
werklozen, die gelijk met deze regeling wordt gepubliceerd (extra 40 000
arbeidsplaatsen). Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de
uitvoerende instantie nadere regels te stellen omtrent de bandbreedte van
de overeen te komen arbeidstijd van de individuele deelnemers. De beloning
van de deelnemers bedraagt ten minste het minimumuurloon en kan ten
hoogste 120% van het minimumuurloon met inbegrip van eventuele toeslagen
bedragen. Ten slotte moet de beloning van de deelnemer zodanig zijn dat
geen beroep behoeft te worden gedaan op een aanvullende uitkering op grond
van de Algemene Bijstandswet.
Artikel 3
De subsidie is
vastgesteld op een forfaitair bedrag per jaar per in dienst genomen
langdurig werkloze. Indien uit de bij de aanvraag gevoegde begroting blijkt
dat voor de financiering van de loonkosten een lager subsidiebedrag
toereikend is, kan de hoogte van de subsidie aan dat lagere bedrag worden
aangepast.
Artikel 5
Bij de
beoordeling van aanvragen voor subsidies voor experimentele
werkgelegenheidsprojecten zullen, naast een aantal randvoorwaarden in de
sfeer van de arbeidsvoorwaarden en de normale administratieve vereisten,
enige kwalitatieve criteria worden gehanteerd.
Ingediende voorstellen dienen een kwalitatieve
meerwaarde te hebben in vergelijking met bestaande maatregelen ter
bestrijding van langdurige werkloosheid. Op grond van het experimentele
karakter van het onderhavige beleid heeft een voorstel voor een
werkgelegenheidsproject grotere meerwaarde wanneer het project door de
gekozen aanpak naar verwachting leidt tot duurzame inschakeling van
langdurig werklozen in het arbeidsproces waarbij tevens rekening wordt
gehouden met de ingeschatte verdringingseffecten.
Het is de bedoeling om met behulp van de subsidie
uiteenlopende projecten qua inhoud, methode en aanpak te doen uitvoeren.
De gewenste diversiteit zal ertoe nopen dat een keuze moet worden gemaakt
uit voorstellen met eenzelfde strekking.
Gezien de uiteenlopende werkloosheidssituatie en
de verschillen op de regionale arbeidsmarkt zullen de te subsidiëren
werkgelegenheidsprojecten regionaal over Nederland verspreid moeten zijn.
Aanvragen voor projecten uit de vier grote steden
zullen, in het licht van het door het kabinet voorgestane
grotestedenbeleid, daarbij met voorrang worden behandeld. Het is voor een
succesvolle uitvoering noodzakelijk dat het ingediende
werkgelegenheidsproject kan rekenen op voldoende bestuurlijk draagvlak bij
betrokken partijen. Het bestuurlijk draagvlak kan onder meer blijken uit
het feit dat de projectvoorstellen zijn afgestemd met relevante partijen,
zoals bijvoorbeeld de Kamer van Koophandel, het Regionaal Bestuur
voor de Arbeidsvoorziening en werkgevers- en werknemersorganisaties. Gezien de
beperkte werkingssfeer van de regeling gaat de voorkeur uit naar projecten
die worden ondergebracht bij een bestaande organisatie.
Artikel 11
Op de
toegekende subsidie worden voorschotten verstrekt. Teneinde
liquiditeitsproblemen voor de instelling te voorkomen, is in het tweede
lid bepaald dat aan de instelling ambtshalve een eerste voorschot wordt
uitbetaald voor de eerste twee kwartalen naar rato van het op jaarbasis
toegekende subsidiebedrag.
Met
ingang van het derde kwartaal wordt de hoogte van het voorschot gebaseerd
op de realisatiecijfers blijkende uit de laatst bekende kwartaalrapportage.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
|