|
BESLUIT van 24 december 1997
tot het vaststellen van nadere regels inzake registraties die
worden aangemerkt als gezamenlijke huishouding (Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op voordracht van de
Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 november 1997, Directie Sociale
Verzekeringen, nr. SV/AVF/97/4557;
Gelet op artikel 3, vijfde lid, van de
Algemene bijstandswet, artikel 3, vijfde lid, van de Algemene
nabestaandenwet, artikel 1, zesde lid, van de Algemene
Ouderdomswet, artikel 1,
zesde lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering, artikel 3, vijfde
lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel
3, vijfde lid, van de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, artikel 1, zesde lid, van de Toeslagenwet,
artikel 1, zesde
lid,
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, artikel 1, zesde
lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 1, zesde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, artikel 1, zesde lid, van de Wet
voorzieningen gehandicapten
en artikel 1, zesde lid, van de Ziektewet;
De Raad van State gehoord (advies van
17 december 1997, nr. W12.97.0732);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 1997,
Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/AVF/97/5412;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Wwb: Wet werk en
bijstand;
b. Anw: Algemene
nabestaandenwet;
c. AOW: Algemene
Ouderdomswet;
d.
Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
e. Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
f. TW: Toeslagenwet;
g. Wet Wajong: de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
h. WAO: Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
i. WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen;
j.
Wet WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
k. Wmo:
Wet
maatschappelijke ondersteuning;
l. ZW: Ziektewet;
m. Wwik: Wet werk en
inkomen kunstenaars;
n. WIJ: Wet
investeren in jongeren;
o. IOW: Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen.
Art. 2.
Toepassingsgebied
Dit besluit is van toepassing op registraties in de zin van:
a. artikel
3, vierde lid, onderdeel d, van de Wwb;
b. artikel
3, vierde lid, onderdeel
d, van de Anw;
c. artikel
1, vijfde lid, onderdeel
d, van de AOW;
d. artikel
3, vierde lid, onderdeel
d, van de Ioaw;
e. artikel
3, vierde lid, onderdeel
d, van de Ioaz;
f. artikel
1, vijfde lid, onderdeel
d, van de TW;
g.
artikel 1:1, vijfde lid, onderdeel
d, van de Wet Wajong;
h. artikel
1, vijfde lid, onderdeel
d, van de WAO;
i.
artikel 1, vijfde lid, onderdeel
d, van de WAZ;
j.
artikel 2, vierde lid, onderdeel d,
van de Wet WIA;
k.
artikel
1, vijfde lid, onderdeel
d, van de Wmo;
l. artikel
1, vijfde lid, onderdeel
d, van de ZW;
m. artikel 2, vierde lid,
onderdeel d, van de Wwik; en
n. artikel
3, vierde lid, onderdeel d, van de WIJ;
o. artikel
2, vierde lid, onderdeel d, van de IOW.
Art. 3.
Aangewezen registraties
-1. Als registraties als bedoeld in
artikel 2 worden
aangewezen de registratie als:
a. duurzame gezamenlijke huishouding op grond van:
1. de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
2. de Wet
inkomstenbelasting 2001;
3. de Wet
op de loonbelasting 1964;
4. de Wet
op de studiefinanciering;
4a. de Wet
studiefinanciering 2000;
5. de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;
6. de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945;
b. gezamenlijke huishouding op grond van:
1. de Wwb;
2. de Anw;
3. de AOW;
4. de Ioaw;
5. de Ioaz;
6. de TW;
7. de Wet Wajong;
8. de WAO;
9. de WAZ;
10. de Wet WIA;
11. de Wmo;
12. de ZW;
13. de Wwik;
14. de WIJ;
15. de IOW;
c. duurzame gemeenschappelijke huishouding op grond van
onderafdeling 3 van afdeling 5 van titel 4 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek;
d. gemeenschappelijke huishouding op grond van:
1. de Successiewet
1956;
2. een verblijfsrecht ingevolge de
Vreemdelingenwet
2000 voor
verblijf bij partner;
e. duurzame relatie op grond van de
Rijkswet
op het Nederlanderschap.
-2. Een registratie als bedoeld in het eerste lid is aanwezig
gedurende de periode waarin bij de toepassing van de in dat lid
genoemde wetten op enig moment rechtsgevolgen worden verbonden aan
het bestaan van een duurzame gezamenlijke huishouding, een
gezamenlijke huishouding, een duurzame gemeenschappelijke huishouding, een gemeenschappelijke
huishouding respectievelijk
een duurzame relatie.
Art. 4.
Bijzondere bepalingen in
verband met de Wwb, WIJ, AOW, Ioaw, Ioaz, IOW, TW, Wet Wajong, WAO,
WAZ, Wet WIA, Wmo, ZW en Wwik
Voor de toepassing van
artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, van de Wwb,
artikel 3, tweede tot en met vijfde
lid, van de WIJ,
artikel 1, derde tot en
met zevende lid, van de AOW, artikel 3, tweede tot en met zesde lid, van de
Ioaw,
artikel 3,
tweede tot en met zesde lid, van de Ioaz,
artikel 1, derde tot en met zevende
lid, van de TW, artikel
1:1, derde tot en met zevende lid, van de Wet
Wajong,
artikel 1, derde tot en met zevende lid, van de WAO,
artikel 1, derde tot
en met zevende lid, van de WAZ, artikel
2, tweede tot en met zesde lid, van de Wet
WIA, artikel
1, derde tot en met zevende
lid, van de Wmo,
artikel 1, derde tot en met zevende lid, van de ZW,
artikel 2, tweede tot en met zesde lid,
van de IOW
en artikel
2, tweede tot
en met vierde lid, van de Wwik wordt
een registratie als bedoeld in artikel 3 in aanmerking genomen, indien
deze:
a. bij de aanvraag van
bijstand, uitkering of voorziening bestaat;
b. in een periode van twee
jaar voorafgaand aan de aanvraag van bijstand, uitkering of
voorziening op enig moment heeft bestaan; dan wel
c. gedurende de verlening
van bijstand, uitkering of voorziening plaatsvindt.
Art. 5.
Bijzondere bepaling in verband met de Anw
Voor de toepassing van
artikel 3, tweede tot en met zesde lid,
van de Anw wordt voor de vaststelling van het recht op nabestaandenuitkering een registratie als bedoeld in
artikel 3 in aanmerking genomen, indien deze:
a. bestaat op de dag van overlijden van degene met wie
een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd dan wel in de periode
van twee jaar voorafgaande aan deze dag op enig moment heeft
bestaan;
b. plaatsvindt gedurende de verlening van
nabestaandenuitkering.
Art.
5a. Grondslag besluit
Dit besluit berust mede
op artikel 3, vijfde lid, van de Wwb,
artikel 3, vijfde lid, van de WIJ,
artikel
2, vijfde lid, van de Wwik en artikel
2, zesde lid, van de IOW.
Art.
6.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de artikelen
XVII tot en met XXXII van het bij koninklijke boodschap van 29 september 1997 ingediende voorstel van wet houdende nadere
wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten en enige andere
wetten, houdende wijziging/intrekking van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, eenvormige definiëring van de term
gezamenlijke huishouding en technische alsmede enige andere
wijzigingen (Veegwet SZW 1997; Kamerstukken 25 641) in werking
treden.
Art.
7.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Het Oude Loo, 24 december 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de dertigste
december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[24 december 1997]
Algemeen
1. Achtergrond
Op het terrein van de wetgeving inzake
leefvormen zijn diverse ontwikkelingen gaande.
Ten eerste zijn nieuwe aanwijzingen
voor de regelgeving vastgesteld tot harmonisatie van de wettelijke
bepalingen over ongehuwd samenlevenden ter verbetering van de uitvoerbaarheid
en handhaving daarvan. Deze aanwijzingen vinden hun
oorsprong in het rapport van een interdepartementale werkgroep over
harmonisatie van leefvormbepalingen in de regelgeving (Kabinetsstandpunt
van 14 augustus 1996, Kamerstukken II 1995-1996, 22 700, nr. 21). Het advies van de werkgroep en
de daarop gebaseerde aanwijzingen voor
de regelgeving sluiten inhoudelijk grotendeels aan bij hetgeen reeds is
vastgelegd in de in 1996 in werking getreden Algemene bijstandswet
(Abw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz) en de Algemene nabestaandenwet
(Anw). Deze nieuwe aanwijzingen voor de regelgeving
noopten tot aanpassing van de socialeverzekeringswetten. Deze aanpassingen zijn opgenomen in
hoofdstuk III van
het op 29 september 1997 ingediende voorstel van wet houdende
nadere wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten en enige
andere wetten, houdende intrekking van de Wet
Werkloosheidsvoorziening,
eenvormige definiëring van de term gezamenlijke huishouding en
technische alsmede enige andere wijzigingen (Veegwet SZW
1997, Kamerstukken 25 641). Overeenkomstig
het advies van de werkgroep is, gelet
op het specifieke karakter van de sociale zekerheid, in de
leefvormbepalingen in dat hoofdstuk III
een aanvullende bepaling opgenomen:
personen die hetzelfde woonverblijf hebben en die bij een ander
uitvoeringsorgaan als samenwonend geregistreerd staan, worden, zonder
mogelijkheid van verweer, aangemerkt als gehuwd. Deze uitzondering is noodzakelijk om te voorkomen dat
personen zich afhankelijk van te
behalen voordelen ten behoeve van de ene socialeverzekeringswet wel en de
andere niet als ongehuwd samenwonend laten registreren (het zogenaamde
regelwinkelen). Een dergelijke bepaling was reeds
opgenomen in de Abw, de Ioaw, de Ioaz en de Anw en nader uitgewerkt in het
Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding en het
Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding Anw.
Een tweede ontwikkeling is de recente
wijziging van het Burgerlijk
Wetboek (BW) en van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering in
verband met opneming daarin van
bepalingen voor de registratie van een samenleving (Stb. 1997, 324). Kort
samengevat wordt in die wetten de samenleving van personen die hun samenleving hebben laten registreren
bij de burgerlijke stand op een groot
aantal punten gelijkgesteld met het huwelijk. In het op 18 juni 1997
ingediende wetsvoorstel tot aanpassing van wetgeving aan de invoering van het
geregistreerd partnerschap in Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek (Aanpassingswet geregistreerd
partnerschap; Kamerstukken II 25 407)
worden onder andere de socialeverzekeringswetten op dit punt aangepast.
In verband met de voorgaande twee
ontwikkelingen heeft een heroverweging plaatsgevonden met betrekking tot de
vraag op welke plaats in een wet de definiëring van geregistreerd partnerschap en gezamenlijke
huishouding nu dient te worden
opgenomen. Dit was tot op heden in de diverse socialeverzekeringswetten niet
op eenduidige wijze geregeld. In een aantal wetten is de definitie van gezamenlijke huishouding in de
bepaling inzake de overlijdensuitkering opgenomen, terwijl in andere wetten
hiertoe een definitiebepaling
is opgenomen in één van de eerste artikelen van de wet.
In de aanpassingen van de
socialeverzekeringswetten is, zoals voordien ook al zo was in de Abw,
Ioaw, Ioaz en Anw, gekozen voor de laatste aanpak.
Als gevolg hiervan zou het Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding en het Besluit aanwijzing
registraties gezamenlijke huishouding Anw gewijzigd dienen te
worden. Tevens zou op basis van de Algemene Ouderdomswet (AOW), de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), de Toeslagenwet
(TW), de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong), de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ), de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de Ziektewet
(ZW) een dergelijk besluit
getroffen dienen te worden.
Om deze reden is ervoor gekozen de
hierboven aangehaalde twee besluiten in te trekken en te
vervangen door één nieuw besluit inzake aanwijzing registraties gezamenlijke
huishoudingen. Bijgaand besluit is derhalve gebaseerd op de hiervoor
genoemde wetten. De tekst van het besluit en van deze nota van
toelichting zijn echter voor zover mogelijk afgeleid van de eerder genoemde twee
besluiten.
2. Dit besluit
Een goede uitvoering van het
partnerbegrip in één van de wetten waarop dit besluit ziet
(artikel 2), is
gediend met de mogelijkheid gebruik te maken van de toepassing van hetzelfde
of overeenkomstige begrippen in andere regelingen ten aanzien van de
gezamenlijke huishouding. Aldus wordt voorkomen dat betrokkenen de
presentatie kunnen aanpassen al naar gelang het financieel voordeel dat daarmee te behalen valt. Met deze
aanpak wordt het zogeheten "regelwinkelen" tegengegaan.
In dit besluit zijn alleen die
registraties opgenomen die materieel eenzelfde partnerbegrip kennen. In dat
geval kan de kwalificatie als partner uit een andere regeling worden overgenomen. Dit betekent een
aanzienlijke verlichting van de
bewijslast voor de belanghebbende en het uitvoeringsorgaan. De registratie
heeft alleen dit gevolg indien er sprake is van het gezamenlijk verblijven in
hetzelfde hoofdverblijf.
Voorts wordt in dit besluit ook de
reikwijdte van de desbetreffende registraties in de tijd aangegeven.
Gekozen is voor een termijn van twee jaar, overeenkomstig de termijn die
gold in Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding en het
Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding Anw. Vooropgesteld zij dat
welke termijn ook wordt gekozen, de keuze steeds een min of
meer arbitrair karakter zal dragen. Enerzijds moet de termijn niet te ver
in de tijd teruggaan, omdat anders ook minder actuele registraties zouden
doorwerken. Dit moet voorkomen worden. Voorts zou een langere termijn
mogelijk de uitvoering te zeer belasten. Anderzijds wordt het nadeel
van het al genoemde "regelwinkelen" groter naarmate de termijn korter zou
worden vastgesteld. Een keuze voor een periode van twee jaar
acht het kabinet evenwichtig.
Opmerking verdient dat het uiteraard
niet zo kan zijn dat een registratie die berust op een administratieve vergissing de betrokkenen tot
gezamenlijke
huishouding maakt. Op grond van de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal een verzoek tot
wijziging van de registratie door de belanghebbende bij de registratiehouder tot gevolg hebben dat deze de
registratie in overeenstemming brengt
met de werkelijkheid. In de Wet persoonsregistraties [zie Wet
bescherming persoonsgegevens, red.] is bepaald dat
een belanghebbende een verzoek kan doen tot verbetering of wijziging van
de registratie bij de registratiehouder. Hieraan zal veelal gevolg
worden gegeven. Zo dit niet gebeurt, dan kan de belanghebbende een verzoek
indienen bij de rechtbank tot aanpassing van de registratie. Indien
de rechtbank oordeelt dat wijziging aan de orde is, dient de registratiehouder niet alleen zorg te dragen voor
aanpassing van zijn registratie, maar
ook alle derden aan wie gegevens uit de registratie zijn verstrekt in het
verstreken jaar mededeling te doen van de inmiddels opgetreden wijziging. Dit
laatste geldt evenzeer indien de registratiehouder deze wijziging zelf
aanbrengt op verzoek van de belanghebbende. De Sociale
Verzekeringsbank (SVB), een uitvoeringsinstelling of het gemeentebestuur
kan in deze
situatie vervolgens uitgaan van de juiste registratie.
Bij de afweging welke registraties in
aanmerking komen voor doorwerking naar andere wetten is
bezien in hoeverre sprake is van een materieel overeenkomend partnerbegrip,
en naar aard en zwaarte van de rechtsgevolgen die verbonden zijn aan
de kwalificatie als gezamenlijke huishouding. De in artikel 3 genoemde registraties zijn de uitkomst van
deze afweging. Overigens kunnen andere
registraties als gezamenlijke huishouding, die niet zijn opgenomen
omdat deze niet volledig kunnen worden gelijkgesteld met het begrip
gezamenlijke huishouding in de wet, door de SVB, een
uitvoeringsinstelling
of een gemeente wel worden meegenomen in haar beoordeling van de
feiten en omstandigheden en leiden tot de conclusie dat er sprake
is van een gezamenlijke huishouding. Hiervoor is echter een zelfstandig
onderzoek nodig.
Uiteraard zal in de evaluatie van de
Anw, zoals toegezegd in de toelichting bij het Besluit aanwijzing
registraties gezamenlijke huishouding Anw, ook aandacht worden besteed aan de uitwerking van
dit besluit in de praktijk.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1. Definities
Ter bevordering van de leesbaarheid
van deze regeling zijn in artikel 1 definities opgenomen van de in het
algemeen gebruikelijke afkortingen van de diverse wetten.
Artikel 2. Toepassingsgebied
Dit artikel geeft aan op welke
registraties dit besluit van toepassing is.
Artikel 3. Aangewezen registraties
In dit artikel zijn alle regelingen
opgenomen die materieel eenzelfde partnerbegrip kennen. De eisen die aan
de samenleefverbanden worden gesteld in de desbetreffende regelingen wijken niet of slechts op geringe
punten van elkaar af.
Indien de betrokkenen hetzelfde
hoofdverblijf hebben en geregistreerd staan als gezamenlijke huishouding bij
één van de vermelde regelingen, betekent dit dat zij voor alle in artikel 2 van dit besluit bedoelde
wetten als
gezamenlijke huishouding worden
aangemerkt. Voor al deze wetten worden degenen die niet gehuwd zijn
doch wel een gezamenlijke huishouding voeren toch aangemerkt als gehuwd. Dit kan zowel
betrekking hebben op rechten als op
plichten die uit deze wetten voortvloeien.
Eerste lid, onderdeel a en b
In de regelingen, genoemd in de
onderdelen a en b, wordt (materieel gezien) hetzelfde samenleefbegrip
gehanteerd.
Wat betreft de in onderdeel a genoemde wetten
gaan artikel 1, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ),
artikel 56 Wet op
de inkomstenbelasting 1964 (IB),
artikel 23 Wet
op de loonbelasting 1964 (Wet LB), artikel 1, eerste lid, onderdeel
f, onder 2, van de Wet
op de studiefinanciering (WSF), artikel 2a, tweede lid,
onderdeel b, van de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), artikel 10, vijfde lid, onderdeel a, van de
Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en artikel
1, tweede
lid, van de Ziekenfondswet (Zfw) uit van het begrip duurzaam een
gezamenlijke huishouding voeren.
Wat betreft de in onderdeel b genoemde
wetten gaan artikel 3, tweede lid, van de Abw,
artikel 3, tweede lid,
van de Anw, artikel
1, derde lid, van de AOW, artikel
1, vierde lid, van de
CSV, artikel 3, tweede lid, van de Ioaw en
Ioaz, artikel 1, derde lid, van de TW, de
Wajong, de WAO, WAZ, de
Wvg en de ZW uit van de term
gezamenlijke huishouding.
Zowel in de situatie dat sprake is van
duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren als van een
gezamenlijke huishouding is sprake van gezamenlijke huisvesting en het door
beide partners bijdragen in de kosten van huishouding dan wel het op
andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Uiteindelijk zal daardoor
materieel gezien geen onderscheid ontstaan tussen de hiervoor genoemde
samenwoonbegrippen.
Eerste lid, onderdeel c
De registratie op grond van het
Burgerlijk
Wetboek (artikel 1623h en 1623i BW) heeft betrekking op het feit
dat op gezamenlijk verzoek van de huurder van een woonruimte en van een
andere persoon die in die woonruimte zijn hoofdverblijf heeft
(gedurende ten minste twee jaar) en met de huurder een duurzame
gemeenschappelijke huishouding voert, die andere persoon als medehuurder
wordt aangemerkt waardoor hij dezelfde huurbescherming verkrijgt als
de hoofdhuurder.
Eerste lid, onderdeel d
In de Successiewet
1956 (artikel 24)
worden ongehuwd samenwonenden op gelijke wijze behandeld als gehuwd samenwonenden indien
men gedurende ten minste een aaneengesloten periode van vijf jaar een gemeenschappelijke huishouding heeft
gevoerd.
In de Vreemdelingencirculaire op grond
van de Vreemdelingenwet is de mogelijkheid opgenomen voor een ongehuwde om een verblijfsrecht te
verkrijgen voor verblijf bij de
relatiepartner. Criterium hiervoor is dat een gemeenschappelijke huishouding gevoerd
wordt.
Eerste lid, onderdeel e
Ingevolge artikel 8, vierde lid, van de
Rijkswet
op het Nederlanderschap geldt voor een vreemdeling die met een ongehuwde Nederlander
samenleeft in een duurzame relatie
anders dan het huwelijk, een verkorte wachttijd van drie jaren (in
tegenstelling tot de reguliere vijf jaren) alvorens men in aanmerking kan komen
voor de verlening van het Nederlanderschap.
Tweede lid
In het tweede lid is aangegeven vanaf
welk tijdstip kan worden gesproken van registratie in andere wetten. Als peildatum zou kunnen worden beschouwd de datum van aanvraag, de datum waarop een besluit
op de aanvraag is gegeven, dan wel de
ingangsdatum van de uitkering. Net als bij de bij de
inwerkingtreding van dit besluit in te trekken besluiten is als peildatum voor de
registratie gekozen voor de ingangsdatum van de uitkering, dan wel de
voorziening (zoals voetoverheveling). Eerst dan heeft de registratie immers
gevolgen voor de belanghebbenden en wordt zij aangemerkt als
gezamenlijke huishouding voor de registratie in kwestie.
Artikel 4. Bijzondere bepalingen in
verband met de Abw, AOW, CSV, Ioaw, Ioaz, TW, Wajong, WAO, WAZ, Wvg en ZW
Dit artikel komt, voor zover thans nog
relevant, overeen met artikel 3 van het Besluit aanwijzing
registraties gezamenlijke huishouding.
Indien de registratie elders reeds
bestond of heeft bestaan vóór de aanvraag van bijstand, uitkering of
voorziening, betekent dit dat hiermee in het kader van de verlening van bijstand, uitkering of voorziening rekening
wordt gehouden. Dit geldt alleen
indien de betrokkenen op het moment van de aanvraag gezamenlijk gehuisvest
zijn met de persoon met wie zij geregistreerd staan. Gedurende de periode van verlening van bijstand,
uitkering of voorziening wordt
uitgegaan van de registratie die bij de aanvraag bestond en de gezamenlijke
huisvesting.
Uiteraard wordt in het kader van de
verlening van bijstand, uitkering of voorziening ook rekening gehouden met
de mogelijkheid dat betrokkenen zich tijdens de verlening van die
bijstand, uitkering of voorziening elders laten registreren als gezamenlijke
huishouding. Ook dat betekent dat de bijstand, uitkering of voorziening
daar consequenties aan verbindt in die zin dat de betrokkenen in het kader
van de verlening van bijstand, uitkering of voorziening worden
aangemerkt als partners in een gezamenlijke huishouding.
Ook in de situaties dat er voorafgaand
aan de aanvraag sprake is van registraties die geen eenduidig beeld
geven over de situatie van de aanvrager, moet de gemeente of
uitvoeringsinstelling uitgaan van de
registratie als gezamenlijke
huishouding.
Artikel 5. Bijzondere bepalingen in
verband met de Anw
In dit artikel is aangegeven wanneer
een registratie voor de toepassing van de Anw in aanmerking wordt
genomen. Dat is overigens alleen het geval indien de nabestaande hoofdverblijf heeft in dezelfde woning met
de persoon met wie hij geregistreerd
staat. Bij het indienen van een aanvraag voor nabestaandenuitkering
wordt een registratie in aanmerking genomen indien deze bestond ten tijde
van het overlijden dan wel op enig moment in de periode van twee jaar
voorafgaand aan het overlijden van de verzekerde. Voorts wordt een
registratie in aanmerking genomen indien een rechthebbende ingevolge de
Anw een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Hiertoe
strekt onderdeel b van dit artikel.
Artikelen 6 en
7. Intrekking oude
besluiten en inwerkingtreding
Voor een toelichting op dit artikel
zij verwezen naar het algemeen deel onder 1 van deze nota van
toelichting.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|
|