|
BESLUIT van 24 december 1997 tot
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur met betrekking tot
de samenwerking tussen gemeenten, het Landelijk
instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(Samenwerkingsbesluit SWI)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van
Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 november 1997, nr. SWI/97/126,
gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 111, vierde lid,
van de Algemene bijstandswet, 34, vierde lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, 34, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, 45, tweede lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, 6 van de Arbeidsvoorzieningswet
1996 en 7, tweede lid, van de Wet inschakeling
werkzoekenden;
De Raad van State gehoord (advies van
4 december 1997, nr. W12.97.0724);
Gezien het nader rapport van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uitgebracht mede
namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
18 december 1997, nr. SWI/97/178;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1. Definities
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. SWI-centrum: een accommodatie
waarin alle door Onze Minister krachtens dit besluit vastgestelde
werkzaamheden ter uitvoering van wetten in gezamenlijke afstemming
worden verricht;
c. uitvoeringsinstelling: een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.
Art. 2. Samenwerkingsovereenkomst
-1. De gemeenten, het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bevorderen
dat vóór 31 december 1998 een landelijk dekkend geheel van afspraken
over het in gezamenlijke afstemming verrichten van werkzaamheden als
bedoeld in artikel 4 wordt neergelegd in samenwerkingsovereenkomsten
waarin de gemeenten, de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening en
de uitvoeringsinstellingen die samenwerken met name worden genoemd.
-2. In samenwerkingsovereenkomsten als
bedoeld in het eerste lid worden in elk geval ten aanzien van de
volgende onderwerpen afspraken neergelegd:
a. de registratie en uitwisseling
van gemeenschappelijke gegevens;
b. de verkenning van de
mogelijkheden die de arbeidsmarkt biedt voor de inschakeling van
werkzoekenden in het arbeidsproces;
c. de presentatie van vacatures en
directe arbeidsbemiddelingsactiviteiten;
d. de beoordeling van de positie van
werkzoekenden op de arbeidsmarkt en de registratie daarvan in de
administratie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
e. de wijze waarop gebruik wordt
gemaakt van een bestandsindeling om de in onderdeel d bedoelde
beoordeling te verrichten;
f. het gebruik van de beoordeling
van de positie van werkzoekenden op de arbeidsmarkt en het gebruik van
de bestandsindeling als voorbereiding op de besluiten van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van artikel 12 van de Wet
inschakeling werkzoekenden;
g. de coördinatie van contacten met
werkgevers en de uitwisseling van arbeidsmarktinformatie en vacatures;
h. het inzichtelijk maken van de
inzet van beschikbare instrumenten en middelen voor arbeidstoeleiding en
voor plaatsing van werkzoekenden;
i. de wijze van selecteren van
uitkeringsgerechtigden door de gemeenten en het Landelijk instituut
sociale verzekeringen ten behoeve van trajectplannen;
j. de wijze waarop klachten met
betrekking tot de administratieve indeling als bedoeld in artikel 71,
tweede lid, onderdeel b, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996
worden behandeld en afstemming van deze klachtenbehandeling op de
behandeling van bezwaar en beroep tegen de besluiten van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van artikel 12
van de Wet
inschakeling werkzoekenden;
k. de wijze waarop de gemeenten, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie uitkeringsaanvragen naar het
beslissingsbevoegde bestuursorgaan doorzenden;
l. de wijze waarop leiding wordt
gegeven aan de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in dit artikel;
m. de wijze waarop geschillen die
tussen de gemeenten, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie rijzen in het kader van de samenwerking
worden beslecht;
n. de lokaties waar SWI-centra
zullen zijn gevestigd vóór 31 december van het jaar 2000.
-3. De gemeenten, het Landelijk instituut
sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zenden elke
samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid onverwijld na de
totstandkoming aan Onze Minister.
Art. 3.
Totstandkoming SWI-centra
De gemeenten, het Landelijk instituut
sociale verzekeringen en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie dragen zorg voor de totstandkoming van
een adequaat aantal SWI-centra vóór 31 december 2000.
Art. 4. Werkzaamheden in SWI-centra
-1. De gemeenten, het Landelijk instituut
sociale verzekeringen en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie laten alle door Onze
Minister vastgestelde werkzaamheden met ingang van 1 januari 2001 uitsluitend in
gezamenlijke afstemming verrichten in SWI-centra.
[SaS]
-2. De gemeenten, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie kunnen, in afwijking van het eerste lid,
onderdelen van de krachtens het eerste lid vastgestelde werkzaamheden in
gezamenlijke afstemming laten verrichten in een andere accommodatie dan
een SWI-centrum indien zij hieromtrent afspraken hebben neergelegd in
de samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.
-3. De gemeenten, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie kunnen, in afwijking van het eerste lid,
een deel van de krachtens het eerste lid vastgestelde werkzaamheden
voor bepaalde categorieën van werkzoekenden en uitkeringsgerechtigden
laten verrichten in een andere accommodatie dan een SWI-centrum indien
zij hieromtrent afspraken hebben neergelegd in de
samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel
2.
Art. 5. Regels omtrent de uitvoering
van dit besluit
Onze Minister
kan regels stellen omtrent de uitvoering van dit besluit. [SaS] [StS]
Art. 6. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Art. 7. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Samenwerkingsbesluit SWI.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Het Oude Loo, 24 december 1997
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de dertigste
december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[24 december 1997]
Algemeen
1. Inleiding
Gemeenten, de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] en het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv)
[zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV), red.] hebben op grond van de Algemene bijstandswet, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, de
Arbeidsvoorzieningswet 1996, de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en de Wet inschakeling werkzoekenden de verplichting samen te
werken om de inschakeling van
uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen.
Tot op heden is deze
samenwerkingsverplichting niet door middel van nadere regelgeving geconcretiseerd. De
reden hiervoor was dat eerst in de uitvoeringspraktijk werkbare vormen
van samenwerking moeten worden beproefd alvorens de inhoud en
wijze van samenwerking nader te preciseren in de regelgeving.
In augustus 1995 heeft het kabinet aan
het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
(CBA) en de besturen van het toenmalige Tijdelijk
instituut voor coördinatie en
afstemming (Tica) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG) verzocht
een gezamenlijke veranderingsopdracht uit te werken gericht op procesgerichte samenwerking. De
besturen hebben daartoe de
gezamenlijke regiegroep Samenwerking Werk en Inkomen (SWI) ingesteld. Die
taakopdracht is door de bewindslieden van SZW goedgekeurd.
In mei 1997 heeft de regiegroep
SWI,
met instemming van de drie besturen, zijn advies "Samenwerking
in dynamisch perspectief" uitgebracht. Het advies is tot stand gekomen
op
basis van bevindingen van samenwerkingservaringen in de locale
en regionale uitvoeringspraktijk.
Op basis van het advies van de
regiegroep SWI heeft het kabinet (Kabinetsreactie SWI van 5 juni 1997, Kamerstukken
II 1996-1997, 25 000 XV,
nr. 57) de kaders voor de toekomstige
samenwerking aangegeven.
Gelet op:
- het ontstane draagvlak voor de
SWI-samenwerking en de in SWI-centra onder te brengen
werkzaamheden;
- het advies van de regiegroep SWI
om de hoofdlijnen van de samenwerking neer te leggen in de regelgeving;
- de steun van de Tweede Kamer voor
de Kabinetsreactie SWI;
is het nodig om de overeengekomen
kaders van de samenwerking neer te leggen in onderhavige algemene maatregel van bestuur.
2. Kabinetsreactie: regelgeving met
betrekking tot samenwerking
Werkzaamheden onder te brengen in de
samenwerking
In de Kabinetsreactie SWI is
aangegeven dat om een betere, klantvriendelijke, efficiënte en effectieve toeleiding
naar arbeid te bereiken, de volgende werkzaamheden van gemeenten,
uitvoeringsinstellingen en arbeidsbureaus moeten worden
gestroomlijnd en gezamenlijk worden afgestemd:
• de presentatie van het vacatureaanbod en de directe bemiddeling;
• de registratie van
gemeenschappelijke gegevens en de inschrijving voor werk;
• het verzorgen van de
uitkeringsaanvraag, inclusief de eventuele doorverwijzing naar een
uitkeringsinstantie;
• de bestandsindeling;
• de nadere beoordeling positie op de
arbeidsmarkt ("kwalificerende intake").
Bij al deze werkzaamheden maakt men
gebruik van een uniform klantvolgsysteem, het zogeheten CVCS (CliëntVolgCommunicatieStelsel). Het CVCS is thans in ontwikkeling.
De gemeenten, de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en het Lisv
bevorderen dat er uiterlijk 31 december 1998 in
het hele land samenwerkingsafspraken tussen genoemde partijen zijn gemaakt,
zodanig dat sprake is van een landelijk dekkend netwerk van
samenwerkingsafspraken. Binnen een samenwerkingsverband worden
genoemde werkzaamheden uitgevoerd in een SWI-centrum [zie Centrum
voor werk en inkomen (CWI), red.]. In de samenwerkingsafspraken moet
onder meer worden neergelegd wáár de
SWI-centra worden gevestigd. Uiterlijk 31 december 2000 dienen in
het hele land de SWI-centra operationeel te zijn. Voorts is
voorgeschreven over welke onderwerpen in de samenwerkingsovereenkomst in ieder
geval afspraken worden gemaakt.
Het onderhavige Samenwerkingsbesluit
SWI brengt geen wijziging in wettelijk geregelde taken en
bevoegdheden van gemeenten, het Lisv
en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Op
grond van het Samenwerkingsbesluit SWI worden werkzaamheden van deze
instanties vastgesteld die in gezamenlijke afstemming moeten worden
verricht en in een SWI-centrum moeten worden uitgevoerd.
SWI-lokaties
Zoals in de Kabinetsreactie SWI is
aangegeven, dienen samenwerkingspartners bij de totstandkoming van SWI-centra
zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande accommodaties
van gemeenten, uitvoeringsinstellingen of de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Hierdoor worden onnodig hoge logistieke en andere
frictiekosten voorkomen. Het tot stand brengen van SWI-centra vergt een
zorgvuldige afweging tussen de eisen van bereikbaarheid/klantvriendelijkheid enerzijds en
efficiency
en kostenbeheersing anderzijds. De
termijn om SWI-centra tot stand te brengen, biedt de mogelijkheid aan
partijen om geleidelijk te groeien naar de gewenste samenwerking in de
SWI-centra.
Aangezien de werkzaamheden die worden
verricht in SWI-centra tot de kerntaken van gemeenten, uitvoeringsinstellingen en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
behoren, zijn deze instanties zelf verantwoordelijk voor de beheersing en
financiering van de kosten die gemoeid zijn met de totstandkoming en
exploitatie van de SWI-centra. Wel kunnen samenwerkingspartners een
beroep doen op het Rijk voor een (beperkte) financiële bijdrage in
de frictiekosten. Als voorwaarde voor deze subsidie zal gelden dat een
samenwerkingsovereenkomst is gesloten die voldoet aan de eisen van het
Samenwerkingsbesluit SWI. De ministeriële regeling op grond
waarvan de subsidie kan worden verstrekt, zal tegelijk met dit besluit in
werking treden; uiteraard kan ook ten behoeve van reeds bestaande SWI-centra
aanspraak op deze subsidie worden gemaakt.
Het onderbrengen van de uitvoering van
de genoemde taken in SWI-centra markeert een belangrijk
omslagpunt in de ontwikkeling van de stroomlijning van de uitvoeringsprocessen. Partijen zullen vanaf het jaar
2001 door de minister vastgestelde
werkzaamheden in de SWI-centra uitvoeren. De instroom van uitkeringsgerechtigden verloopt met ingang
van 1 januari 2001 via het SWI-centrum. Klanten die zich voor een uitkering melden bij een gemeente of
een uitvoeringsinstelling moeten worden doorverwezen naar een
SWI-centrum in hun regio (ongeacht de vraag of in hun woonplaats een sociale
dienst, uvi-kantoor [uvi: uitvoeringsinstelling, red.] of arbeidsbureau is gevestigd).
Voor personen die wegens problemen met
hun gezondheid zijn uitgevallen uit hun werk geldt echter
een andere procedure. De uitvoeringsinstelling zal (namens het
Lisv) moeten
vaststellen of betrokkene bij de eigen werkgever het werk kan
hervatten. Wanneer is vastgesteld dat reïntegratie bij de eigen werkgever
niet mogelijk is, komt het verrichten van werkzaamheden een SWI-centrum
in beeld.
Aard van de regelgeving;
sturingsmogelijkheden Minister SZW
In de Kabinetsreactie SWI is het tot stand
brengen van SWI-samenwerking gekenschetst als een
ontwikkelingsproces dat
zoveel als
mogelijk door gemeenten,
arbeidsbureaus en uitvoeringsinstellingen zelf wordt vormgegeven. Flexibiliteit en
inspelen op de locale en regionale situatie staat hierbij voorop. De
sturing vanuit de regelgeving beperkt zich daarom in beginsel tot (procedurele)
kaderstelling en minimumeisen.
Om de samenwerking te bevorderen, is
een aparte instantie ("Procesmanagement SWI") in het leven geroepen, onder
verantwoordelijkheid van de Minister van SZW. Het
Procesmanagement heeft zowel een
"aanjaagfunctie" als een
signalerende functie in de richting van uitvoerders, bestuurders én politiek
over het verloop en de voortgang van de samenwerking.
Het zoveel mogelijk ruimte bieden aan
samenwerkingspartners voor de vormgeving van het samenwerkingsproces
houdt echter geen vrijblijvendheid in. Integendeel. Met de
inwerkingtreding van dit besluit is immers de einduitkomst van het
SWI-proces wettelijk vastgelegd: eind 1998 zullen in het hele land samenwerkingsafspraken zijn gemaakt en
zullen de samenwerkingsgebieden zijn
vastgelegd; eind 1998 moet zijn vastgesteld wáár de SWI-centra
worden gevestigd; uiterlijk 31 december 2000 zijn al deze centra operationeel.
In de op dit besluit gebaseerde ministeriële regeling wordt aangegeven welke werkzaamheden ten minste
en welke werkzaamheden uitsluitend
moeten worden uitgevoerd in een SWI-centrum.
Alle in de regeling genoemde
werkzaamheden worden in gezamenlijke afstemming uitgevoerd in het
SWI-centrum. Deze werkzaamheden kunnen niet meer onafhankelijk van elkaar
worden verricht.
De wijze waarop deze werkzaamheden in
het SWI-centrum worden uitgevoerd en de inrichting van de
daarmee gemoeide werkprocessen worden niet door dit besluit geregeld.
Dat is een zaak die de samenwerkingspartners zelf moeten
regelen in hun samenwerkingsafspraken. De voorwaarden die hierbij worden
gesteld, zijn dat over de genoemde werkzaamheden onderlinge
afspraken zijn gemaakt, neergelegd in een
samenwerkingsovereenkomst, en dat voor de klant is gewaarborgd dat het volledige
pakket
van in dit besluit genoemde SWI-werkzaamheden in het SWI-centrum
wordt aangeboden. Daarop doelen de termen "gezamenlijk" en
"uitsluitend" van artikel 4, eerste lid.
Indien zich in de praktijk, in het
licht van de Kabinetsreactie SWI of een goede voortgang van de samenwerking,
ongewenste ontwikkelingen voordoen, dan is in eerste aanleg het Procesmanagement SWI aan zet om problemen op te lossen en
samenwerkingspartners te stimuleren tot samenwerking. Het Procesmanagement SWI
is bij uitstek in staat om flexibel en direct in te spelen op
ontwikkelingen en signalen vanuit de uitvoeringspraktijk en kan - op
basis van de kennis van de samenwerkingspraktijk - bijdragen aan het zoeken naar oplossingen. In
tweede instantie is het inspelen op
signalen en het aan de orde stellen van gerezen problemen en oplossingen een
zaak van bestuurlijk overleg. De voortgang van het samenwerkingsproces
zal nauwgezet worden gevolgd vanuit en aangestuurd worden door
middel van bestuurlijk overleg. Het Procesmanagement SWI wordt begeleid
door een begeleidingscommissie uit de drie besturen.
Ongewenste ontwikkelingen zijn onder
meer situaties dat er gebieden ontstaan waar de samenwerking niet of moeilijk van de grond komt,
situaties waar één der partijen onvoldoende is betrokken en situaties waarin een uit het
oogpunt van
doelmatigheid en kwaliteit van de dienstverlening ongewenste
kleinschaligheid en versnippering van de samenwerking dreigt. Voorkomen moet
worden dat onnodig veel tijd is gemoeid met de totstandkoming van
samenwerking.
Als desondanks de voortgang van de
SWI-samenwerking wordt belemmerd of zich in een ongewenste
richting begeeft of als uit bestuurlijk overleg c.q. Procesmanagement blijkt dat zich onvoorziene
omstandigheden voordoen waarvoor het
stellen van nadere regels wenselijk wordt geacht, zal het - gezien de politieke verantwoordelijkheid van de bewindslieden van
SZW voor het
SWI-proces - nodig zijn nadere richting te geven aan de samenwerking.
Daarom geeft artikel 5 van dit besluit
de bevoegdheid aan de Minister van SZW om nadere regels te stellen.
Deze bevoegdheid is bedoeld om adequaat in te kunnen spelen op
ontwikkelingen zoals hiervoor omschreven en om kaders te stellen bij
de bestandsindeling, zoals verderop wordt uiteengezet. Het
betreft de mogelijkheid voor de minister om nadere criteria te stellen aan de
samenwerking en de schaal van de samenwerkingsverbanden c.q. SWI-centra. Hierbij is afgezien om de
bevoegdheid in artikel 5 te limiteren
tot op voorhand denkbare situaties. Juist in een proces "onderop" kunnen
zich ontwikkelingen voordoen waarvan te zijner tijd blijkt dat voor
een goede voortgang van de samenwerking nadere kaderstelling wenselijk is.
Terughoudendheid van het gebruik van
deze mogelijkheid staat evenwel voorop. Het gebruik maken van deze
regels is alleen aan de orde als sturing via Procesmanagement en bestuurlijk overleg onvoldoende
adequaat is gebleken of als er vanuit
de uitvoeringspraktijk behoefte ontstaat aan nadere
samenwerkingscriteria.
Op deze wijze beschikt de
Minister van
SZW over een adequaat instrumentarium om op grond van zijn
politieke verantwoordelijkheid voor het SWI-proces sturing te geven aan de samenwerking en daarbij
recht te doen aan de eigen
verantwoordelijkheid van samenwerkingspartners en hen de noodzakelijke flexibiliteit
te bieden om samenwerkingsverbanden aan te gaan en lokale en regionale
keuzes te maken.
Bestandsindeling
Van de mogelijkheid tot het treffen
van regels zal in elk geval gebruik worden gemaakt om de kaders vast te leggen voor de zogeheten
bestandsindeling die gebruikt wordt
voor de beoordeling van de afstand tot de arbeidsmarkt. In het advies van
de regiegroep SWI en in de Kabinetsreactie SWI is aangegeven dat
het nodig is de kaders hiervan in regelgeving vast te leggen. Dit om te bereiken dat iedereen in het hele
land op gelijke gronden wordt
beoordeeld. Op basis van door de regiegroep aangereikte kaders
(Slotdocument Regiegroep SWI, juli 1997) wordt thans door het Procesmanagement
SWI in een aantal pilots een methodiek voor de bestandsindeling getoetst. Op grond van de
bevindingen uit de pilots zullen nadere
bestuurlijke afspraken worden gemaakt met VNG, CBA en
Lisv over het hanteren
van de bestandsindeling. Deze zullen worden vastgelegd in de nadere
regelgeving.
Schaalniveau van de samenwerking
Ook de keuze voor de schaal van een samenwerkingsverband is in
eerste aanleg een zaak van bestuurlijke besluitvorming op lokaal en regionaal niveau.
Er is niet voor
gekozen om op voorhand door de wetgever een gebiedsindeling van
samenwerkingsverbanden c.q. SWI-centra op te leggen. Dat zou
samenwerkingspartners de flexibiliteit ontnemen om naar eigen inzichten de
samenwerking af te stemmen op de lokale en regionale (arbeidsmarkt)situatie. Immers, het opzetten van
samenwerkingsverbanden start niet met
de inwerkingtreding van dit Samenwerkingsbesluit SWI, maar is een
proces dat al volop in gang is (vgl. "Tweede foto van
SWI-samenwerkingsverbanden", KPMG/BEA, juli
1997). In veel gevallen zal als gevolg
van de bestaande samenwerkingspraktijk reeds volstrekt duidelijk zijn welke
gemeenten met de uitvoeringsinstellingen en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
samenwerken. In dit verband wordt ook gewezen op de brief
van 24 juni 1997 aan de Tweede Kamer over de positie van gemeenten in het SWI-proces
(Kamerstukken
II 1996-1997, 25 000 XV, nr. 61).
Wel is in de Kabinetsreactie SWI
neergelegd dat bezien zal worden welke criteria aan het werkaanbod en
de klantenstromen moeten worden gesteld, omdat een zekere minimumomvang
van aanbod van werkzoekenden nodig is om een adequaat
voorzieningenniveau en een efficiënte samenwerking mogelijk te maken. De
verwachting is dat de samenwerking zich, mede onder invloed van het Procesmanagement, in de
praktijk zo zal ontwikkelen dat samenwerkingsverbanden ontstaan van een
- uit het
oogpunt van
voorzieningenaanbod en kostenbeheersing - voldoende schaalniveau. Als gaandeweg
de totstandkoming van samenwerkingsovereenkomsten blijkt dat
dit niet het geval is, zullen nadere criteria worden gesteld op
grond van de door dit besluit aan de minister
toegekende bevoegdheden.
Uitzonderingsmogelijkheden
Op het beginsel om de door de minister
vast te stellen werkzaamheden uitsluitend onder te brengen in een SWI-centrum gelden twee belangrijke
uitzonderingen.
In de eerste plaats is in artikel 4
geregeld dat partijen kunnen afwijken van de verplichting om alle in het
besluit genoemde taken uit te voeren in het SWI-centrum. Hiermee wordt de
mogelijkheid geopend om desgewenst enkele werkzaamheden buiten een
SWI-centrum uit te voeren, bijvoorbeeld door het inrichten van
een SWI-dependance in een gemeentehuis van een kleinere gemeente of door
het
inrichten van mobiele voorzieningen voor het verrichten van SWI-diensten.
Deze afwijkingsmogelijkheid is bedoeld
voor die situaties waarin sprake is van een grote spreiding van het klantenbestand en waar
- gezien het vereiste van een goede bereikbaarheid
en toegankelijkheid voor de klant - in redelijkheid niet kan worden
gevergd dat grote afstanden worden afgelegd (zie brief d.d. 24 juni, Kamerstukken
II 1996-1997, 25 000 XV, nr. 61).
In de tweede plaats kunnen partijen
besluiten een uitzondering te maken voor bepaalde categorieën van uitkeringsgerechtigden en
werkzoekenden die zijn ontheven van de
verplichting tot inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(Abw-gerechtigden met een volledige verzorgende taak voor kinderen jonger
dan vijf jaar; uitkeringsgerechtigden ouder dan 57,5 jaar) en WW-klanten die
door verkorting van de werktijd dan wel als gevolg van
weersomstandigheden werkloos zijn. Deze personen kunnen dan als vanouds
terecht bij de gemeente of de uitvoeringsinstelling.
Daarnaast kunnen partijen besluiten
een uitzondering te maken voor werkzaamheden die door de uitvoeringsinstellingen (namens het
Lisv)
moeten worden verricht voor personen
die wegens problemen met hun gezondheid zijn uitgevallen uit hun
werk vóórdat deze personen zijn aangewezen op de diensten vanuit het centrum
SWI.
Belangrijke randvoorwaarde bij deze uitzonderingsmogelijkheden is ten
eerste dat samenwerkingspartners de
afwijkingen nadrukkelijk hebben geregeld in hun
samenwerkingsovereenkomst. Voorwaarde is verder dat in situaties van dependances of
mobiele voorzieningen de samenwerking zo is ingericht dat gewaarborgd is
dat alle klanten gebruik kunnen maken van het volledige
SWI-voorzieningenpakket.
Toezicht
Zoals in het kabinetsreactie is
neergelegd, ondergaat het toezicht op de samenwerking op zichzelf geen
wijziging. Omdat het Samenwerkingsbesluit SWI geen wijzigingen brengt in
wettelijk geregelde taken en bevoegdheden van de drie kolommen,
blijft de rol en de positie van het toezicht formeel ongewijzigd.
Om het toezicht op de samenwerking
efficiënt en compleet te kunnen uitvoeren, is afstemming van de
werkzaamheden tussen de diverse toezichthouders echter noodzakelijk. Om die reden wordt thans tussen de
drie toezichthouders gewerkt om - vanuit bestaande toezichtkaders -
een gezamenlijk referentiekader voor het
toezicht op de samenwerking te ontwikkelen, dat als basis zal dienen
voor het toezichtsplan op de samenwerking. Met ingang van 1999
zullen de toezichthouders zich onder meer richten op de
samenwerkingsafspraken die gemeenten, Regionale
Besturen voor de Arbeidsvoorziening
en
de uitvoeringsinstellingen hebben afgesloten en de wijze waarop
uitvoering wordt gegeven aan die samenwerkingsafspraken.
Gegeven de monitorings- en informatiefunctie van het
Procesmanagement SWI, zal in dit kader nadere afstemming plaatsvinden tussen
de toezichthouders en het Procesmanagement SWI over de werkzaamheden en de
bevindingen.
Artikelsgewijs
Artikel 2. Samenwerkingsovereenkomst
De beoordeling van de positie van
werkzoekenden op de arbeidsmarkt en de registratie daarvan in de
administratie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, heeft betrekking
op de
globale én kwalificerende intake. In het verlengde hiervan is in onderdeel
e aangegeven dat afspraken gemaakt moeten worden over de methode
die wordt gehanteerd bij deze globale en kwalificerende intake.
Hoewel de uitvoering van de
Wet
inschakeling werkzoekenden (Wiw) niet tot het vereiste minimumpakket aan werkzaamheden behoort dat in
een SWI-centrum wordt ondergebracht,
stelt de Wiw dat het verstrekken van een Wiw-verklaring door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de
uitkomst moet zijn van de beoordeling
van de afstand tot de arbeidsmarkt en de kwalificerende intake, welke in
een SWI-centrum plaatsvinden. Het instrumentarium van de Wiw, waarvoor deze verklaring een vereiste is,
betreft immers voorzieningen tot
reïntegratie in het arbeidsproces via een dienstbetrekking met de gemeente of
een werkervaringsplaats bij een reguliere werkgever. De te maken
afspraak onder onderdeel f heeft hierop betrekking.
Het inzichtelijk maken van de inzet
van beschikbare instrumenten en middelen voor arbeidstoeleiding
(tweede lid, onderdeel h) betekent dat het RBA [Regionaal
Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, red.] jaarlijks aangeeft aan de
individuele gemeenten en de uitvoeringsinstellingen in het samenwerkingsverband op
welke
inzet van het prestatiebudget (aantal
trajectplannen) kan worden gerekend. Tevens betekent het dat gemeenten en
uitvoeringsinstellingen aangeven welke middelen zij inzetten voor
trajectplannen.
In het vervolg hierop dienen op grond
van tweede lid, onderdeel i, afspraken te worden gemaakt over de
wijze van selecteren van uitkeringsgerechtigden door de gemeenten en het
Lisv ten
behoeve van de toegekende trajectplannen. Dit geldt
ook voor de trajectplannen die worden gefinancierd uit de
prestatiebijdrage. De cliënten voor deze trajectplannen worden door gemeenten
en uitvoeringsinstellingen geselecteerd, maar hierbij zal altijd rekening moeten worden gehouden
met de mogelijkheden aan de vraagzijde
op de arbeidsmarkt.
Artikel
2, tweede lid, onderdeel
j,
heeft betrekking op een klachtenregeling met betrekking tot de registratie van
iemands positie op de arbeidsmarkt in de administratie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
als bedoeld in onderdeel d (de
indeling in fase 1, 2, 3 of 4). Hoewel de Arbeidsvoorzieningsorganisatie een
landelijke klachtenregeling kent (Klachtenregeling Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening, Besluit
CBA 19 november 1992) [zie ook Klachtenregeling
CWI, red.], is het wenselijk
in het kader van het samenwerkingsverband een voorziening te treffen die
specifiek is toegesneden op klachten in verband met de fase-indeling, aangezien het hier feitelijk veelal
zal gaan om een indeling die tot stand
is gekomen in overleg met een gemeente of het Lisv. Gedacht kan
worden aan het in samenwerkingsverband installeren van een klachtencommissie
die beoordeelt of de indeling op zorgvuldige wijze heeft
plaatsgevonden. Daarbij zullen ook nadere afspraken moeten worden gemaakt
over de afstemming tussen deze klachtenbehandeling en de wijze waarop bezwaar en beroep tegen
de Wiw-verklaring wordt afgehandeld,
omdat hierbij relaties te leggen zijn met de fase-indeling en de wijze
waarop de positie op de arbeidsmarkt wordt beoordeeld.
Artikel
2, derde lid, wil bereiken dat
samenwerkingspartners hun overeenkomsten deponeren bij het departement. Doel hiervan is dat de ontwikkelingen en het verloop van de
samenwerking zo goed mogelijk kunnen worden bijgehouden. Deze
ontwikkelingen kunnen aanleiding zijn tot bijsturing via Procesmanagement
en/of bestuurlijk overleg. Het oordeel van de minister
wordt schriftelijk aan het samenwerkingsverband
kenbaar gemaakt.
Artikel 3. Totstandkoming SWI-centra
In Artikel
2, tweede lid, onderdeel
n,
is bepaald dat de gemeenten, het Lisv
en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie vóór 31 december 1998 moeten bevorderen dat in door
hen te
sluiten samenwerkingsovereenkomsten afspraken zijn neergelegd ten aanzien
van de lokaties waar vóór 31 december 2000
SWI-centra zullen zijn gevestigd. Vóór 31 december 1998 zullen de
samenwerkingsverbanden gevormd moeten zijn en zal duidelijk moeten zijn op welke
lokaties SWI-centra zullen worden ingericht.
Vanaf 31 december 2000 zullen de
SWI-centra daadwerkelijk tot stand moeten zijn gebracht en operationeel
moeten zijn.
Artikel 4. Werkzaamheden in SWI-centra
In een ministeriële regeling worden
de werkzaamheden beschreven die voortaan uitsluitend moeten worden uitgevoerd in de
SWI-centra en de
werkzaamheden die in elk geval ook in
de SWI-centra moeten worden verricht, in gezamenlijke afstemming
tussen de betrokken organisaties.
Ten aanzien van de relatie Lisv-uitvoeringinstellingen kan het volgende worden opgemerkt. Uit dit artikel
blijkt onder meer dat het Lisv wordt verplicht de door de minister
vastgestelde werkzaamheden uitsluitend te
laten verrichten in SWI-centra. Op
grond van artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 laat het Lisv zijn uitvoeringswerkzaamheden verrichten door uitvoeringsinstellingen.
Uitvoeringsinstellingen
kunnen deze werkzaamheden voor elkaar
verrichten indien het Landelijk instituut
sociale verzekeringen daarvoor toestemming verleent. Daardoor kan de personele bezetting
van een SWI-centrum optimaal worden afgestemd op de werkzaamheden
die de uitvoeringsinstellingen in een SWI-centrum moeten laten verrichten.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|